Jaap Schot, 1991
Beschaven is het bewerken van iemand die ontaard is, van zijn natuur ontdaan, ervan vervreemd, er vreemd aan gemaakt. Dat ontaarden heet civiliseren en komt neer op het ertoe brengen te aanvaarden altijd en overal een rang te hebben ten opzichte van elk ander. Wie binnen deze rangschikking, binnen de rangorde, binnen de gelaagde samenleving, binnen de civilisatie is, vecht. Hij vecht om zijn rang te behouden of om een hogere rang te verkrijgen, in ieder geval vecht hij om het verlaagd worden, het dalen in rang zo lang mogelijk uit te stellen. Uiteindelijk wordt hij oud en ziek en dan moet hij al heel veel geld hebben om zich dan nog met eerbied te laten behandelen.
Om in die opstelling, zo'n samenleving, dat spel, de civilisatie, te kunnen leven, moet een mens gereduceerd worden tot een keiharde vechtmachine. Nou, dat reduceren heet opvoeden, scholen, opleiden, wereldwijs maken, inleiden, ontgroenen, wegwijs maken en nog zo het een en ander.
Rang is van een enkele enkeling en straalt af op zijn parasieten, die men bij koningen zijn hof noemde en bij een burger zijn gezin enzovoort. Voor illustraties bij wat ik uitschrijf, zij de lezer verwezen naar de massamedia. Daar heb ik dat wat ik beschrijf ook van, want
- ik was nooit koning,
- ik was nooit huisvader,
- ik werd niet geciviliseerd,
- ik heb het hele misselijk makende rotspel nooit geleerd, dus nooit gekund, dus nooit gespeeld.
En alleen door toeval is dat niet mijn lijfelijke dood geworden. Maar slechts mijn maatschappelijke, sociale, medemenselijke dood.
Ik heb dus geen klagen. Ik leef zoals een lelijk, nooit bekeken dier in een kooi in een dierentuin. Rustig en ruim gevoederd en medisch verzorgd, wacht ik in een – totaal niet voor mij passende – omgeving op ziekte en dood. Ik ben er een levend bewijs voor dat er leefruimte is buiten hun rangorde.
Ik ben er een levend bewijs voor dat die leefruimte – een land, een stad, een wijk, een huis, een winkelcentrum, wat koopkracht – geen LEEFgelegenheid is, geen passend biotoop.
Die leefruimte is passend voor een speler die een rang heeft.
- Op zijn land kan hij trots zijn,
- op zijn stad eveneens,
- zijn wijk heeft een status,
- zijn huis is zijn kasteel, zijn Versailles, met tuin en status-aanduidende koets/auto,
- zijn winkelcentrum is de gelegenheid om zijn smaak en levensstijl te vertonen in zijn aanschaffen, zijn koopkracht.
Nee, zijn koopkracht dat is hij zelf: hij weet zich goed voor zoveelduizend.
Dat is het wat een geciviliseerde, een speler, iets met een rang, nodig heeft.
Voor een dier
– met name, een exemplaar van het genus homo sapiens –
is het geen passend biotoop.
Er ontbreekt de gelegenheid in voor zichzelf datgene te doen, te vinden en te maken wat nodig is voor zijn leven en welzijn. In een surrogaat daarvoor, voorziet de civilisatie iedereen die werk, een baan, een (loon)arbeidsplaats heeft. Zo'n baan is een txaenz-bestedingsgelegenheid is surrogaat, maar het is een surrogaat voor wat nodig is in een biotoop, want de tewerkgestelde doet gespecialiseerd enkele dingen duizenden malen, in ruil voor het feit dat anderen duizenden dingen voor hem ook een keer doen, zo hij daar koopkrachtig om vraagt. Dat geruil heeft met leven niets van doen en het is een misverstand te menen dat het voordeel van de deskundigheid overal en altijd groter blijft dan de nadelen van de verveling en de routine en de onbekendheid met de koopkrachtige vrager en diens bedoeling met zijn aanschaf.
Van beschaving (als resultaat van beschaven) zou men kunnen spreken wanneer er een dierenbeschermingswet zou zijn aangenomen 1 waardoor de mens als dier gegarandeerd niet in zulke hem van nature vreemde dierentuinkooi-omstandigheden zou (mogen) worden gehouden. Zo min als andere dieren beschermd worden 2 , zo min worden mensen als-dier-herkend beschermd. Zoveel beschaving is er niet. Er is helemaal geen beschaving. Ze noemen het niet mishandelen en niet vermoorden van de door hen gevangen gehouden exemplaren van hun eigen soort, al beschaafd.
Goed, de kooi waarin ik word gehouden bestaat dus uit mijn voorrechten (burgerrechten als Nederlander, eigendomsrechten ten aanzien van wat 'van-mij' wordt geacht, bankrekeningen, uitkeringsrechten, pensioenrechten). Van mijn rechten zijn anderen buitengesloten. Zij mogen van het mijne geen gebruik maken en ze mogen er geen inbreuk op maken. Doordat ik die rechten heb, heb ik een rang, dat is niet afhankelijk van de vraag of ik wel mee wil spelen. Ik doe er verstandig aan die voorrechten voor vervallenverklaring te behoeden. Om onder curatele gesteld te worden, zou ik me eerst zeer dwaas moeten gedragen. Daar heb ik geen neiging toe, dus alles verloopt rustig tot de een of andere ziekte – of, een ongeluk – mij vernielt en dan is het uit. Einde.
Het is totaal oninteressant voor mij wie er nu meer of minder voorrechten hebben dan ik. Ik kan niet bereiken dat ik ooit vrij word, 'vrij' in tegenstelling tot in een kooi van voorrechten opgesloten, buiten de kooien van alle anderen gesloten.
Kan ik in het land, in het winkelcentrum, enzovoort, LEVENtje spelen? Wat gebeurt er als ik het speelveld van de geciviliseerden waarop ik gevangen zit in 'het mijne'/'wat van mij is' opvat zoals een vrij mens, een wilde heet dat in het Nederlands, het stuk natuur opvat waarin hij woont/aan de kost komt/ LEEFT (in onderscheid van als functionaris/ producent/ consument gevangen zit en onvermijdelijk meespeelt). "Het speelveld is mijn stuk natuur", als ik dat nu tot mezelf zeg, wat gebeurt er dan? Dat is mijn vraag.
Bij het bekijken van hetgeen te koop is voor mij met die vraag erbij blijkt dat voor eten, drinken, kleden, schoeien, slapen het benodigde te koop is, zij het altijd gecontamineerd, besmet, onverbrekelijk verbonden aan een rangonderscheidend iets of voorzien van een rangonderscheidend aspect, zeg maar: voorzien van een mode-, stijl-, smaakkant. Of ik daar oog voor heb is van minder belang, als ik te ver van het gemiddelde, buiten de middenmoot ga, maak ik me minder veilig. Het enige gevaar dat er voor mij is, komt van de andere mensen.
Zolang er geen armoe in de omgeving is, zijn de gevangen mensen om mij heen tamelijk tam. Iedereen schikt zich terecht in zijn cel of celletje van voorrechten. Ze richten hun aandacht op elkaar en met liefde, haat, afgunst, verlangen, idealen en angst als psycho-speelgoed weten ze hun txaenz te besteden. En dat besteden maakt voor hun beleven hun bestaan/ gevangenschap tot leven. Niemand vertelt hen dat LEVEN IN VRIJHEID iets anders is dan superconsumptie, zoals ze bijvoorbeeld door de gasten van televisie-interviewers zien. Niemand doet hen verlangen naar natuurlijk leven. Gelukkig niet. Want noch natuur noch cultuur zijn nog haalbaar voor zovele miljarden exemplaren van een enkele, onze, soort.
We zijn een plaag,
en God verhoede dat we gaan trekken.
Iedereen dus stil en rustig in zijn cel. En laat ze vooral met hun vaste relaties bezig zijn en op die betrokken. In politieseries is dat altijd zo mooi, moorden met motieven uit heden of verleden.
Ik kan zonder onrust in mijn cel leven. Dit land, deze stad, dit huis, dit winkelcentrum, het wordt nooit bruikbaar als leefmilieu. Het blijft: vaste woon- en verblijfplaats, elders ben ik niet welkom. Elke verplaatsing moet met vechten gepaard gaan. Er zijn manieren van vechten – presteren genaamd – die men vreedzaam noemt.
Sociologen beschrijven dan die vreedzame delen van het speelveld, zoals de universiteiten en de sportvelden en de productiebedrijven, weer als evenzovele slagvelden. Hun beschrijven is geen propaganda maken. Maar wie zich wil verplaatsen, kan niet nalaten te vechten. Want er is geen onbezette ruimte. Vechtlust is als verklaring niet nodig.
Door tot overbevolking te leiden, heeft de civilisatie als vechtspel zich onvermijdelijk gemaakt. Alle nodigs is met status – met mode, met stijl, met smaak – besmet. En alle nodigs is, evenals alle onnodigs, al in iemands bezit. Er is geen ontkomen aan. Niet meedoen, komt alleen maar neer op het laten van het speelveld, en het speelgoed, aan wie wel spelen.
Charitas – liefdadigheid, hulp – en idealisme zijn alleen maar randspelen, bijspelen. Niets is zo duidelijk zinloos, als het geven van een zin aan je leven. Het leidt allemaal tot niets.
Van al die poeha, zowel van rang als van hulp en idealisme afzien, levert geen gelegenheid op, nu zelf 'gezond' of 'goed' te leven. Het maximaal haalbare is: je tijd op aarde ongestoord uitzitten. Ongestoord en ongefrustreerd omdat je nergens aan bezig bent en nergens naar verlangt. Omdat je geen enkele wensplaat meer, naast wat is, houdt. Omdat je alles wat is en wordt beaamt, opvat als het weer waaraan je niet kunt ontsnappen. Gevangen als je zit op een plaats, in een tijd.
Ik kom er niet uit. Ik zal het niet meer meemaken dat de mensen (weer?) de keuze zullen hebben, tussen deze onzin – dit onbestaan – enerzijds, en iets zinnigs anderzijds. Niemand van ons koos voor dit wereldgebeuren of zelfs maar voor dat wat daarvan hem raakt. Ik kan niet eens iemand iets kwalijk nemen, maar ik vind ook de redenen voor lintjes en lof echt futiel. Ze doen allemaal maar wat. Vaak het eerste wat hen invalt. Want men heeft de gewoonte dat als eigen te ervaren, respectievelijk op te vatten.
En zo tuttelen we voort van wieg naar graf. Het gaat nergens over. Alle verhalen, opwinding en misdaad ten spijt. Ik ben ontgoocheld. Menig lezer zal blij zijn nog een waan te hebben. Een illusie, een ideaal, een geloof, "menselijke emoties", een "geestelijk leven". Of iets anders van die prijs.
Prachtig toch, al dat geluk, al die 'zin'.
1) Plus gehandhaafd zou worden! Dat moet extra vermeld worden, want dat is in een democratie – dat is dus, geen politiestaat – een apart en losstaand verschijnsel.
2) Tegen misbruik, gevangenhouding en ontvoering. En tegen vernieling van hun natuurlijke omgeving.
0 Reacties