Jaap Schot, 1 mei 1985
Zodra dat wat ik nodig heb om te overleven door anderen bezeten, d.w.z. mij slechts voorwaardelijk, voor een kunstje, door mij te doen, gelaten wordt, ben ik tot een slaaf geworden, die in het bezit van zichzelf is. Ik ben gemaakt, door de te grote omvang van het bezit der anderen, ten opzichte van het bezitbare, tot een slaaf, dat wil zeggen: ik ben nu zelf bezit, ruilwaar, koopwaar. Mijn lichaam wil niemand meer bezitten, we hebben de slavernij in engere zin afgeschaft, iedere slaaf bezit zichzelf, is zijn eigen meester. Niemand bezit meer dan een enkele slaaf, namelijk zichzelf. Dat resulteert in een denktruc: het zichzelf opsplitsen in een geest en een lichaam, waarbij de geest het lichaam bezit en gebruikt en de bezigheden / capaciteiten / eigenschappen van het lichaam verkoopt aan /ruilt met andere geesten. Geesten kunnen elkaar niet bezitten? Geesten zijn vrije onderhandelaars op de markt? Oh nee, ik hoorde eens een journalist zeggen dat journalistiek geestelijke prostitutie is: het brein wordt gebruikt ten gerieve van de lezer, zoals de hoer haar lichaam gebruikt ten gerieve van de ander. Zo dicht bij het 'ik' als het lichaam is, zo dicht bij het 'ik' is ook het brein.
Toch is de geest niet gelijk aan het brein.
De geest is de gedachteconstructie 'meester', nodig om te kunnen leven als slaaf, maar zonder dat iemand anders je bezit.
Een vergelijkbare gedachteconstructie is de scheppergod, die vanzelf mee tot stand komt, wanneer men de natuur opvat als een planmatige onderneming, uitgevoerd of in uitvoering. Nog een ander voorbeeld is: de ether, een gedachteconstructie nodig zodra men verschijnselen met elektromagnetische trillingen verklaart. Er moet dan iets zijn dat trilt, iets waardoorheen de golven zich voortbewegen.
Waar geruild wordt zijn ruilers en ruilwaar.
Waar gekocht wordt zijn kopers, verkopers en koopwaar.
Ruilwaar en koopwaar zijn bezit.
De kopers van de diensten van de werkers van hoofd en hand, zijn duidelijk waarneembaar aanwezig. De diensten zijn de koopwaar. De verlener van die diensten is de verkoper. De arbeider verkoopt zijn arbeid. Dat is te duidelijk dan dat de pijnlijke waarheid verborgen kan blijven: Het presteren van de loonafhankelijke wordt verkocht. Het lichaam van de arbeider wordt ingezet als een robot/computer. Hij is een ding, een bezit. Zijn presteren is ruilwaar. Hij, de arbeider, de loonafhankelijke is een slaaf, wiens arbeid (= presteren) verkocht wordt. Wij kennen allen de waarheid dat we ons als koopwaar op de markt bevinden.
Onlangs was er een t.v. programma waarin een huisvrouw en een hoer met elkaar in gesprek beiden vrijwel echt beseften dat ze koopwaar waren. Koopwaar kenmerkt zich daardoor dat anderen, als klant de waarde, de ruilwaarde, de prijs ervan vaststellen.
Dat tegenwoordig de vrouwen een plaats op de arbeidsmarkt willen, is te verklaren uit de onverwoorde gedachte dat er tussen de massa der kopers hogere bieders zullen zijn dan in de kleine kring van de naasten. Aan het koopwaar zijn is toch niet te ontkomen, want het nodige voor leven en welzijn wordt nooit meer van bezit tot 'vrij goed'. Het wegschenken of opgeven van bezit en het doen van vrijwilligerswerk (het gratis en zelfs niet ruilend dienen, diensten verlenen) heft het systeem van bezitten niet op, helpt alleen die "geesten", die in hun brein en lichaam een onverkoopbare slaaf bezitten aan enige extra tijd van (over)leven.
Hiermee is het alles en daardoor allen omvattende bezitten aangewezen als centrale oorzaak van het zelfgevoel der mensen. Het bezitten van onnodigs is slechts oorzaak daarvan voor wie dwalenderwijs, begerend in afgunst, zichzelf tot marktwaar maken. Tot 'slaaf in eigen bezit' maakt mij: dat in het bezit van de gezamenlijke anderen is: vrijwel (nl. op de vrije goederen na) alles wat ik nodig heb voor mijn leven en welzijn (met andere woorden: om te kunnen functioneren als het dier dat ik ben). Mijn lichaam inclusief mijn brein zijn het bezit van mijn geest, levende have, een slaaf, in mijn geval: een geschoolde slaaf. Wanneer de van buiten door anderen gesuggereerde gedachteconstructie 'geest' onvoldoende in iemand bestaat om hem te doen passen in de slavenmaatschappij van meesters met ieder slechts een enkele slaaf, dan zorgt de spontaan summerende suggestieve kracht der anderen er, vaak via religieuze leer, voor dat de mensen zichzelf gaan geselen, gaan versterven, hun wil in hun lichaam gaan doden, zich gaan onthechten, hun neigingen in zich gaan onderdrukken, [hun natuurlijke, dat is: niet aangebrachte neigingen zowel als hun imitatieve neigingen t.o.v. de winnaars in de wedstrijd der samenleving]. Ze gaan hard voor zichzelf zijn. En vooral ook: hard voor de hunnen, met name hunn kinderen, teneinde die voor te bereiden voor de harde wereld buiten. Ze kiezen zo doende voor het gezin als leerschool voor het leven in de wereld, in plaats van voor het gezin als natuurreservaat waar de mensen tijdelijk en plaatselijk vrij kunnen zijn, niemands bezit, ook niet het bezit van zichzelf (van hun geest).
Met 'zich uitleven' of 'afreageren' of 'z'n psychisch evenwicht herwinnen' heeft dit niets van doen; deze gedragingen en reacties betreffen nog steeds de wereld, zijn daar doorwerkingen en nawerkingen van. Als deze gedragingen over(geslagen) zijn, dan komt pas het vrij zijn. Zolang het lawaai nog naklinkt, is het niet stil.
"Hemels" zou men al de situatie gaan noemen waarin anderen bereid waren het nodige voor jouw leven en welzijn uit hun bezit te laten nemen door jou, op grond van hun waardering voor jouw zo- zijn. Dat zo-zijn is een zijn dat vorm gekregen heeft door de opvoeding en de scholing, kortom door de vormende inwerking van de anderen op je. Wat mij nu in mijn leven gebleken is, is dat men nooit tevreden is met jou als het product van andere vormgevers. Ook al dwaal je en denk je dat de vorm die je in de loop van je gevormd worden opliep jouw vorm is, jouw eigen persoonlijkheid, jouw karakter, jouw unieke zijn, dan nog aanvaarden de anderen jouw zo-zijn niet als voldoende reden om uit hun bezit jou het nodige te laten. Zij zelf willen het recht hebben jouw vorm hier en nu te bepalen: jouw gedrag, jouw doen en laten, jouw lichamelijke activiteiten zowel als de activiteiten van jouw brein, jouw meningen, jouw gedachten. Je moet met hen meedoen en meepraten. Veel activiteiten zijn wedstrijden, waarbij je dus als tegenspeler / tegenstander / tegenspreker / opponent welkom bent. Wat niet mag is het spel breken door het als zodanig te ontmaskeren. Het spel heet :'op jouw beurt, wraak nemend, je gram halend, andermans leven leven, andermans zelfbestuur voorkomen, onmogelijk maken, andermans initiatief roven.'
In dat spel beleeft men zich als bezig met, vult men zijn bewustzijn met het ervaren van het in bezit hebben (= consumeren) van anderen: andermans lichaam, andermans brein: de ander als robot, de ander als computer.
De schaakcomputer is de niet-levende verwerkelijking van een ideaal: een tegenspeler die altijd zin heeft in een partijtje en die sterker en zwakker te maken is, door een eenvoudige handeling van jou. Een tegenspeler die jou nooit kan verachten, omdat hij geen gelijke van jou is. Ook ideaal zijn computerprogramma's: verzamelingen bevelen waarvoor niet-gehoorzamen onmogelijk is.
Er begint enig bewustzijn van deze stand en gang van zaken te komen. De omstandigheden van de mensen in de westerse samenleving zijn volledig zoals boven beschreven: de zelfslavernij. Maar: de materiele omstandigheden zijn zo goed, dat de meesten zich niet meer (door hun tijdgenoten als bezitters) met de dood, doch slechts met verachting, bedreigd voelen.
Wij in deze westerse samenleving merken: men veracht ons als wij niet vernederd worden (werkeloos zijn en ook anderszins in onbruik zijn bij anderen).
Dat is een soort dilemma, het is nooit goed, daar wordt een mens kwaad om. De smeekbede weer vernederd te worden (werkgelegenheid te krijgen) wordt niet verhoord. Wie vernederd worden streven ernaar die vernedering te verkorten en als dat niet kan te compenseren, met veel koopkracht. De kwaliteit van het vernederd worden is een gegeven, ongeacht de hoeveelheid tijd en het aantal malen dat het plaatsvindt. De hoer is gewend aan haar werk, net als de journalist. Let wel: deze beroepen staan hier slechts als symbool, er is niets bijzonders mee, of het moest de duidelijkheid zijn waarmee de onechtheid blijkt, van resp. de toeneiging tot de anderen in kwestie en de belangstelling voor de zaken in kwestie.
Als de vormer, de onderwijzer, de opvoeder, ooit hoort dat enige van zijn leerlingen / pupillen in de maatschappij geslaagd zijn, dan is dat mooi meegenomen, maar dat is niet de reden voor zijn vormen. Hij is aan vormen bezig omdat hij iets moet en (in het voor hem beste geval is dit zo:) aan dat vormen als bezigheid plezier beleeft. Het ideaal van de maatschappij van zichzelf bezittende slaven is 'van je hobby je beroep gemaakt hebben', 'plezier in je werk hebben', 'van je werk houden', 'je werk mede uit idealisme doen'. In het simpele feit dat je leeft en gezond bent en volop functioneert verheugt zich (in het beste geval) enige tijd je moeder. Voor de rest kun je het wel vergeten. Je bevindt je in een ruilwereld, als je geluk hebt, in de zin van fortuinlijk bent, nemen velen je in gebruik om hun psychische doelen met je na te streven. Je betekent dan veel voor veel anderen. Velen zullen rouwen als je vertrekt. Omdat ze dat weten zullen ze bereid zijn te voorkomen dat je voortijdig verrekt. Dat gebruik heet liefde, vriendschap enz..
Een mooi voorbeeld van een prima situatie is: van veel mensen 'hun' koningin zijn, of 'hun' dokter, of 'hun' dominee. Deze mensen hebben zich aan velen weten te verkopen of verhuren. (Verhuren is ook een vorm van ruilen resp. verkopen.) Tijdelijkheid beïnvloedt de kwaliteit van het gebeuren niet.
Wij zitten gevangen in ons eigen bezit en buiten het bezit van de anderen. Het bezitten van iets houdt ook in: het onbeschikbaar houden van dat iets voor elk ander. Bezitten schept schaarste. Wat bezit is, is geen vrij goed meer.
Bezitten betekent: op aarde de ruimte verminderen waarin het voor een ander mogelijk is om zelfstandig, los van anderen te leven, te functioneren, zonder door anderen tot kunstjes-om-den-brode gedwongen te worden.
Dat is een gevolg van het bezitten. Er zijn meer gevolgen van bezitten, onder andere de doelen die mensen die bezitten met hun bezitten hebben. Dat die doelen zich onder de gevolgen van het bezitten bevinden is tenminste te hopen voor de bezitters.
Er zijn altijd meer gevolgen dan doelen. Het niet opmerken van zaken (i.c. gevolgen) en/of het niet noemen ervan, maakt die zaken niet ongedaan. We leven niet in wat we van onze omstandigheden denken en ons bewust maken. Wij leven in onze omstandigheden. We doen niet slechts wat we bedoelen, we doen wat we doen en we veroorzaken alle gevolgen van ons doen.
Het is niet onze gewoonte enig doelgericht handelen na te laten om reden dat het onbedoelde gevolgen heeft. Voor onbedoelde gevolgen hebben we aparte namen, zoals 'ongeluk', en in het uiterste geval willen we naast het veroorzaken ervan ook nog iets tegen die 'bijwerkingen' doen. We willen wel iets extra's doen, niet: ergens mee ophouden en ook niet: een ander middel verzinnen. We doen dat niet, schrijven er geen prijsvragen voor uit, laten het over aan het initiatief van anderen en doen pas mee als we daar voordeel bij hebben. Als 'willen' iets betekent, dan komt het voor in combinatie met doen en laten: wat je doet, dat wil je. Wat je niet kunt, kun je niet doen en dus niet willen. Wat je doet, kun je kennelijk. Onwetendheid maakt of houdt ook al niets in, het maakt niet onschuldig of zo.
Waarneembaar en ervaarbaar is dat we (door overbelastheid of iets anders) onverschillig staan tegenover wat we onbedoeld veroorzaken. Het willen der doelen sleept het willen der ongelukken met zich mee.
Kunnen we ons er aan onttrekken ons te beleven als een 'geest', die ons lichaam bezit ? Wij zijn gedwongen te handelen als waren wij een geest die zijn slaaf, ons lichaam, verhuurt, of inzet voor een zelfgeïnitieerde onderneming. We worden door onze omstandigheden, -die voornamelijk uit omstanders en hun gedrag bestaan-, gedwongen onze tijd, aandacht, energie en vaardigheden op te vatten als een hoeveelheid grondstof, bouwmateriaal: we noemen die hoeveelheid: ons leven.
We moeten iets van ons leven maken, of laten maken. We kunnen ons leven wijden aan, (laten) inzetten voor een zaak, een onderneming, een beweging, (een) IETS. Dan wordt het maken van de kleine keuzen aan dat IETS overgedragen. Het IETS heeft voor het gebruiken van het leven van degenen die zich aan dat IETS wijden, een programma klaarliggen. De staat heeft b.v. een programma klaarliggen. Dat programma bestaat uit: eerst naar school, dan in militaire dienst, dan belasting betalen, dan AOW.
Wie zich wijdt aan enig IETS of zich door enig IETS laat gebruiken, heeft zich als geest "boven" (in bezit van, met de leiding over) zichzelf (als lichaam, inclusief brein) weer weggedacht. Hij heeft zich verlost van het individualisme.
0 Reacties