Jaap Schot, 23 april 2005
- Het is onzin te spreken van het assortiment van Albert Heijn. Dat assortiment is niet in het minst van hem, laat staan van de franchisehouder, afhankelijk, ( ≈ een uiting). Integendeel: dat waarmee de vakken gevuld worden is het gevolg van de werking van twee krachten: de (via propaganda, reclame en dreigend minachting van opzij in school op het werk en elders geïnitieerde en gevormde) wensen van Koning Klant en de (via loondrukken en natuurvernietigen bereikte prijsdruk-) prestaties van de managers [de slavendrijvers die het praktische werk uitvoeren, nu ja, leiden, láten doen, voor (= in dienst van, dienend) de slavenhóuders, bevoorrechten, geldschuivers, aandeelhouders van het flitskapitaal].
- Zo is het systeem.
- Ook de uitspraak ‘maar het zijn mijn eigen schappen’, die de vertwijfelde franchiser – deelnemer aan het debat over vrijheid en waardigheid in onze kapitalistische samenleving na het onweerlegbare voorafgaande nog maakte, was een onhoudbare stelling. Gezien zijn opgenomen krediet bij de bank, zijn hypotheek.
- De tussenmensen waren plat. Overgebleven waren de soevereine (= niet te bekritiseren) persoonlijk / subjectief vrije klanten en de door bewondering, aanzien en toegekend gezag vrije parasieten met hun postfeodale, want flitskapitaalvormige voorrechten.
- Moest niet iedereen persoonlijk zelf beslissen zich al of niet door de propaganda, het schelden, het voorwaardelijk stellen en de reclame te laten (ver)leiden? Nee dus.
- In zijn “Spel der Persoonlijkheid" stelt Kouwer, door het opnemen van een illustratie de vraag “Wat is er aan mij van mij?” als een centrale “psychologische” vraag voor iedereen omtrent zijn eigen zelf.
- Een talent voor taal kan door het er in investeren van txaenz worden tot een eigen schap, waarop dat wat uit de omgeving kwam en voor en door de omgeving is, namelijk de vaardigheid in het spreken van diverse talen als voor de persoon kenmerkend kan komen te staan. Talen zijn nooit privaat bezit. Met talen is het glashelder.
- Nu met al dat andere aangeleerds, dat appercepteert (of moet het appercepieert zijn?). Ik bedoel ermee dat wat ‘als iets herkend en dus opgemerkt’ wordt van het zintuiglijk en anderszins gegevene er op kan afketsen, er door kan worden aangenomen of als ‘van onbelang’ verworpen (= niet onthouden, niet verwerkt).
- Opmerken en leren gebeuren, worden niet gedaan door een bezitter van die massa aangeleerds. Maar door die massa aangeleerds zelf heen door de genencombinatie die aan het gebeuren is, aan het gebeuren want zoals alle dingen stoffelijk zijn én aan het gebeuren, ja ook kiezelstenen, maar die ‘doen’ het heel langzaam, dat gebeuren, als deel of kant van dat gebeuren, gebeuren dat opmerken en dat leren. Er is niets (geen ‘iemand’) die dat kan nalaten.
- Wat er op die eigen schappen komt te staan is wat ze de persoonlijkheid van die genencombinatie noemen. Zoals Midas Dekkers het gisteravond zei: het uitgroeien tot een baby, dat kon die genencombinatie zelf (proberen) en wij zijn er tot nu toe in geslaagd in leven te blijven. Ook het uitgroeien tot iemand met volle eigen schappen kan men aan de genencombinaties zelf overlaten: iedereen is een volwaardige vakkenvuller voor zichzelf, voor zichzelf.
- Het verschil tussen een cultuur die herkenbare min of meer eendere, bij elkaar passende, voor elkaar ‘bedienbare’ (bij computers heet dat: gebruiksvriendelijk) groeisels uit kinderen maakt enerzijds en een civilisatie die van kinderen gebruiksvee / productievee maakt anderzijds is: dat de cultuur de kinderen vormt ten gunste van henzelf en de civilisatie ten gunste van de mensengebruikers, de slavenhouders, der koopkrachtigen, de bevoorrechten.
- Ooit werd de schijn opgehouden dat de vorsten wisten wat er gebeuren moest (≈ wat zij wilden, zij waren aanvankelijk de enigen waarover gesproken werd als waren zij met een wil behept).
- De wil werd een attribuut van God (de in de hemel geprojecteerde heerser / alleenheerser) en via de Franse revolutie kregen alle voorrechten de vorm van geld en werd iedere burger ‘iemand met een wil’: burgers spelen koninkje, godje. Ze spelen dat ze vrij zijn en een wil hebben en dat het hun eigen assortiment is dat op hun eigen schappen hun persoonlijkheid staat te zijn. Bij nader inzien hebben ze niet alleen hun woorden gezamenlijk omdat dat onvermijdelijk is [want zonder gezamenlijk met anderen een uitspreekbaarheid (bijvoorbeeld licht en locht) wél of niet als woord in gebruik te hebben ís het wel een woord of geen woord] maar ook hun héle taal én hun opvatgewoonten, enz. enz.
- De samenstelling van al die personen is als de samenstelling in caleidoscopen: steeds weer een aantal van dezelfde glinsterdingetjes in steeds weer unieke constellaties. Totaal toevallige, notitie nog eerbied waardige constellaties: er zit geen enkele gedachte of bedoeling, geen DADER achter hun zó- worden. Er is dan ook totaal geen waarde aan te treffen aan hun zo blíjven !!!!!!
- Dat wat even over de persoon gezegd (≈ gemeld) móest worden, moest omdat het waar (≈ aan te treffen) is.
- Moest, niet omdat de waarheid verdediging van node heeft, nee, de waarheid als enige niet. Moest om binnen het terrein van de goede trouw te blijven, buiten het gebied van het twistgesprek, de drijfzandterrein van de meningen.
- Ik ben nu al een dag of 14 aan het doordenken over vriendschap, vooral die ware, die lege, die de personen betreft, die hersenschimmen zijn. Het enige wat aan te treffen is zijn andere genencombinaties die aan het gebeuren zijn, nergens zijn daders.
- Als ik van een persoon zou moeten houden (voor een persoon sympathie zou moeten hebben, met een persoon bevriend zou moeten zijn) zou dat neerkomen op het liefhebben van / sympathiseren met een verzameling sporen van een toevallige samenlopen in de loop van de tijd op de plaatsen waar deze andere genencombinatie zich toevallig in der ruimte ophield. Dat slaat dus overduidelijk op niks.
- Van die totale persoon moet is helemaal niks hebben en iedere tot individu geworden mens kent dat bovenbeschreven feit de persoonlijkheid (de apperceptieve massa) nergens op slaat en dat de reïncarnerende, verhuizende ziel, een verzinsel (??) uit een andere cultuur/ religie (hindoeïsme) is. Zoals er her en der toevallige gebeurtenisjes worden geduid als bewijzen van Gods werken aan Zijn heilsplan, zo ook wordt er van alles en nog wat geduid als bewijs voor dat zielsverhuizen.
- Wij worden door onze regeringen / overheden en de restanten van religies van een eigennaam voorzien en op die manier wordt ons gesuggereerd dat wij (als apperceptieve massa / als persoon) begrensde systemen zijn. Dat zijn we niet en wat de zaak nog verwarrender maakt is het feit dat onze advocaten ons voor totaal geschift houden als ze ons (als de ‘cultural maximizers’ zie in Jules Henry “culture against man” die ze zijn, Spong, e.v.a.) vol trots hun waan ‘de dader is onschuldig tot de rechter hem schuldig heeft geoordeeld’ voorhouden.
- Ze zeggen dus restloos duidelijk: schuld wordt niet aangetroffen, maar door een rechtssysteem gemaakt, verzonnen, als waanidee ingevoerd in ‘het gespreek’ / het gesprek / de rede. Zoveel voor redelijkheid, de ratio. In den beginne was het woord met de gebruiksgewoonten, er was daarvóór NIETS en er is daardóór niets: de prater schept niet.
- Maar de trouwhartige kinderen die dit niet leren kennen alvorens ingevoerd te worden in de gespreek, dit spreken (over daderschap en schuld en heldendom) wantrouwen eerder hun eigen niet-aantreffen dan het gewauwel van alle volwassenen om hen heen.
- En dit is meteen de verklaring waarom Descartes het gewonnen heeft van Locke in de propaganda voor doorpraten al heb je niks te melden versus Locke’s: dan zwijgen, dan niet doorpraten, niet doen alsof. De rede heeft in het sociale over de zintuigen gezegevierd. Dat wat niet sociaal is werd als terrein aan het eerlijk (wetenschappelijk) waarnemen en melden i.p.v. vertellen toegewezen: konden ze aan de sociaal bezigen mooi nieuwe wapens leveren. Van Archimedes tot Einstein.
- De grote leugen is al lang geleden en ononderbroken, herhaaldelijk ontmaskerd en door moord weer aan de macht geholpen. Alle revoluties zijn mislukt. Pas Krishnamurti zei openlijk dat de waarheid niet verdedigd hoefde te worden: niet nodig, is niet te onderdrukken en aan iedereen gegeven, als hij er de txaenz voor over heeft om op zoek te gaan en zich de ervoor nodige kwaliteiten in zijn txaenz als factoren in te voeren door leren en doordenken.
- Niet afdwalen van het onderwerp, zich niet laten afleiden, niet in interactie gaan met ‘sociale wezens’, ‘redelijke wezens’, exemplaren van het ‘animal rationale’, want het heeft geen zin zich voor het ondergaan van mishandeling en moord aan te melden. Het verhaal over Jezus toont aan dat ze het niet waard zijn.
- ‘Alles’ omsluit onszelf. Alles gebeurt alleen maar: er is geen daderschap aan te treffen en er zijn door het geven van eigennamen en soortnamen geen aangetroffen grenzen benoemd laat staan geschapen.
- Andere religies dan die met God en Abraham hebben dit gewoon kunnen zeggen omdat er andere delen als staatsdragend werden gebruikt.
- En wat gebeurt is ons door de zintuigen en de taalvermogens gegeven, niet door toestemming van anderen. Heel veel is geheim te houden, maar niet álles wat waar is, niet de fundamentele dingen. Die geheimen zijn vreselijk oppervlakkig en zijn deel van het sociale spelen. Het is echt totaal oninteressant wie wie opdracht gaf tot welke massamoord. Die moord is al lang voorbij en wat voorbij is, is geen enkele gedachte waard.
- Het gaat niet om de les, maar om wat er geleerd is. Alle schaakspelen zijn minstens caleidoscopisch uniek, ze komen echt niet meer terug en dan nog is het verloop niet te variëren. ‘Wat gebeurt’ is als één enkel schaakspel: er is geen terug en geen hanteren van ‘wat was’.
- Voor het jagen en uitmoorden van seriemoordenaars is wat te zeggen. Eenmalige daders, zoals Hitler en Stalin zijn een andere categorie. De series misdadigers van díe soort wordt door ‘het sociale’, ‘het systeem’, de mensenveehouderij aangemaakt. Het zijn de bezetters van de topposities in de civilisatie, in de beschaving, waar zoveel lof voor gezongen wordt.
0 Reacties