Bhagavad Gita

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: apperceptieve massa | Descartes (René)

Jaap Schot, 31 januari 2001

(Over)macht over je voelen is een ellendige ervaring.
Daardoor wordt bewustzijn, WETEN (← KENNEN dat onvermijdelijk is) tot lijden.
Oplossing Bhagavad Gita: doof je bewustzijn uit en/of droom weg.

Ik lees de Bhagavad Gita. Deze tekst komt binnen bij míjn apperceptieve massa. Dat betekent dat mijn bespreking ervan even moet worden voorafgegaan door of, nog doeltreffender: gemengd moet worden met opmerkingen over die apperceptieve massa, die vooral in de andere opstellen die ik schreef uitbundig te vinden is.
====
Gewend aan loonarbeid, dienen voor geld, extrinsieke motivatie.
Schrijven leerde men, leerde ‘de mens’ pas na vele, vele jaren civilisatie (= “hoger” genoemde mensen houden “lager” genoemde andere mensen als gebruiksvee). Op den duur leerden de gebruikte gevangenen met deze situatie leven en de mogelijkheid zich vrij zijn te herinneren en door vergelijken vee zijn als zodanig (als vee zijn dus) te herkennen was na een enkele generatie lang vee zijn verloren.

Vee zijn = gebruikt worden, op buitenbesturing staan, gevangen zijn, (vast)zitten in tegenstelling tot kunnen gaan en staan waar je wilt en vooral: wanneer je van binnenuit dat nodig moet.
Vee zijn is tegennatuurlijk: vrij zijn moet geleerd worden. Vaardigheden en aandacht richting verhuisdierlijking, genetisch en memetisch, niet kunnen en buitennatuurlijke, afhankelijkmakende oplossingen hebben. NIET MEER OP LEREN en op autoplastiek gericht, maar alloplastisch.

======
Vee houden had men geleerd ‘op’ (met) schapen en runderen, dat wil zeggen met dieren die soortgenoten als leiders aanvaarden, op basis van het gedrag van die soortgenoten. Als de herder ‘leidschaap’ speelt, lopen de andere schapen in vertrouwen achter hem aan. Overigens ook het paardenfluisteren wordt verklaard met die theorie: het tot wanhoop gebrachte paard-alleen aanvaardt de mens die die wanhoop veroorzaakte als verlosser en leider.
=======
De BG is een boek, geschreven door geciviliseerden dus en vooral ook gedacht, bedacht, begrepen, verwoord door geciviliseerden, door vee dus. Hoe ontsnap ik, anders dan ‘in den vleze’, want dát (in den vleze, echt, als levend mens, de vrijheid in), dát lukt niet, dat kán niet.
=======
Anders dus dan de Bijbel: die Joden (Mozes, Jezus, Marx enz.) die willen ontsnappen als levend mens, als levend dier.
De Christenen hebben dat weer ongedaan gemaakt, zij hebben zich tot aanhangers van een staatsgodsdienst laten maken en toen moest het gebruiken van mensen als gebruiksvee (in onderscheid van slachtvee) wel het onaangevochten (soevereine) recht van de bazen, de heersers, de hogeren worden genoemd. Dat betekende het einde van de verlossing van de levenden. Arbeid, het gebruikt worden, werd aan de gebruikten gebracht als straf vanwege een om hun ERFzonden op hen boze God. Jezus verloste kennelijk niet van die straf, alleen van de zonde en Gods boosheid op de gelovige.
========
========
Recht op LEVEN (= VRIJ ZIJN ALS DIER in Gods schepping) werd ómgedefinieerd tot: het recht om niet geslacht te worden bij ingetreden of aangeboren onbruikbaarheid. In een oorlog door de machthebbers als soldaat verbruikt worden, telde niet mee en/of werd ómgedefinieerd.
========
De BG gaat niet meer over het ingestelde [de mensenveehouderij, die men ‘civilisatie’ noemt, in het Nederlands zelfs ‘beschaving’ (sic, oftewel: dan lúl je toch niet meer!)] maar over de manieren voor de enkeling om mentaal (denkenderwijs, als bewustzijn) te ontsnappen.
========
Denk aan iets anders dan aan wat je onder ogen hebt en zichtbaar, hoorbaar, voelbaar en tastbaar is. DROOM WEG, dagdromen dus. Of: denk helemaal nérgens meer aan.
=======
Wie zodoende niet meer psychisch, via begeerte en afgunst en verlangen en zo tot dienen, tot zich laten gebruiken te brengen zijn, zullen dan ook, we zien het in India, door uitdrukkelijke extreme armoe ertoe worden gedwongen.
=======
In onze civilisatie kocht men de opstanden af met materiële welvaart voor de gebruikten. Als men het jodendom-christendom helemaal als traditie kapot heeft en de bijbels en de geschriften van God-ongelovige geïnspireerde Joden weggedrukt door leesvoer, dán zal men snel en doeltreffend alle uitkeringen stoppen en de extreme armoe, het uithongeren van wie niet werken, weer invoeren, want dát past echt in de veehouderij die men ‘beschaving’ noemt.
========
De begrippenapparatuur van de schrijver(s) van de BG is die van geciviliseerden. Alle wezens zijn van hoog naar laag gerangschikt en de BG is wat het allerhoogste wezen spreekt tot een generaal, die wat aarzelt als hij zijn medemensen moet bestrijden en doden. De allerhoogste legt dan uit wat er zoal moet en hóe dat kan worden gedaan. De omstandigheden waarin dat moet worden gedaan worden nergens beschreven als behept met de tegenstelling tussen gebruikte mensen en hun gebruikers. Het hele systeem wordt aangewezen als natuurgegeven, als vanzelfsprekend, als deel van de schepping of hoe je ‘geschiedenisloos, onveranderlijk en zonder daders’ ook wilt omschrijven.
========
Ook het schaapsyndroom wordt in de BG beschreven en wel als de ideale houding van de leerling die een leidende ram (mannetjesschaap), een goeroe of zo, zoekt. Zeer uitdrukkelijk afgewezen wordt het zonder tussenpersonen de allerhoogste zoeken en benaderen. Het protestantisme is inderdaad joods geïnspireerd, joods doordenkend noodzakelijk, want in dit leven bevrijdend, opstandig. De ontaarding van het protestantisme is wat ik ‘koninkje spelen’ noem: het buiten de rangschikking gaan tot en omgaan met de ongerangschikte, die niet de allerhoogste, maar de erbuiten zijnde is, is vervangen door het zich toe-eigenen van de eigenschap onaanvechtbaar, dat is: ‘soeverein’ zijn van God, de schepper, die evenmin een hoogstgeplaatste der schepselen, wezens, zijnden kan zijn, als ik opperhoofd van een mierenkolonie. Ik ben geen mier, God is geen gerangschikte, God is en kan niet in de wereld, zoals ik niet in dat mierennest kan.
======
Maar dat is nu juist wat de geciviliseerde (de aangepaste) niet ziet: dat er buiten de civilisatie niet alleen maar ‘iets’ is, maar: het echte, het niet gespeelde, het niet op illusies en schijnafspraken uit het verleden berustende. Buiten de civilisatie is alleen heden, geen verleden en geen toekomst, geen tijd, met andere woorden: eeuwigheid. Wat voorbij is in het echt, dat is voorbij, punt uit. In het spelletje ‘beschaving’ is dat anders: daar gaat het nooit over, het overwonnen en gevangen en misleid en belogen zijn. Het waarneembare feitelijke is dat het verleden, dat wat voorbij is, wel over is, wel uit. Maar de geciviliseerde gelóóft [in de stelling dat wat was moet worden meegerekend, dat er steeds rekening mee moet worden gehouden bij doen en nalaten]. Dat spelletje spelen gebruikers en gebruikten en ook de middenklasse, de in deeltijd gebruikende gebruikten.
======
HET IS EEN VERACHTELIJK EN KWAAD SPELLETJE.
======
Wie dat niet ziet is vee.
Het lezen van deze tekst is als het zien van een wegwijzer. Wie de wegwijzer ziet, ziet niet de stad waarnaar het ding wijst. Als hij die stad wil zien, zal hij er heen moeten gaan.
====
De BG (ook een wegwijzer) wijst de lezer naar binnen, zijn apperceptieve massa in. Niet voor onderzoek, psychoanalyse, maar om er wat in uit te doven: met name: alles wat botst met de ellendige ervaringen tijdens en door het gebruikt worden.
======
Verander je apperceptieve massa door het wegdoen van wat schuurt met de sociale wereld om je heen. Zelfs met het wegdoen van de natuurlijke noodzakelijkheden (zoals eten en slapen) in je ? Nee, dat nog nét niet. Integendeel zelfs, dat zou te zeer het gedrag van de hoger geplaatsten veroordelen. Dat zou opstand zijn (bevrijding door verachting) en opstaan is niet de bedoeling (van de machthebbers met het toestaan van druk en verspreiding van dit boek).
Maar, áls VRIJ ZIJN zo (op gelijkaardige wijze) noodzakelijk zou zijn als eten en slapen, dán zou dat stuk ‘natuur in je’ er onder vallen: onder hetgeen te vernietigen is teneinde het schuren met de sociale orde teniet te doen.
=========
De BG is een ‘handboek geciviliseerde’ (zoals er een ‘handboek soldaat’ was, dat aan dienstplichtige recruten werd uitgereikt). De BG is met name het stuk waarin staat HOE TE DENKEN bij (nee, niet óver) wat je overkomt, dat is met andere woorden: hoe weg te dromen, hoe het onbesproken te laten, hoe het níet te begrijpen en wat te doen tegen onrust in je ziel, doordat je omgeving niet bij jouw dier-zijn past.
========
Dat de BG niet met de moderne scheikunde en niet met moderne wapens en zo ‘werkt’, dat is geen probleem, want daar ziet iedereen doorheen, dat is tijdgebonden. De civilisatie echter, het houden van mensen als gebruiksvee, dat is zeer actueel, dat is aan de gang. Nog steeds en erger en omvattender dan ooit, alle mensen omvattend: wat te bezitten is, is in bezit genomen. Iedereen moet voor de bezitters kunstjes doen om iets wat hij nodig heeft van hen te krijgen, als loon. Zelfs voor de dieren is er geen vrije natuur meer.
========
De BG wijst wég van alle opstand tegen welk wangedrag dan ook. Wie de BG gebruikt om weg te dromen laat het wereldgebeuren voor wat het is: een gebeuren dat hem omgeeft en overkomt en niet zijn spel hoeft te zijn. Zo min als het eekhoorntje voor recht en gerechtigheid in het grote bos waar hij woont hoeft te zorgen, zo min heeft de menselijke enkeling enige verantwoording af te leggen voor wat zijn tijdgenoten – soortgenoten om hem heen, zonder hem, doen.
========
De enkeling droomt weg in de gedachte steeds weer terug te komen in vlees, in een levensvorm, welke dan ook. Dood waar is Uw prikkel? Nergens zal de wegdromende enig bewijs zelf zien (waarnemen, wetenschappelijk vaststellen) voor zijn droom. Daar is het ook een droom voor.
=======
Beter een mooie droom dan een nachtmerrieachtige echte waarneming. ?. Ook de BG is een zakje opium voor de gebruikten. Mozes is er niet in geslaagd: geciviliseerden blijven verpest. Na generaties nog blijkt er van een kudde vee geen groep vrije samen levende dieren meer te kweken te zijn.
De Christenen verwerden tot staatsdienaren. Rooms. Alle opstanden zijn mislukt, net zo erg als alle ontsnappingen (zie in de bijbel na Exodus, toen en in de USA nu).

Jaap Schot, 2 februari 2001

De BG laat de allerhoogste zelf spreken en zeggen dat het er voor de mensen (= de gebruikten) om gaat zich te hechten aan hem, een persoon, een aanspreekbaarheid, een iemand tot wie men een relatie kan hebben. De (gebruikte) mens dient hem te eren, te aanbidden, met offers te naderen. Het hele besteden van ‘s mensen txaenz moet gericht zijn op het dienen van de allerhoogste, restloze betrokkenheid op Hem. Geen anderen (lagere, qua bestaan, c.q. er zijn, niet ontkende goden) moeten daarnaast gediend worden, het mag wel, maar dan bereikt en krijgt de verdeeld - betrokken mens ook als loon niet de volkomen verlossing: het niet meer opnieuw incarneren, vlees worden, als levend wezen terugkomen, ooit, ergens.
=====
Cultiveer, ja voer tot het uiterste op: het je onderwerpen, het submissief gedrag. Zie ze bezig, de roomsen en de islamieten: buigen, knielen, bukken, zich languit op de grond werpen. Ken hun psychische activiteit: anderen boven zich verheven achten en zich op hun beurt boven anderen verheven achten: rangschikken.
=======
Van het hebben van minderen word je geen minder goede ONDERGESCHIKTE, slaaf, paladijn, hielenlikker, kruiper, slijmer, vleier, enz. .
Middenkader: buitengewoon bruikbare lieden, prima gebruiksvee. Geschikt en bereid om de vrij geboren kinderen in te vangen en ervan te weerhouden te leren vrij te zijn.
=======
Vrij zijn moet worden geleerd, door met de omgeving te leren omgaan, zelf, voorziend in het binnen als nodig gevoelde, gevoelens die men moet leren opmerken en leren herkennen als wat ze zijn: honger, dorst, slaap, belangstelling, verveling, moeten (bewegen, poepen, pissen) enz. Niemand anders kan WETEN wat ik nodig heb. Vaak zal na enkele dagen geen water gekregen te hebben ik wel wat te drinken willen, maar dat is afgeleid van het algemene, en niet waargenomen. Als je nou maar gewoontegetrouw regelmatig en vaak genoeg te eten en te drinken krijgt en te slapen wordt gelegd, dan leer je het zelf voelen dat je iets nodig hebt en het onderscheiden wat dan wel, vanzelf niet aan. Je weet dan op den duur wat de gewoonte is en leeft, DIE VOLGEND, zonder te WETEN. [WETEN komt voort uit waarnemen, onderscheiden, conceptualiseren, benoemen en bespreken.]
========
De gebruikte die zich kinderen als minderen neemt, verhindert deze om dit te leren:
1. die ‘noodzakelijkheden’ zelf voelen,
2. zelf binnen die categorie onderscheiden (en dan herkennen), en
3. het zelf voorzien in en doen van het nodige, op eigen initiatief: het waar, wanneer, hoe, hoe lang en in hoeverre zelf bepalend en kiezend, lettend op wat HENZELF introspectief aan veranderen gegeven is.
==========
Om dit onzalige bestrijden van kinderen te doen heeft de voor het bevelen doorgankelijke geen apart bevel en geen extra beloning nodig. Het op zijn beurt gebieden is hem loon genoeg. [Helemaal gerust zijn deze gebruikende gebruikten er niet op: ze zingen hun God toe: “sla mij met mededogen, gelijk een vader doet..”. Hun voelen erbij is zoiets als de ‘humaniteit’ van de paardenfluisteraar: die maakt het paard bruikbaar, maar met zo weinig mogelijk lijfelijk geweld en brute mishandeling, die als zodanig herkenbaar is.]
=========
De geschreven religies zijn civilisatiereligies, religies die de gebruikten leren waartoe, aanvankelijk: tot WIE, ze hun toevlucht kunnen nemen. De uitdrukking ‘je toevlucht nemen’ gebruik je als niet bedreigde, vrije mens niet. Ook niet omtrent die vrije mens. Die vlucht voor een hoosbui een grot in, maar niet om daar in te blijven. Niet om daar in te wonen. De MENS (aldus met hoofdletters gespeld om te onderscheiden van het stuk menselijk vee) heeft geen vaste woon en verblijfplaats en geen vaste gewoonten. De MENS lijkt nog het meest op de nu nog vrij levende (dus als zodanig laatste) niet uit hun gebieden verjaagde orang-oetans. Ze zitten boordevol kennis van hun leefgebied en het lichtregelmatige gebeuren daarin, die vaardigheden in herkennen en herinneren hebben ze geleerd.
De MENS is zelf bezig. Vee, wordt gevoed, gehuisvest, beschermd en: wordt ervan weerhouden zelf voor zichzelf te zorgen, het NODIGE tot onderwerp te hebben het éigen nodige, zijnde het voor hem zelf als enige introspectief waarneembare. Als de wetenschap de veehouder gaat steunen worden de behoeften van het enkele stuk vee, als tot ding gereduceerde, gekend.
==========
In de oude taal, het oude denken, wijst de religie op de persoonlijke oppergod als degene op wie hij zijn aandacht moet richten, dienend, zijn ‘vrije’, overtollige, txaenz volledig wijdend. De oude taal ziet het veranderen en zijn als gedaan wordend. Door die oppergod.
De nieuwe taal, de nieuwe benadering, ziet een systeem als oorzaak. De centraliteit en het buiten de mensheid, buiten de gerangschikte massa tijdgenoten en soortgenoten liggen van hetgeen waar het om gaat, waar de MACHT en de OORZAAK in ligt) blijft. Alleen het persoonlijk, aanspreekbaar, te aanbidden, te vrezen, lief te hebben enz., het ‘menselijke’ valt weg.
========
Het dienen blijft ook. Het burgerlijk liberalisme is een verhaal bij dienen. De erdoor geïnspireerde gehoorzaamt aan de bevelen: “Overtref”, “speel ‘Koninkje’”, “schaf je andere mensen als minderen aan (door verslaven, misleiden, verleiden, geweld plegen en bedreigen en wat je verder nog kunt vinden in boeken en voorbeelden en/of kunt verzinnen ”, “haal het uiterste uit jezelf”, “wees origineel, (gooi iets nieuws op de markt)”.
====//\\====
Allen die gehoorzamen aan de bevelen / suggesties van deze civilisatiereligies doen dit: ze besteden hun hele txaenz binnen een en hetzelfde schema: dat van het DIENEN. Het maakt niets uit of ze als slaven de persoonlijke oppergod dienen of als zelfhoudend vee binnen de “vrije samenleving” de genoemde bevelen gehoorzamen (wat ze dan ‘”het spel spelen” noemen in de waan dat ze ‘vrij zijn’).
Deze gevangenen hebben vrijheden, wat vrij zijn zou zijn, daarvan hebben ze geen flauw vermoeden, want: ze hebben er totaal geen ervaring mee.
Dat ze zich in deze gevangenschap voortplanten (voornamelijk in het kader van het ook wat dat betreft, wat vader worden betreft, niet onderdoen voor de anderen) is totaal geen bewijs dat het hen goed gaat als dier.

Vee gaat het nooit goed.

Maar onze tijdgenoten - mensen die vee zijn, willen dat niet weten. Ze willen niet opmerken noch horen zeggen dat ze als vee gehouden worden, en als vee houden, beide ‘bezigheden’ in deeltijd. Geen enkel deel van hun tijd, van hun txaenz, besteden ze aan het vrij zijn. Ze kúnnen dat ook vrijwel niet, omdat ze het niet geleerd hebben en omdat er ook nog eens weinig terreinen zijn waar nog vrij te zijn ís.
Voorbeeldje: stel eens dat iemand in vrijheid wil uitzoeken hoe iets in elkaar zit, een ‘Sachverhalt’ hoor, geen ding, dat hij kan kopen. [Een ding dat je koopt kun je uit elkaar halen en dan is het kapot en weet je nog weinig tot niets, maar je mócht dit doen.] Míjn voorbeeld: ik wou weten hoe de wereld in elkaar zit. Als ik met de gangbare begrippen en op de aan mij onderwezen wijze van bestuderen had gehouden had ik totaal niets gevonden.
Met begrippen als ‘maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef’ en ‘sociaal ondernemerschap’ is men bezig het ‘mensen houden als gebruiksvee’ te verhullen. Alle begrippen die in algemeen gebruik zijn verhullen. Het begrip ‘vee’ heeft men van mensen leeg gemaakt en bij ‘slavernij’ heeft men ons aan negers die te koop staan leren denken. En zo voorts.

VERVOLG:
=======
SAMENVATTEND:
Ze zijn vergeten door te vertellen dat ze zich in onderworpen toestand, als slaven, slaaf zijnde, hebben voortgeplant, hun kinderen in gevangenschap werpend. Als dat een paar generaties ‘vergeten’ is, kent niemand het feit meer uit ervaring, ervaart iedereen het als absurd er op gewezen te worden.
Ze hebben dan de vraag “hoe wordt ik verlost en vrij?” niet meer en de civilisatiereligies (godsdiensten en onpersoonlijke stelsels, zoals ‘de Amerikaanse droom’ en ‘de olympische inspiratie’ ), die antwoorden op die vraag zijn, begrijpen ze niet meer. Dan gaan ze er in geloven, “denkend” (= er ondoordacht van uitgaan) dat ‘het dienen van de oppergod’ of ‘het zich inzetten in het systeem’ “moet omdat het moet”.
Dat is mogelijk zodra en zolang binnen die religie hetzelfde geldt als er buiten, in de maatschappij (de rangschikkerij, de mensengebruikerij): is daar ouderwetse slavernij, mensen in eigendom hebben, als eigen vee, dan is het aanbidden van een god passend: gekniel en gebuig en gekruip en geëer en gejuich. Is er ‘democratie’, dan is er koopkrachtige (c.q. txaenz te besteden hebbende) vraag naar de goddelijke vonk in de stemgerechtigde, die ‘koninkje’ en ‘soevereintje’ [ = wie onaangevochten zelf moet weten wat hij doet ] wil spelen. Goddelijkheid in allen, dat is immers ‘democratie’, in wezen?
Het komt niet in hen op dat het ‘buiten de natuur’ en wel ‘op buitenbesturing’ staan datgene is waarvan ze verlost kunnen (???) en moeten worden. Dat dáárvan verlost moet worden, dat is de vooronderstelling van al die civilisatiereligies. Dat ontgaat vrijwel allen. Jammer nou. Daardoor blijft veel onbegrijpelijk, niet te vatten, los van al het andere waarmee het brein onvermijdelijk bezig is.

verlossing:
Waarvan of waaruit moet er verlost worden? Uit ellende, uit lustloos bestaan. De vrije mens hééft geen lustloos, ellendig bestaan. ‘Hardships’ zijn geen ellende. Ieder vrij mens is en weet zich een succesvol overlever. Als hij dat niet meer kan weten is hij dood. Elke dag is een bevestiging van dat feit dat hij het leven aan kan. Alleen de (zijn) laatste dag is dat niet: één enkele dag is anders en dat is meteen de laatste: aan geen enkel verleden kan geleden worden. Op geen enkele dag kan als op een faaldag teruggezien worden.
======
Pas wie zich in slavernij begeeft maakt zich, -met dat zich daarin begeven dus -, tot een betreurder van een verleden dag. Dan is dood zijn beter.
======
Wie als kind van een slaaf, een gevangene, een in zoveelste generatie in gevangenschap geborene, als gebruiksvee gehoudene wordt geboren heeft die foute keuze niet gemaakt. Wat dient hij te doen? Dat is ónze vraag.
Het antwoord is: tot zich door laten dringen wat zijn situatie is. Iedereen om mij heen vat mij op als, gelijk hem, een stuk gebruiksvee.

Jaap Schot, 4 februari 2001

In de BG worden veel goden van lagere rang genoemd. Wellicht zijn dat de goden van de onderworpen stammen, zodat die zich ook opgenomen kunnen voelen in de ‘wereld’ , die in het heelal is. Alles wat is, is één en straalt uit Eén: de ENE.
Het verhaal is al boordevol uitwerkingen over aantallen jaren en eonen en zo voorts.
De vertaler kiest voor het opvatten van de BG als uitgesproken door een persoonlijke ENE. Dat is in de Oude Taal, in de oude bespreking (opvatting, ervaring) van de veranderende dingen als bezige dingen die doen, als levenden dus, net als de opvatter zelf. Pas heel veel later zal ‘de mens’ LEVEN als slechts zíjn eigenschap / bezigheid voor zich opeisen, de rest der dieren en al het andere dood, mechanisch, ‘Dinghaft’ verklaren. [Descartes 1650].
========
In de oude opvatting werden de gebruikten tot schuldigen en zelfs tot verdienstelijken, tot daders, zoals oorspronkelijk alleen de vorst werd voorgesteld: initiatief nemend en oorspronkelijk en creatief en: goed of kwaad gezind. Dat zo zelf initieren en verzinnen wordt aanvankelijk teruggedrukt, later tot de plicht en verdienste dergenen die dienen gemaakt: de gebruikers kunnen geen vormen van gebruik meer verzinnen en het van zijn productiemiddelen beroofde gebruiksvee moet bezig blijven, niet slechts om winst op te leveren, maar ook om alle negatieve txaenzbesteding te voorkomen.
========
Als eenmaal alle aanwezigen bijdragen aan hetgeen ‘het wereldgebeuren’ heet, kunnen de schuldigen en verdienstelijken niet meer allen gevonden worden en wordt ‘het systeem’ als aanmaker van het wereldgebeuren verzonnen, om de onvindbare daders te vervangen. Er zit in dit opvatten waarnemen, het uitgezegde is waar: immers:
1. de schakers zijn niet de daders van het spelverloop.
2. geen ‘individueel’ (als enkeling benaderd en aangesproken) blad, twijg of tak is verantwoordelijke dader van het omtrekken van de boom die ontworteld raakte in de zomerstorm.
=======
Bij deze ‘processen’ en bij dit ‘gebeuren’ past geen persoon-zijn meer en er achter past geen doende en bedoelende en hoedende en onderhoudende ENE (persoon), al of niet aanbiddelijk, begrijpelijk, te vertrouwen en aanspreekbaar.
[De problemen van Job in het gelijknamige Bijbelboek zijn er niet meer; Job kan niet meer voelen wat hij voelen kan bij een persoonlijk God.]
=======
Als de ‘democratische inspiratie’ toeslaat: vrijheden, gelijkheid voor de wet en broederschap, dan is de opvatting van het gebeuren als ‘gedaan worden’ inmiddels verouderd en is het omgaan van een echt individu (vrij en méér dan een koning, méér dan een overwinnaar) met een levende god alleen nog mogelijk in het [op de tijdgebonden ‘wijze inzichten’] ‘achter gebleven’ geloven (in de bruikbaarheid van de Oude LEVEN stellende taal / begrijpwijze als middel om waarheid uit te zeggen).
=========
Pas het herkennen als gelijkwaardige begrippensystemen van die oude en die nieuwe ‘taal’ is weer een stap vooruit.
Het METABESPREKEN van deze begrijpapparaten, deze beide herkennend als los van het onderwerp aangemaakte en er los van blijvende conceptualisaties en besprekingswijzen.
========
Bespreken ze dezelfde onderwerpen?
Bestaan de onderwerpen die zij bespreken?
=======
Om deze vragen te beantwoorden nemen we het verhaal van Job maar, dat is voor iedereen na te lezen. Job verliest alles wat hij bezit, inclusief zijn gezondheid. Dat verliezen is in de ‘oude taal’ : het wordt hem afgepakt en wel door DE DADER, GOD. Dat was volgens de godsdienstige bespreking van Job niet volgens afspraak: Job diende God goed, God zou goed belonen, dat was de afspraak. En nu dit. Naast ‘het waargenomen feitelijke’ wordt de wensplaat van ‘hetgeen afgesproken was’ gehouden. Onderwerp is het verschil tussen plaat en feit.
=====
Voor wie dat geloof in een DADER niet heeft, is er alleen het gebeuren, het feit. Nu nog kan de getroffene een plaat naast de werkelijkheid houden en over de verschillen gaan praten. Maar eigenlijk, ten diepste past bij de beschouwing van het feitelijke als puur gebeuren niet het waarderen, het keuren, het verwerpen of toejuichen. Zelfs de USA-doelstelling met wetenschap beoefenen uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw: ‘het gebeuren aan zien komen en het gaan beheersen, er greep op krijgen’ komt neer op het houden van een wensplaat naast de werkelijkheid.
========
Er is protest tegen het feit dat het gebeuren ieder van ons overkomt en dat de aanmaker, de bron, van het gebeuren onbenaderbaar, onkenbaar, onverbiddelijk, onbeïnvloedbaar is. Er is geen berusting en er is geen vreugdevol beleven, beLEVEN van de vrije val die het stuk tussen ‘niet zijn voor’ en ‘niet zijn na’ mijn leven nu eenmaal voor mij is. Nee, er moet zo nodig niet genomen, maar ondernomen worden, tegengestribbeld, aangegrepen. Ontevredenheid. Het anders ‘willen’ dan het gebeurt.
==========
Het gaat mij er niet om dat te keuren, goed of af, het is wat het is, amen. Mijn bezigheid is er zo mogelijk een ware uitspraak over te doen. De ware uitspraak: er worden wensplaten naast de waarneembare feiten gehouden. Exacter: naast dat wat van het, waarschijnlijk relatief weinige waarneembare is opgemerkt en verwerkt in een beeld dat men daarmee van ‘wat gebeurde’ heeft aangemaakt.
=========
De vrienden van Job vragen terecht: heb je wel al je eigen ter zake van die afspraak doende gedrag in je beeld van wat er gedaan werd door God (= van wat er gebeurde binnen jullie afgesproken gedrag, jullie levering over en weer) verwerkt?
Ónterecht doen ze alsof ze weten dat er onverwerkte delen zijn.
De vraag: is alles wat er ter zake is waarneembaar? Moet negatief beantwoord worden, daartoe zijn wij mensen niet in staat en niet in de gelegenheid. Daarna wordt er van het waarneembare nog eens het een en ander over het hoofd gezien en van de rest wordt er nog een en ander niet in het beeld geplaatst. Bij die afspraak met de levende god is dat niet zo erg, die zou zich houden aan het voor de mens in kwestie aan te maken beeld.
Voor de benadering van het gebeuren als puur gebeuren echter betekent het antwoord op de vraag naar de volledigheid van het beeld iets zeer fundamenteels.
Het onderwerp zelf steekt steeds buiten onze beelden uit. Het is anders en dat betekent dat we als we handelen ‘op grond van’ het zo zijn van ons beeld, gewoon gokken, in het duister schieten op vermoede vijanden of tekens geven aan vermoede anderen.
========
Qua ter zake doendheid ten aanzien van het feitelijk echt gebeurende verschillen de beste wetenschappelijke beelden ervan niet zo bijster veel van de fantasieën er over. De passendheid, accuraatheid van die beide als beeld, de overeenstemming, zal vaak merkbaar verschillen, maar van hetgeen is, vond zo weinig een vertegenwoordiging in het gebruikte beeld. En dat geldt voor het beeld van de fantast en voor dat van de wetenschapper beide.
=====
Wat ik hier vaststel ontmoedigt me niet, maar maakt het leven heel veel minder zwaar, om precies te zijn: zonder enige verplichting of ‘noodzaak die van buiten komt’.
Ik hou niet op taal te gebruiken, maar ik hecht niet veel gewicht aan wat ik dan naar waarheid moet formuleren. Nog veel minder gewicht blijft er over voor andermans tekst als ik die hoor of lees.
========
Mijn luchtigheid is een bereikt iets, dat verschilt volstrekt op alle eigenschappen enz. van de luchtigheid van de ondoordachte onbenul, die op school al niet zijn best deed op dat deel van het werkelijkheidsbeeld dat wél degelijk is gebleken.

Jaap Schot, 9 februari 2001

Het gaat er om het protesteren tegen wat gebeurt te staken. Er is geen dader, er is veroorzaking en die is onbeïnvloedbaar. Dat is dus niets anders dan: hou geen wensplaat naast ‘wat is’. Dan wordt er gesteld dat het er om gaat de Allerhoogste te beminnen en als enige denkinhoud te hebben, zoiets. Dan ben je dus als denker volstrekt nergens meer mee bezig, met niets wat is en je raken kan. Dan ben je helemaal buiten. Buiten de wereld en buiten de natuur. En dat is nou waar ik niet mee ga: buiten de natuur wil ik niet zijn, als denkend dier. Mijn hele denken scharen om een bedenksel, die Allerhoogste, dat gaat me nou net een station te ver.
Ik begrijp zeer goed waar IK een Allerhoogste buiten ‘wat is’, buiten de natuur ook, voor nodig heb: als gesprekspartner, als toe te spreken Ander, als Adres om aan te melden wat ik nu weer aan tekst heb aangemaakt, als Luisteraar, als Belangstellende, als toehorende Moeder, die tevreden is met het feit dat het kind dat IK ben, vorderingen maakt, althans, zijn best doet. Ik heb dat verzinsel Allerhoogste in gebruik en nodig om
1. niet alleen en
2. niet op mijn tijdgenoten aangewezen
te zijn.
Maar IK ben wel belangeloos, onbaatzuchtig, spelend, bezig. Ik ga echt niet alleen maar zitten voelen, ik ben geen voeler, ik ben een denker. ‘Belangeloos en onbaatzuchtig’, daarmee bedoel ik: ‘anders dan als middel tot enig doel’, ‘om de bezigheid zelf’. Ik wil er niet iets aan wat buiten mij is mee veranderen, ik verander er zelf een heel klein beetje door, ik word er bewuster van. Als ‘bewuster’ iets kan betekenen.
=======
Eenmaal wetend dat IK begrippen gebruik, dat IK mijn apperceptieve massa niet alleen maar laat bijvullen (‘tankend’ bij de media en uit boeken) en doorpruttelen (napraten, meepraten, doorpraten), hoef ik ook niet meer te geloven in het bestaan van iets dat (met een begrip dat ik in gebruik aantref) begrepen zou zijn. Woorden zijn niet altijd namen van gescheiden gegeven zaken, begrippen zijn vaak met geweld uit de werkelijkheid gesneden. Vaak, eigenlijk altijd, want wij hebben slechts een beperkt aantal zintuigen en waarnemingsapparaten. En ‘we’ corrigeren daar, al denkend en met elkaar besprekend, niet voor.
========
WETEN dat aan KENNEN niét het begrijpen voorafgaat (begrijpen er geen voorwaarde voor is) (en andersom ook niet): er is geen verband tussen die twee, elke ‘overeenstemming’ (elk juist verwachten) berust op toeval en is onbedoeld [: wij formuleren met onze natuurwetten echt niet de wil van de Allerhoogste].
===
Dat te WETEN maakt alles wat we weten [alle begrippenapparatuur, de logica en de herkenningsvaardigheden, die we ‘ervaringskennis’ noemen] tot slechts gereedschap. Dat te WETEN behoedt ons voor alle geloven, voor de bezigheid ‘geloven’ dus.
=====
Er komt een moment dat het kind beseft dat zijn ouders hem ook niet kunnen beschermen, dat Niemand hem beschermen kan, omdat hij al denkend dat moet veronderstellen om iets te verwachten. Hij moet al denkend veronderstellen dat alles puur veroorzaakt is, dat de brede stromen van ononderbreekbare ketens van oorzaak en gevolg waar hij als lichaam en als apperceptieve massa deel van uitmaakt bepalen wat er (met hem) gebeurt.
Zelfs de beste verwachtgereedschappen, de natuurwetten, berusten er op dat er niet zomaar uit het niets een vrije wil, een toevallige dobbeluitslag de plaats van de verwachte schakel in de oorzaak-gevolg-keten kan innemen. Er kunnen niet zomaar ineens ‘wonderen’ gebeuren of gedaan worden, onderbrekingen van de ketens van oorzaken die gevolgen zijn en gevolgen hebben.
Het kan zijn dat iemand alle verwachten opgeeft en volstrekt gokkend en blindelings door het leven gaat, ‘vertrouwend’ dat alles ‘de wil van de allerhoogste’ is of ‘het spelverloop, de onberekenbare uitkomst van de zetten van miljarden spelers met een vrije wil’ of welk onkenbaars ook. Fatalisme.
Alleen dán kan hij naar waarheid, eerlijk zijnd, zeggen dat hij het denken niet meer nodig heeft. Hij heeft dan geen ander doel meer dan ‘Joeghei’ te roepen tijdens ‘de vrije val (zoals die van een regendruppel) naar het einde’, die zijn leven is.
Totale losheid en zorgeloosheid. Het diepe inzicht dat het nergens over kán gaan voor een zo weinig gegevens hebbend wezen als de mens is.
Uit dat inzien komt men naar boven als een wezen dat niet meer terug hoeft naar (of binnen) een andere manier van ‘in de wereld’ of zelfs maar ‘in het leven’ staan.
Ook het prediken en/of vertonen ervan aan de tijdgenoten behoort tot wat niet hoeft. Maar let op: op deze wijze is de denker niet slechts buiten de wereld, maar ook buiten de natuur terecht gekomen: hij is als dier uitgeschakeld, hij zal zich niet meer verdedigen en binnen de kortst mogelijke tijd te gronde gaan, bijvoorbeeld overreden worden door een auto, omdat er geen tijgers zijn om hem op te vreten.
Ik vind dat daar een te grote waarde gehecht wordt aan wat de taal te vinden maakt. Het is volgens mij zeer, zeer goed om met de taal de ellende van het geloven in wat er aan tekst is, ongedaan te maken, onnodig te maken en futiel te verklaren, maar het gaat mij te ver om de een of andere tekst, een maaksel met taal gemaakt dus, boven de natuur te plaatsen. Het met taal denkende, werkende brein dient niet als heerser over de rest van de organen te worden aangesteld om met zijn beperkte kennis en inzichten die organen en het hele lijf in gevaar te brengen. Daar is het niet voor, het is er om gevaar te helpen vermijden, er aan te helpen ontkomen.
=========
We moeten blijven beseffen dieren te zijn, geen dienende geesten, gevangen in een lichaam. Wij zijn VEE, want wij worden als zodanig gehouden. Laat ons dát beseffen en uitzeggen en niet gaan geloven in de verzinsels (zoals die goden en geesten) waarmee wij aan het geloof in het gezag kunnen ontkomen.
========
Het denken verwordt anders tot een draaideur in plaats van een deur te blijven waarlangs we ontsnappen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *