21 t/m 28 december 2006

Categorieën: 2006 | Dagboeken

Trefwoorden: alleen-zijn | daderschap | geloven | geredigeerd | Moeder | Robinson Crusoe | taal | taalgebruik | vaderlandse geschiedenis | wbc's | wmsgg's | zakgericht

Jaap Schot, 21 december 2006

Het (2006) was een jaar ‘onder de medicijnen’. Prednisolon™ is een medicijn met bijwerkingen. Alles gebeurt gewoon. Er is geen daderschap, niet bij mensen en niet bij goden en niet bij dingen. Ieder levend wezen sterft en de meesten ontijdig, mensen vanwege te weinig weten omtrent hun entelechie en omtrent hun omstandigheden. Zonder te kunnen weten hoe, maken we onszelf dood. Van sommige dingen (zoals roken, spuiten, snuiven, slikken en zuipen) weten we dat het slecht voor ons is, maar wij die verstandig, mijdend, leven gaan er ook aan. Gelukkig maar, eeuwig leven is niet aantrekkelijk. Op geen enkel moment in mijn leven was het dat.

Ik heb geen boodschap aan de mensheid of enige andere abstractie.
Sinds Moeder en Maria dood zijn, ben ik volstrekt alleen, à la Robinson Crusoe, psychisch. Psychisch, het maakt niets uit of zoals in het verhaal allerlei technische problemen op te lossen zijn, of deze zich niet voordoen of door anderen opgelost worden. Het gaat er om wat die anderen voor jou zijn en wat jij bent voor die anderen. Als wij elkaar verstandig als ‘dingen die gebeuren’ opvatten, vervangbaar door andere dingen die gebeuren, zonder dat die vervanging ons iets doet, omdat we aan die ander gehecht waren, dan zijn wij allemaal ‘als Robinson’, alleen. HET NIET ALLEEN ZIJN IS EEN ILLUSIE. Pas als je (onthecht →) écht alleen bent, heb je de vraag of er een waaróm bij het gebeuren (i.c. je eigen gebeuren) is, zuiver. Het antwoord is: nee. Alles gebeurt alleen maar, er zijn geen doelen.

‘Het stellen van doelen’ is: gaan spelen. Onnodige kanalen graven voor overtollige txaenz. Groot en sterk die txaenz (→ diensten → producten) ongelijk verdelen, ongelijk, oneerlijk, en: met niet slechts de entelechie van de ánder(en) niet als criterium voor wel en niet (zo of anders) doen, maar, volkomen gebiologeerd door de rangschikking (het resultaat en de bezigheid) ook de eigen entelechie niet.
De “dingen” die ze spelen nóemen, zijn religieuze opvoeringen van dit heilige ‘ongelijkheid scheppen door onnodigs doen’, dat het wezen is van ‘het samenleven’. Religieuze vieringen, zoals de heilige mis van de roomsen en het verplichte wereldreisje van de mohammedanen (hadj).

Vanmiddag uitslag onderzoek naar prostaatspecifiek afscheidingsproduct in bloed: 10, hoogste ooit voor mij. Niet mooi dus.

Vanmiddag heeft Gerard de computer met het Internet verbonden via het kabeltje van @Home. Hoera!

Jaap Schot, 22-28 december 2006

  1. Op het weblog wil ik alleen uitleggen dat wat ik over taal en taalgebruik naar voren kan brengen:
    • Alles gebeurt, nergens is 'doen' te zien, daderschap, kunnen nalaten, wonderen, allemaal fantasie. Wat kan, kan niet nalaten te gebeuren. Een mens is een gebeurend iets. Een chemisch ding met een entelechie, zoals een atoom een neiging om zich te binden heeft. Er is geen biochemie, er is alleen maar chemie.
    • Er kan aan wat kan niets toegevoegd worden. Wat doen die mensen die bruggen en dergelijke bouwen? Ze herhalen dingen die eerder gedaan werden. Hoe nu ineens ‘gedaan’? Wel er is geen reden om wat ik naar voren te brengen, te melden (aan wie zich van hersenschimmen willen ontdoen, aan nieuwkomers en aan buitenaardsen) heb, onverstaanbaar (ja onzegbaar) te maken, door de taal buiten gebruik te stellen.
    • Menig kat kan een muis vangen. Als hij geen honger heeft, dóet hij dat niet. Tenzij hij zijn honger los van zijn behoefte aan spanning en bewegen gestild heeft gekregen. Dán jaagt hij, zoals ik eindjes fiets, terwijl ik nergens heen hoef.
    • En nu naar die bruggen bouwende ingenieurs: die werken voor de kost in een heel ingewikkeld georganiseerde gevangenis waarin LEVEN, dat is: gewoon van wat er is aan te treffen dát nemen wat je nodig hebt en verder lekker luieren en zo, ‘stelen’ heet. Mensen kunnen zoveel leren, dat dit wat we om ons heen zien, door hen heen gebeurt. Het is niet wézenlijk anders dan duiven die op babypianootjes spelen doordat ze daar door Skinnerlaboranten op geconditioneerd zijn.
    • Dat van die duiven en die ingenieurs en al die andere werkers heeft NIETS met ‘willen’ en met ‘iets maken dat niet vanzelf ontstaat’ te maken. Er ontstaat niets vanzelf, die mensen en die duiven steken niet buiten de natuur uit.
    • Tot nu toe zijn er geen ‘dingen die gebeur(d)en’ opgemerkt en bestudeerd en totaal als gevolg van álle oorzaken bekend geraakt en begrepen. Dat kán helemaal niet, ons analyseren en oorzaken zoeken eindigt altijd op heel willekeurige punten. Op z’n láátst (= diepst) eindigt een analyse op een natuurwet. Maar heus, de natuurwetenschap (fysica-chemie-biologie) is nog niet af.
    • Er zijn geen goden, ook niet Één (zie hoe Mozes dat probeert uit te leggen aan zijn volk, de bevrijden) en ook geen zes miljard picogodjes, van die filosofenbedenksels met een vrije wil, die buiten de natuur uit steekt. Allemaal pure wegdromerij úit, en propaganda vóór, de civilisatie (de rangschikkende, mensen als gebruiksvee gevangen houdende mensenplaag).
    • Leuker dan het is, kunnen we het, -eerlijk meldend, een pleonasme overigens -, niet maken. Wél duidelijk, helder, zonder verwarring, onsentimenteel.
    • Jezus, - die ook zag dat de mensen die om hem heen leefden belogen en bedrogen werden door parasitair van hen levende leiders-priesters-bestuurders -, werd met innerlijke slapwording, ontferming, bewogen door dit inzicht en al die ertegen weerloze en welwíllende mensen. Hij werd vermoord, omdat hij wat hij opmerkte meldde. Later vertelden de roomsen dat die moord een door Eén God gesteld doel was en dat wat Jezus gezegd zou hebben er verder niet toe deed. Zo gaat dat. Zie wat de zogenaamd binnen de andere godsdiensten en godloze religies handelende gelovigen doen: met kaarsjes en rare kleding en zo.
    • De Joden (Mozes en Jezus) legden uit dat er geen goden zijn aan te treffen, dat er slechts sprake van is. Er is entelechie en manna (= waarneembaars, gegevens, die de Umwelt van het dier, de mens, in kwestie vormen: een aan gegevens te árme verzameling om nooit ergens ten prooi aan te vallen, genoeg om aan voortplanten toe te komen). Dát is alles.
    • Het gaat erom óp te letten en je gegevens ten gunste van je entelechie te gebruiken. De Gever van de gegevens, daar praten ze ten onrechte over, als ze het waarneembaarheden noemen is die weldadige schenker niet geïmpliceerd.
  2. Geloven:
    • wél om als kind niet te verdrinken
    • niet als je tussen gekken iemand hoort zeggen “aldus spreekt de Ene God via mij tot U”.
  3. Er zijn geen doende goden, niet vele, geen zes miljard picogodjes, niet Eén. Er steekt met andere woorden niets en niemand buiten het natuurwettelijk geregelde (zeg toch, ondanks Heisenberg nog maar: vastliggende) uit. Er ís niets tegen wat gebeurt (= wat kán, want wat niet gebeurt, dat kán niet en wat kán gaat echt niet nalaten te gebeuren, zomaar) in aan het ‘willen’ (en desgebeden genadiglijk met dat willen ophoudend of niet). Dat er geen goden zijn, staat al expliciet in de Bijbel en “niemand heeft hem ooit gezien” wordt uitdrukkelijk vermeld van de door Mozes ingevoerde bedachte Dadergod achter (=van) een zich herhalende reeks rampen in Egypte, waarover prins Mozes aan het hof van de Farao had horen vertellen.
  4. De mens dient voortdurend, levenslang waar te nemen wat hem (zintuiglijk en anderszins) gegeven is. Als hij dat nalaat, loopt hij groot gevaar nóg verder voor het geprogrammeerde/ vastgeschreven einde van zijn entelechie ‘er aan te gaan’.
  5. Naast dat zintuiglijk waarnemen kan ‘de mens’ doordénken. Met behulp van zijn taal (dus ná onderscheiding en benoeming en ‘in een theorie vatten’ en ‘van a:b = c:d nevenverhalen voorzien’, bijv. Animal Farm). Ook dat doordénken is een vorm van functioneren. Het vinden van nieuwe ordeningen, Gestalten en inzichten levert lust uit endorfinen. God loont het ons, die het doen, om het eens zó te zeggen.
  6. God is de schrijver van onze genencombinatie in DNA. Dat godgeschreven programma (mijn genencombinatie) heeft mijn entelechie, zoals elk atoom zijn affiniteit heeft.
  7. Dat een atoom zijn affiniteit heeft, is een manier van spreken bij wat we zien gebeuren. Atomen en elementen zijn in de werkelijkheid niet gezien. Maar ze werden verzonnen (in de "goede” betekenis waarin wetenschappers q.q. verzinnen) om het uitschrijven van reactievergelijkingen en dergelijke mogelijk te maken (= gedisciplineerd te verwachten wat er zal gaan gebeuren).
  8. Goed = wat “ons” in de evolutie heeft doen overléven. En dat is zo ongeveer wat ons nu endorfinen doet aanmaken. Dat is allemaal gepraat, napraterij van mij, want ik was er toen niet en dat van die endorfinen heb ik van horen zeggen. Maar dat wij als ‘goed’ ervaren wat voor onze entelechie ‘helpt’/‘van nut is’, dát klinkt wel logisch en consistent. Meer niet hoor. Ook dít is niet om te geloven, net zo min als wat anderen zeggen en schrijven. Zelf waarnemen en (zonder in de taal, de wbc's en wmsgg's te gelóven) doordénken, dát moet.
  9. Ik kan de verwoording van ‘wat de lezer kent’ niet uitschrijven, want niet aanmaken. Ik kan alleen bij de lezer aandringen op waarnemen (manna rapen) en het bij dat rapen passende ‘weten dat je (gebruikend ‘wat je je herinnert’, ‘wat je heugt’) alleen kunt verwachten, niet kunt kénnen ‘wat je niet hier nu aan het waarnemen bent’.
  10. Wat je niet hier nu aan het waarnemen bent, dat kén je niet. Je mag het dus ook niet als basis voor je beslissingen en handelen gebruiken. Dat is onverstandig, want (minstens nú, heb je van horen zeggen en zie je in: zó is het:) herinneringen zijn geen waarnemingen. Weten is geen kennen.
  11. Ik ben als een Orang Oetan tussen Chimpansees. Het is niet méde míjn, maar puur hún Sozialgesellschaft, (‘wereld’) die volgens Thatcher geen Solidargemeinschaft is. Er is geen samen, maar ook geen onbetrokken alleen, solitair. Ze zijn op elkaar betrokken. Rangschikken en neuken, dáár gaat het om. Daartóe is al dat vechten, al dat ‘zich organiseren’, daarom is ongelijkheid aantonen (zich minderen aanschaffen en d.m.v. bewonderen sterken tot je voorvechter maken) het gestelde (i.t.t. entelechische) doel.
  12. Baby’s gaan passen in de omstandigheden waarin ze opgroeien, dat heet leren. Deel van dat ‘gaan passen in’, is scheefgroei zoals ook bij bomen is waar te nemen: natuurlijke verknipping (bonsai).
  13. Als een baby dus een jaar of zes zonder competitie (zonder sibling rivalry) en zonder leeftijdsgenootjes in de buurt om mee te spelen opgroeit, gaat het qua instelling en omgangsgedrag lijken op een Orang Oetan, niet op een chimpansee.
  14. Onze scholen zijn passend voor ‘wie wat dat betreft op chimpansees lijken’. Daar past en ‘bloeit’ zo’n anders gewordene dus niet. Net zo min als op menige ‘werkplek’.
  15. Zaken en kennis daarvan zijn bijzaak (analoog aan bijvangst van onze moderne massaal moordende vissers) voor de ‘betrokkenen’, de op elkaar betrokken groeisels uit kinderen (de chimpansee-achtigen, mijn verontschuldigingen aan die diersoort overigens). Voor deze ‘betrokkenen’ zijn relaties hoofdzaak en relaties vóel je. Wat moet je er anders mee doen, waar te nemen zijn ze niet, het zijn hersenschimmen.
  16. Ín de hersenen zijn die schimmen van precies hetzelfde materiaal als de sporen van waarnemingen en de resultaten van doordenking. Fysiek hetzelfde. Mogelijke bron van (alarmerende, activerende, kalmerende, enz.) signalen naar de rest van het lichaam. Dát feit van dat ‘van eender materiaal zijn’ is de (c.q. een) kern van de zaak (= het gebeurende).
  17. Om ‘hersenschimmen’ (woorden die slechts iets suggereren) te onderscheiden van ‘kernen van verworven herkenningsvaardigheden’ is doordénken (zo heet die bezigheid) nodig. Dat neemt txaenz, txaenz, die ‘je’ ervoor vrij moet houden van verdaan worden door (resp. aan) anderen (dat is: door/aan hun rechtstreekse gezellige of de via de media gaande output).
  18. Ik ben niet alleen maar ónsentimenteel, maar ronduit antisentimenteel.
  19. Genoemde hersenschimmen (← woorden die daders, bestaande dingen, zelfstandigheden en gebeuren slechts suggereren, níet: in herinnering van waarneming roepen) trekken gevoel en vullen daar het bewustzijn mee.
  20. Het bewustzijn vullen = gedurende enige tijd de factor aandacht van txaenz opslokken, de txaenz voor ander ‘gebruik’ ‘niet beschikbaar’ maken.
  21. Dat is de kern van de zaak: via de aangeleerde taal vol woorden die daders, bestaande dingen, zelfstandigheden en gebeuren slechts suggereren, níet: in herinnering van waarneming roepen, houdt het verleden (de omstandigheden toen, boordevol daders gedacht, weldadigen en bozen) zuigt de wereld onze txaenz weg, een klein deel voor ‘werk’, een overgroot deel, de rest, gaat aan het eind van de zuiger de leegte, de sporenloosheid in.
  22. Boordevol daders gedacht. Gedacht, niet aangetroffen, niemand trof ooit een daad aan, alleen gebeuren is ons gegeven. Het begrip ‘doen’ is niet godgegeven of bij een gegeven aangemaakt. Het is een duivels begrip, propaganda voor het rijk van de duivel: de wereld.
  23. Voor de gewone lezer is dit te abstract. Hier dus voorbeelden.
  24. De hoestende illegaal. Het is nu zó geregeld, dat wie illegaal tussen ons die hier wonen, verblijft, zover mogelijk buiten de nog niet acute medische verzorging valt. De illegaal heeft geen huisarts, waar hij met een blijvend hoestje naar toe gaat, vertellend dat hij ook afvalt en nogal veel zweet. Kortom, de illegaal loopt door met zijn niet voor de gewone middelen meer gevoelige tuberculose, tot hij tientallen anderen heeft aangestoken.
    Let op, het lijkt alsof hij wat doet, er is qua uitdrukking geen verschil met brand stichten.
  25. Het goedkope varkenslapje. Onlangs weer op televisie: varkensboeren doen (illegaal) antibiotica in het varkensvoer. Nu zijn vele bedrijven besmet met MRSA, een bijna niet dood te krijgen ziekmakende bacterie. Ik hoop dat ik de lettercombinatie goed heb, maar dat is totaal onbelangrijk voor de werking van dit voorbeeld. In dat programma natuurlijk alle geneuzel van dienst:
    • de eerzame verpleegster-boerendochter
    • de prijs van vlees
    • het dierenleed,
    • enz.,
    • enz.
  26. Wat in deze uitzendingen weer NIET werd aangestipt was dat ‘wie regeren’ het algemeen belang en niet de verdeling van de winst tot onderwerp behoren te hebben. Niet slechts idealiter, maar ook volgens de niet gevolgde regels, wetten en statuten.
  27. De democratie hier nu werkt als middel om de ondoordachtheid der záken aanwezig te laten zijn als criterium voor de beslissingen erover.
  28. De op elkaar (zeg maar: op de rangschikking, op de verdeling van de onderlinge achting) betrokkenen laten (dit zijn voorbeelden waar het niet om enkelingen die afwijken, maar om de decennia lang durende organisatie van miljoenen gaat) hun verstand van zaken verdringen door hun gevoelens bij hun relaties (die alleen binnen het spelen, dat is: alleen in gedachten, als submicroscopisch hersenmateriaal of “in de geest” bestaan).
  29. Dat is een iedereen gegeven (waarneembaar) gebeuren. Iedere week levert de televisie vers voorbeeldmateriaal. Nou én? Wel: niets. Er is voor/door mij, noch voor/door de lezer iets aan te veranderen. Het enige alternatief voor het in deze omstandigheden leven is: niet leven. Wat dan aangeduid wordt met die kromme uitdrukking ‘dood zijn’. Alsof het een bezigheid is, waaraan alsnog de dode bezig is.
  30. Het nieuwe geneuzel om het gevoel van ‘meedoen en beïnvloeden’ van een schijnonderwerp te voorzien is dat gepraat over het opwarmen van de aarde, het een dikkere deken worden van de atmosfeer, de koolzuurgasuitstoot. Een schoolvoorbeeld van niks. Zo beïnvloedbaar voor mij, als de maanafstand. Wat ontbreekt, is de bevrijdende lach over deze onzin.
  31. Alles gebeurt gewoon, maar dat mag niet tot de gebruikten (het mensenvee) doordringen. Ze mogen dat niet beseffen, want dan zijn ze niet meer zo makkelijk áf te leiden en te besturen, te gebruiken, te mennen dus.
  32. Het postuleren van daderschap (≈ vrije wil ≈ het vermogen na te laten wat door jou heen kán, een vermogen dat verwoestingen aanrichtende wervelstormen niet wordt toegeschreven) ging (resp. gaat logisch) aan het postuleren van schuldigen en verdienstelijken vooraf. Daderschap is de keerzijde van het verdelen van die eenheden (zoals moederkind, gezin, familie, stam, volk, partij) waarover men wil heersen (Machiavelli).
  33. De door dit verdelen geïsoleerde enkeling is dus door zijn aanleersels/ aanwensels (zijn ama) een exemplaar van die mensensoort die sociaal doet, zich onderling chimpanseeachtig gedraagt.
  34. De (zakgerichte) enkeling vertoont geen enkele overeenkomst met het tot een (zaakgericht) individu uitgegroeide kind.
  35. De enkeling is tot organisatie en vereniging in staat en bereid, niet tot solidariteit en naastenliefde (≈ moederliefde). De enkeling vadert, het individu moedert.
  36. De verwarring is in en om ons compleet, zodra wij een (→ “onze”) taal hebben aangeleerd.
    • Er zijn twee soorten groeisels uit kinderen: de chimpo ’s en de O-O ’s:
      • de chimpo ’s = de enkelingen die als honden naar een roedel, als gnoes naar een kudde, verlangen, maar die niet (erkend, daar gáát het om voor ons, gevangenen en dat, gevangenen zíjn wij, in deze onze civilisaties) krijgen
      • de O-O’s, zoals de Orang Oetans in het wild, ooit, weinigen nog, werden grootgebracht door een moeder alleen. Individuen, solitair, niet vijandig en/of rangschikkend, wel territoriaal: de aarde is vervuld van leven: er is geen niche over, de sterksten moeten geselecteerd als verwekkers van de volgende generatie.
    • Er zijn twee manieren van spreken bij (→ wijzen naar) ‘wat opgemerkt wordt’ van ‘wat gegeven is van de actualiteit’, dat is: de oprukkende voorkant van 'wat duurt', dat is ‘wat in de loop van de tijd gebeurt’, want: niets bestaat, alles is ononderbroken aan het veranderen. Die twee manieren van ‘spreken bij’ (→ bijspreken → bespreken) zijn:
      • met daders
      • als puur gebeuren, zonder daders. Het grof-mechanische model is al lang aangevuld met andere termen van de biologen, chemici en natuurkundigen.
    • Wij treffen ons aanvankelijk verward aan. Verward door de actieve “denkende” (gedachten aanmakende) aanwezigheid in ons van die twee manieren van bespreken.
    • Onze vraag als verwarden is: “Zijn er nou goden, vrij willenden, of niet? Zo niet dan zijn er geen verbiddelijke goden en: geen aanspreekbare mensen om ons heen, dus geen schuldigen en geen verdienstelijken.
  37. Hoe kómen we uít verwarring weg? Antwoord: NIET door op zoek te gaan naar verschijnselen die ons nog nooit gegeven waren en waarvan het bestaan (hebben ooit, elders of voor anderen) ons slechts wordt gesuggereerd.
    Gesuggereerd door woorden die wij leerden steeds via ons geheugen (→ onze gedachten, volzinnen die ons invallen).
  38. Dus NIET NAAR DE ARK VAN NOACH GAAN ZOEKEN. EN NIET NAAR ENGELEN EN SPOKEN.
  39. Dat wat ík moet opmerken, resp. doordénken wordt mij gegeven. Wat mij niet hier nu gegeven is, daaraan moet (ja mag) ik niet mijn txaenz verdoen. De Grote Gever bepaalt door Zijn Geven wát mijn onderwerpen zijn. En in mijn genencombinatie schreef Hij, in DNA, wat ik nodig heb en nodig moet doen om voort te duren. Ik moet ademen, eten, drinken, bewegen, enz. enz.. Wat ik nodig heb en nodig moet doen om voort te duren, dat ligt vast. En de gegevens die ik krijg (uit alles wat in mijn omgeving ís, daarvan het voor mij tastbare, zichtbare, hoorbare, ruikbare, enz.) moet ik gebruiken om een manier te vinden om dat nodige te nemen en te doen HIER NU. Hier nú dus zó, gezien deze actualiteit. Er is nooit iets anders gegeven dan hetgeen actueel ís, actueel in onderscheid van verleden en toekomstig en ‘zijnde’ in tegenstelling tot slechts denkbaar, slechts door bestaande woorden en verhalen gesuggereerd.
  40. Hier nú dus zó, toen dus anders en dán, láter dus, wéér anders. Op ieder ogenblik: gezien de omstandigheden. ‘Op ieder ogenblik’? Ja. Dat let heel nauw, denk bijvoorbeeld aan plotselinge rookontwikkeling: even niet ademen graag. Maar dát voorbeeld is iedereen duidelijk. Hoe kan het dan dat het loslaten van het verleden zo wordt afgeraden en zo wordt geschuwd? Hoe kun je je nu iemand voorstellen die levenslang door een natte doek blijft ademen, omdat hij ooit in een brandend huis was? Dat is raar.
    Niet minder raar is het om in je jonge jaren een massa aangeleerds op te lopen en dan levenslang te denken dat dat jouw ‘identiteit’ is. Dat is net zo onverklaarbaar en verwerpelijk als het spreken van de culturele identiteit van een (-chtone) kleuter. Dat kind weet nog niet eens wat die identiteit zou moeten inhouden aan zeden en gewoonten. En de respecteerverenigingen dringen nu bij zo’n kleuter al aan op het respecteren. Het respecteren van dat wat er niet is, wat nog aangebracht kan worden.
  41. Het is alsof er t.a.v. een boomstam wordt gezegd, dat we voorzichtig moeten zijn met de verf die op de planken zit. Die boom moet nog om het leven worden gebracht, het stoffelijk overschot nog in planken gezaagd en die planken moeten nog geverfd alvorens dat aandringen op voorzichtigheid met de verf iets kan betekenen.
    Dit kunnen ook lui die op televisie zijn wel bedenken. Het is een open vraag, waarom ze dan zulke uitdrukkingen laten passeren door het medium in kwestie heen. Naar álle mensen, ook die mensen die (nog) niet de onzin van zo’n aandringen daar kunnen opmerken.
  42. Het zijn jullie, rechters, die het als een serieuze vraag zien of iemand toerekeningsvatbaar is of niet. Alleen t.a.v. mensen (groeisels uit kinderen) winnen jullie advies van psychiaters in. T.a.v. tornado’s en dieren van andere soorten dan ‘de mens’ weten jullie het al: niet toerekeningsvatbaar: geen verdienste (→ lintje of medaille of eervolle vermelding) en geen schuld (→ berisping of mishandeling die dan ineens ‘straf’ heet).
  43. Het is dus het één of het ander. We bespreken het gebeurde (de zaak) in termen van daderschap of in termen van natuurwetenschap. Het uitkristalliseren wordt de zouten in kwestie niet als verdienste aangerekend. Ook voor het vormen van diamanten dankt men niet de betrokken koolstof en/of vulkanische gebeurtenissen.
  44. Nu is al lang duidelijk dat ook ieder mens alleen maar gebeurt. Er is geen ingeblazen levensadem aan te treffen. Er is geen biochemie, alleen chemie. Dat is een vooronderstelling van de natuurwetenschap. Complexiteit brengt nieuwe verschijnselen. Jawel, maar compliceren is geen manier om de natuur te verlaten.
  45. Onze scheikundeleraar zei herhaaldelijk: “mijn (demonstratie-)proeven lukken altijd”. Er kan niets misgaan. Er kan een verschil zijn tussen een gesteld doel en het getoonde gebeuren. Maar dat is niet iets dat mis is ‘in de natuur’. Dat verschil is niet aan te wijzen, want het ene, de bedoeling, is onwaarneembaar én los van ‘wat aangewezen wordt’. Op een keer had hij geen rókend salpeterzuur en bleef een beloofde plof uit. Waarom zet zo’n incident plus opmerking zich voor 50 volle jaren in het geheugen vast? Mijn geheugen bevat veel van die “als verzámelde” losse herinneringen.
  46. Er gaat nooit iets mis. Er wordt slechts verwacht (gewenst, gehoopt, geëist, besteld, bevolen) wat niet optreedt, niet komt, niet gebeurt.
  47. Vóórdat er computers en robots waren, werd de techniek in mensen ondergebracht. Wij eisen van de computer:
    • dat hij voor gebruikers vriendelijk is,
    • niet voor zichzelf begint ten koste van wat hij voor óns, de gebruikers moet doen,
    • alles onthoudt, en
    • totaal stipt en foutloos werkt.

    Zulke robot-computers, gemaakt van mensen dus, hadden ze vroeger.
    Zeg, in de 19de en begin 20ste eeuw toen Freud deze mensen beschreef en etiketteerde (niet meer!) als ‘anaal’ en zo.

  48. Voor deze, tot dingen gereduceerde mensen, die niet op besturing door hun entelechie plus waarnemingen, maar op buitenbesturing stonden (gezet waren, met conditioneringsgeweld en zelfvervreemding) was het geloven in ‘hun zinvol ingeschakeld zijn in het geheel van het zijnde (formulering van Rümke)’ een aanbevolen gedrag.
    Álles – juist ook het zó zijn (zo gebeuren) van ‘de wereld’ (het dáár en zo varen van het galeischip, waarin men een geketende roeier was) – moest, om draaglijk te zijn, door een god bedoeld/ gewild, zijn.
  49. De oerchristenen, die nog dat wat ze Jezus in de mond legden bedoelden, zeiden: “de keizer hééft niks te willen”.
    De keizer ís geen god. Al vinden alle Romeinen hem een god, dan nog is hij dat niet. Alle macht, zo merkten zij op, komt voort uit wapengeweld, ís: de dreiging met dat geweld. Er is macht, geen gezag. Wij zijn bang en schuw, wij zijn niet onderdanig, wij áchten niet, niet hoog en niet min en niet ver.
    Er is maar één god en voor die god zijn alle mensen ‘onderling ongerangschikt’. De keizer en zijn gevaarlijkheid door macht, zij steken niet buiten de natuur uit. Dus ijs is ook gevaarlijk, vuur ook. Zo is ook de keizer gevaarlijk, hij en al die trawanten, het hele regerende zootje.
    En zo is het hier nu ook. De erfgenamen van de keizer – allen die koopkracht hebben en voor zovér ze koopkracht hebben en daardoor een groter of kleiner samenstellend deeltje van het mystieke lichaam van Koning Klant (alias De Markt) zijn – zijn ook: geen goden. Dus niet soeverein (= niet boven kritiek verheven) en binnennatuurlijk, biologisch, gewoon parasieten.
    Al zijn ze dan binnensoortelijke parasieten, een in de biologie door de civiliserende (= mensenveehouderij/ slavernij invoerende) mensen ingebracht nieuw verschijnsel. Andere nieuwe verschijnselen die ‘de mens’ inbracht – al of niet in verband met dit binnensoortelijk parasiteren – waren het fantaseren, de vervreemding van de eigen entelechie en het zelfbedrog.
  50. Ik stel dus dat het puur inzicht volgen binnen de traditie van Mozes en Jezus is, om waar te nemen dat er in goden (≈ daderschap) door míj slechts geloofd kan worden.
    Ik kan wat ik niet waarneem, niet aanwijzen. Aanduiden met woorden die ik niet heb kunnen gebruiken als wegwijzers ooit, ziende het benoemde, is wangedrag.
  51. Iedere gelovige chimpo zal instemmers zoeken, propageren, prediken, verkondigen, missioneren, zich als gezondene met een goede boodschap presenteren.
  52. De christenen van voor de instelling van de roomse kerk voor en door de keizer, definieerden zich óm. Ván gezag toekennende slaven, naar gevangenen, die niet konden ontsnappen aan de dreigende bewapenden.
    Gebruikten bleven ze, maar ze gingen een extra mijl mee, tegen de zin van de mensenveehouders, de heren, de keizer. Dat ze alleen maar macht (= de door organisatie geschapen gelegenheid en middelen om met geweldplegen te dreigen) hadden, dat wilden ze niet bewust, geweten, beseft, benoemd en besproken hebben.
    Iedere nieuwe generatie heeft energie (dus txaenz) over en kan in opstand komen, als ze niet voor de pubertijd verward is gemaakt, door de in de taal ingebouwde propaganda.
  53. De ‘zet’ die gedaan werd met de invoering/ instelling van de roomse kerk, het nationaliseren van het gedachtengoed van Jezus van Nazareth dus, die zet was:
    • eerst het verbieden van het onder elkaar als eenvoudige doorhebbers (let wel: van geloven was nog geen sprake, het was gewoon inzien en handelen) verkondigen/ doorgeven/ uitleggen van ‘de boodschap’/ ‘het inzicht’,
    • het lezen van de uitgeschreven boodschap (de latere ‘bijbelse’ en de vele apocriefe, niet-canonieke boeken) ontraden en verbieden,
    • het voorlezen van geselecteerde stukken uit deze – nu ineens heilig verklaarde – teksten, en het geven van een volstrekt onmogelijke uitleg daarvan, via een theologie.
      Die uitleg moest geloofd, nu ja – wilde je als burger van het rijk geaccepteerd en gebruikt worden (→ een inkomen hebben) – in het openbaar beleden worden.
      Geloofsbelijdenis als onderwerpingsritueel om toegang tot maatschappelijke posities te krijgen. Van tégen de wereld (= de slavenhouderij, het binnensoortelijk parasiteren) omgebogen tot toegangsbewijs voor (= tot) die wereld.
  54. Een zet daaraan verbonden, was het ‘rooms lezen’ van de “heilige” schrift.
    Rooms lezen, dat is: lezen alsof alles letterlijk bedoeld is.
    Alsof de goden als bestaand en aangetroffen gedacht waren, ooit. Alsof de schrijvers eeuwen voor de instelling van de roomse kerk al de doelen van de keizer op het oog hadden.
  55. Ieder van ons kan ‘mijn oog viel op een opvallend doosje in de etalage’ lezen, zonder één ogenblik te denken aan noodzakelijke behandeling door een oogarts en/of aan het gebeuren van een wonder, de omkering van de zwaartekracht.
  56. Geen nuchter gezond mens verzint goden, en denkt en doet daarna alsof hij die aangetroffen heeft.
    Ook onze ondernemers doen niet alsof ze hun firma aantreffen. Niemand gelooft dat Shell en Dow Chemicals en Univé bestaan en aangetroffen werden.
    Nú leven er geen mensen meer in wier tijd van leven de Shell werd ingesteld, opgericht. Wij, de levenden, troffen de Shell aan. Ook het koninkrijk der Nederlanden en ontelbare andere IETSen. Maar geen zinnig mens doet alsof en denkt dat die IETSen initiatief nemende dingen zijn of zelfs maar dingen (dingen die gebeuren dus).
  57. Het is die manier van spreken, die wij leerden, waarbij er een dader wonend wordt gesuggereerd in ons lijf, en in vulkanen en IETSen en ismen en instellingen: mensen, goden, vrije wil.
  58. Alles gebeurt alleen maar.
    In ‘materie’ genoemde geklonterde energie zit beweging: binnen de klontertjes en ertussen.
    Niets is in rust. De afmetingen der bewegingen verschillen, dat is alles.
  59. Er is dat woord ‘bewustzijn’, dat als een nieuw verschijnsel wordt gebracht. Het verschijnt bij mij in de vorm van een 'niet-randomme' woordenstroom.
    Het is een slecht doordacht begrip. Als je aandacht er (= ergens bij) is, ben je in ieder geval bewust, wakker of dromend.
    Het blijft moeilijk. Het hoeft ook niet erg bekend te zijn om te functioneren. Dat is net als met spijsverteren, dat doe je ook niet. Het gebeurt.
  60. Als iemand, zoals ik nu, zelf geen stenen hoeft te dragen of wat dan ook hoeft te doen in het kader van de piramidebouw, voor de kost die in eigendom van de farao is, dan is het niet moeilijk voor hem om de anderen bezig te zien, precies zoals de farao ze bezig ziet.
    Maar zo’n buitenstaander is nog minder betrokken dan de farao.
    Hij ziet ze bezig, aan onnodigs. Niet slechts is hun gebeuren onnodig, zoals bij alle dieren en planten – want bij alle ecosystemen (alle ‘zin’ is immanent, endogeen, uit een cirkelredenering afkomstig). Maar het is ook nog een binnen hun eigen gebeuren, binnen dat zingevende zinloos, onnodig, het verdoen van txaenz en ‘bruikbaars’.
  61. Dat zinloze wordt niet minder afstotelijk doordat (resp. wanneer, in het geval dat) het met de betrokkenen als dieren goed gaat en/of ze in het onnodige ijverig functioneren en zich zelfs qua vaardigheden (geoefendheid, getraindheid, ervaring) verbeteren.
    De wapensystemen van nu zíjn productiever (dat is hier: qua vergiftigen, verwonden en doden) dan vroegere. Dat is zo’n onnodige vooruitgang.
    De wapens zijn zó goed dat er geen leefkracht genoeg tegenover staat, en er van uitsterven gesproken moet worden.
    Oh, nog niet de eigen soort, maar dat is een kwestie van prioriteit, niet van kwaliteit. Van halfslachtigheid der wapengebruikers, van niet doorzetten. Het is ongelooflijk hoeveel soortgenoten ‘de mens’ dagelijks onnodig doodmaakt – door uithongering meest.
  62. Wapens zijn de bronnen van ‘kunnen dwingen’ (= macht). Wapens zijn er om mee te dreigen, dus.
    Het wapengebruik, het ermee wonden en doden, heeft alleen een vertonende functie, het is alleen onderwijs.
    De oorlogen worden buiten het land gevoerd en in de kranten ‘verslagen’. Dan heb ‘je’, als regeerder, in de hand wat de inhoud van het onderwijs is.
  63. Overal waar opstand komt, komt ‘het zwaard’. Ook Jezus voorspelde dat: ‘het zwaard’ zou komen, gebracht worden, ook door zijn opstand. Hoe geweldloos ook.
    Hoezeer ook puur bestaand uit het onder woorden brengen van de waarheid dat de priesterpolitici daar toen in Jeruzalem op het gelovige volk parasiteerden.
    Parasiteren konden die doordat het gewone volk aanhoorde in plaats van zelf las en doordácht. Zich stenen voor brood liet verstrekken. Niet zelf manna (kennis) nam, maar informatie (van horen napraten, citeren, voorlezen door de priesters) accepteerde = geloofde = als motief in zich liet werken om te handelen (= gedrag te kiezen, vorm te geven, te beëindigen).
  64. Tijdelijk slechts is ‘het er zijn van leven op aarde’:
    • het er zijn van ‘de mens’
    • het er zijn van een civilisatie,
    • het zó zijn van de civilisatie,
    • het er zijn van ons,
    • mijn er zijn.

    Het zij zo.

  65. Dit rijtje is er alleen goed voor om te laten zien dat zelfs ‘de vaderlandse geschiedenis’, hoezeer ook zich vóór mijn tijd en na mijn tijd uitstrekkend, een zeer oppervlakkig en fragmentarisch iets is. Dat is helder tegen de achtergrond van ‘het er zijn van civilisatie’.
  66. Maar als de vaderlandse geschiedenis al zo, zoals een stukje van de buitenste schil van een ui is, wat zal ik dan met de actualiteit als die mij niet raakt?
    Antwoord: ik zal die zien als wat ze voor mij is. Niet ter zake, omdat dat mij omvattende niet mijn zaak is.
    Mijn entelechie is mijn zaak, mijn entelechie en verder niets.
    Ik heb mijn naasten (de andere genencombinaties, met hún entelechie) lief als mijzelf: maar ik heb het natuurrecht (om) te eten. Zoals iedere plant het natuurrecht heeft om andere planten te verdringen. Zo is het. Zo is de natuur.
    Zo is het door God geregeld. Deze formulering is even goed als die andere, ook totaal enkel en alleen maar een wegwijzer naar wat de lezer kan waarnemen: dat deeltje van ‘wat gebeurt’ waar ik het over heb.
  67. Als ik kon kiezen tussen synthetisch voedsel en levende anderen, dan zou ik moeten overwegen dat ik door te kiezen voor het synthetische het (grote of kleine, vele of weinige) levensgeluk van die eetbare andere verwierp om zelf maar niet ‘schuldig’ te worden aan ‘in de scheppingsorde meedraaiend een einde te maken aan dat geluk’.
  68. Kijk, bio-industrie is een doordenkbaar onderwerp. De mensenplaag dient een einde te vinden.
    Wij kúnnen kiezen, ieder van ons. Iedereen alleen voor zichzelf.
    Ieder ‘wij’ is een hersenschim.
    Maar wij moeten weten wat de grenzen van onze verantwoordelijkheid zijn. Onze verantwoordelijkheid is de keerzijde van onze macht, geen enkele verantwoordelijkheid kan onze macht te buiten gaan, te boven gaan.
  69. Respect is terecht ten aanzien van doordachte “standpunten – handelingswijzen” die ik niet in mij aantref. Niet dat er van die innemers van dat standpunt en ‘lui die zo handelen’ aanwezig (in leven) zíjn, is reden voor respecteren. En ook het bewaren van de lieve vrede is geen reden voor respect. En ook niet de macht van die respectabelen (door hun aantal of door hun positie), nee, alleen dat doordénken genereert respectabiliteit (eerbiedwaardigheid).
  70. Eén doordachte (één doordénker) verdient méér respect dan alle door informatie en gevoel aangestokenen tezamen.
    De mens die je naaste is, verdient je liefde, net zoveel en dezelfde soort ‘onderlinge schepselliefde’, als de slang en de kat en de mier. De onderlinge schepselliefde, die berust op de bewonderende en ‘voor het leven dankbare’ liefde voor je schepper.
    Alleen dát medeschepsel dat als dier (door aangeleerd onwaars ongestoord) functioneert/ gebeurt, verdient respect. Niet de geciviliseerde die spelletjes speelt zonder acht te slaan op de onnodige extra schade die hij daarmee aanricht voor en aan zijn medeschepsels.
  71. Dát, dat missen van alle kwalitatieve keuring van gedrag (→ stemgedrag → regeringsgedrag) is de vloek (oftewel de objectieve Achilleshiel, het uiteindelijk dodelijke zwakke punt) van de democratie hier nu: het tolerantistisch liberalistisch democratisme.
  72. De werkelijkheid buiten de samenleving doet niet mee, gehoorzaamt niet aan de democratisch tot stand gekomen wetten. De natuur is alleen te gebruiken door haar wetten toe te passen. Het geweld dat wordt uitgeoefend, komt vooral voort uit de onnodige spelen die wij spelen. De rangschikkerij als centraal voorbeeld.
    Het onderlinge geweld én het geweld tegen alles wat ‘milieu’ is – levend of niet levend ons omgeeft en deel is van de basis van ons bestaan.
    Dat geweld wordt uitgeoefend “in onze naam”, volgens de concrete uitvoerders: in onze opdracht, via onze koopkracht en via ons stemrecht hen gegeven.
  73. Bij de bladeren aan de boom in de zomerstorm is het de storm buiten hen, die hen tot zeiltjes maakt die aan de boom als geheel trekken.
    Zonder storm is er niets mis, ontwortelt de boom niet. Maar bij de mensen in de civilisatie is het een kwestie van wel of niet meedoen met het spelletje ‘rangschikken’.
    Er is geen goddelijk bevel tot rangschikken als tegenhanger van de zomerstorm in het bespreekbeeld.
  74. Voor wie het concept ‘de god van de bijbel’, die god met hulplijnkarakter, dat katalysatorconcept, niet loslaat, is er de mogelijkheid om ondoorgankelijk (← onvatbaar) te zijn voor die suggestie dat er gerangschikt (→ carrière gemaakt, modieus gekleed en aan het algemene óverconsumeren meegedaan) moet worden.
    Het concept ‘God’ blijft eender, maar verandert de andere concepten van werking.
    De goddeloze (en dat is niet alleen de atheïst, maar ook de gelóvige, voor wie immers die god er slechts van horen zeggen, van horen noemen, niet van gebruiken, van ‘in zijn denken functioneren’ is) is overgeleverd aan de anderen om hem heen, mede via de taal die hij leerde en spreekt. En die taal is niet alleen een woordenverzameling, maar ook een verzameling verhalen en theorieën. Woorden zijn díe uitspreekbaarheden die voor het aanmaken van tekst in gebruik zijn.
  75. Het horen gebruiken van een woord is akoestisch wat het zien van een exemplaar van een diersoort visueel is.
    Als ik een kat zie, roept dat zien bij mij het een en ander wakker, míjn herinneringen aan omgang en ervaring met katten.
    Ik zie niet de genetische code van dit individuele dier en niet de neerslag in zijn brein van zijn ervaringen, wat het dier aanleerde. De herkomst, het zo worden als hij is, is mij niet gegeven. Van déze individuele kat noch van zijn soort.
    Je zíet en hoort de evolutie niet, je ziet het resultaat van de evolutie zolang en waar je leeft.
    Wat je niet ziet en niet hoort en niet ruikt en waarover je tóch spreekt, dat is verdacht. Je praat na, je zegt spreekwoorden, je citeert, je spreekt ná, je praat mee (= je draait woorden volgens aangeleerde gebruiksgewoonten door de molens van grammatica en logica heen, tekst aanmakend alsof dat zomaar mag, puur omdat die gebruikte woorden ook bij anderen ongeveer zo, in gebruik, te horen, te lezen, zijn), je praat, spreekt, schrijft dóór (verder, meer) ondanks het feit dat je niets te melden hebt, dat je niét bij een zintuiglijk gegeven je aandacht hebt en ‘wat je zegt’ laat leiden door ‘wat je van dat gegeven opmerkt’ (opmerkt, dat is: niet aan je aandacht laat ontsnappen, je niet laat ontgaan).
  76. Spreken van ‘evolutie’, het is weinig anders dan bij die zintuiglijke ervaringen spreken van een of meer goden, die ‘wat gebeurt’ doen en/of bedoelen. We zien geen goden, ze zijn door ons verzonnen, zo stellen de evolutionisten.
    Feitelijk hebben wij die nu leven die woorden en die gebouwen en die dieren allemaal aangetroffen. Van goden en evolutie, het verleden, het geworden zijn, wordt slechts gesproken, er is slechts sprake van.
  77. Zózeer is de woordenwereld en de organismenwereld analoog, dat men zich memen denkt, woordbetekenissen, actief als evenzovele (exemplaren van?!) diersoorten. Deze memen leven parasitair in onze denkende breinen. Een lichaamsdeel, het denkende en sprekende deel van de hersens, in gebruik genomen door een massa fijnstoffelijke, mierachtige wezentjes, memen.
    Denken is het figuren dansen door deze wezentjes, dansfiguren die wij waarnemen als ‘inner speech’: als tekst die ons invalt en die we zouden uitspreken, als we niet geleerd hadden om meestentijds onze mond te houden en ons te beperken tot het vullen van díe spreektijd die ons daar dan in dat gezelschap en in die omstandigheden toekomt (naar wij zéér fijn aanvoelen, fijner naarmate wij beter beschaafd zijn).
  78. Ieder minderwaardigheidsgevoel is terecht, niet t.o.v. enig ander, maar t.o.v. wat de voeler zou kúnnen zijn (geworden/ gemaakt): iemand die zich niet had laten verleiden:
    • niet tot het zich meten met anderen en
    • niet tot het voelen.

    Dus t.o.v. de dénkende (op zijn taal reflecterende) mens, die zijn entelechie als leidende factor naast zijn kennis van zijn omgeving heeft bij het ‘tot zijn gedrag komen’.

  79. Ik heb de hulp van een beroeps redacteur of redigerende nodig. Om een boek met structuur te maken van (of, uit) deze verzameling notities (schrijfsels, opstellen) van akoestisch waargenomen bijendansfiguren (van wbc’s, wmsgg’s en memen (in de vorm van ‘lesvoorbereidingen’/ uit te reiken ‘collegedictaten’).
    Bijendansfiguren: als wegwijzer – naar reisdoelen voor wie óók hebben wil, ook wil némen – dienende bewegingspatronen dus. Bewegingspatronen die ‘gedachten’ worden genoemd.
  80. De oerchristenen leggen Jezus de bede – de, hem kruisigende, soldaten te vergeven – in de mond om elkaar te bezweren de – in de civilisatie gebruikte – mensen niet als daders, verantwoordelijken, opzettelijk zó spelenden te zien.
    De schuldigheid is een fantasieproduct. Iedereen gebeurt slechts.
    Het dier, menig dier, elk exemplaar van de meeste diersoorten, kan zich bewegen. Het doet dat ook, soms om te bereiken, soms om te vermijden. Van wat ons raakt (en dus ook van wat we niet konden vermijden) leren we. En we lopen door leren zowel vaardigheden – waaronder vooral veel herkenningsvaardigheid – op, als bronnen voor nachtmerries – welke bronnen we zielewonden, trauma’s, noemen.
  81. Wij, mensen, kunnen dat onszelf en anderen bewust maken, door het aan anderen aan te wijzen.
    Vooral onderwijzen (= bij ‘aanwijzen’ en ‘in aanraking brengen’ sprekend, de het onderscheiden en herkennen steunende taal aanbieden, c.q. te leren maken), c.q. lessen voorbereiden, helpt enorm bij dat bewustmaken. Het is er de ideale vorm voor.
  82. Ik, een mens, kan mijn ama loslaten.
    Dat kan ik wanneer ik mij er eenmaal van bewust gemaakt heb dat die hele massa aangeleerds, al die (opgedane, opgelopen, deels mij door vaderenden, die mij à la Skinner wilden conditioneren, aangesmeerde) ervaring, in tegenstelling tot mijn genencombinatie, ook ánders had kunnen zijn.
    Mijn ervaring (→ of = mijn persoonlijkheid) is geen deel van mijn entelechie, zat en zit niet in mijn genen, maakt geen deel uit van de bedoelingen van de scheppergod met mijn gebeuren. Nóg een keer: er moet in het aangetroffen/ aan te treffen, te zien, te vinden, zijn van die scheppergod niet geloofd worden. Maar ‘je’ moet het begrip niet buiten gebruik houden of stellen. Want zónder dat begrip ben je aan de anderen, aan de toevallige werkelijkheid om je heen, ook als dénkend wezen overgeleverd.
    Als fysiek wezen ben je gevangen binnen wat je kunt en je niet verhinderd wordt.
    Als dénkend wezen ontsnap je niet door fantaseren, maar door waarheid als enige vulling van je bewustzijn te accepteren.
  83. De waarheid bevrijdt de denkende mens niet fysiek, maar ‘psychisch’. Niet je fysieke boeien vallen af, niet je begeerten worden vervuld, maar je krijgt ál je txaenz beschikbaar om van je entelechie daar dan ‘het best mogelijke daar dan’ te maken.
    Vrijwel iedere lezer zal zien dat hij niet fysiek geboeid, gevangengehouden, wórdt.
    Hier nu in de civilisatie en in ontwikkelde culturen zijn – de tradities, en gewoonten, en de vermoede gedachten van anderen over ‘je’ – de boeien.
    Die tradities enz. kan wie inziet eenvoudig ómdefiniëren in camouflagetechnieken. Ik bén geen struik, maar daarvan nu ook weer niet te onderscheiden, voor mijn veiligheid. Onopvallendheid is een heel natuurlijk doel, van dieren.
    En wij, mensen, worden vrijwel uitsluitend door onze soortgenoten bedreigd. Het binnensoortelijk parasiteren is gedemocratiseerd. In de liberalistische democratie mag iedereen ten koste van ieder ander (proberen te) komen aan méér van ‘wat rangvertonend geconsumeerd kan worden’ dan hij zelf daaraan door ‘werken voor de kost’ toevoegt.
    Dát zijn ze aan het doen, de chimpo’s.
    Daar niet langer aan mee doen, heet dat ‘individueren’? Van – door juristen, geïsoleerde – enkeling worden tot solitair levend dier. Van chimpo tot o-o.
    Is het dát, wat ze met dat woord bedoelen?
    Ophouden met geloven en met bewonderen en met begeren en met benijden en met rangschikken. Ophouden met alle onnodigs. Eindigen op je vel en met je dood. Op binnenbesturing (entelechie) gaan staan. De dreigingen van de binnensoortelijk, ook op jou, parasiterende anderen (= van het systeem, gesystematiseerd is dat parasiteren, zie dat verhaaltje op mijn website) niet als ánders ervaren. Als anders dan de bedreigingen vanuit het niet-menselijke, van het vulkanisme bijvoorbeeld.
  84. Er ís geen passend ‘wij’ ("such a thing as society", in de woorden van Thatcher) en geen de adel instellende god (bezig geweest). Ni dieu ni droit.
    Er ís geen orde. Ook niet binnen de samenleving.
  85. Het aan de chimpo’s kwalijk nemen dat ze gebeuren zoals ze gebeuren, is een van de vele manieren om je (schaarse, eenmalige, kostbare, als fijn droog zand door je vingers vloeiend voorbijgaande, niet te bewaren) txaenz (manna) te verdoen.
  86. Chimpo’s zijn ten aanzien van hun manier van ‘spelen’ volstrekt onaanspreekbaar. Als ze anders wilden zijn dan ze zijn, dan wáren ze dat wel.
    Alleen de ongelukkigen tussen de chimpo’s (en dat zijn niet altijd de verliezers, de vernederden en de vertrapten en evenmin de onbegaafden) zijn aanspreekbaar. De uitverkorenen.
  87. Landmijnen moet je ruimen, niet een poosje in een schuur bewaren en dan weer uit een vliegtuig op een stuk land gooien of door een deze of gene laten ‘leggen’.
    Zo is het ook met schadelijke chimpo’s (zogenaamde psychopaten en dergelijke).
    Nogal de moeite waard zou het sluiten van de mijnenfabrieken zijn. Evenals het iets anders om aan te denken, geven aan de chimpo’s dan wat nu hun bewustzijn vult.
  88. Bij nader inzien is daar geen bezwaar tegen in de mensengebruikerij.
    Er zijn nog in mijn tijd van leven dingen als ‘horizontaal organiseren’ en ‘arbeiderszelfbestuur’ geprobeerd. Het wordt door weinig binnensoortelijke parasieten als een gemis ervaren dat er aan intimidatie niet meer van rijkswege hoeft te worden gedaan.
    Men laat het intimideren graag over aan de pesters en afzeikers op school en op het werk en voor televisie.
    ‘Overheid – politiek’ en bedrijfsleven kunnen dan – in voorlichting (≈ propaganda) en reclame – zich voordoen als dienaren van de gebruikten, die samen ‘het soevereine volk’ alias ‘Koning Klant’ (de markt) vormen: het hoogvereerde publiek.
  89. De aandacht van de gebruikten wordt afgeleid van het bezit van hun producten (wat ze voortbrengen aan consumeerbaars). Afgeleid naar wát dan ook.
    Het sporten, waarbij de miljarden gebruikten toeschouwer zijn, is het vóórleven van die houding.
    Vooral de Olympische Spelen, waar de noodzakelijke amateurstatus nog gehandhaafd is.
    Als de beroepssport de enige sport was, dan was – dat je je héél erg moet laten betalen, voor je inspanning – de les die de toeschouwers leerden.
    Je kunt niet, uit wat je opmerkt in de omgeving, leren wat je wilt. En je kunt niet opmerken wat niet gebeurt.
  90. Heel erg duidelijk is die andere verwarringscentrale, náást het stadion: de school.
    Dat is een kindergevangenis, die voorkómt dat ze op eigen initiatief (overal art. 461 W.v.S. overtredend) hun echte omgeving verkennen.
    Als hen dat nu duidelijk werd gezegd, dan zouden ze inzien dat ze inderdaad zo, samen, met behulp van films en proeflokalen, meer voor minder schade konden leren.
    Maar nee hoor, geen enkele onderwijzer, leraar of docent heeft ook maar als déél van zijn onderwijsopdracht/ curriculum dat inleiden in het leerling zijn (≠ het leren).
  91. Wij leerden ons lijf opvatten als een wegwerpverpakking voor genen. Door voortplanten gingen genen van mijn moeder in mij over en verder. Die genen zijn structuren, ze gaan in stof/ materie/ energie zitten en vermenigvuldigden zich zó vaak, dat dát niet via mij ook nog hoefde.
  92. Analoog wordt er gesproken van memen (ideeën, bouwstenen of ‘dansers’ voor gedachten) die in ons denkhoofd, ons brein, onze werkende hersens ‘leven’ en door onderwijs van generatie (onderwijzende/ schrijver) op generatie (leerlingen/ lezers) overgaan.
  93. Zolang er mensenbreinen zijn, kunnen daarin memen leven. Zolang er biomassa is, kunnen daarin genen leven.
  94. Er gaan in de loop van het gebeuren (= veranderen), “in de evolutie” heet dat, genen verloren en er komen nieuwe bij, en er zijn steeds ongelijke combinaties en elke genencombinatie heeft een unieke entelechie: gebeurt zó, als er geen tekorten en hindernissen optreden. Geen enkele genencombinatie treft het zo, in een couveuse te gebeuren. Het streven van elke genencombinatie is wel gericht op die omstandigheden, die ideale omstandigheden, voor zichzelf en als dát mislukt is: voor zijn kinderen-tijdgenoten.
    Het alleen van je éigen kinderen houden, is aangeleerde onzin. Wat je van een individueel, concreet kind laat houden of niet, dat is gedrag en geur en zo. Geen in het gemeentehuis geregistreerd ouderschap en ook geen door DNA-onderzoek bewijsbaar ‘biologisch’ ouderschap.
    Dat bewezen ethologen-biologen ook voor wilde dieren al.
  95. Moeder las ons de bijbel enkele malen voor. Zonder commentaar, in de vertaling voor volwassenen. Zó gaf ze taalles en memen van Mozes en Jezus door.
    Míj beschermde ze afdoende én bíj mij blijvend, tegen bevaderd (= de civilisatie, het op anderen betrokken zijn, het chimpo-zijn in gedwongen, - geslagen en gedreigd -) worden.
    Ik ben geen chimpo maar een o-o geworden (gemaakt dus). In mij zijn bepaalde memen NIET AANWEZIG. Nogal centraal is de afwezigheid van het rangschikmeem.
    De bijbel is het boek tégen de civilisatie (= het rijk van de rangschikkenden, de met dat meem besmetten, de dragers van die ziekte, dat is: die manier van onuitsprekelijk veel txaenzverlies, tot de dood toe).
  96. Menig chimpo doet pogingen om het leven van de met dat meem besmetten te redden, hun ziekte-tot-de-dood milder te laten verlopen.
  97. Jezus wordt in de mond gelegd: “ik heb de wereld overwonnen”.
    Dat wil zeggen: ik heb de ziektekiem gevonden, ik wás jullie voeten met koud water, ik doe het werk van de slaaf. Ik doe het nodige, het entelechisch juiste.
    Ik ben met het objectieve, niet met het rangschikspel, bezig. En het is het objectief nodige voor júllie, die ik liefheb als mijzelf.
    Nodig is nodig, zoals de vuile luier vervangen moet worden en niet omdat ík van de stank af wil of jou, baby, stil (→ mijn rust) wil hebben.
  98. Chimpo’s lijden aan het niet hebben van een rang. Daar zijn ze chimpo’s voor (= door).
    Chimpo’s gaan niet om entelechische redenen over tot doden, zoals de tijgers doen – en al die andere, helemaal niet te veroordelen, vleeseters.
  99. “Onze” jagers zijn lustmoordenaars die zich tot het vermoorden (= doden zonder uitputtend het lijk te gebruiken) van dieren beperken. Sport. Game. Jachtgenot.
  100. Er moeten heel veel zaken zijn om elkaar te benijden en om 'om te vechten'. Dát is een inzicht.
    Als de mensen in de ontwikkelingslanden nu alle bezittingen door ze te noteren als ‘van X’, ‘van Y’, enz., kadastraal omzetten in betwistbaars, dan kan het grote spel beginnen: het elkaar betwisten van deze dingen, het elkaar deze dingen ontfutselen, en wel: door elkaar in het aanmaken van verkoopbaars te overtreffen.
    Dat kan dan onder leiding van managers gebeuren. Dan zitten ze meteen binnen “ons systeem van binnensoortelijk parasiteren”.
  101. Dit rangschikken is een perpetuum mobile. Het gevecht gáát ergens om (om rang, om bewondering, daartoe om vertoonbaar consumeren). We noemen dat zó vechten ‘vredig’. Zo zijn chimpo’s. Ze weten niet wat ze doen, want denken óver voetbal, daarmee maak je geen goals. Het interesseert ze dus ook niet.
  102. De o-o’s móeten wel nadenken over wat de chimpo’s nu éigenlijk aan het doen zijn, want zij worden door de chimpo’s bedreigd en niet begrepen.
    In de wereld hebben de begrijpers van wat Jezus in de mond gelegd werd ‘verdrukking’.
    Dat houdt niet op als in 325 hun geschriften door de chimpostaat gestolen worden en uit hun verband gerukte memen en gedachten (≈ memendánsfiguren) worden misbruikt om de stand (keizerschap) en gang van zaken (gerangschik) goed te praten en te bevestigen.
    De werking van de memen en teksten der o-o’s wordt dus 180° omgekeerd. Iedereen die het als chimpo tot iets wil brengen moet als geloofsbelijdenis in het openbaar verklaren een o-o te zijn.
  103. Zó is het gegaan. Zó is het gedaan. Ze waren niet bewusteloos, de spelende chimpo’s, de daders. Niet bewusteloos, wél ondoordacht (en, we zagen het al: niet op doordénken, dat geen geld oplevert, gericht) én beperkt in wat ze, van wat hen gegeven was, opmerkten.
  104. Het gaat met veel chimpo’s niet goed en met allemaal loopt het slecht af.
    Ze gaan dood, zonder geLEEFd te hebben. Ze zíjn geleefd, ze stonden op buitenbesturing, via die memen.
    Ze vatten die memen op als ‘eigen’, als bouwstenen van hun ‘identiteit’.
  105. Zodra ze voorbij waren, waren ze – net als orkanen en o-o’s en orka’s en bonobo’s – voorgoed voorbij. Gebeurd. Over. Klaar. Uitgewoed.
  106. Er is niets te betreuren. Er is niet zinnig te wenen om bloemen, uitgebloeid of in de knop gebroken, het maakt niets uit.
    O-o’s zullen hun vrije txaenz wel gebruiken om zich van ‘wat gebeurt’ bewust te maken.
    Chimpo’s zullen hun txaenz verdoen aan het teisteren van hun omgeving, zichzelf en de toekomst. Ze zijn als wervelwinden: de meeste te klein om erg te zijn, sommige massaal moordend en verwoestend.
    Ze gebeuren gewoon. Niets aan te doen. Soms te vermijden, soms niet.
    Ze hebben geen hogere status dan wervelwinden, ze zijn net als die winden: ‘dingen die gebeuren’.
    Het is bespottelijk hen aanspreekbaar te denken, gek om hen aanspreekbaar te áchten. Alleen voor wie binnen het spel als scheidsrechters aangesteld zijn, is dat aanspreken passend rolgedrag. Rolgedrag is spelgedrag.
    Zij ménen het ook niet écht hoor. Hoe slecht ze ook hun spel bespreken en doordenken, ze KENNEN het als spel.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties