Jaap Schot, 23 september 2003
TXAENZ MAAL AMA
Wij gebeuren, zichtbaar voor de ander, als een stroom van txaenz door een ama. Zoals slagroom uit een zak via een ‘leuk’ gevormde uitgang wordt geperst, zoals het water sproeiend neerkomt via de douchekop. Iedere ama is uniek, eenmalig, dus herkenbaar, voor wat wij aan ‘gebeuren van de ander’ zien: kenmerkend, specifiek. Iedere ama is uniek en ononderbroken aan het veranderen, door ieder iets dat wij leren veranderen wij en wij leren ononderbroken. Dat leren gebeurt, wij doen het niet. Dat stromen van die txaenz, dat gebeuren van ons als genencombinatie, dat gebeurt ook: er is niet iemand in mij die mij leeft.
Ik gebeur en dát moet ik beseffen en ik moet niet doorgaan met geloven dat ik gedaan wordt, zo al niet door een god en/of door boze of goede geesten, dan toch door mijn genen en sedert tig jaren ook door memen. Nee, er is geen behoefte aan dit juristenconcept om onszelf en de anderen wetenschappelijk te bestuderen, te begrijpen, te beschrijven.
Dat is de kern van de opstellen van de laatste maanden.
WEG MET DIE JURISTENBEGRIPPEN en daardoor met het aanklevende: 1. wangedrag en 2. ‘gedenk en gevoel met vals alarm’. Daderschap is het centrale juridische begrip. Heel veel mensen hebben dat begrip aangeleerd voordat ze konden praten en met als onderwerp: hun poepen, dat gebeuren dat hen als daad werd aangerekend. Zo gaat het in ieder geval vaak en veel in ‘onze westerse beschaving’. De juridische begrippenapparatuur is een tang om de gebruikten, het menselijk gebruiksvee, mee aan te pakken, het is de taal van het regime in de gevangenis die ‘samenleving’ genoemd wordt of ‘maatschappij’ of ‘nationale staat / ons land’. Democratiseren is: het vee, iedereen greep op die tang geven, zie de USA waar het voor de rechter slepen door iedereen normaal gedrag voor iedereen wordt gevonden. Passend. ‘Logisch’.
‘WEG MET DIE JURISTENBEGRIPPEN’ is een te korte formulering: weg met het geloof in het gelijkwaardig en gelijksoortig zijn van die (binnen een spel thuis horende, zoals ‘aan zet zijn’ in het schaken thuishoort) juristenbegrippen enerzijds en de namen voor aangetroffen en waargenomen ‘dingen die gebeuren’ anderzijds. WEG MET HET ALS HOMOGEEN EN AMORF OPVATTEN VAN DE WOORDENSCHAT / BEGRIPPENVOORRAAD / VERHALENVERZAMELING.
ZO, HET STAAT ER DUIDELIJK.
De door mij zelf gemaakte concepten txaenz en ama komen op aspecten benoemd in verschillende contexten bij anderen ook voor: ‘arbeidskracht’ is er voor txaenz en ziel (te analyseren psyche) is er bijvoorbeeld voor ama. Voor wat ik ‘IK’ noem is er ‘geest’ en ‘goddelijke vonk’.
Als ik mijzelf en anderen bespreek als IKken met ama’s en txaenzstromen, dan zie ik af van alle bestuderen, leren kennen, verkennen, analyseren en beoordelen van mijzelf en van anderen. Ik meet ze (ons) ook niet met elkaar, dus. Beoordelen (keuren, rangschikken, schuldig en verdienstelijk achten, enz.), dat doe ik niet, ik zie dat anderen het doen en deden. Hun spel.
Ik maakte, heb en gebruik de genoemde drie concepten (txaenz, ama en IK) bij het objectief beschrijven van ‘mijzelf’. Ik doe mij niet, ik gebeur, mijn txaenz voorziet in mijn nodigs voor mijn optimale verloop als genencombinatie in deze omgeving, met mijn ama als gereedschapskist waarin, verraderlijk, ook te mijden dingen liggen: wapens van anderen, in en aan mij gebracht als waren het voor mij bestemde gereedschappen, maar het zijn wapens, die zich tegen de gebruiker richten en voordeel geven aan anderen. Het zijn vaak instructies voor nodeloos en soms zelfs schadelijk gedrag (= of doen of nalaten). Mijnen, boobytraps.
Heel ‘abstract’ dus bespreek ik mijzelf en andere mensen met deze termen, ‘abstract’ dat is hier: zonder enige belangstelling voor enig detail of voor de eenmaligheid, die in de propaganda waardegevend wordt gevonden.
Door de verhalen die hen als kind werden verteld en die om hen heen worden geloofd, zijn negers vatbaar voor bangmakerij met voodoo. Dat geldt ook voor roomsen met hun verhaaltjes. Mijn eigen grootmoeder vertelde (dreigde) mij nog dat ‘Oosje Pik’ mij de regenbak in zou trekken als ik te diep in de opening voor de emmer zou kijken. En met dit zinnetje ontsnapt Oosje Pik aan de vergetelheid, via mij. Zo gaat dan met concepten. ‘Oosje’ is waarschijnlijk dezelfde als Joost, die het weten mag en pik (pek) is de stof die zwart is. Zwarte Joost, de duivel, dus, de Boze, die kinderen laat verongelukken, verdrinken in regenbakken, bijvoorbeeld.
Woordenboek (WNT) geeft herkomst Joost: van een god in het verre oosten, via, via. Verandert niets aan de argumentatie: iedereen gebruikt het woord op zijn manier, opoe dus om goedbedoeld, ermee te dreigen als vorm van waarschuwen. Zo komt een kind z’n kop vol taalrommel. Is dat nou erg? Dat is zo’n vraag naar waardering, naar het naast ‘wat gebeurt’ houden van een wensplaat, een gedachte afbeelding van ander gebeuren waaraan dan de voorkeur wordt gegeven. Zulks is blubber! Zoals Opoe met ‘Oosje Pik (misschien dus wel pik in de betekenis van pak, Joost de grijper’) de wereld van goden en duivelen / boze geesten invoert, zo voert wie de vraag stelt of dat nou erg in HET JURIDISCHE in, dat tweede deel van de staatsreligies: het zich bezighouden met de eenmalige bijzonderheden van deze mens, opgevat als dader.
Dit is centraal: niet besprekend, en in de vorm van catechisatie, waar je heen gaat om de religie te leren, maar door terloops zo geformuleerde opmerkingen en vragen over gewone dingen, wordt ’s mensen kop gevuld met deze gewoonten van opvatten, begrijpen, benoemen, aanduiden, bespreken.
Als ik ‘mijn gedachten’ genoemde, output van mijn tekstaanmaker uitschrijf, kom ik nog eens doorlezend, die gewoonten tegen, als ik goed oplet en objectief, [maar let op: toch niet: ‘als IK’, ‘IK’ doet niks] kijk naar mijn ama via de output van dat deel van die ama. Zo kan ik het ook met mijn dromen doen.
Waar het om gaat, is dat naar mijn eigen teksten en dromen ‘kijken’, zoals ik dat als wetenschappelijk werkend psycholoog zou doen naar die van elk ander.
Hier zit dus een opvatting van wetenschappelijk psychologie bedrijven: dat is dus NIET het noteren van uitgelokte teksten of reacties op (kruisjes bij) teksten. Die proefpersoon is geen dader, daderschap is een spelveronderstelling van de juristen, evenals willen, menen en bedoelen. Als iemand een proefschrift of boek over ‘het denken van de schaker’ schrijft, dan is dat prima, want dan zegt hij dat hij het over de speler van dat spel [zodra, zolang en in zoverre die aan het spelen is], heeft. Die uitspraken en reacties op uitspraken noterende (als gegevens opvattende) platte psychologen zeggen en zien NIET dat ze het over afgerichten (geconditioneerden) hebben, maar claimen het over DE mensen te hebben.
Dat was de reden waarom ik merkte dat ik geen mens werd, was en ben volgens de impliciete definitie van die platte psychologen.
Mijn doctoraalscriptie bewees dat ze dat soort onderzoek niet konden doen binnen de spelregels van de experimentele psychologie [alle proefpersonen in een onderzoek dezelfde behandeling geven, als je verschillen zoekt], door aan te tonen dat elk woord in elke proefpersoon een ongelijke verzameling associaties wakker roept. Dat had voldoende moeten zijn om er mee op te houden. Maar dieper gaat wat ik hier aanwijs: onderzoekers en proefpersonen beide zijn aan het spelen via hun ama, zonder dat ze dat in de gaten hebben, c.q. zich bewust maken door zich af te vragen: wat doen we nou eigenlijk, wat vooronderstellen we? In dit geval dus: het juridische, het daderschap. Dat, ‘dader zijn’ heeft dezelfde ONTISCHE STATUS als ‘aan zet zijn’: het is niet waar, maar het geldt, binnen een spel, daar en dan.
Elke beoordeling is: spelgedrag in dat ‘juridische’ spel. Elke beoordeling: de cijfers op school en de aai over de bol thuis en de snauw van de geërgerde, en de uitspraak van de rijdende rechter en zo voorts, tot in het oneindige strekt zich deze reeks uit. Het gewoontedenken van de gewone mens die gewoon is geconditioneerd binnen een of meer geregelde groepen, dat denken staat er stijf en bol van. Ze spelen, zonder erg, maar zonder erg wordt niet minder kwaad gedaan, zodoende, dan met erg (= boze opzet).
Onbewust maakt niet onschuldig. Niet weten wat je doet is geen reden voor de werkelijkheid om je niet met de gevolgen van je gedrag te confronteren. Wel weten ook niet. Of je zelf nog tijd van leven hebt om last te ondervinden van je wangedrag of voordeel van je keuze voor iets anders, is totaal onafhankelijk van jouw geweet en gebesef en gevoel van schuld en gedenk aan anderen en aan later.
Dat hele ge-doe is namelijk een spelletje dat al denkend gespeeld wordt, ergens in je hersens stroompjes en chemische productie van stofjes en evenwichten en verstoringen veroorzaakt, maar niks buiten, tenzij via je handen.
En dat weten de dominees en priesters: de daad moet bij het woord gevoegd worden, het geloof moet aanzetten tot daden, fatsoen moet je doen.
Als je voor en met je geloof en je rechtvaardigheidsgevoel en dergelijke ‘dingen’ die ze in je brachten niets kunt doen aan je omgeving, lijd je er alleen aan en dat was niet het doel van de africhters met jou opvoeden en instrueren en indoctrineren en inspireren tot vrijheid van keuze binnen het maximaal verdienen (je inzetten) en consumeren: nee, hun doel was en is: dat jij iets doet wat hen als parasieten voordeel brengt of minstens bereikbaar maakt.
Het is niet het begrip ‘God’ dat objectief gezien moet worden, maar juist het begrip ‘wet’. Ja, het is beter om niet over Joosje Pik te praten tegen een kind. Maar veel belangrijker is het om het kind niet te bejegenen als dader van zijn gebeuren.
Centraal voorbeeld: zeiken over in bed zeiken en in je broek poepen. DAT IS DE ZIEKMAKENDE BEJEGENING. Je merkt het aan de obsessie met de anus bij zowel Engelsen, Fransen als Duitsers. Je bent aanvankelijk van je ontlasten evenmin de dader als levenslang niet van je spijsverteren en van het kloppen van je hart.
Het ging ze ook helemaal niet om hygiëne, de instructeurs van de moeders, het ging hen om voordat de taal voor het kind beschikbaar was om het af te weren, het kind met daderschap op te schepen. Zoals het hen ook niet gaat om via sport de te weinig bewegende mensen alsnog te laten bewegen, of om sportiviteit te laten voorleven door bewonderenswaardig voorgestelde specialisten. Nee, het gaat er om te laten zien dat je je als goede en getrouwe dienstknecht, ten koste van je lijf en leden, het gevaar van kwetsuren / blessures terzijde schuivend, inzet voor een zaak waarvan je niets mee naar huis neemt, omdat jouw product van je baas (gebruiker / meester) is. Als je dát ziet, kun je meteen zien hoe het voetbal onbruikbaar is geworden als werelds prediking in ritueel gedrag van het knechtschap, het ‘gebruikte-zijn’. Die miljonairs die daar vechten om te winnen zijn vrije ondernemers, die niet in competitie met elkaar, zich met elkaar meten als knechten, maar ‘competitie spelend, voorwendend, veinzend, met elkaar concurreren). Het is een middenklasse spel geworden: een rituele opvoering van de doctrines van de wereld voor en door gebruikende gebruikten oftewel gebruikte gebruikers. Doorgankelijken voor het mensengebruik: zoals de hunnen hun ontvangen bevelen doorgaven aan hun paarden, zo geven deze goedverdienende (= ook voor het kopen van onnodigs geld krijgende / hebbende) middenklassers op hun bevelen aan anderen, naar opzij. Egalitair lijkende mensengebruikerij.
DE RETORIEK DER PERSONEN
“JE WILT TOCH DAT NIET AFSCHAFFEN, WAARUIT JE AMA KWAM EN WAARIN JE AMA JE DUS MAXIMAAL DOET PASSEN qua gedrag en gevoel van thuis zijn. De anderen reageren op jou als de vorm die je hebt, die jouw stroom txaenz heeft. Zij maken uit die vorm waarin je via je ama gebeurt (verschijnt) op wat de vorm van jouw ama is en die vorm nemen ze zover mogelijk in gebruik. Zo willen ze je dus graag laten blijven, dan komen hun verwachtingen jegens jouw en hun gebruiksplannen met jou uit.
Je persoonlijkheid heet dat dan.
De personen onderling roepen elkaar dan toe “Je wilt toch de democratie niet afschaffen (Hans Wiegel, voor tv; en dan is er niemand die zegt, Jawel Hans, hoe eerder hoe liever, hou nou eens op voor je eigen voordeel het betere in de weg te staan omdat jij zo lekker thuis en goed voordelig geplaatst bent geraakt in het bestaande”). Descartes zei: “Ik wil God niet afschaffen, de absolute dader van het in mij (komen te) zitten van dat begrip God”, nou, dat konden met hem in discussie gaande anderen toen daar zich niet veroorloven, God loochenen. Maar het uitblijven van tegenspraak is geen gelijk hebben, het is zelfs geen gelijk krijgen.
Hoe dan ook, nee, ik wil de logica niet wegdoen. We moeten alleen oppassen dat die logica niet in de weg staat bij het bereiken van zulke echter bronnen van verwarring en kwaad als dat begrippensysteem van de juristen, dat ook in al die staatsreligies is ondergebracht. Staatsreligies waarvan dan de goden worden ontkend en die juristenfantasieën gehandhaafd, onder het gevoel dat de godloochenaars nu toch echt verlicht zijn. Nee dus. Dat zijn ze niet, ze wandelen verder in diepe duisternis.
Het probleem zit ’m niet in de logica, niet in het liegen zelfs, niet in de oneerlijkheid en het zelfbelang van Hans-achtigen, maar in het blind zijn voor het feit dat het juridische een spel is met gedwongen deelname, schaak voor gevangenen die zelf stukken zijn en bij geslagen worden echt geslagen, vroeger zelfs doodgeslagen. Zijn pech, zijn speelfout met gevolgen, zijn buiten zijn schuld en toedoen hem overkomen pech, was een slag voor hem (werkloos worden bijvoorbeeld of het op hem uitgekeken zijn van zijn vriendin of wat ook). Die mensen voelen zich geslagen, want ze ‘denken’ in termen van daderschap: de mensen die hen hinderen met wrijving en botsing DOEN da, zo vatten ze op en er is niemand die hen durft te zeggen: er is een spel waarin doen wordt genoemd wat gebeuren is.
Je gedrag is objectief gezien geen doen en nalaten, maar de vorm waarin jij gebeurt. Het verantwoordelijk persoon zijn is een lullig spel van mensengebruikers, die zo vroeg op de in gevangenschap geboren baby’s aangrijpen dat die er levenslang zelf in geloven. En nu doet men ook nog, dat als je dat zelf niet in de gaten hebt, nooit je bewust maakte of het je bewust gemaakt kreeg, dat je dan als DOORGANKELIJKE ERVOOR, er ook niet een drager, een medeschuldige aan bent.
Je bent buiten spel en zonder schuld of je bent binnen spel en dan mede schuldig. WEL LOGISCH REDENEREN.
0 Reacties