Jaap Schot, 6 september 2005
- Wij (de lezer en ik) zijn geboren (geworpen) in een mensenmassa waarin binnensoortelijk parasiteren de hoofdbezigheid is.
- ‘Je’ krijgt als mens (“van God” of ‘van de natuur” of ‘vanzelf’, dat doet er niet toe, in ieder geval níet ‘van je medemensen’) jouw txaenz en die is dat waarmee jij voor jou moet zorgen, dat ‘jezelf verzorgen’ is je enige opdracht, je enige doel, het enige dat nodig is. Er is geen opdrachtgever, er is geen doel dat met jouw ‘bestaan’ genoemd gebeuren wordt nagestreefd door iemand die daar het recht toe heeft (je schepper, daar is slechts sprake van en je bent niet het bezit, bijv. de oudedagsverzorgingsautomaat van je ouders).
- Ingebouwd in de vorm van wat je aan materie bent heb je een besturing, merk je wat je moet doen en nalaten. Je moet zo groot en sterk en kennend en kunnend worden als je maar kunt in de gegeven omstandigheden. LEVEN heet dat. Daartoe moet je overleven.
- ‘Je’ kent van nature het feit dat je onlust voelt, je leert dat dat honger is en dat je omgeving je van moedermelk voorziet als je brult. Hulp heb je nodig, daarvoor zijn er Moeders (= mensen die moederen, bemoederen). ‘Je’ moet de betekenis leren van de gevoelens van lust en onlust die je van binnenuit voelt als mededelingen omtrent jezelf. Je moet de middelen leren kennen waarmee je zonder gevaar de onlust kunt teniet doen. Dat teniet doen wordt als lust ervaren en als rust.
- ‘Je’ hebt informatie en ervaring nodig, géén leiding, geen ander die jou ment. Zo min als een paard ben je geschapen / bedoeld om gebruiksvee te zijn. Dat is de kern. Die zelfstandigheid en dat van binnenuit ononderbroken weten wat er in orde en mis is, die ENTELECHIE, zo heet die boodschap die ‘je’ van / omtrent jezelf kent, is zo belangrijk en zo tot kern geworden, door dat binnensoortelijk parasiteren, dat de vorm heeft van ‘als slaaf houden, zoals men dat met een paard doet gebruiken’, als gebruiksvee houden.
- ‘Opleiden’ noemt men het de gebruiksmensen aanleren van kunstjes, kunstjes die ze dan voor anderen moeten doen, voor geld, geld waarvoor ze dan de verhindering van het nemen van wat ze nodig hebben even kunnen opheffen, dat heet ‘kopen’.
- Als de gewapende afdwingers van kunstjes de gebruikten (het menselijk vee, de arbeiders, de loonafhankelijken) opjagen heet dat dwangarbeid, als diezelfde gewapende afdwingers het voor de gebruikten nodige verdedigen tegen “stelen” heet het een (kapitalistische) rechtsstaat.
- “Negentig %” van wat gezegd en vertoond wordt, dient om de aandacht van deze onaangename doorzichtige stand en gang van zaken áf te leiden. Van de rest is nog eens de helft propaganda ervoor: het gejuich à la Bronowski.
- Mensen leren praten, ze gaan spreken bij alles wat ze opmerken (in zich en om zich). Zodra kinderen dat kunnen, wordt hen het zwijgen opgelegd en gaan ze ‘denken’: wat ze zouden zeggen als hen dat niet werd kwalijk genomen horen ze in zich “met hun geestesoor”, hun bespreken wordt later tot beschrijven. Van het spontane zeggen wordt, door ontwikkeling, het publiceren, mededelen, (officieel) melden. “Zal ik je eens wat vertellen?”
- Er wordt wel gesproken van een mededelingsdrang die in de mensen zou werken. (Bouman, Aula 1000). Toen mij door ontslag als docent RUG het zwijgen werd opgelegd, ging ik door met uitschrijven in de vorm die vóór dat ontslag ‘les voorbereiden’ was. Dit surrogaat voor ‘zeggen wat me inviel’ was voldoende om me tevreden te houden.
- Als Thatcher géén gelijk had en er wél zoiets als ‘society’, de gemeenschap, “bestond”, dán was dat gehoorzaam zwijgen van mij wel een grote verspilling van goed geestelijk voedsel voor velen. Mij deerde noch deert dat. Thatcher had gelijk, ze constateerde gewoon, ten aanzien van ‘society’ wat Nietzsche ooit constateerde t.a.v. God: dat een spel (resp. ‘sámenleven’ en ‘God dienen’) niet langer gespeeld werd door hen die op centrale posities het systeem bemannen.
- Het streven ‘God aan Zijn recht te laten komen’ (zoals Calvijn het uitdrukte) was zeldzaam en een randverschijnsel geworden, rond 1900. God was “dood”. Het streven het algemeen belang te zien en tot gelden te brengen (tegen de resultante van de private belangen der spelers in de maatschappij in), was zeldzaam en een randverschijnsel geworden toen Thatcher de handtas voerde over Engeland.
- Wat de gebruikten zich aan Godsbestaan en samenleving denken (← zich laten aanpraten) doet niet ter záke, beïnvloedt het gebeuren niet. De enige kracht is de koopkracht en die komt uit de loop van de geweren dergenen die (zo blijkt bij iedere ramp, waarbij ze even weg zijn) het plunderen / stelen verhinderen, het betalen afdwingen en dus INDIRECT het werken voor de kost, voor de betaalcentjes.
- Feitelijk is waar: vuurkracht = macht = voorrecht = geld (koopkracht). Feitelijk is die gelijkheid er, als we gaan beschrijven rukken de woordbetekenissen en besprekingswijzen die gelijkheid stuk. Verbalisten, - mensen dus die zich het zicht op ‘wat gebeurt’ laten benemen door ‘wat er bij wat gebeurt gezegd wordt / resp. wat er in hen opkomt aan tekst’ laten verblinden -, verbazen zich dan ook erg veel en vaak.
- Het is het streven van alle priesters, juristen, propagandisten en PR-mensen om in de output van alle media te verhinderen: het aan elkaar passen van ‘beschrijving’ en ‘het feitelijk waarneembare’.
- Van de media leren wij mensen het spreken bij wat we waarnemen. Die niet-passende combinaties van ervaringen en bewoordingen geven ouders aan hun kinderen door, zonder beter te weten. Beter te weten komen zou wel kunnen en gekund hebben, maar dan hadden ze [ slechts bij voorbeeld !! ] alle sportuitzendingen en veel gezellige series gemist door hun txaenz daartijdens aan zelf denken te besteden.
- Daarbij doet zich ook nog eens de vraag voor wat het genot is om helder te weten dat ‘je’ belazerd, gevangen gehouden en gebruikt wordt, zonder dat je er ook maar íets tegen kunt doen. O.K.: je begeerte valt weg, evenals je bewondering voor toppresteerders (‘cultural maximisers’ in de term van Jules Henry in ‘Culture against Man’) en voltijdsparasieten. Dat lucht op, maar overal zie je de dwang, juist ook waar dat zien niet de bedoeling is, bijvoorbeeld op de tonelen en overal waar je ‘geholpen’ wordt, door dienstdoend personeel. Je ziet het vals bewustzijn en de afleiding (schoolvoorbeeld: muziek bij het werk) bij de mensen die aan het uitoefenen van hun beroep bezig zijn: helder gezegd bij die mensen die daar dan gebruikt worden, voor en door hen vreemden.
- Het bovenstaande is een korte samenvatting van de inhoud van ‘al mijn opstellen samen’. Het is verbazend hoeveel txaenz ik heb gebruikt om dit zó vaak uit te schrijven dat het even hard klonk (in mij) als de teksten van 21 jaar dagonderwijs plus de media. Nu klinkt deze mijn eigen tekst in mij harder en duidelijker dan die tekst die van buiten komt.
- Waarheid heeft geen verdediging nodig en onwaarheid verdient geen verdediging. Ik hoef dus niet na te laten alle nadelen te mijden die uit ‘publiceren bij leven’ kunnen voortvloeien, door de reacties van onaangenaam getroffenen. Vandaar.
0 Reacties