Bruikbaarheid

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: 'de wereld' | apperceptieve massa | computer | propaganda | txaenz

Jaap Schot, 2 mei 2002

Inleiding
In het opstel ‘bruikbaarheid’ wil ik de lezer helpen aan een bespreking van de omgeving van zijn ‘werk’ en ‘leven’. Die bespreking is bedoeld als bestrijding van de bespreking die ‘de propaganda’ verspreidt.
De conclusies zijn voor de lezer en evenals de mijne zijn die conclusies een vermenigvuldigingsproduct van de feiten en het zo-zijn-geworden van de lezer. Mijn conclusies zijn daardoor verschillend van die van elke lezer.

Ik wil met dat opstel ‘bruikbaarheid’ dit zeggen:
Er is geen reden om te willen passen in je omgeving. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat het kan, dat het te regelen, te organiseren, is en het is volstrekt onnodig. Of je je inspant of niet, het wereldgebeuren verloopt zoals het verloopt. Jij maakt niets uit, dat moet iedereen zichzelf voorhouden, want het is waar. Jij maakt absoluut geen verschil.
Dat is de ene kant, de andere kant is dat jouw zo-zijn ook een uitstulping, een resultante, een zak gevolgen van het wereldgebeuren is en net zo min als dat gebeuren als geheel voor jou van enige andersoortig belang dan het weer. Het is gewoon de achterkant van het toevallig zijn van de wereld waarin je geworpen bent en gevangen gehouden wordt. Die wereld is geen inzet waard en gaat boven je macht, laat het allemaal gebeuren, maak het niet erger door een bijdrage te leveren waaraan dan ook. Wat je veroorzaakt is onvoorspelbaar en omvat altijd veel meer dingen dan je in de verste verte kon voorzien of bedoelen of hopen of verlangen.
Alle streven is zinloos en onnodig. Wat je hand toevallig vindt om te doen, dat is wellicht een goede gelegenheid om in te functioneren. Help die gewonde die jij langs de kant van de weg vind, maar ga niet in de goten zoeken naar zulke slachtoffers.

De propaganda stelt dat je moet streven en zelfs overtreffen. Ze stelt dat je een mislukkeling bent als je het niet tot iets brengt in je leven. En dan zijn er nog al die als …. dan redeneringen, die bedoeld zijn om je te motiveren.
Allemaal poeha. Onze onbelangrijkheid ten opzichte van de zes miljard tijdgenoten / soortgenoten maakt dat wij NIETS hoeven. Wij hebben geen vrij, dat is de situatie van gevangenen een deel van hun tijd. Wij zijn vrij. WIJ zijn vrij, ook al blijven wij lijfelijk gevangenen in ons vaderland en zo.

Langs buiten door anderen worden wij tot allerlei dingen gedwongen (leerplicht en militaire dienstplicht als schoolvoorbeelden). Daar niet tegen in gaan kost de minste txaenz. Het gaat er om langs binnen, - via de apperceptieve massa als bevelenverzameling (“normen en waarden” en ambities en zo)- niets te hoeven.
Wat echt nodig is, dat is het nodige (doen en nemen) om zelf als lijf volledig (met alle organen) en harmonieus te kunnen functioneren. Zo leven kan iedereen dan van je afkijken of niet. Dat is andermans zorg en bezigheid.

Het gaat er om in je toevallige omstandigheden zo te leven, het gaat er niet aan je omstandigheden te veranderen. Verander zo nodig van plaats, dat is waarschijnlijk minder kostbaar in termen van txaenz, dat is: waar een mens het mee moet doen: tijd maal aandacht maal energie maal vaardigheden maal geld enz.
Trap er niet in als de propaganda moeilijkheden en misstanden als ‘uitdagingen’ aan je wil verkopen. Uitdagen doen wie gaan duelleren elkaar. Waanzin. Door de adel eindelijk afgeschaft, moet het nu dienen om de gebruikten aan te vuren zoals men honden aanvuurt voor het hondengevecht (eindelijk terecht verboden barbaarsheid, nu laat men zelfs vrouwen met elkaar boksen).

Jaap Schot, 1 januari 2002

BRUIKBAARHEID

Laten we het ook eens vanuit de computer bekijken.

Het is al zo vaak andersom gedaan: bekeken vanuit de mens die een computer wil gebruiken. Dat zo, vanuit de mens bekijken, bracht ons de term gebruiksvriendelijk, vriendelijk, gemakkelijk voor de gebruikers.
Niet zo’n erg goede term, want deze term suggereert dat de computer die eigenschap heeft. De bruine kiezelsteen, heeft de eigenschap bruin te zijn. Met goede apparatuur kan zelfs een kleurenblinde deze eigenschap vaststellen: de golflengten van het teruggekaatste licht zijn te meten en als de meter dan weet wat kleurenzienden ‘bruin’ noemen, dan weet hij het ook. Gebruiksvriendelijkheid is geen eigenschap. Want het wemelt nog van lui die er niet mee om kunnen gaan.
Ik bijvoorbeeld, kan zelfs een computer met (zo’n knuffelig programma als) Frontpage niet gebruiken, er mijn doel niet mee bereiken.
Dat ligt niet aan de computer, dat ligt aan mij. Dat zal iedereen naar waarheid zeggen. Maar ik heb (mijn EGO heeft) niet het plan die constatering te accepteren. Ik ben de aardigste, slimste, handigste en beste man die ik zijn kan en dan zal er zo’n fabrikant of zo’n gebruiker van zo’n rotding in mijn omgeving opduiken, van een ding dat niet wil doen wat ik wil en dan zal dat aan mij liggen, volgens hem. Dat pikt mijn EGO niet.

Onkundig zijn en een rotding zijn, zijn dus RELATIES, geen eigenschappen.

Ik ben geen dom en onhandig iemand die niet kan leren en mijn computer met zijn programma’s is geen onhandig en onbruikbaar rotding. We passen niet zo goed bij elkaar en de veranderbaarheid van mij (veranderen heet hier leren) is niet groot en snel genoeg naar míjn zin. [Hier doe ik iets doms: ik hou een wensplaat naast de te constateren veranderbaarheid en met het feit dat die plaat en de werkelijkheid van elkaar op die manier in die mate verschillen, daar ben ik ontevreden mee. Als ik die wensplaat wegdoe, dan is die ontevredenheid ook weg. Dát is dus de truc!]. De computer is een ding, dat niet kan veranderen, alleen veranderd kan wórden, door iemand die dat kán dus. Maar: ik blijk ook een ding, wat dat betreft, want ik heb bij mij passend onderwijs nodig om zo te veranderen dat ik met deze computer om kan gaan. Passend onderwijs, passend bij mijn programma’s uit de massa sporen uit mijn vroegere leren. Bij die [‘mijn’] programma’s immers komt dat onderwijs binnen, via die programma’s moet ik worden ‘bediend’ (= gebruikt) en ‘bijgeprogrammeerd’ en ‘afgesteld’ op dat voor mij nieuwe (in dit geval: die computer).

De onderwijzer, leraar, instructeur hoeft mij niet te kennen, dat wil zeggen: mijn programma’s wel, maar niet als ‘van mij’. Er moeten alleen onderwijsprogramma’s zijn voor die programma’s waarmee ik toevallig ben opgescheept, vroeger ooit.

Even een zijsprong:
Ieder mens reageert volgens die programma’s waarmee hij (zij) toevallig werd opgescheept. Hoe onverwijderbaar en onveranderlijk / onveranderbaar die programma’s ook in mij zitten, ik (IK, IK) heb er niets meer en niet anders mee te maken dan met bijvoorbeeld het weer en, ander voorbeeld: dan met het feit dat ik een mannenlichaam heb. [IK (hoofdletters) heb, in onderscheid van: ik (kleine letters) bén een mannenlichaam]. IK ben een verzinsel naast “mijn lichaam” en naast ”de programma’s die mijn lichaam heeft opgelopen (waarmee het lichaam door anderen en het gebeuren toevallig is opgescheept).
Heel vreemd, maar dat verzinsel spreekt hier. Dat IK. Door dat verzinsel heen stroomt aandacht en inspanning (txaenz), zoals water stroomt door een rivierbedding of een kanaal.

Let nu op:
Dat ik (met kleine letters, dat echt, als een kiezelsteen of als een draaikolk bestáát, tastbaar, warm, weegbaar is en ruimte inneemt) sleept die programma’s mee en heeft dus ook daardoor en niet alleen door dat kiezelsteen-/tornadoachtige, zijn EIGENSCHAPPEN.
Bij die eigenschappen die uit die programma’s voortkomen spreken we van gewoonten en we noemen de hele, toevallige en voor iedereen unieke en dus hem kenmerkende verzameling gewoonten zijn persoonlijkheid.

IK heb geen eigenschappen, mijn ik heeft die. Mijn ik heeft dus een persoonlijkheid, als je dat woord per se een keer wilt gebruiken. Ik, met kleine letters, die hoofdletter hier komt doordat het woord ‘ik’ aan het begin van een zin staat, ik bijvoorbeeld, erger me blauw aan mensen die zomaar gaan praten met zo’n woord als ‘persoonlijkheid’ ‘persoonlijk’, ‘persoon’, meepratend en napratend en doorpratend, terwijl ze daardoor anderen in de war brengen: het onderscheid onthouden (nalaten te geven dus) tussen IK en ik. Dat onderscheid is hier onmisbaar voor helderheid. De aangesprokene is namelijk ’s lezers IK. “Kijk LEZER, zegt de gebruiker van het woord ‘persoon(lijk)(heid)’, JIJ staat als VRIJ IK buiten en zelfs tegenover jouw ‘kleine letter ik’, dat, - en ziet nu kom ik terug bij die computer en mij – eigenschappen, gewoonten van reageren en ageren, zeg maar: PROGRAMMA’S heeft. Gewoonten waar jouw omgeving niet ‘bevredigend passend’ op en mee reageert.

Nu is er een soort etters dat dan stelt dat jij (op initiatief van dat door deze etter aangesproken, lezende IK) moet veranderen, omdat jij, jouw persoonlijkheid, niet deugt.
DAT GEZEIK, DAAR HEB ik NOU DE PEST AAN. Vandaar dat woord ‘gezeik’.
Zo, dat is er uit.
Einde zijsprong.

De toekomst is niet te voorspellen, niet te voorzien. Het is dus niet mogelijk, zelfs voor de volmaakte opvoeder, het op te voeden, te programmeren, kind voor te vormen zodat het zal passen in de omgeving(en) waarin het later zal komen te verkeren.
Microsoft stuurt zijn ‘kinderen’ de wereld in met een overmaat aan kunstjes, zodat ze voor zoveel mogelijk lieden in beginsel gevraagde kunstjes zouden kunnen doen, als die lieden met hen om konden gaan.
Ja, zo kan ik het ook. Stuur elk kind naar een serie scholen waar het zoveel mogelijk kunstjes leert en gehoorzaam wordt. Als zijn werkgever hem dan bevelen geeft, gaat het goed. Bevelen echter toch in die taal (of talen) waarin dit kind heeft leren luisteren (= verstaan én gehoorzamen).
Een (ex-)kind echter moet als dier ook handelen volgens het nodige dat hij in zich ‘voelt’: er moet gegeten, gedronken en geslapen worden en wel als de betrokkene er aan toe is, niet eerder, niet later, niet meer, niet minder, niet iets anders. De buitenstaander – gebruiker kent deze noodzaak niet zoals de betrokkene die voelt en dat betekent dat de betrokkene met zichzelf moet (leren) omgaan. Dat moet geleerd worden, want er is zoveel verschillend eten, drinken, bewegen, enz.. Iedereen moet leren wat hem goed of slecht bekomt. Ook dat kan weer slechts de betrokkene goed (= veel vroeger dan dat het schadelijk is) waarnemen. Voor meteen schadelijks waarschuwen de ouders en anderen. Te waarschuwen zijn komt neer op: meer kans van overleven hebben dan wie dat niet is. DUS ZIJN WIJ MENSEN TE WAARSCHUWEN.
Dus zijn we te bedriegen en worden wij bedrogen.
En nu ik toch bezig ben: ze zijn ook te mishandelen en voor herhaling daarmee te waarschuwen en dat heet: te bedreigen. Mishandelen om later te kunnen bedreigen heet ten onrechte ‘opvoeden’. Om te voorkomen dat men schuldig wordt, wordt men bang gemaakt. Waar geen wetten zijn is geen schuld. Wetten zijn bedenksels van anderen, ze zijn niet waar en niet nodig. Ze zijn geldig zodra, zolang en in zoverre ze worden gehandhaafd, d.w.z. er ‘straf’ genoemde mishandeling vast aan gekoppeld en uitgevoerd wordt. Zonder die mishandeling is een wet niet geldig, alleen maar een bedreiging. Wetten die zogenaamd van goden afkomstig zijn, moeten toch hier op aarde nu door mensen geldig worden gemaakt en gehouden, anders verbinden weinigen er gedragsgevolgen aan, uit ‘geloof’ genoemde angst voor waar voor gewaarschuwd is. Te waarschuwen zijn is niet dom, integendeel. De gelovigen zijn niet dom. Ze worden bedrogen, dáár bij de bedriegers ligt de schuld als bedriegen niet mag. Bij de bedriegers ligt in ieder geval de veroorzaking van een daling van het aantal misdaden tegen wat in goddelijk genoemde wetten verboden is. Lofwaardig bedrog, zal menigeen zeggen.

Terug, waar waren we?

Veel ouders en opvoeders doen toch erg hun best. Ze proberen diegenen te volgen die zij vertrouwen, vaak hun eigen ouders en vaak ook voorgangers en soms ook hun eigen gedachten. Algemene regels leerden ze ons dan: ‘de wereld en het wereldgebeuren is ook van jou’, bijvoorbeeld. Of juist, orthodox bijbels: de wereld is van de heidenen, láát hen die wereld toch vooral. Mijdt de wereld en waar ze je treft, vlucht zo mogelijk en besef in ieder geval dat de wereld voor jou alleen omgeving is en het wereldgebeuren net als het weer: niet op jou gericht, jou zorg niet, wat niet betekent dat je niet moet schuilen en geen regenkleding en dergelijke moet dragen. Dat moet natuurlijk wel. Maar er is géén verschil tussen ‘wat je aangedaan wordt’ en ‘wat je door een natuurramp of zo overkomt’. Het raakt je en daar moet je mee omgaan. Mensen van de wereld zijn niet méér aanspreekbaar dan regenwolken en windhozen. Als ze aanspreekbaar schijnen, blijkt dat altijd te berusten op het feit dat ze zich bang en tot dingen hebben laten maken. Dat zelfde is vaak de oorzaak van hun ‘kwaad doen’. Maar dat maakt niets uit. Bedenk: de natuur is te bestuderen, want speelt geen spelletje en is niet in gevecht gewikkeld, de geciviliseerde mensheid is niet te bestuderen, niet te begrijpen, niet met behulp van theorieën, qua gedrag ‘te verwachten’, juist omdat ze onderling vecht en speelt niet. Hoe dicht Machiavelli ook bij wetenschap op ze beoefenen kwam, het verloop van de politiek is er niet mee te voorspellen, te verwachten, exacter: te zien aankomen.

Waar de opvoeders hun best doen is het ex-kind geneigd hun waarschuwingen en raad te blijven gebruiken als leidraad voor doen en nalaten.

Vaak zouden de ouders en opvoeders dat in die kinderen niet bekrachtigen, als zij de huidige omstandigheden kenden en er nog in levend en aanwezig waren. Menigeen zou verbaasd staan van het gemak waarmee zijn opvoeders híer een uitzondering en/of een reden om van inzicht te veranderen zouden zien. Maar vaak zijn de opvoeders al dood en zo ze nog leven zijn ze in ieder geval vér van de leefsituatie van de ex-opvoedeling.

Dit voor wat betreft wat ik als ex-kind wél als instructie gekregen en aangeleerd heb. Maar nu wat ik níet kon leren, omdat de gelegenheid er niet was. Het blijft zo, dat ik dat niet kan en (zonder leren) niet zal kunnen.
Ik merk dat ik zo weinig zín meer heb in leren.
DAT IS DE LEEFTIJD en de ervaring dat leerresultaten vaak niet toepasbaar waren en toepassingen zo vaak zonder resultaat.
“Kan ik ook zonder?” is een echt goede vraag.

Computer en printer samen vervangen een hoop personeel, dat voor de tweede wereldoorlog nog in archieven en drukkerijen werkte om voor velen datgene te laten gebeuren wat nu met en door computer en printer gedaan wordt. Schijnheilig zeggen velen dat mensen geen gebruiksartikelen zijn, nou, dat zijn ze overal waar nog geen computers en robots ingezet worden wél.
Wie geen uitkering krijgt, moet “werken” , tenzij hij over voldoende geld beschikt om anderen voor zich te laten werken zonder enige tegenprestatie (enige bijdrage aan alle ‘werk’) te leveren. ‘Geld hebben’ is ‘het recht om anderen te gebruiken hebben’. Gebruiken = voor je laten doen. De anderen zijn gemakkelijk te ‘bedienen’ computers en robots (zoals printers). Men sprak er altijd al van dat koning X die kerk bouwde, die stad stichtte.

Dat is één reden om mensen en computers/robots naast elkaar te houden en overeenkomsten en verschillen vast te stellen: dat beide gebruikt werden en worden.
Nu wat verschillen:
Een ongebruikte computer verandert heel, heel langzaam: roest en verweert hier en daar. Ze staat daar maar te staan.
Een ongebruikt iemand verloopt zoals elk proces. Een mens is een grote verzameling chemische processen. Die verlopen in de tijd en er komt een eind aan.
Beide, mens en computer zijn in verandering, het grote verschil zit hem in de snelheid waarmee. Een muis is net zozeer een dier als een mens, maar is veel eerder klaar met volledig leven. Ook een bergketen ontstaat en vergaat, evenals een brand en een tornado. De bestaansDUUR is de meetbaarheid waarop verschillen kunnen worden afgelezen.

Alleen die bestaansduur? Sporen nalaten doen ze allemaal, de dingen die gebeuren. Een ding zijn is gebeuren. Er is altijd een stoffelijk overschot, nadat de WERKENDE ORDE is opgehouden te bestaan, m.a.w. als het ding als geheel niet meer functioneert.
[Werkende orde in onderscheid tot dode orde. Horlogeonderdelen, netjes naar gewicht naast elkaar gelegd, liggen ordelijk, maar zo liggend vormen ze geen werkende eenheid, die aan de onderdelen functie, taak en zin verleent. Daartoe moeten de onderdelen met elkaar in aanraking en interactie zijn.
Organiseren is een vorm van in dit geval mensen, bijeen in een werkende orde plaatsen. Georganiseerd worden en zijn is gebruikt worden, dus zeer ongelijk aan samen, op eigen initiatief en “onder eigen regie” hun bezigheden op elkaar afstemmend, werken aan een gezamenlijk project.]
Een windhoos is van energie en lucht “gemaakt” en de laatste lucht die nog rond bewoog is het stoffelijk overschot. Zoals de laatste vaste stof waaruit de dode muis bestond zijn stoffelijk overschot is.
Stof en energie in andere vorm, ze gaan nooit verloren. Wat bestaat is een vorm waarin die energie beweegt, is stof die door energie bewogen wordt.

De moderne natuurwetenschap kent geen concept ‘leven’. Van leven is sprake, in de veel oudere taal van ver voor de komst van die moderne wetenschap. Leven is door bewegen veroorzaken. De zee, de golven, de vulkanen, de winden, de stormen, de bosbranden, de regens, het zijn allemaal LEVENDE WEZENS, in die oude taal. Krachten en krachtige grootheden waren het (macht, het beschikken / bevelen over krachtige minderen door een op zich weinig kunnende, kwam pas later, met de organisatie en de slavernij). Deze wezens die toen als levend werden gezien en nu als niet-levend, waren soms puur terroristen, soms vooral onmisbare brengers van zegen (regen en zonnewarmte bijvoorbeeld). Telkens dreigde die zegen te verminderen of op te houden en telkens dreigde die schade weer te keren (door storm en vuur en waternood en watersnood). Zich niet meer snel en ver vrij te kunnen verplaatsen, doordat daar verderop ook al mensen wonen, leidt dan tot angst en waar vluchten niet meer kan, moet men maar leren bidden en offeren en doen alsof die dingen aanspreekbaar zijn en zelf moest men al eerder ook aanspreekbaar worden, omdat men met elkaar opgescheept zat. De aarde is dán reeds vol. En toch gaat de bevolkingsgroei door en wordt de dreiging steeds erger gevoeld, mede doordat er meer doorvertelde herinneringen aan ellende komen. Dingen die men blind voor wat er gebeurt c.q. zal gebeuren, doet om te voorkómen [in dit geval: offeren en bidden] vallen vanzelf in een bekrachtigingsschema (Skinner) waardoor de ‘rituele’ gedragingen in kwestie nooit meer als poeha herkend en erkend worden.

Het is een interessante proef eens na te gaan van welk gedrag van ons wij de uitwerking volledig waarnemen en doorgronden. Van wat ik eet bijvoorbeeld weet ik niet of het mij goed doet of niet. Ik heb geleerd dit en dat te eten en te drinken en er zijn ontelbare kreten over het goed of slecht voor ‘een mens’ ( dus voor mij???, ik ben toch immers volgens diezelfde propaganda en reclame zo uniek !!) zijn van dit en van dat.
Mij is vrijwel niets uit eigen waarneming bekend.

Zelf waarnemen wat ik veroorzaak, kan ik alleen bij eenvoudige, opengewerkte MECHANISCHE apparaatjes. Wat mijn lijf doet met wat ik eet? Ik heb er geen idee van, wat, hoeveel of hoe, ik weet het niet.
Dat geeft de ruimte die de ONGERUSTMAKERS innemen. Die ononderbroken stroom blaadjes en bladen van drogisten en natuurwinkels en medische en kwakzalvende schrijvers.
Zelfs de méldingen, in de beste wetenschappelijke tijdschriften, zijn voor mij (en vrijwel 100% zeker voor de lezer) oncontroleerbaar en slechts te geloven, zoals ook openbaringen van mystici dat zijn. Geloven is altijd eender en altijd fout. IK moet blijven weten niet te weten wat ik slechts heb horen zeggen (c.q. heb gelezen). Ik moet dus niet geloven. Niets.
Geloven is ongelijk aan ‘te waarschuwen zijn’. [‘Weten’ is een heel moeilijk woord, nu ja: een erg slecht gedefinieerd begrip.]
Schoolvoorbeeld: tig jaar lang is stress genoemd als oorzaak van maagzweren en nu blijkt het toch een bacterie te zijn. Rust nemen kan geen kwaad, maar verder wel een antibioticum.

Een mens in onbruik verloopt. [Verlopen is: zich in de tijd voltrekken. Dat is uiteindelijk vergaan, uitdoven. Maar niet de hele tijd van bestaan: het is eerst groeien en bloeien.
Een computer / robot in onbruik bestaat. Meer in de richting van statisch, onveranderlijk. Bestaan is echter bij nader toezien, eveneens een vorm van gebeuren, van verlopen.
Er is sprake van leven, als naam voor dat actieve, dat snellere veranderen. Er is sprake van doen, doen in onderscheid van het waarneembaar tevoren vastliggende, gepredetermineerde, voorbeschikte, zoals het aflopen en de tijd aangeven wat de wekker doet.
Wij veronderstellen, al sprekende, de aanwezigheid of juist de afwezigheid van onwaarneembaar van te voren vast liggen, van het gedrag van bijvoorbeeld een muis of een mens. Als de vulkaanuitbarsting van te voren vast ligt, zij het onwaarneembaar, dan ligt het tijdstip van het schrikken van Jantje vast, die bij die vulkaan woont. Ligt dan de reactie van Jantje ook onwaarneembaar vast of heeft Jantje een vrije wil of initiatief of wat ook, dat buiten het ‘mechanische c.q. mechanistische beeld van alle gebeuren’ ligt???

Onuitgesproken vooronderstellingen zijn de gevaarlijkste. Waar men van spreekt geeft men, zodoende, dat doende, de schijn van bestaan, resp. van verlopen in de tijd en van ‘ergens de oorzaak van zijn’ en van ‘ergens het gevolg van zijn’.

Wat is er nog aan de hand met waar geen sprake meer van is? Wat met wat verlopen, voorbij, over is?
Dat is voorbij, ook áls er sprake van is.
Voorbijer en voorbijst bestaan niet.
Alles wat over het verleden gezegd wordt is fantasie, net als de toekomst en de fictie.

Er worden ontelbare zelfstandige naamwoorden gebruikt die geen namen van zelf, onafhankelijk bestaande zaken = dingen = gebeurtenissen zijn. Het zijn woorden, die met behulp van grammatica en logica te gebruiken zijn om volzinnen en verhalen mee te maken en uit te spreken (en/of te schrijven). Dan is er dus tekst. Er is echter niets buiten de horende en sprekende mensen dat via hun waarnemen die tekst mee zó, déze, doet zijn. “Woorden, woorden, woorden.” =/\=||

Laten we het nu nog eens vanuit de computer bekijken.
Vergelijk ik mij met een computer van tegenwoordig, dan is een verschil: dat ik kan en wil leren. [Willen, dat is zoiets als ‘als lustgevend ervaren’.]
Een computer in onbruik krijgt geen energie en geen informatie. Als dat ding die beide nu wel wil hebben teneinde te functioneren, lijkt het alsof het gebruikt wil worden, maar hier is een voorbeeld van koppelverkoop. Zoals paarden alleen de wei of de stal uit mogen als ze bereden worden en dan schijnen ze graag bereden te worden.
Zo is het met de gebruikte mensen ook. In onbruik worden hen wezenlijke dingen onthouden. En dan wíllen ze wel.

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *