Jaap Schot, 22 juni 1987
De enige gevaren die mij bedreigen zijn het doen en laten van de andere mensen en de gevolgen van dat doen en nalaten. De verhaaltjes over verscheurende dieren en over natuurrampen en over ziekten zijn allemaal futiele pogingen om met grote onwaarschijnlijkheden de vrijwel volstrekte waarheid van deze stelling aan te vechten. De gevaren van niet-menselijke oorsprong zijn voor mij te verwaarlozen. Als ik alleen op een eiland zou zijn, liep ik vrijwel geen gevaar. Als er niemand was geweest om mij tuberculose aan te hoesten, was mij zelfs die ziekte bespaard gebleven. Terwijl toch het onopzettelijk een ander aanhoesten van een ziekte een van de minst schuldig makende bezigheden is. Het gaat hier echter niet over schuld, over bedoeld handelen en over doelen (=nagestreefde gevolgen), maar over de gevolgen van het aanwezig zijn en van het doen en laten van de anderen voor mij en van mij voor de anderen.
Die anderen zijn een mensenplaag, voor mijn part kan ik zeggen: die anderen en ik zijn een mensenplaag. Daarna, nadat ik mij met geweld die medeplichtigheid, dat wij door mijn strot gewrongen heb, stel ik meteen vast dat ik mij niet heb voortgeplant. En dat ik me ook voor het overige beperk in mijn consumptie tot wat nodig is voor mijn leven en welzijn. Verder is het niet mijn schuld dat ik werkloos ben en dus niets bij kan dragen aan hetgeen gevolgen heeft voor anderen. Toen ik nog werkte was het ook niet mijn opzet dat ik niets, vrijwel niets kon doen (met studenten, voor anderen) wat positief kon worden gebruikt.
Fysieke gevaren zijn de enige die ik niet kan afweren, het hele psychische gedoe, de propaganda en de bangmakerij, de religies, voornamelijk de indoctrinatie met kapitalistische en algemeen-civilisatorische waarden, heb ik voor en in mijzelf grotendeels kunnen voorkomen en vrijwel volledig ongedaan kunnen maken.
[Met 'die algemeen-civilisatorische waarden' bedoel ik van die spelregels voor het 'Risk in het echt', voor het wedstrijden met alle anderen om alle bezitbaars. Zie voor schier eindeloze uitleg van wat ik aan verschijnselen aanduid met de term 'civilisatie' andere opstellen van mij.]
O.K. ik zit in een gevangenis die wordt gevormd door de buitenkanten van de bezittingen en voorrechten van mijn tijdgenoten. Ik ben buitengesloten, uit wat hun voorrechten (inclusief bezittingen, eigendom is een voorbeeld van een voorrecht) zijn. De buitenkanten van hun muren vormen de binnenkanten van mijn muren, van de muren van mijn cel, van mijn gevangenis. Het 'mijn' en 'dijn', van voorrechten, die vormen de stenen van de muren van onze cellen, in de grote gevangenis die de samenleving van bevoorrechten (bezitters) nu eenmaal is.
Niet slechts zit ik door het bestaan en een bevoorrechtensamenleving vormen van mijn tijdgenoten opgesloten buiten het hunne, in het mijne, maar ook wordt ik ononderbroken bedreigd met beschadigd worden en ook echt beschadigd en geschaad, kleiner opgesloten ook) door hun spel van wedijverend, ongelijk verdelend veroveren van meer ruimte, meer voorrechten, in deze samenleving met sociale mobiliteit, oftewel 'kans om hogerop te komen' oftewel: de Amerikaanse droom (die een nachtmerrie is, die echter overdag, in de wakende uren het bewustzijn vult). In deze afschuwelijke "dynamische" samenleving (God betere het, de term 'dynamisch' wordt vaak lovend, positief waarderend opgevat in dit verband) winnen wie zich aan afspraken en regelingen niet houden. Ze weten dit mogelijk te maken doordat het gewone, uitgezogen (= van een deel van zijn txaenz beroofde) volk zich laat verleiden geen wetten van Meden en Perzen te eisen, maar een afkeer te hebben van een politiestaat, zelfs als die staat een democratie is, waarin wetten veranderbaar zijn, per definitie. Iedereen denkt vooral aan die paar dimensies waarop hij tot een minderheid behoort en vreest daar de dictatuur van de meerderheid, waarin de democratie in het historisch groeiproces is verworden, toen de partijen gingen neuzentellen en onaanspreekbaar nog slechts elkaar frustrerend, van dictatuur afhouden. Het grote, allen omvattende gevecht van allen onderling om celvergroting, om meer voorrechten, vooronderstelt het elkaar schaden en/of het groeien van hetgeen men als voorrecht kan hebben. De groei van de verdeelbare voorrechten gaat vaak ten koste van die levende wezens (en hun levensvoorwaarden), die niet tot de bevoorrechtengemeenschap behoren.
Alle nagestreefde groeiwensen, die de groei van verdeelbare voorrechten ten koste van 'buiten' te boven gaan, komen neer op wensen anderen te schaden, te benadelen, ruimte af te nemen. Verdedigbare voorrechten worden dus gewenst, niet zomaar voorrechten, waarvan men immers kan verwachten dat anderen ze zullen proberen van je af te nemen, respectievelijk dat anderen ze niet zullen honoreren.
De bevoorrechten eisen allen een staat, die voorrechten beschermt, deze voorrechten (van anderen, ten koste van anderen) afdwingbaar maakt. Die staat, dat zijn alle spelers-om-meer samen, hun gezamenlijkheid in functie tegen elke enkeling. Een apart deel van het spel om meer is geworden het voor jezelf ontduiken en tegen anderen gebruiken van die afdwingende gezamenlijkheid, die staat, de wetten, de regelingen, de voorschriften en vooral ook: van de goede trouw van sommigen, die niet met de staat, met het recht op die manier als met een werktuig 'spelen', maar het werktuig in kwestie slechts 'eerlijk', voor allen gelijk willen zien werken. Op de onjuistheid van het ongelijk verdelen en verdeeld houden van de (voor)rechten willen deze 'eerlijken', 'loyalen' niet nog eens de oneerlijkheid stapelen van het spelen met het recht, met de spelregels.
Deze eerlijkheid is een zwak (= door de oneerlijke anderen gegarandeerd misbruikt) punt van de eerlijken. Zij gedogen teveel. Wie eerlijk is, moet daar een hoeveelheid eigen txaenz voor over hebben. Die txaenz moet hij besteden aan het doen (voort)bestaan van een strenge rechtspraak, aan het bijzonder volledig waar maken van de regelingen. Het is een grote fout van de huidige massa gedogers dat ze aan de agressieven, de anderen, de oneerlijken, ruimte voor oneerlijkheid laten. Het is nodig zowel de rover van roven af te houden (niet slechts hem er achteraf voor te straffen en dan nog alleen als de beroofde heeft geklaagd en voor zijn recht-benutting al een advocaat heeft betaald) als ook actief, oplettend op het zijn voorrechten benutten, opeisen, consumeren, door iedereen toe te zien. Het gaat niet aan voorrechten te laten hebben, die niet benut worden. Voorrechten van de een zijn beperkingen van alle anderen, voorrechten verlenen dient ook enig doel te dienen, een doel dat niet gediend wordt als het voorrecht niet wordt geconsumeerd, opgeëist.
Er is veel txaenz nodig voor goed samenleven, ook voor zo goed mogelijk samenleven in een voorrechtenmaatschappij. Die txaenz die nu verstrooid wordt door de amusementsindustrie zal gedeeltelijk gebruikt moeten worden om goed samen te leven. Dat moet worden afgedwongen. Hoe verwerpelijk het spel 'civilisatie' ook is, als het dan gespeeld wordt, dan met de aandacht van allen, gebruikten zowel als spelers er volledig bij, zodat het wellicht ooit met zo weinig mogelijk schade gespeeld en/of uiteindelijk gebroken (beëindigd, gestaakt) wordt.
0 Reacties