Ansicht

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief | Kapitein Veerdonck | Opstellen

Trefwoorden:

Jaap Schot, 6 maart 2007

Wij, mensen, hebben maar één enkel onderwerp om met elkaar bij te spreken: het voor ieder van ons waarneembare oppervlak van de werkelijkheid hier nu (actueel).
Er is niets anders waar wij BIJ kunnen spreken. Hardop spreken is: aanduiden wat we niet kunnen aanwíjzen. Per telefoon kunnen we iemand in ons eigen huis wijzen waar de reserve toner voor de printer ligt. Het is of onze woorden vingers zijn.
Als je er over nadenkt, er aan voelt, lijkt het wel toveren. En dat getover leerden we als piepklein kind zelf doen. Daar is dat gestuntel van Harry Potter echt niks bij.
Er groeide in ons een groot vertrouwen in wat de andere mensen zeiden: als ze zeiden dat er in die winkel de door ons gewenste dinges te koop waren, dan gingen we naar die winkel er om. En hoogst zelden was er gelogen. Men loog niet, af en toe werd er door iemand gelogen en die iemand vertrouwden we dan ook minder, tot helemaal niet meer. Maar die iemand was een uitzondering.
Als er ergens over gepraat wordt, dan ís dat (de aanbieding verse vis in winkel X) dáár ook aan te treffen. Daar kunnen we op rekenen. Vals alarm, loze beloften en andere leugens zijn de uitzondering. Wij zíjn niet zo, zoals de bedriegers, de oplichters, de fraudeurs, de misleiders.
MAAR LET OP: als wij in goed vertrouwen iets dóórvertellen, dan zijn we gevaarlijk bezig. Het kan dan zijn dat wij, - de te vertrouwen zijn en vertrouwen -, bedriegersboodschappen doorgeven. Het kan zijn dat we doorvertellen dat de printerinkt in de tweede la links van het bruine bureau ligt, terwijl dat al niet meer het geval is, of terwijl wij al een verkeerde boodschap doorkregen van een derde. We zeggen (menend door te vertellen wat klopt) dat de toner daar ligt en het lag er nooit. Wij wekken nu (omdat wij deugen) geloof aan iets onwaars, in die ander, die we aan de telefoon hebben.
Als het dus ooit lukte een leugen in omloop te brengen of mensen dingen te laten doorvertellen zonder die dingen te controleren, dan blijft die leugen (resp. komt er onwaarheid, in de vorm van onwaar geworden doorvertelde berichten) in omloop. Wel, we kunnen er gif op innemen dat er veel onwaarheid in omloop is. (Er is zelfs een opgeleukt televisieprogramma voor: ‘Mythbusters’. Voor onschuldige onwaarheden van onze eigen tijd: moderne mythen.)
Niet alle in onwaarheid die in omloop is, is zo onschuldig en mag worden vernietigd. Integendeel: ons bijeenleven in die betrekkelijke vrede die wij genieten berust op onhoudbare onwaarheid en het is NIET de bedoeling dat wij dat door krijgen. Maar dat wij dat doorkrijgen is niet te voorkomen, tenzij wij van ‘kritisch denken’ kunnen worden afgehouden.
De bewustzijnsindustrie levert die afleiding. De bewustzijnsindustrie is de grootste industrie.
Hierbij twee voorbeelden: jongens van het platteland, die in Noordoost Groningen en Noordwest Duitsland op een paar kilometer van elkaar woonden en elkaar kenden, werden op de ochtend van de 10e mei 1940 ineens vijanden, omdat Adolf H. te B. een bevel daartoe had uitgevaardigd. Opgeroepen in militaire dienst hadden ze elkaar in geen maanden gezien en nu moesten ze op elkaar schieten om te doden. Dat is echt gebeurd. Dat gebeurt nog steeds her en der in de wereld, waar de beschaving heerst en de geordende nationale staten en ook waar binnen die wereld! de chaos heerst en de krijgsheren. Die nationale staten zijn voor de mensen die er in en er bij wonen levensgevaarlijk. Daardoor lijkt het alsof ze ook enorm beschermend zijn. Ze leveren elkaar door hun gevaarlijkheid die stralenkrans van beschermerschap. Als we dan eens ‘Europa’ stichten, dan zijn we die gevaarlijke kant van de verenigde nationale staten daar, kwijt. Dát was: ‘een slim idee, na Wereldoorlog Twee’. Maar: als je dat nou duidelijk uitlegt op televisie, degelijk opgeleukt, zodat de gewone mensen kijken, dan is dat gezagsondermijnend voor de eigen nationale staat. Dat snapt de oplettende lezer wel.
En dáárom wordt er over politiek, economie, sociologie, psychologie en geschiedenis op de scholen niet onderwezen. Het is te gevaarlijk voor de bemanning van de nationale staat. Daarom is iedereen die er een beslissing over moet nemen er tegen. En dat hoeft die verantwoordelijke (minister of zo) niet bewust te worden, want iedere ambtenaar laat het reflexmatig uit zijn hoofd waarheid omtrent deze onderwerpen als leerstof voor het onderwijs voor te stellen.
Na enige generaties is er niemand meer die in de gaten heeft wat er gebeurt. Het gebeurt, het wordt niet gedáán. Géén van de betrokkenen “reflecteert” op zijn gedrag in deze [‘reflecteert’, dat is: ziet (zonder spiegel) zichzelf bezig en spreekt daarbij (over zíjn gedrag). Het gebeurt dus, het valt niet onder de fantasiecategorie ‘dingen die gedaan worden’, waarbij immers verondersteld wordt dat de ‘doende’ het ook kan nalaten, dat wat hij doet, dat de ‘doende’ dáder is, dus: verantwoordelijk is, schuldig of verdienstelijk: toerekeningsvatbaar.

Denk je in hoe dat gaat: er zijn weer eens Europese verkiezingen. Wie, - in het onderwijs -, kan dat tot onderwerp van zijn lessen maken? Juist: vrijwel niemand. Iedereen heeft ‘een ander vak’. Een ander vak, dan waar dát onderwerp in hoort, in kan worden geplaatst. Al die mensen met een ander vak moeten hun mond er over houden.
Stel eens: in jouw vak (of vakken in het basisonderwijs) is het onderwerp te behandelen. Je legt uit: oorlogen kwamen door elkaar berovende stammen, ridders, nationale staten. Dat was in Europa vele eeuwen lang het gebeuren (--> de geschiedenis, die het verhaal van een nog te vereffenen rekening, een uit te voeren terugroof was). Na de Tweede Wereldoorlog wilden vele regeringsmensen dáár van af en ze hadden de wind mee. Ze wisten, - dat had toen iedereen bewust, want het was het inzicht van de nieuwe vijand van alle nationale staten: het internationale communisme -, dat het voeren van oorlogen gewoon ‘over economie, dus over roof ging’. Hitler had dat ook heel duidelijk gezegd, hoewel hij een bevriend staatshoofd tegen de communisten was, tot hij daar zelf door een oorlog te beginnen, een einde aan maakte, aan die vriendschap.
Het ging en gaat dus over spul en spullen, over arbeid (over werkgelegenheid, die je geeft en waaraan je verdient). ’Je’ is hier de wereldse heiland: de ondernemer. “Europa” begon dus als economische gemeenschap: --> één grote markt --> veel klanten --> veel voor loon werkende mensen --> veel winst --> veel dividend. En dáár gaat het om. Dividend is in vredestijd wat oorlogsbuit is in oorlogstijd. In onze moderne tijd worden beide, oorlogsbuit en dividend in geld omgezet, hoe dan ook (Maar niet alleen nu gebeurt dat: in de middeleeuwen bijvoorbeeld waren veel relikwieën oorlogsbuit en pelgrimages naar relikwieën zijn toerisme --> toeristenindustrie --> winst).
Waarom willen wij niet de verenigde staten van Europa? Wat is dat goede dat van de nationale staten uitgaat en dat wij willen behouden?
Je literaire tekst laten invallen komt neer op dingen uitleggen, les geven, een cursus geven OOK ZONDER dat er studenten, hoorders, lezers zijn. En die uitleg, die toespraak, die (cursusinhoud, die vraag, die opgave, die werkopdracht), dat allemaal schriftelijk vastleggen, niet in trefwoorden noteren, maar uitschrijven in volzinnen en samenhangende tekst, zonder ‘je weet wel’ er in.

Wat een gedoe hè. Ja, het is gedoe, tot je inziet dat het net als bij het aanleren van élke vaardigheid hier gaat om het ‘doen om ervan te leren’. Al smedend wordt men smid.

En deze cursus gaat over het leren schrijven van literatuur. Dat is tekst met inhoud van dezelfde kwaliteit* als de wetenschappelijke artikelen in ‘Science’ en dergelijke bladen, waarin je niet zomaar iets geplaatst krijgt.
Dezelfde kwaliteit, *waar zijn dus, maar een ander onderwerp.

En met de lezer heeft de schrijver van literatuur NIETS TE MAKEN. Net zo min als die schrijvers van verslagen van wetenschappelijk onderzoek van ‘het niet levende’ (en in de biologie van het levende als ware het niet levend, m.a.w. “zonder aanzien des levens”).

Wat je doet, dat gebeurt. ‘Doen’ steekt niet herkenbaar af binnen ‘wat gebeurt’. Het is pure hypnose dat de mensen denken dat zíj doen en de dieren en de orkanen alleen maar gebeuren. Dat is gewoon waar. Maar het wil er niet in. Het maken van deze opmerking, het melden van deze constatering doorbreekt de hypnose van alle dagen niet. In bijbeltermen: je kunt ze een volheid van tijd (40 jaar heet dat in dat O.T.) zelf kennis (manna) laten nemen, hun eigen gegevens laten opmerken en daarvan leven, daarop hun gedrag laten baseren, ze willen er niet aan, de hypnotische ban wordt er niet door doorbroken, ze krijgen het niet door. Ze blijven in het aantrefbaar zijn van alles waar een woord voor in gebruik is, geloven. Ze staan, ermee verlegen, met hun hachje in hun handen, de sloven, die Toonder tekende. Bommel zamelt die hachjes dan maar weer in, nadat hij voor Mozes gespeeld heeft tegenover de heer van de slikken en zompen.
Dit is nou een voorbeeld van ‘literatuur lezen’. Als je iets opmerkt, zie je ineens dat het in literatuur al verteld is, versleuteld. Over de duidelijke tweedeling in ‘wat je werd aangeleerd’ in ‘voor jou zelf nodig’ en ‘bruikbaar voor anderen’ schreef, met of zonder erg!!, Defoe zijn ‘Robinson Crusoe’. Zijn alleen zijn verdeelt ‘dat wat hij aangeleerd had’ in die twee delen. Met het objectieve onweerstaanbare geweld van de feitelijkheid. Het líjkt alsof Defoe de aandacht van de lezer van deze kern van zijn werk wil afleiden, lees maar wat een geneuzel de honderden overbodige bladzijden vult.
Ja, als je het zó leest, dan …. Inderdaad, een boek is wat de lezer leest. Een toespraak is wat de hoorder ervan verstaat. Het is echt een ter zake doende vraag: “Versta je ook wat je leest?” De tekst is niet actief aan het betekenen. Daarom is het kinderen aanleren van reciteren (prevelen van ‘heilige’ teksten) ook zo fout.
Eerst analyseren / begrijpen ( --> verstaan), dan volgt het juiste handelen (waar het de schrijver(s) en ‘uitkiezers voor de canon’ van de heilige tekst om ging) vanzelf. Vanzelf, want niemand handelt tegen beter weten in. Wie niet uit zijn beste weten en nobeler voelen omtrent een onderwerp handelt, laat dat na omdat hij bijvoorbeeld de dreigende reacties op zijn handelen voorziet.

Ze blijven geloven, dat is te verwachten, vanuit de evolutietheorie: kinderen die niet te waarschuwen waren, verzopen bijvoorbeeld doordat ze op het reeds te ver gesmolten ijs op de vijver gingen spelen. Ja, dat selecteert uit. Het geloven ondanks het zelf niet zien, het onbewezen zijn voor jóu, is van levensbelang. Denk aan al die stomme dondertjes die drugs uitproberen. Ze verzuipen niet allemaal, maar je ziet toch de selecterende kracht van deze stommiteit duidelijk aan het werk, gewoon op straat en op school.
Ja, dan moet je ze voorlichten. Verlichten, ‘aufklären’. Inderdaad, dat moet, maar dat kan de huidige VORM van de civilisatie zich niet veroorloven, want die berust op verblinding voor feiten ( --> verstandsverbijstering). Verstandsverbijstering, die het dagelijkse dreigen met lijfstraffen en openbare terechtstellingen vervangt. Vervangt onder luid gejuich van Amnesty International en de andere verdedigers van de mensenrechten en de rechtsstaat.
‘Je’ (= iedereen) mag dit beseffen en verwoorden en publiceren. In geen volheid van tijd zal het anderen dan de uitverkorenen ‘iets doen’. En als het inzicht te wijd verspreid zou raken, zou er een nieuwe roomse kerk (staatskerk) komen en een nieuwe editie van de Spaanse inquisitie. En het belijden van het hebben van dit inzicht zou weer voorwaarde worden om in aanmerking te komen voor een rijksbetrekking en dergelijke. Zoals na 325 na Christus ook. Wat iedereen zegt in te zien, wordt vanzelfsprekend [= blijft onbesproken --> onopgemerkt (<-- Kantiaanse blindheid: Anschauung ohne Begriffe ist blind.)].

Het is werkelijk opmerkelijk hoe duidelijk dit keiharde werken van de bewustzijnsindustrie te zien is op televisie. Álles komt langs bij wie zapt, als het maar niet tot enige reflectie leidt. Niemand mag door de oppervlakte der verschijnselen, door de actualiteit, door de gesuggereerde daden heen zien. ‘Live’ moeten uitzendingen vooral zijn, ondoordacht en ondoordenkbaar.
Maar het is niemand een zorg. De volgende ronde wereldoorlogen zal “ons” ook (net als de vorige) overkómen. Het gebeurt gewoon; door ons, - die voor daders en verantwoordelijken, goeden en bozen, worden aangezien -, heen.

Wij spreken (praten) bij wat door ons (exacter: door ‘wat wij aanleerden’) heen gebeurt. We zeggen, onder genoemde hypnotische suggestie, dat we ‘doen’, wat er gebeurt als dat aangeleerde vorm geeft aan ons ‘nemen en doen wat voor ons gebeuren nodig is’.

En dan hier maar even over die cursussen ‘zelfverandering’ (waarbij ‘zelf’ = die massa aangeleerds). Afleren (<-- bang ervoor worden of een gemakkelijker en goedkoper weg naar het ermee bereikte uit die piramide van Maslow) en erbij leren (een txaenzkanaal ernaast graven), dat is het enig mogelijke.

Veel ligt ook aan de anderen. Niet dat die anders kunnen zijn, dan ze zijn, maar een verandering die ik aan mij aanbreng, moet door de anderen worden opgevat als een reden om anders met mij om te gaan, anders heb ik er alleen ‘Robinsonsgewijze’ nut van.

Moederen, vaderen en veerdonckeren worden alledrie ‘onderwijs’ genoemd.

Met zijn grote pixeldichtheid en zijn inzoomlens kan ieder van ons, - van waar hij zit honderden ansichtfoto’s schieten van wat hem omgeeft: van de bouwput tot de ruïne. Het voorgezette kleurenfilter geeft de foto’s, samen met wat vlekken op de lens een grote herkenbaarheid. Maar er is slechts op te zien wat dáár, op het opnamemoment, voor de lens het geval was: het afwezige (het verleden en wat elders is) wordt (--> is) niet afgebeeld.
Evenwijdig hiermee maakte ik honderden opstellen, die spraakgeluid weergeven, dat ik met mijn geestesoor hoorde en noteerde (uitschreef). Zo min als het hardop gelezen hoeft te worden, hoefde de in mij opkomende tekst in kwestie hardop uitgesproken te worden.
Lezend en schrijvend leerden wij de taal in stilte (voor derden) te functioneren. De denker – schrijver hoort met zijn geestesoor en schrijft uit, de lezer hoort wat hij leest met zijn geestesoor, als werd het gesproken.
De schrijver hoort wat hem invalt ook ‘als kwam het van buiten, van een ander’. Wij menen beter te weten, maar er zit in ons geen ‘zelf’ dat (geen geest of ziel die) aanmaakt ‘wat ons invalt’ (? wat een ander deel van de hersens aan ons geestesoor laat horen).

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *