Collectief geheugen

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: censuur | doorgangspunt | Mozes | vaderlandse geschiedenis

Jaap Schot, 13 februari 2005

  1. Het begon met ergernis en met het scheldwoord ‘geneuzel’. Pas dezer dagen kreeg ik ineens door wat het benoemde eigenlijk is: het óverstorten van de die dag opgedane geheugeninhouden in het geheugen van een (liefst élke) ander, die daar niet bij was, bij dat opdoen. En wat ís dat dan: dat is: het aanmaken en onderhouden van het collectief geheugen.
  2. Het onderwijs aan de RUG was zó belabberd dat wij de term van C.G. Jung het ‘collectief onbewuste’ wel als woord moesten leren, maar er zat geen serie colleges aanvast, wat voor het achterhalen van een eventueel verband van dit concept met het voor ons daar dan waarneembare wel nodig was geweest.
  3. De term ‘collectief geheugen’ los van aangewezen verschijnselen blijft leeg. Ach, zoals heel, heel veel termen. Er was en is ook overal zo weinig tijd en belangstelling voor. En naar mijn ervaring spreken mensen ook nauwelijks met elkaar, het blijft bij praten en dan bij zulke dingen als dat overkieperen van die bakken vol vooralsnog onbruikbare onthoudbaarheden. Dat namelijk is de enige eigenschap van die bagger: te onthouden te zijn, bij de onvermijdelijke herhaling dus herkend te worden als, “ja, dat vertelde je al”. Maar dat is dan wel de ongewenste reactie, schijnt het.
  4. En om nou te zeggen dat er (zulke collegeseries vervangende) toegankelijke échte “woordenboeken” beschikbaar waren of zijn, niet dat ik weet. Encyclopedieën staan boordevol met geneuzel over doden en plekken op het aardoppervlak en politieke grootheden en heel veel meer. Maar echte wegwijzers naar verschijnselen die je over het hoofd ziet omdat ze zo alledaags zijn of zo, nee, zelden.
  5. Nu was het dus (onlangs) zo lang, - echt dertig tot vijftig jaar -, geleden dat ik ‘gewone’, met dat wezenloos ‘volkstammetje spelen’ bezige mensen om me heen had gehad, dat het me bij geval enorm opviel en ik me ging ergeren. “GVD mens”, zo dacht ik in stilte, “ik hóef die infoblubber niet. Ik zal het nooit kunnen en willen gebruiken en ik zal die mensen met die eigennamen nooit zien”. En dat blééf maar doorstorten. Zum kotzen.
  6. Als je ze zegt wat ze doen, vertel je ze niets wat ze niet al lang kennen. Kennen kunnen ze namelijk niet voorkomen en zelfs niet ‘in de weg zitten’ met het besteden van aandacht aan andere dingen, kennen, kennis nemen, dat gebeurt. Kennen, maar weten komt voort uit ‘er aandacht aan besteden, txaenz dus’. Nou, dát is nooit aangeleerd en als het ooit een keer spontaan is opgetreden (de natuur gaat haar wegen) dan is het doeltreffend de kop ingedrukt door de omstanders, die álles accepteren (zeker in het huidige heersende tolerantisme) maar géén Gedachten. [Waarbij ik taalgebruik op kennis even met ‘Denken’ aanduid, in onderscheid van wat aan het gepraat voorafgaat en aan het vertellen van wat er nou weer gebeurd is en voor het nieuws was enz. enz. enz..
  7. Je kunt ze dus niks aanwijzen wat ze nog niet kennen en dat schept verachting. Daar zijn ze goed in, in verachten, want het zoeken is naar de molshoop die ze zelf beklommen hebben en waarop ze trots hun vlag plantten enerzijds en naar hetgeen als reden kan worden genomen om de ander als hun mindere aan te wijzen.
  8. Hun preoccupatie, de preoccupatie van de batterijmensenhouderij die door hen heen werkt, is dat rangschikken. Daarom kun je ze ook niks aanwijzen, aanduiden of onderwijzen (= met iets in aanraking brengen, zodat ze van die aanraking leren): als ‘wat ze nu ‘zijn’ (≈ aangeleerd, in hun geheugen en gewoonten hebben) wensen ze niet slechts aanvaard, maar gerespecteerd te worden. Dat is de ziekte van de huidige mensenhouderij, dat is het batterijsysteem. Dat is het tolerantisme, dat slechts op één enkele dimensie het zo-zijn van anderen wenst te rangschikken en dat is de mate waarin ze ‘de economie voorzien van binnenlandse koopkrachtige vraag naar goederen en diensten’. DE kwaliteit van een tekst is zijn verkoopbaarheid. DE kwaliteit van een manier van ‘zijn’ (zie boven) is de mate waarin de industrieën er aan kunnen leveren: vele seksuele perversies zijn uiterst lucratief en dus niet langer als verwerpelijk opgevat.
  9. Vroeger waren de kooien waar ze (de gebruikte mensen) in zaten van clausules (let op het woord!) in contracten gemaakt. Ze lieten ze [onder een bombardement van gevoelspropaganda en uitdrukkelijke maatregelen, zoals inkomen en belasting] trouwen en maakten het scheiden onmogelijk (de staatsgodsdienst, zie actueel het U.K. met z’n Charles) of toch minstens buitengewoon schande brengend en financieel onvoordelig. Dat scheelde sociale uitkeringen.
  10. Nu zijn de kooien gemaakt van dat wat ze toevallig aangeleerd hebben, de batterijmensen in kwestie. Dat gaat als volgt: alle dingen en alle mensen worden gerangschikt en er is maar één schande en één bron van angst: de laagstgeplaatste zijn, de minst geachte. Die wordt op school gepest, op het werk gemobbed, onmogelijk gemaakt, uitgelachen, vernederd. Daar doet de staat niks aan en de kerk ook niet.
  11. Dat werk, terroriseren, bang maken, een pikorde instellen, (en dat kán niet anders dan door fysiek mishandelen, wij zijn dieren! En dat kan niet anders dan in gevangenschap, want wij zijn dieren en komen op het idee te vluchten.) wordt overgelaten aan en uitgevoerd door het platte volk: de batterijmensen, de voltijdsgebruikten, die vreten (consumeren / kopen) van wat hen aan producten van anderen door propaganda en reclame langs de kooien gestuurd wordt. Daar staat dan een staatskabouter bij te roepen: “fatsoen moet je doen!”
  12. Ze vreten (= kopen en consumeren, vertonend, zie Veblen) er ván, ze vreten niet alles en in dat kiezen van het ene en niet kiezen van het andere beleven ze volgens de propaganda hun keuzevrijheid en uiten zij hun uniekheid, waarvoor niet slechts de leveranciers, maar ook de andere batterijmensen tot het diepste respect verplicht zijn. Ook dát roepen die staatskabouters, allemaal en telkens weer, iedereen toe.
  13. Met deze truc worden de dingen die ze toevallig aangeleerd hebben, - en daaronder bevinden zich de regels en gewoonten die hen tot bruikbare stuks vee maken -, tot dat waar de batterijmensen de hoogste waarde aan toekennen.
  14. Nou, dat (aan het aangeleerde de hoogste waarde toekennen dus) was altijd al de gewoonte, niet pas vanaf de invoering van het mensengebruik in de slavenhouderij, maar al eerder in de culturen, waar ouderen voordeel voor zich hadden ingebouwd (aangetroffen) in de stamgewoonten. Ook het jonge lid van de volksstam moet al worden gebracht tot het “wíllen” behoren tot de stam.
  15. Eén van de ooit toegepaste trucs was het hoger belonen van oudere werknemers (= gebruikte mensen). Dat kon mensen het loongebouw binnenlokken en het positief doen waarderen. Vergeleken bij wat ze nu aanbieden was zulk een regeling een trein waar je in stapte en die je ergens bracht, je vervoerde. De VVDers proberen de mensen een overdekte spoorbaan op te lokken, waar ze dan op kunnen lopen. Pas na enige tijd blijkt de overdekking lek en later zelfs afwezig. De gebruikten (de batterijmensen) echter merken dit op, maar ze zijn niet tot metterdaad protesteren te brengen (te organiseren) zolang ze nog zoveel kunnen kopen.
  16. Wat [bij ‘ons’, in deze civilisatie nu hier] weggevallen is, is de eenheid (≈ gelijkheid en onderlinge passendheid en ‘te verwachten zijn’) als resultaat (≠ resultante, dat is het ónbedoelde, dat is de term voor wat buiten het spel ‘civilisatie’ gebeurt) van africhting / aanleren / conditioneren: ieder stuk menselijk gebruiksvee moet verdedigen [zoals vroeger de stamleden hun gewoonten en later de geciviliseerden hun staatsgodsdienst] wat hij toevallig aan massa aangeleerds heeft opgelopen.
  17. Dat (verdedigen van dat toegevallene, opgelopene) moet omdat hij dat moet willen blijven doen en hebben en vinden, dat is zijn taak als drager van die hem en de anderen voor de parasieten (slavenhouders, overwinnaars van ooit) bruikbaar houdende regels en regelingen en vaardigheden en gewoonten, dat vaste, dat vast staande. Vast staat dat de parasieten blijven zuigen en dat de gebruikten dat prima vinden, met of zonder hoop zelf ooit aan het parasiteren te kunnen slaan.
  18. Zo is het historisch gegroeid tot nu toe. Of het zo regelen van deze (nu uiterst heterogene, ‘multiculturele’) massa gebruiksvee zo door de parasieten (hun dienaren) gedáán is, of slechts uit toevallige mutaties ontstaan en toen bevorderd, door positieve selectie verveelvoudigd, dat is moeilijk te zeggen.
  19. {aansluitend op die aanmaak van dat collectief geheugen (zie ook dat beeld van dat breien van een landkaart van een draad, die stamt van een uitgetrokken gebreide landkaart.)}: Ieder tweetal mensen heeft maar een beperkte hoeveelheid spreek-luister-tijd met elkaar. Als dan één van de twee dat schaarse goed verdoet met het overstorten van laadbakken vol infoblubber in het geheugen van de ander, moet die ander wel overgaan tot het afbreken van dat contact. Tenzij hij zelf ook een batterijmens is, dan stort hij zijn blubber terug en maakt zich zodoende ook tot een herinneraar van al die rommel. Want zó werkt het: al overstortend vertellen ze verhalen over wat er om hen gebeurde en wat hen nu nog heugt en door dat vertellen van een verhaal verhinderen ze de werking van het natuurlijk geheugen, dat al deze prut na enkele weken totaal heeft gewist. In de rest van hun leven herhalen ze dat verhaal, zonder enige mogelijkheid om de juistheid van het verhaal aan enig gebeuren te toetsen.
  20. Het verdient aanbeveling te beseffen dat dat geheugen ontstond en gevormd werd onder andere omstandigheden dan de onze. De mensen leefden in kleine groepen, die niet woonden, maar zich over een groot “gebied” (een zeer ónpassend woord hier, er gebood nergens iemand!, dat kwam pas heel veel later. Dit woord ‘gebied’ is hier net zo misplaatst als het spreken van een dominante soort of van Koning Leeuw. Ook met deze opmerking vertel ik de lezer niks voor hem nieuws, maar het is onwaarschijnlijk dat de keuze van dit woord even snel en beslist werd opgemerkt als verkeerd én dus afgewezen als wanneer ik bij het opsommen van ‘vormen van functioneren van mij als genencombinatie van pissen en schijten zou spreken.) Zie verderop dat voorbeeld met die ontdekte wel, een memorabele gebeurtenis, die met recht, nu ja, weer zo’n fout woord: zinnigerwijze is wellicht een term, medegedeeld wordt.
  21. Dat toetsen is ook geen doel meer, doel is geworden het onveranderd houden van het collectief geheugen. De omstandigheden zijn aan de greep van ons, die als batterijmensen (analoog aan batterijkippen) gehouden worden, onttrokken (geraakt). Dat collectief geheugen is er alleen nog voor het gevoel, tijdens de aanmaak zowel als bij het onderhoud. Het is als het zitten bij een televisie waarop een knappend haardvuur of een ruisende branding ons vanaf een informatiedrager wordt vertoond. Het is onecht en wij weten het, maar het is zoveel beter dan de meeste gewone programma’s.
  22. Dat natuurlijke, echt, functionerende ‘collectief geheugen’ is gediend met de taal. En het is nuttig als het gevuld is met lang geldig blijvend materiaal (zeg maar wetenschappelijk 'wel (= goed, degelijk) bewezen' natuurwetten en dat soort dingen). De eigennamen van ontdekkers van de eetbaarheid van spinazie hoefden ook niet te worden onthouden, in het collectief geheugen moest slechts de eetbaarheid van spinazie in zoveel mogelijk koppen worden opgeslagen. Zoveel mogelijk koppen omdat bij massaal versterf er zo weinig mogelijk overlevering [veelal, volstrekt foutief, “kennis” genoemd] verloren zal gaan.
  23. Wat volstrekt NIET in dat geheugen past zijn van die opmerkingen als ‘het doen of nalaten van x draagt bij tot het voorkómen van K’. Dat kan niet worden ervaren. Toch zou het de tijdschriftenwinkels en bibliotheken veel lege schappen opleveren als de opmerkingen van deze soort ineens verdwenen.
  24. De batterijmens krijgt geen informatie binnen die de moeite van het overleveren (in andermans kop óverladen) waard is. De batterijmens heeft echter ten geschenke gekregen die eigenwaardeschatting, die overschatting, die hem ertoe brengt bruikbaar en op zijn plaats, nuttig voor de parasitaire mensenvee-houderij te blijven.
  25. Het productievee van de diersoort mens blijft produceren omdat het gewaardeerd wordt op basis van het geld dat het verdient [= waar het (het systeem) voor dient]. De legkip met ervaring (≈ de werknemer, loonafhankelijke) krijgt eerder een plek in de legbatterij (≈ via de arbeidsmarkt: óp de werkvloer), waar het (per ei en/of voor de kwaliteit daarvan) gewaardeerd en door de ómkippen (≈ medemensen, medegebruikten, collega’s) geprezen wordt en door degenen die hem gebruiken in naam van ‘het systeem’, via geld, van voorrechten voorzien.
  26. Het besteden van die beperkte hoeveelheid spreek-luistertijd kan nogal wat ‘betekenissen’ hebben (= op verschillende wijzen aangevoeld en ervaren worden). Het kan zijn dat men zich laat dienen en het kan zijn dat men zich aangevallen voelt / acht.
  27. Voorbeeld van ‘zich laten dienen’ door een geheugenvuller: Men koopt een nummer van ‘Elsevier’ en hoort (c.q. leest) wat men graag hoort: “Wim Kok was sociaal democraat, maar een burgerlijke en dus prijzenswaardige man, totdat hij deel ging uitmaken van de graaicultuur.” Dát wil de koper horen: aan het onverenigbare (cognitief dissonante) komt een einde, door een daad van Wim Kok. Hij is de enige die als dader (= als schuldige) wordt genoemd met naam en toenaam. De graaicultuur in kwestie, die was en is er, die is er gekomen, het tot stand brengen en doen bloeien ervan kende geen daders, dat was een natuurgebeuren. Slechts Wim Kok stelde de daad in die poel te duiken en zich dus eindelijk toch verachtelijk te tonen, wat bij zijn sociaaldemocraat zijn altijd al behoorde, voor de ‘Elsevier’ - lezer. Het collectief geheugen is gevuld met al die laadbakken vol onbruikbaar eenmalig tot herinnerbare verhalen verwerkte NIKS, maar ook met ‘waarden en normen en andere rommel waarmee over die verhaalde ‘zaken’ (let wel: altijd met veel eigennamen er in !) waardeoordelen, (≈ vonnissen) geveld kunnen worden: wie vonnist, speelt ‘koninkje’. En dat is een spelletje dat álle batterijmensen mogen spelen. Maar het vormen van een oordeel is leuk, maar dat oordeel horen herhalen en dan ook nog goed verwoord, met lekkere sneren versierd, door een publicist, dat is geníeten.
  28. ‘Koninkje’ spelen omvat vee meer dan alleen vonnissen, rechtspreken. De koning is niet alleen rechter, maar hij is ook degene die soeverein (= voor geen enkele kritiek of navraag voorbestemde) wil [= kan kiezen wat voor onnodigs te (laten) doen, voor ‘zich’]. Ook ‘zich’ zijn, dat is los zijn, dat is geen doorgangspunt van invloeden en werkingen (= oorzaak-gevolg-ketens) zijn is een aanvankelijk slechts de koning toegeschreven eigenschap. Initiatief heeft de koning, bij hem begint ‘dat wat hij wil’. Zijn rechten, voorrechten dus, berusten op ‘wat vroeger ooit gebeurd is, wat ‘de zijnen’ vroeger ooit zogenaamd gedáán hebben. Dit en meer is één geheel. Ze spelen ‘koninkje’ en dít is wat een koning in hun fantasiespel is en doet en betekent.
  29. Iedere batterijmens hoopt echter gespaard te blijven voor die spreker in de buurt en voor die publicist, die hem zijn spelletje als zodanig aanwijst en/of zijn waarden en zijn oordelen als dingen waarvoor hij slechts doorgankelijk is. De doorgankelijke is geen dader en dus geen verdienstelijke en dat, verdienstelijk zijn, was hij nou juist aan zijn leeg gepraat aan het voelen, deze speler van ‘koninkje’. Nou, dát is dus die andere manier waarop het mede door een ander geconsumeerd worden van die schaarse spreek-luister-tijd te ‘beleven’ is.
  30. Overigens is juist ook déze vorm van beleven voor het in stand blijven van het systeem van doorslaggevend belang: de geërgerde praktiseert zijn opvatten van ‘wat hij toevallig aanleerde’ als heilig en alle verdediging waardig. Hij praktiseert dit, hij doet het. Hij verdedigt “zich”.
  31. De batterijmens is als het paard dat zijn zadel en leidsels verdedigen zou, als de legkip die haar kooi trouw blijft ook als die open staat, als de hónd (als concept is dat beest het meest verachtelijke ding van vlees. Als concept, je mag een concrete hond natuurlijk nooit kwaad doen, het is een gebeurend ding in ‘dat wat onderwerp van de wetenschap biologie is’, net als ik, net als de lezer. Als concept is ‘de hond’ uiterst verachtelijk, omdat hij zich onderwerpt en zijn baas bemint en bewondert. Walg, walg.).
  32. De gewone batterijmens is een als productiedier gehouden soortgenoot van de gebruikers van de door ons allen aangetroffen organisatie van de massa mensen waarvan wij deel uitmaken. Het zijn deze door ons aangetroffen organisaties (ik geef als voorbeelden maar: nationale staten, bondgenootschappen, multinationals en georganiseerde religies) die ‘posities’ bevatten waarop ambitieuze mannetjes terecht (nu ja, terecht, dat is alleen maar een erg ongelukkige zegswijze in het Nederlands) kunnen komen, die dan van die prettige beslissingen kunnen nemen als ‘Operatie Barbarossa starten’ en ‘de Duitse steden uit wraak platbombarderen’. Wie de oorlog verliest is de misdadiger, die ander dient met begrip te worden nagevoeld.
  33. die ambitieuzen op die beslisserstoelen worden altijd moreel en ethisch ‘slecht’, de fout ligt niet in hen, zij zijn doorgankelijken, anders hadden ze het nooit ook maar tot ‘iets’ gebracht, laat staan tot een verantwoordelijke positie. [ Dat, ‘verantwoordelijke positie’ is de propagandanaam voor een positie waarin je macht over anderen hebt, via geld en zelfs via zulke dingen als ‘militaire dienstplicht’ deze anderen van buiten hen af kunt sturen en besturen, ‘aanzetten tot’ en ‘weerhouden van’ . Nogmaals: er zal je nooit iets worden kwalijk genomen tenzij je je oorlog verliest en: je hebt de gelegenheid je kwalijke beslissingen voor zo’n jaar of vijftig tot ‘staatsgeheim’ te laten verklaren. Verantwoordelijkheid wordt volgens de staande uitdrukking gedragen, maar het is een imponderabel iets, het is niet te wegen, want gewichtloos. En wie het tot een positie van die soort brengt, die KENT dat feit en zal het altijd krachtig óntkennen. Alleen toevallig verkeerd in elkaar gezette (= geráákte) misbakken a.s. leiders kunnen aan verantwoordelijkheid tillen. Losers.
  34. Het is bij wie ‘koninkje spelen’ uiterst óngebruikelijk dat hun oordelen hen in tekst bewust worden. Normaal is dat deze oordelen alleen als prettig gevoel van superioriteit, van gelijk hebben en zo, bewust worden. Daarbij helpt het lezen en aanhoren van andermans verwoordingen van die oordelen zo goed: die verwoordingen blijven ondoordacht en daar, buiten degene die aanhoort, ze roepen slechts dat gevoel helder en sterker op, dat prettige ‘góed zitten’.
  35. Aanhoren ≠ ‘luísteren naar’, ≠ ‘bestuderen van’ (wat je hoort). Aanhoren is ‘lekker half passief zijn’, net als bij het je laten boeien door een verteller (van fictie). En dan is het slim en goed om je ‘bestuderen’, - dat je doet om daar eer mee in te leggen bij mede – halfintellectuelen – te richten op de stíjl, dus niet op de inhoud en niet op: waarom díe verzonnen zaken jouw schaarse spreek-luister-tijd mogen vullen, want dat zou confronterende antwoorden kunnen uitlokken.
  36. Wat de bekleders van die beslisserfuncties en zij die dat nog eens willen worden moeten voorkómen is dat er een lerende samenleving ontstaat. Wil je het zojuist gezegde over de gevaarlijkheid van de organisaties niet begrijpen, moet je al ál je denkkracht op nul draaien. Nou, dat doen de batterijmensen dan ook, onder leiding.
  37. Hun aandacht is, er werd in dit opstel al op gewezen, geheel gericht op hun zelfrespect en het respect dat zij krijgen. Ze zitten dicht opeen en verboden is elk spreken over iets anders dan NIKS.
  38. Voor wat dat (‘NIKS’, het enig toegestane onderwerp voor gebruikten dus) is kun je terecht in de media en in de kroegen en in de gezinnen en: OP SCHOOL!, ja dáár ook: alles wat ‘de leerling’ en/of ‘de leraar’ en/of ‘de school als organisatie en gebeuren’ hier nu betreft is absoluut verboden onderwerp van onderwijs en zelfs van gesprek [er is één uitzondering en dat is als er een ernstig incident is, een moord of zo, dán kan er onderwezen worden hoe je gevoelens aanmaakt en opklopt bij dingen die geen enkele opwinding waard zijn, omdat ze ‘dat wat al gebeurd is’ betreffen en dat is écht onveranderbaar, én omdat ze geen greep geven op ‘wat zal gáán gebeuren’ . Waartoe dan toch dat onderwijs ineens? Antwoord: dat traint het áfleiden van de aandacht ván oorzaken en ván omstandigheden (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van die organisaties) náár incidenten en naar het “denken” in daders in plaats van in termen van doorgankelijkheid en ‘oorzaak-gevolg-ketens’.] Het is antiwetenschappelijk onderwijs op “onze” scholen. Hoe kán dat nou? Wel, het is veel minder ingewikkeld dan het lijkt: de roomse kerk, toentertijd aan de macht, stond aan de moderne wetenschap (die gezagsloze beweging die zélf wou kijken hoe het in elkaar zit en zat) toe dat wat niet in het maatschappelijk spel plaatsvindt als onderwerp van onderzoek en doordenking te nemen. En ziet: hier hebben we met binnenmaatschappelijks te doen.
  39. Eén iemand (bijvoorbeeld een leraar) kán onmogelijk tegelijkertijd onderwijzen en onderwerpen / mores leren / opvoeden / socialiseren / aan de maatschappij aanpassen. Hij kan slechts één ding voorleven: óf ‘de verlichting’ óf ‘het door soortgenoten houden en gehouden worden van mensen als gebruiks- en productievee’ voorheen het feodalisme en de bijpassende staatsreligies Christendom na 325 en Islam vanaf zijn conceptie (??? Vraag het hén) [ nee, het jodendom NIET, LÉÉS DIE BIJBEL gvd EENS!].
  40. Deze oproep is voor de meeste mensen natuurlijk even appellerend als voor mij de oproep “Kijk dan eens een jaartje naar Studie Sport” en/of “Verdiep je nu eens in de Italiaanse cinema”. Nee dus, ik ben er niet toe uitverkoren. Moeder las me de bijbel zonder commentaar voor. Ik leef vadervrij en er was gelukkig ook geen plaatsvervangend vaderaar die mij zo nodig met de sport en/of met ‘de cultuur in de civilisatie’ in aanraking meende te moeten brengen. God zij dank.
  41. Die andere mensen, die de bijbel ongezien voor gezien houden, zoals ik de sport en de kunsten, gebeuren ook gewoon, net als ik. Ik kan niet willen wat ik wil, zij evenmin. Ik voorzie in wat ik nodig heb om in te functioneren met behulp van wat ík heb aangeleerd, zo goed en zo kwaad als dat gaat en ik heb er vrede mee. Voor hen is deze uitspraak ook bruikbaar: om door hen over hen zelf gezegd te worden. Wedden?
  42. De god van de joden is de god die tegen de civilisatie, tegen de slavernij, tegen de rangschikking, tegen het zich met elkaar meten, tegen het winststreven, tegen ‘de welvaartsongelijkheid op basis van het verleden’ en tegen alle andere programmapunten van ‘onze’ wereldwijde vrije markt is. En Jezus heeft zijn tijd- en landgenoten daar nog eens aan herinnerd, verder niks. En toen is hij vermoord. Niet door ons en niet voor ons, gewoon toen, daar.
  43. Zoals wij ‘dat wat we leerden’ in ons eentje hebben, - nu wij in deze individualistische tijd geen deel meer uitmaken van een volk, - zo hadden de joden dat als volk. Hen was het ontsnappen aan (uitgeleid worden úit een ‘diensthuis’: een mensengebruikerij, een civilisatie, met name Egypte en later nog eens Assyrië of zo) overkómen en in het geheugen en dus in de opvattinggewoonten gegrift. Dat zal hen heugen zolang ze ‘lernen’ en dat doen er altijd wel een paar per duizend van hen.
  44. Dat alles overkómt hen, als volk, zoals ons óns zo-zijn (en dus zo doen, daarin functioneren) overkomt.
  45. Die anderen van hen, die overblijven na die paar van duizend die ‘lernen’, vormen samen niet meer dan de machine die via en uit die ‘lernenden’ profeten (≈ mensen die het doorhebben, die weer de woorden als wegwijzers naar de zaken hebben gebruikt, want dat is ‘lernen’) voortbrengen.
  46. En het nieuwe testament is het verhaal dat ook voor uitverkorenen buiten ‘het volk’, voor niet-joden, dat ‘lernen’ mogelijk was. “Waarom niet?”, wordt Jezus uiteindelijk in de mond gelegd, nadat hij eerst gemompeld had dat het niet voor de heidenen was, dat hij predikte. Maar als ze aandrongen, ja dan waren ze dichterbij dan die volksgenoten die hun uitverkoren zijn niet consumeerden of anderen misleiden door vormfetisjisme te prediken (oude muntstukken offeren, zoals gezegd in oude teksten, ongeldige muntjes die je dan bij de handelaars om de tempel eerst moest kopen, waarvan die dan weer, parasitair dus duidelijk, leefden).
  47. En we kunnen nu van wat Jezus overkwam, leren dat publiceren (prediken) al gedaan is, gebeurd is, dus nu niet meer hoeft. Die batterijmensen lezen de bijbel toch als ware het een verzameling oude nummers van ‘Weekend’ of ‘ Privé’: het is smullen hoor, al die eigennamen en die intriges en die plaatsnamen en die kleren (zie de Heilige Land stichting en al die geïllustreerde bijbels): de debiliteit om de bijbel te illustreren. Onvoorstelbaar en onovertrefbaar ‘zonder verstand’ moet je daarvoor zijn. Maar die Rembrandtbijbel is dúúr ! Niet te weinig.
  48. [nu weer, - in het kader van het breien van die landkaart uit deze draad -, inhaken op die school met dat incident en die rouwverwerking:] Van ‘voelen bij’ en ‘herdenken van’ leer je NIKS. En dat is precies de bedoeling. Dát, leren, door waarnemen, er verstand van krijgen, zou (inhoudelijk) namelijk je bruikbaarheid als productievee niet ten goede komen, integendeel. Echt onderwijs bij dat (nu om te emotionéren gebruikte) incident, zou uitleggen hoe het allemaal in elkaar steekt. Uitleggen, openleggen, precies wat niet moet: staatsgeheim. HET staatsgeheim is dat die hele staat net als al die andere in de verenigde naties berust op ‘bedreigen’ en (daartoe) ‘voorbeelden van mishandelen stellen’. Vroeger brandstapels met ketters en heksen en tegenwoordig armen in derde wereldlanden, die lui en niet-ondernemend dienen te worden gevonden door de hier gebruikten, wat dan weer als onderbuikgevoelens en discriminatie wordt veroordeeld, zodat de verwarring tot stand komt waarop dit hele ‘samenleven’ hier nu berust.
  49. De staat bestaat (= de orde duurt voort, het gebeuren vertraagt en blokkeert zelfs) bij de gratie van de angst (voor mishandeling en armoe daar en voor verachting hier). Dat is wat elk aanwijzen meteen doet zien. Onderwijzen = aanwijzen en er de besprekingsmiddelen bij verstrekken, de taal. Daarom zijn inderdaad christelijke en islamitische scholen evenals ‘de vrije school’ (Steinerianen) schijnscholen met schijnonderwijs. En dat vindt de staat best. De VVD kan het zich veroorloven déze scholen te willen sluiten, zogenaamd ten gunste van de verlichting, maar in feite is het het uitschakelen van de concurrentie voor dat isme-gebonden onderwijs dat bij de genoemde idealen van de globale vrije handel hoort. Dát wordt gegeven via de media en heet geen onderwijs, en zelfs meestal geen ‘reclame’. Het is de schijnvoorlichting omtrent wat er kan en wat er op de markt is en wat er na te streven is. Nou, kijk maar even wat televisie, dan sta je bol van de voorbeelden.
  50. [Weer naar die dat incident met de leerlingen verwerkende school:] De centrale les aan batterijmensen is dat ze opaal, ondoorzichtig en dus ‘als doorgankelijken onkenbaar’ zijn. De eerste en enige reactie op iets dat door X gebeurt is: dat hij er om gelaakt of geprezen wordt. X is de dader, dat wat door hem gebeurt is zijn, doen, zijn daad, zijn verdienste, zijn schuld, dus: oorzaak van zijn in rang daar (komen te) staan.
  51. Dat is de leerinhoud bij dat psychologisch steunen van kinderen bij het verwerken van “erge” gebeurtenissen in hun omgeving of op afstand (als dat het neuzelonderwijs goed uitkomt, om ook dáármee het collectief bewustzijn te vullen). Schoolvoorbeeld: aan de andere kant van de aardbol verdrinken, pakweg een half miljoen van de daar wonende 4000 miljoen mensen. Er verdrinkt er op elke 8000 dus één. Eén verdrinkingsgeval in een fors dorp, klein stadje. Guttegut. Moet je écht aan de andere kant van de wereld kleuters en schoolkinderen mee gaan belasten. Met belasten bedoel ik: hun txaenz waarmee ze kunnen leren verdoen.
  52. Dan weet ik nog wel een beter onderwerp: het pesten op school van a.s. batterijmensen door a.s. batterijmensen. En voor een avondvergadering met volwassenen kan dan het onderwerp zijn: de labbekakkerigheid van al dat als onderwijzend genoteerd staand en betaald personeel van die schijnscholen.
  53. Als het mij wat kon schelen zou ik zeggen: “kóm nou”, maar het zijn hún kinderen, niet de mijne. En hén kan het niets schelen, nergens is enig protest te horen. Het is overigens, al zou het optreden, in het geroezemoes van de batterijmensen ook niet hoorbaar te krijgen. Er hoeven geen tongen meer uitgesneden te worden, niemand kan zich boven dat geroezemoes verstaanbaar maken.
  54. En waartoe zóu hij ook: als hij niet méétokt, wordt hij de onderste gepikte kip. Waaruit dan zijn onintelligent – zijn blijkt, proefondervindelijk: zijn foute vooronderstelling was die van allemaal: dat de anderen ondoorgankelijke op eigen initiatief gebeurende, dus ‘zich doende’ wezens zouden zijn. Hetwelk niet het geval is.
  55. Iedereen gebeurt gewoon en er woont geen dader in een mens, zomin als er een dader in een varken woont of in een tornado, wat die ook aanrichten, die tornado en dat varken. Daderschap wordt ons toegeschreven, het werd en wordt NIET aangetroffen.
  56. Door de juristen wordt ons dat daderschap toegeschreven, vóór (= ten gunste en voordele van) de gebruikers van het systeem ‘mensen houden als productievee’, dat die gebruikers aantroffen, in werking, in handen van hun ‘vaderen’. [En ook van hun ooms: vandaar de term ‘nepotisme’.) Ze noemen het in de propaganda ‘de beschaving’. En zoveel kippen als in het batterijsysteem zijn er op zo weinig oppervlak en met zo’n grote winst (zulke dividenden) niet te houden. Er ís dus geen alternatief dat niet ‘naar boven toe’ schadelijk zou zijn: winstmargeverlangend.
  57. Aan dit alles kan ik, kan de lezer, kan een los mens, niks ‘doen’, niks veranderen. Aan zichzelf kan hij ook niets veranderen, maar bij sommige uitverkorenen, gekozenen, door het lot, met andere woorden, alleen maar met andere wóórden! niet met een andere betekenis, hetzelfde gegeven wordt besproken, alleen de termen verschillen!: door de uitverkiezende “Dader van alles” (God), treedt een verschijnsel op, voor henzelf waarneembaar: er wordt een IK geponeerd naast en tegenover en op afstand van en los van ‘het aangeleerde’. Het aangeleerde wordt als opgelopen (ja grotendeels aangesmeerd) herkend en erkend. En dat staat het systeem dat ook deze uitverkorene in bezit nam, en bruikbaar maakte door indoctrinatie met de staatsreligie (bij ons een goddeloze, met de sport als wekelijkse eredienst) en door wat ze ‘een opleiding’ (voor een vak / beroep) noemen, helemaal niet aan. Je kunt het dan ook beter niet aan de grote klok hangen.
  58. IK was er voordat ik dit alles aanleerde (zo werd afgericht en geconditioneerd) en ik kan MIJ “onder” die laag aangeleerds nog levend aanwezig achten.
  59. Hoe ‘het aangeleerde’ plus ‘de rest die ooit geboren werd en begón met aanleren’, ertoe kómen dat IK te hernemen (en/of te postuleren) dat weten die gekozenen ook niet. Ze merken op een keer dat dat al jaren geleden gebeurd is.
  60. En als je je eigen aangeleerds als zodanig herkent en erkent, dan dat van een ander ook.
  61. Maar dat wil de gewone batterijmens NIET HOREN, want: zijn identiteit is zijn trots en de basis van zijn achting voor zichzelf en van de achting die anderen voor hem ten toon spreiden, als ze hem manipuleren bij hun parasiteren op hem.
  62. De (staats)religies zijn niet de daders of oorzaken van oorlogen en zo. Die religies zijn kunstmatige vervangingen van de vele culturele traditiepakketten die in de civilisatie maar verdeeldheid en onderlinge vreemdheid tussen de er in gebruikte mensen zouden handhaven. Van de staat, de vorst, krijgen ze dan een voor allen gelijke verzameling onzinverhalen en gebruiken en gewoonten en sociale theorieën. Ze krijgen die opgelegd. Om eenheid te scheppen. [Verhaal over de tsaar, die er gewoon lui op uit stuurde om iets moois te zoeken, voor zijn volk. En ook het verhaal van de Amerikaanse droom: van voltijds gebruikte tot voltijds parasiet: van krantenjongen tot miljonair. Het feodale (≈ met uitsluitende gerangschikten als ingezetenen gevulde) systeem, maar dan met alle voorrechten onder één noemer gebracht: de noemer geld.]
  63. Als ze (de subgroepen batterijmensen) door vreemden worden behandeld, bejegend en opgevat als tot één groep behorend drijft dat ze naar elkaar toe. Maar ook dat de érg aangepasten zich een rang of wat hoger achten dan die lui die maar wat mee lopen, dat rangschikken dus, drijft ze opeen, hoe aangepaster ze zich gedragen, hoe meer kans ze maken op achting (van opzij en van boven). Zo komen ze wel bijeen maar echt vast klonteren doen ze niet.
  64. Het is vrij recent dat ónaangepastheid van opzij werd en wordt geprezen, als reden voor ‘van hoge rang achten’ werd ingevoerd. Een uitloper van de romantiek. [De Toqueville of zo, iemand over de oude kolonie die nu USA is, bijvoorbeeld.] Het is ook al weer aan het afnemen, het is onhoudbaar en de gezetenen kunnen de kleine onaangepasten behoorlijk straffen met het hen onthouden van voorrechten zoals een baantje, een baan, een vaste aanstelling, promotie.
  65. De weg van de wetenschappelijke mentaliteit [≈ wat je hoort zeggen is reden om zelf te kijken, niet om blindelings te geloven en te reageren; maar je moet te waarschuwen en tot zorgzaam waarschuwen op jouw beurt bereid zijn, dat geeft extra overlevingskansen; je moet ook: gevonden buit (in overvloed) melden, ja zelfs schaarse voeding en ander nodigs willen delen. Weer voor die overleving, dat leven óver die tijdelijke nood heen.] is de weg terug naar de natuur, niet de weg van de romantiek, die toch grotendeels uit de bezigheid ‘gevoelens aanmaken bij’ bestaat.
  66. De wetenschappelijke mentaliteit kent geen neiging tot vals alarm en geen geheim houden van onderzoeksgegevens of ideeën. Dat de socioloog deze dingen in ruime mate zal aantreffen als hij de praktijk van het wetenschappelijke bedrijf onderzoekt, dat klopt, maar dat spreekt het bovenstaande evenmin tegen als alle overtredingen in de sport de sportiviteit als mentaliteit beroeren.
  67. ‘De natuur’ = ‘daar waar’ en ‘zoals indien’ (traditionele) cultuur (van vóór de invasie van de civilisatie dus) (1) en civilisatie (2) áfwezig zijn.
  68. De romantiek is deels een anti-wetenschap, anti-techniek en een anti-verstand beweging, tegen het berekenend zijn en het indirecte ook en tegen het íngehoudene: het is grotendeels een verzameling opstandige gevoelens en daarbij gevoegde vage (slecht dóórdachte) gedachten van batterijmensen vanaf 1750 of zo.
  69. Begrijpelijk: dit was de tijd dat de batterijmens weer eens in naúwere kooien kwam: de industriële revolutie. Ze werden in die kleinere kooien geperst met gebruikmaking door hun gebruikers van hoogopgeleide gebruikten die werkten met wetenschap [maar nu gaat het om de methode daarvan] en techniek en ‘verstand’ oftewel informatievoorsprong, op de hoogte zijn van geheimen modern voorbeeld: handelen met voorkennis).
  70. Die knechten én die mensengebruikers gebruikten geen schuldige wapens (in dit geval dus wetenschappelijke methode, technisch vernuft en het speuren dat wij in politieseries nu zo bewonderen), maar ze deugden volgens de bijbel niet, want ze waren geciviliseerden, dat is: slavenhouders. [Ik vermoed dat Mohammed een deel van dat afwijzen van uitbuiten ook heeft overgeschreven van de christenen en joden,want de islamieten hebben ook iets met woeker en rente. Maar slaven houden is weer iets anders bij hen (??? “Dat zoeken we op”.)
  71. [Hier weer inhaken (zie dat breibeeld van, nu ja: naast: ‘tekst laten lezen’) op:] de praktijk van wetenschap beoefenen als beroep (dienend voor geld) enerzijds en dat boven gestelde van wetenschap ‘vanuit de mentaliteit = natuurlijk, dierlijk, dus zoals zoveel ándersoortige dieren ook’ bedrijven anderzijds. Ik had vrij vroeg door dat het om de taal draait: wat ze zeggen heeft ergens enig verband met wat ze doen. Maar ‘Nederlands’ gaan studeren, dat zag ik al van tevoren, zou mij niet naar mijn antwoord voeren.
    Dialecten en talen naast elkaar bestuderen raakt nauwelijks aan wat er in die talen gezegd kan en kon worden. Ze blijven steken in klanken en klinkers. Ook vaststellen of een geschreven tekst van deze of gene of van vóór of na die tijd stamt, is uiterst leuk speurwerk, maar het heeft allemaal geen onderwerp, het gedoe is z’n eigen onderwerp. ‘De taal en de tekst zijn opaal, ondoorzichtig’, dát is de vooronderstelling van deze toegestane studie [goedgekeurd door staatsreligie en door de verkondigers en verdedigers van de staatsleugen: de juristen die aan de macht zijn.]
  72. Het indelen van de woorden anders dan naar de vorm en naar de grammaticale functie (zoals na Locke toch nog regelmatig gedaan is hoor) vond geen plaats in de scholen en opleidingen, vond er vooral geen ruimte (exacter uitgedrukt: er was geen txaenz voor óver). Op de kweekschool (1960-’63 Chr. Kweekschool Middelburg) vond ik deze ‘tak’ van ‘de taal bestuderen’ nog wel (via M.J. Langeveld). Maar er is voor de huidige jonge batterijmensen zo’n enorme sterke áfleiding van hun aandacht, dat er niets van studie komt. Vroeger (in mijn tijd) deden de a.s. batterijmensen overigens ook enorm veel naast ‘school’. Sport en vermaak en bijverdienen voor vakanties en vele, vele andere door velen toegejuichte activiteiten waar ik godzijdank part noch deel aan gehad heb. Ik heb geen traditionele cultuur en godzijdank geen beschaving, geen smaak dus, geen rang, geen stijl, geen sociale vaardigheden, geen muziek, geen sport, geen gezin, geen meerderen, geen minderen, niets om voor te leven of voor te sterven, geen idealen, geen streven, geen banden met iets en/of met iemanden. Ik eindig op mijn vel en met mijn dood, met als alle andere dieren (niet alleen die van ‘mijn soort’ (een verzinsel, een menselijk maaksel).
  73. LET WEL: Er is van daderschap slechts sprake, het is een verzinsel van juristen, alles gebeurt gewoon, verder niks. En dat is al wonderlijk genoeg.
  74. We moeten van ‘gebeuren’ spreken en van alles tegelijk, want veranderen vooronderstelt “van tijd tot tijd permanentie” er moet iets zijn (en daar zit een statische ondertoon in) om te kunnen veranderen (resp. veranderd te kunnen wórden). Zowel losse ‘dingen die gebeuren’ als ónveranderlijkheid, hoe kort ook zijn verzinsels.
  75. Daderschap en los-zijn en permanentie en initiatief en ‘willen van onnodigs’ (een pleonasme, wat je nodig moet, móet je, daar past het woord ‘willen’ niet), dat zijn met vele andere woord-begrip-combinaties de samenstellende delen van het bespreekapparaat der juristen, niet voor een bespreken van het aangetroffene maar een bespreekapparaat bij het met geweld en bedreiging afgedwongene, teneinde dat niet langer als afgedwongen te herkennen en van de kant van de geweldplegers, mensengebruikers niet langer te érkennen. De vorst doet alsof hij het recht handhaaft in plaats van te erkennen dat hij dwingt.
  76. Er waren eens twee gevangenen, de ene zat in een cel met een deur die van binnenuit open kon en hij was dan ook veel buiten de gevangenis geweest om daar rond te kijken. De andere zat in een aangrenzende cel en in de gezamenlijke muur zat een klein gaatje. Deze andere gevangene wou ook weten hoe het buiten was en daarom besloten ze dat de één een landkaart zou breien en die door het gaatje, als draad zou geven aan de ander. Die ander kon ook breien, dus dat was mogelijk.
  77. Ook de truc om naar buiten te gaan was door te geven: je moest alleen maar nalaten de deurkruk vast te pakken, want dan sloot de deur hermetisch. Als je er gewoon met je achterwerk tegenaan duwde, rustig, dan merkte de sensor in de deur de uitgeoefende kracht niet op en de deur ging moeiteloos open. Dat, buiten komen, was dus de moeilijkheid niet, maar het was wel erg nuttig daar te weten waar je je verbergen kon, want er waren vele cipiers en bewakers. En onder alle gevangenen waren er velen die een ander het buiten zijn beslist niet gunden.
  78. Die gebreide kaart was dus erg nuttig. Dit verhaaltje is natuurlijk weer een bespreekbeeld: het te bespreken feit is dat een uiteenzetting (zoals dit opstel) lineair, als een draad dus, is. Terwijl slechts in gebreide (hérbreide) (driedimensionale) toestand, deze draad de kaart vormt, die is getekend in overeenstemming met wat de breier1 buiten opmerkte van wat er hem daar zintuiglijk gegeven was.
  79. Het wonder met de taal is dat je over jezelf net zo kunt praten als over een ander: je kunt aan een kind zien dat het leert, leerde, kan wat het eerst niet kon [“kent” (= kan hérkennen) wat het eerder niet “kende”]. Nu kun je ook over jezelf zeggen dat jij leert, leerde, kunt leren. En dan bespreek je dus jezelf zoals je een ander bespreekt.
  80. Eerst gebeurde dat leren alleen maar, nu gebeurt het én wordt het opgemerkt en kan ik mijn txaenz er op richten, er aan besteden, ik kan het een béétje vertragen en daardoor verdiepen. [Zie als schoolvoorbeeld dat hele vergelijken van ‘het leven’ met ‘het spelen van “Spider Solitaire”’.]
  81. Als (zolang en in zoverre) ik me niet richt op dat leren, kiest het toeval uit wat mij raakt en wat ik aantref en dus, zodoende, wat ik leer. Wat ik leer wordt dan nog bepaald door: het toeval, het lot, de goden, de omstandigheden inclusief de omstanders, het gebeuren, de Dader van Alles wat gebeurt (hoe men die God ook noemt).
  82. Als ik wat extra van mijn txaenz aan dat leren besteed, wijd, dán heb ik zelf enige invloed. Zie daarover dat opstel over die vergelijking van ‘Spider Solitaire’ met ‘het leven’.
  83. Er is dan die gelijkenis in de bijbel van die schat in die akker. Als iemand in een akker een schat opgraaft heeft hij twee dingen: ‘de verzette aarde’ en ‘de schat’. Wat de verteller met deze gelijkenis bedoeld heeft, zal ieder van ons eeuwig een raadsel blijven, het is ons niet gegeven. Gegeven is ons deze gelijkenis en hier nu kan ik deze gebruiken om aan te geven dat wij, eenmaal bewust hebbend dat wij leren, uit hetgeen we kúnnen onthouden kunnen kiezen wat we zullen onderbrengen in theorieën, beelden, begrippen en verwoordingen en aldus ‘terug te vinden’ maken, en wat liever niet.
  84. Nu komt dat beeld van dat breiwerk in werking: ik ben nu terug bij die laadbakken vol bagger, ‘verplaatste, verzette grond’, al die eigennamen en eenmalige gebeurtenissen waarover de gewone batterijmensen met elkaar zacht en gezellig kakelen, - tegenwoordig bij oneindige verzamelingen foto’s -, dit alles is wel echt opgegraven materiaal, er wordt niet slechts verzonnen en gelogen, welnee, het is allemaal waar, maar het is niks waard, je kúnt er niks mee, het is voorbij, HET IS GEEN SCHAT. Nou, dát is het verhaal.
  85. Wee kunnen ons voorstellen dat het onder woorden brengen moeite kostte, ooit en dat er door die moeite een selectie was: je meldde belangrijks, morgen en overmorgen voor de anderen ook nog en weer belangrijks. Je vertelde het om een collectief geheugen aan te maken, zodat de stam, de groep, wel de groepsgenoten, maar niet de “kennis” zou ontvallen, bij het onvermijdelijke en zekere versterf. Dáárom vertellen, verhalen, praten zij, die mensen, die taaldieren.
  86. Maar wij zijn geboren in een tijd lang na die oertijd. Wij troffen ontelbare woorden aan en een helemaal ontwikkelde en met leugenbegrippen en lege begrippen overmatig bijgevulde taal.
  87. Iedereen heeft recht van spreken en moet alles zelf maar weten enz. enz. Het heeft geen enkele zin meer om te lezen of te luisteren, er is aan het schrijven of voorbereiden van hetgeen gezegd wordt ook geen txaenz besteed.
  88. Door het eigen verder leven tot het echt niet meer kon tot doel te hebben en na te streven, deden die oermensen de groepen en de soort voortbestaan; kinderen kwámen en in “broedzorg” functioneerden deze taaldieren en onderdeel van die broedzorg was en is bij deze taaldieren dat de moeder het kind de moedertaal aanleert, onderwijst. Bij functioneren worden endorfinen afgescheiden en die maken dat wie functioneert zich gelukkig voelt. Dat geluk is de bekrachtigende beloning, die doet dóórgaan.
  89. Wat ze vroeger wel ‘de boulevardpers’ noemden produceert die bagger, niet als bijproduct van het zoeken naar een schat, maar omdat er zoveel batterijmensen functioneren in het kritiekloos, dat is: zonder tussen bagger en schat te (weten te) onderscheiden aanhoren van verhalen.
  90. De eigenschap ‘trivialiteit’ is niet langer met negatief gevoel bezet: ook als kritiekloze baggerzuiger is de consument Koning Klant en rechthebbende (op respect).
  91. Wat is die schat, wat is niet triviaal? Voor de oermens was dat duidelijk: hij had een wel gevonden. Opborrelend water, stromend water, schoon water, drinkwater. Dát was een schat van een mededeling. Die plas, na die regen, die hij enige dagen tevoor had gevonden en benut, die niet. Die wel, die was er later nog. Die was dan dáár (waarschijnlijk) nog, die moesten de anderen ook kunnen vinden, als ze hem nodig hadden.
  92. Het ís niet moeilijk. Maar de batterijmens zit in zijn kooi te produceren, productievee te zijn, gebruikt te worden, bevelen uit te voeren, instructies uit te voeren zelfs, als (wegens lagere kosten maar) biologisch geproduceerde robot-computer. Hij víndt geen wel en de anderen kunnen ook hun kooi niet uit. Hij heeft geen kader om waardevols in te onderscheiden en geen anderen om dat waardevolle aan te melden, zodat die er mee kunnen werken.
  93. Toch kan deze batterijmens nog steeds in dat kritisch zijn, in dat onderscheiden tussen schat en bagger en in het onder woorden brengen van het waardevolle bericht functioneren. Zoals batterijkippen, als ze de ruimte krijgen en andere omstandigheden, ook nog ‘meer kip’ worden dan ze in hun kooi als productiepluimvee waren.
  94. Ja, we zíjn zielig, het is helemaal niet verwonderlijk dat er ‘dierenbevrijdingsbewegingen’ zijn, want de mens is nog niet volledig verhuisdierlijkt, er worden nog veel kinderen van ‘wild type’ geboren. De door de advocaten en andere juristen zo doeltreffend beschermde exemplaren die het invoelend vermogen zelfs met soortgenoten missen, “onze criminelen” (het vee waarvan de juristen leven) zijn niet de enige ‘soort’ die uit vrouwen geboren worden. Als zij op instigatie en onder leiding van hun pleitbezorgers stellen dat ‘iedereen’ moordenaar is, van nature, dan zijn ze niet bezig het resultaat van een grondig onderzoek te melden.
  95. Systematisch gevangen houden is niet kwalitatief verschillend van gewoon gevangen houden. Als iedereen als batterijvee gehouden wordt, wordt dat daarmee niet gewoon of acceptabel.
  96. Wij kunnen ons niet fysiek bevrijden de bestaande organisaties en wapens staan dat niet toe. Wat wij kunnen is: onze gevangenis ómdefiniëren ván wat de juristen willen dat we voelen: ónze eigen gezellige ‘thuisgevangenis’ náár ‘het ons toegevallen ecosysteem’.
  97. Met het klimaat en de begroeiing van je omgeving en met de om je heen levende andere organismen heb je te maken. Je moet er ván leven, het benutten en je ertégen beschermen. Maar je hebt er géén relatie mee, zoals men dat suggereert bij ‘de beschaving’, ‘je volk’, ‘je land’, ‘je groep’ enz. enz.
  98. Het is ook volstrekt duidelijk dat hetgeen om je heen is, niet gebeurt zoals het gebeurt met het oog op jouw belangen: het is niet tégen je en niet vóór je: zelfs de ziektekiem die in jou belandt en je te gronde richt, heeft het niet op jou voorzien. Overigens heeft de leeuw het ook niet op déze gnoe die hij doodt voorzien.
  99. Al die suggesties die komen mét dat geven van eigennamen zijn ook alleen maar verwarrend. Het verwarren en (de aandacht) afleiden van de als productievee in batterijen (sociale verbanden heten die dingen in het net) gehouden mensen is bewust toegepast middel tegen hun anders, mogelijk, zoals tegen de intensieve veehouderij van andersoortige organismen, ook tegen hun eigen situatie in opstand komen.
  100. Dat in opstand komen dreigt daar waar het kennen van deze algemene toestand is herkend als ‘schat’ in onderscheid van het kennen van al die feitjes met eigennamen en details als ‘bagger’.
  101. Thatcher constateerde dat er nergens zoiets was aan te treffen als ‘de samenleving’. Dat woord, zo men erg toegeeflijk wil zijn, dat begrip, is een stuk speelgoed waarmee zonder dat er iets te bespreken is gesproken kan worden. En bij die gesproken tekst kan dan gevoeld en bij dat gevoel kan dan een speldaad, een ‘zet’ worden gevoegd.
  102. Dit leidt hier dus onvermijdelijk tot het inzicht dat er van dat soort woorden in omloop zijn en dat wij daarmee toegesproken worden, om ons te motiveren tot het ene (meedoen, ons thuis voelen en verplicht en gerechtigd, ja bevoorrecht en met kansen om meer voorrechten te veroveren, als wij ons best maar doen) en af te houden van het andere (die reeds genoemde fysieke opstand, die primitieve ‘jihad’, speciaal voor gebruiksvee).
  103. Dit inzicht brengt ons tot de ‘geestelijke jihad’ het overwinnen van de ons aangeleerde neiging tot en gewoonte van meespelen, van bruikbaar willen zijn en zo. “Nee”, zo luidt datgene waartoe dit inzicht ons leidt: “er ís geen “wij” dat ons (die biologisch gezien tot de mensen gerekend moeten worden) allen omvat. Er zijn gebruikten en gebruikers en dat feit wordt niet teniet gedaan doordat er een middenstand is, die deeltijds gebruiker van mensen is en deeltijds zelf gebruikt wordt. Dat over en weer, “horizontaal” gebruiken is gebruiken, is parasiteren en is geen symbiose.
  104. Symbiose en parasitisme zijn biologische begrippen dus aan gene zijde van ‘goed en kwaad’. ‘Goed en kwaad’ hebben hun plaats binnen het spel ‘samenlevinkje’, maar nergens in de aan te treffen, na en naast het spelen resterende werkelijkheid (ook wel ‘schepping’ genoemd).
  105. Al die geïnspireerden die zich in die jihad opblazen zijn misleide stuks menselijk gebruiksvee: voorgelogen en verward. En de lui die dat doen en er mee spelen zoals een schaker met zijn pionnen, die zijn niet samen met die ploffende stakkers een ‘wij’. En zíj weten dat zeer, zeer wel. Zo wel als de werkgevers hier weten dat zij en de werknemers geen ‘sociale partners’ zijn. Zo min als de 22 bezige voetballers alle 22 partners, medespelers, zijn.
  106. Verwarren is een middel tegen gerichte verzetsacties van de gebruikten, een bewust en opzettelijk toegepast middel. Het moge dan zo zijn dat niet te bewijzen is dat de politici, de leiders, de managers en dergelijke te kwader trouw zijn, het feit dat ze niet in coma liggen wekt toch wel dat vermoeden. Zó blind voor hun eigen rol en hun eigen “drijfveren” kúnnen ze niet eens zijn. Ook zij spreken immers die mensentaal die het zichzelf bespreken zoals je een ander bespreekt niet slechts mogelijk maakt, maar vrijwel veroorzaakt.
  107. Wij worden belazerd door middel van woorden, vooral. Als we willen ontsnappen aan geïnspireerd worden en vanuit die inspiratie handelen, als wij niet willen spelen, maar willen LEVEN, dán is het zaak de woorden die wij horen te onderzoeken, want het zijn die woorden waaraan we zeer gauw bagger van zinnigs kunnen onderscheiden. En dat is toch een belangrijk doel.
  108. Het ging als volgt: we bespraken dat andermans tekst slechts door ons kan worden opgevat en gebruikt als wegwijzer naar de door hem beschreven zaken, verschijnselen, relaties (en ander aangetroffens, onderscheidens en benoemds).
  109. Alle waarheid is actueel, wij moeten die zelf zoeken en vinden (aantreffen dus) en alle tekst slaat op wat de spreker aantrof (mogen we hopen, wat hij uit zijn duim zoog is echt voor ons een dwaalspoor, dat híj dan legde, het walgbrok).
  110. Het bericht dat wij omtrent dat aangetroffene aanmaken en in ons geheugen (en, publicerend, ook in andermans geheugen) opslaan en bewaren is van woord-begrip-combinaties gemaakt, is geen kennis, maar informatie, is niet de zaak zelf, maar tot informatie gemaakte, in een vorm gegoten kennis, een maaksel bíj het aangetroffene.
  111. Alles wat wij aantreffen, treffen wij ‘aan het veranderen’, exacter: ‘aan het gebeuren’ aan: bij nader inzien treffen wij geen van elkaar gescheiden ‘dingen’ aan. Dingen zijn namelijk bij nader toezien allemaal zonder uitzondering ‘dingen die gebeuren’ en die zijn in principe allemaal mogelijke hindernissen en stoornissen voor elkaar. In principe, want ze bevinden zich (exacter: gebeuren) in ruimte en tijd en die twee zijn de dimensies van hun onderlinge afstand, als (zodra en zolang) er tijd en/of ruimte tussen ‘dingen die gebeuren’ is, raken ze elkaar niet en zijn ze los van elkaar. [let op: hier valt onder ‘als’ nu eens níet: ‘in zoverre’: wat je op een haar na mist, mist je. Een nanoseconde tussentijd en de kogel treft je niet.]
  112. Kennis (is altijd Waarheid, onwaarheid is niet te kennen, zonder dat woord van zijn betekenis te beroven kan men dat niet uitzeggen) is als manna: niet te bewaren. Wat je nodig hebt is een bron, wat Jezus ‘levend water’ noemt. Dan hoef je niet meer een profeet te hebben om van hem de woorden, het woord, te vernemen.
  113. In de wereld gaat het de mensen van de wereld om macht over anderen (dus om wapens en om lui die mét hem, in zijn naam, daarmee dreigen) en om greep op de materie [via de grote machines en fabrieken, ‘bediend’ (let op het woord!) en bemand door de bedreigde (= onder bevel staande, zie Canetti in M&M) gebruiksmensen, de als productievee, als batterijmensen gehoudenen].
  114. Het rijk van de verlichte is niet van deze wereld. De man van de wereld wil de auto die hij kocht zijn eigen auto noemen: hij kan nog geen schroefje maken. “De koning bouwt een paleis”, nee dus.
  115. De batterijmensen vullen eigen en andermans geheugen met wat de Engels sprekenden in hun taal vogelpoep, stierenpoep en olifantenpoep noemen. Het is het pretentieloze tot uiterst pretentieuze (soms zelfs gewoon ware, ongelogene, onverzonnene) dat de taalvermogens waarmee het werd aangemaakt niet waardig is. Maar wat móeten ze? Wat kunnen ze in hun situatie ánders?
  116. Dat hele woord ‘kunnen’ suggereert iets wat we niet zien. We kunnen er slechts in geloven: “het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der dingen die men niet ziet”.
  117. ‘De materie’ dat is dat wat niet te bedreigen is en dus niet meedoet als dienaar. ‘De natuur’ is er een andere naam voor.
  118. Áls je dan een tekst neemt om te bestuderen wat ze ermee bedoeld (= aangewezen) kunnen hebben, dan neem ík de bijbel. Die is niet door één persoon, maar door een heel volk aangemaakt als tekst en toen ie er was pas uitgeschreven.
  119. Waar hébben ze het over? Die berg die Mozes op ging om er de tien zogenaamde geboden te halen, wat was dat? Nou, de Aztekentrap natuurlijk. Hou toch op met dat geneuzel over welke berg en over ‘van wie Mozes er dan wel één was’ (dat hele gedoe uit de verre oude tijd en de dorpen, waar families als eenheden van productie van mensen optraden en je dus aan de zoon de vader z’n kwaliteiten kon herkennen. Dat staat er allemaal wel bij, hele bladzijden vol van dat nu voor ons totaal onbruikbaar gewauwel. “Onze” kinderen worden afgericht door hen die bepalen wat via de media tot hen (tot die kinderen dus) komt. Nou, dat is reclame en die ís propaganda, want ze verkopen geen producten, maar levensstijlen en gevoelens bij het hebben en consumeren van ‘wat te koop aangeboden wordt’. En denk vooral niet dat het allemaal rechtstreeks via de media die kinderhersenen binnenkomt, oh nee, zonder duidelijke fysieke bedreiging zou de reclame/ propaganda net zo ineffectief zijn als de prediking van de kerken nu: het voor efficiëntie nodige bedreigen en fysiek mishandelen wordt uitgevoerd door de pestende kinderen op school en de pestende collega’s op het werk.
  120. Vanwege de nodigheid van dat bedreigen en fysiek en psychisch (schelden, vernederen) mishandelen wordt daar door de makers en handhavers van wetten dan ook niets doeltreffends tégen gedaan. Die juristen dienen de parasieten en die moeten doeltreffende methoden van consumenten aanmaken hebben, het doet er niet toe hoe die tot stand komen en in stand en gang gehouden worden. Vandaar.
  121. Het consumeren van wat de jou pestende batterijmensen naast je van je afdwingen is gewoon zelfbescherming, niet ingewikkelder dan het opheffen van je elleboog in de richting van wie je slaat. Ook daaraan beleef je geen plezier, evenmin aan het eindeloze meedoen, niet achter raken, doen wat je weet dat daar hoort. Het fatsoen dat je volgens die walgkikker moet doen.
  122. Ik ben dus aan twee projecten toe: 1. de bijbel helemaal weer eens lezen en nagaan hoeveel letters deze ketter er in heeft (de inquisitie van de roomse kerk stelde ooit vast: “élke ketter heeft zijn letter”. En er waren en zijn steeds ketters, want de bijbel is niet bruikbaar als staatsreligieus, de centrale these van het oude testament is: civilisatie dient ontvlucht en gemeden. De centrale these van het nieuwe testament is: dat blijvende gelukkig zijn komt voort uit het zich opvatten als een vrij dier, dat de omstandigheden van de civilisatie (inclusief de levenden er ín) als ecosysteem om zich heen heeft aangetroffen en daar niet uit weg kan, zoals Robinson niet van zijn eiland. Nu, Robinson was uitzonderlijk vrij, zolang hij niet de waan ontwikkelde dat de omstandigheden daders waren die hem tot dit of dat dwongen: dwaasheid van de soort: “die kwalijke cocospalm hangt met boze opzet zijn vruchten zo hoog, om mij te pesten”. Een soortgelijke gedachte jegens een speler in het spel der civilisatie is echter gebruikelijk. Mensen in de civilisaties spreken over anderen en over zichzelf als over daders, wat verdienstelijken en schuldigen kan betekenen, maar nooit: dingen die gebeuren, zoals een orkaan gewoon gebeurt, de schade die hij aanricht niet doet, niemand áándoet. [Om hun denkschema te kunnen handhaven gebruiken ze, naast voor andere doelen, hete begrip ‘God’, de dader van alles. Die dóet dan die storm of laat die in ieder geval gebeuren. Dan is hun dankbaarheid en geklaag, - aangeleerd jegens die als daders ervaren ingezetenen van de civilisatie -, weer passend, weer cognitief consonant, dan klopt het weer.]
  123. De juristenbegrippen die in de staatsreligie binnengekomen (gebracht, gehaald, gesmokkeld, ter keuze) zijn, zijn onverenigbaar met die blijde boodschap van het nieuwe testament dat ook dát godsbeeld, dat van die rechter en die eiser van offers, kortom die ‘projectie’ van de machthebbers in de civilisatie, ook een verboden en fout en metterdaad te verwerpen ‘beeld of gelijkenis’ is, van god gemaakt. Van god een beeld, gemaakt terwijl dat maken toch uitdrukkelijk “verboden” [ maar ‘gij zult niet’ kan iets anders betekenen dan een verbod, maar ja, in ons Nederlands, wat zal ik me aan geloof overgeven in wat taalgeleerden daarover zeggen over toen daar,] was in het zoveelste (“gebod” genoemde) punt van die checklist voor mensen om te zien of ze ‘het hebben’.
  124. Let op: het jodendom in de tijd van Jezus was al traditioneel een staatsreligie. Met name van de door de Romeinen onderworpen stam. De Joden toen daar stonden tegenover de Romeinen zoals tegenwoordig sommige islamieten (die meneer Laden, Osama bin voor zijn vrienden) tegenover de USAmerikanen.
  125. Ze hadden de keuze uit alternatieven: collaboratie, het laten gebeuren, wachten tot het over is gegaan, knarsetanden en in actief verzet gaan. En Jezus stelde vast dat zulks allemaal niet het echte onderwerp van leven is: wat om je heen gebeurt is het gebeuren om je heen. Je hebt met niets wat om je heen gebeurt op een wezenlijk andere manier te maken als met het weer. Daar moet je je ook op kleden, de wind kun je gebruiken om te zeilen, regenwater kun je opvangen en zo zijn er nog veel meer dingen die kunnen. Daderschap is een illusie. Niets is óp (voor of tegen) jou gericht, er is geen richtende instantie of god of zo. Een regeling waaraan je omlevenden zich houden is ook gewoon een gegeven, zoals een natuurwet. Het levert gelegenheden, dat is alles.
  126. Zoals het oude testament afrekent met alle goden, zo rekent het nieuwe testament af met alle geloof. De keizer is niet goddelijk, maar kan zijn munten (als belasting) krijgen. De leidende priesters worden ontmaskerd als gebruikers van de devotie van de gewone gebruikte mensen, die zij tot offeren aanzetten in naam van de god (dat godsbeeld van die ‘vorst in de hemel’).
  127. Samuël bedoelde iets heel anders toen hij het volk zei dat Gód hun koning was.
  128. Het is niet zo dat je vrij bent dit of dat te willen. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, dat wil zeggen door hun persoonlijke geschiedenis, door dat wat hen overkomen is en dat wat ze als genencombinatie zijn, voorbeschikt om de boodschap te kunnen verstaan en metterdaad te kunnen gaan leven, WETEND, dat is: er nu woorden voor hebbend: woorden zijn uitspreekbaarheden die in gebruik zijn bij taalgenoten ter aanduiding van het een of ander aantrefbaars, waarbij dat aantrefbare niet een weegbaar ding hoeft te zijn. Wie de Aztekentrap betrad en er op verblijft voelt anders dan hij voelde vóór zijn betreden van die trap, voor het beklimmen van die berg, voor het nemen van die afstand en het overzien van veel gebeuren (gebeuren waaruit het kwalijk nemen en de eigennamen verdwenen zijn, waar de anekdotes verschijnen als voorbeelden van algemener verhalen). Ook dat andere gevoel is een aantrefsel. Zalig zou de naam van dát gevoel kunnen zijn geweest, nu is ‘zalig’ het woord bij / voor duizenden gevoelens die mensen die het woord leeg hoorden, lang voordat ze er iets mee konden benoemen en zonder dat het kon worden aangewezen, er bij zóchten en meenden te vinden. Het betekent niet meer dan ‘plus’ in Nieuwspraak (Orwell ‘1984’).
  129. Terzijde: het handhaven van veel woorden die allemaal uiteindelijk niks méér zijn gaan betekenen dan ‘plus’ (met andere woorden, dat blijven aanbidden van de woordenschat van Shakespeare), dat is ook een dwaas gedoe. Dat alleen levert niets op, bedoel ik.
  130. “Ze (díe priesters die ook met dát deel van de geciviliseerdentaal dat van de juristen afkomstig is spreken dus) hebben je op buitenbesturing via wat je gelooft”, dat was één van de centrale boodschappen van Jezus. Zijn aanwijzen van ‘het godsdienstig - commercieel complex’ (analoog aan het militair – industrieel complex van tegenwoordig). Het werd hem niet in dank afgenomen, natuurlijk. Het was een ántireligieuze uiting. Iets in de trant van ‘rot toch op met dat branden van die kaarsjes’.
  131. Maar over dat branden van kaarsjes en het bidden tot Maria in een stille kerk is ook nog te zeggen, dat wie daar zogenaamd staat te bidden, niet gestoord mag worden door zijn omstanders en dus even de tijd heeft om zich ergens op te concentreren. En dat is een grote luxe voor gewone mensen [met veel werk en veel anderen die steeds iets wensen of hebben te bieden of gewoon de stilte willen breken (bijvoorbeeld door het overstorten van zo’n laadbak bagger)] Het is dus niet verwonderlijk dat zulk ‘kerkgaan’ populair is. Dat hoeven de betrokkenen zelf niet echt goed te begrijpen, ze merken de rust gewoon en zoeken die. Zoals we ook bij ademhalen niet hoeven na te denken, hoeven we dat niet bij alle dingen die lonen niet.
  132. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de gewone kapelaan zijn beminde gelovigen zo (als zichzelf geconditioneerd hebbende lieden) opvat. ‘Men’ zóekt deze ‘verklaring’ van zulk gewoon gedrag niet. In ieder geval is het uiterst zelden dat er zoiets door (≈ via) de media ‘tot ons komt’.
  133. Let wel: álles komt via de media ook onder de mensen. Dat is doordat er geen censuur (meer) nodig is: alles wordt door hetgeen er om heen te horen is, onverstaanbaar en onvindbaar gemaakt en: doordat de stroom “informatie” ononderbroken en oneindig is, wordt alles ook weer gedoofd en het overdenken wordt weggeconcurreerd door de technisch ongehoord hoog opgevoerde mate van ‘boeiend zijn’ van die informatie.
  134. Het model ‘Walden II’ van B.F. Skinner is wat dat betreft een goede gedachte, het uitzoeken van goede programma’s uit het enorme aanbod zou bij toerbeurt het werk van enkelen voor allen kunnen zijn in zo’n dorp. Maar helaas, men kan niet willen wat men wil en dat soort dorpen is er dus, zo al, dan toch uiterst zelden.
  135. SAMENVATTEND: Dit opstel gaat over taal. Mensen praten en er is sprake van dat er wat aan het ‘met je geestesoor horen van wat je zou kunnen / willen gaan zeggen: je “eigen” tekst: dat voorafgaande heet ‘denken’. We zien noch horen dat gebeuren, we kunnen het niet starten, sturen, remmen of stoppen: het gebeurt gewoon. Het lijkt mij ook nogal dwaas “je” (me dus) er tegen te verzetten. Welke dwaze bemoeial van een instantie in ‘wat ik aanleerde’ zou dát nou moeten initiëren?
  136. Ik ‘zie’ de taal als een sterk ontwikkelde, maar kwalitatief ook bij andere diersoorten voorkomende functie: dieren van allerlei soorten uiten zich met kreten en gebaren als ze gevaar of eetbaars zien. Stokstaartjes, prairiehonden en zeemeeuwen als schoolvoorbeelden. Volgens de televisie is aan onderzoekers gebleken dat verschillende soorten gevaarlijke en eetbare dieren van elkaar onderscheiden en apart benoemd worden, zodat er verschillende kreten zijn voor de diverse onderscheidbare onderwerpen van waarschuwen en melden. Dat is bij ‘de mens’ gaan woekeren en wij (de lezer en ik), wíj zijn geworpen in een omgeving waarin we onleerbaar veel woorden aantroffen en daaronder zeer, zeer vele, die echt nergens naar verwezen.
  137. Hele massa’s verzonnen begrippen werden ons via onware verhalen aangeleerd.
  138. Van ‘hetgeen we psychisch noemen’ blijft als we die soort worden buiten gebruik stellen zeer weinig over.
  139. Daderschap is de centrale door en met ontelbare woorden en verhalen gesuggereerde, want er in vooronderstelde illusie. Zomin als in een cycloon, zit er in een varken of in ons (mensen) een dader. Nergens nooit werd een dader aangetroffen, zo min als DUS schuld of verdienste. Allemaal verzinsel ooit, suggestie via de taal waarvoor wij als sprekers ervan onontkoombaar allen doorgankelijk zijn nu, voor en door (≈ via) ons (praters, sprekers, schrijvers).
  140. Dat doorgaan (dat bij doorgankelijk hoort) vindt plaats in (binnen, tijdens) dat ‘denken’ dat voorafgaat, “logisch”, dat wil zeggen: in die voorwetenschappelijke beschrijving / theorie. Het vindt dus plaats buiten onze controle, wij zijn er niet de baas over. Als we een taal spreken, zijn we gedoemd de tot woorden gemaakte uitspreekbaarheden en de tot begrippen gemaakte, soms volkomen absurde opdelingen van ‘wat gebeurt’ te gebruiken.
  141. Heel veel binnen de regels van de taal maakbare, mogelijke woorden hebben ze gewoon nooit gevormd (c.q. nooit de taal, het algemeen, dus geldig makend gebruik door allen, binnen gekregen). Er zijn geen regels, maar slechts de anderen, die ons verbieden vaak en ver buiten de bestaande woordenschat te gaan als we iets zeggen.
  142. De suggestie is tegenwoordig dat aangehoord worden een soort van onverdiende gunst en genade vanwege de ander (de hoorder, het luisterend oor) is. De standaardvooronderstelling is dat je niks van enig belang te melden hebt, “wie denk je wel dat je bent?”, maar gewoon je recht op respect zit uit te oefenen door het opeisen van spreektijd, dus van luisteren als gehoorzamen van de ander.
  143. Wie de indruk krijgt dat de ander iets zegt dat hij zelf niet kan zeggen zonder voor zijn gevoel onzin te spreken, zegt (nu ja ‘denkt’) meteen dat die ander onzin spreekt. Vaak wordt die ‘gedachte’ niet geverbaliseerd, maar alleen gevoeld. Of het dan een gedachte moet heten is wel een interessante vraag, ergens, maar híer nu even niet.
  144. Het is duidelijk dat tekst uit verre landen en /of vroeger eeuwen, van mensen die héél andere dingen hadden aangeleerd en in hun geheugen gekregen hadden dan wij, niet bedoelden met hun tekst wat wij daarmee zouden bedoelen nu hier. Als schoolvoorbeeld kan hier de tekst van de bijbel dienen.
  145. Het is een vraag apart waarom je überhaupt andermans tekst zou aanhoren of lezen. Dat spreekt helemaal niet vanzelf.
  146. Het is een stuk als bedrog bedoelde suggestie dat je met anderen van vroeger iets te maken zou hebben. Die suggestie dient uitsluitend om gevestigde voorrechten de schijn van vanzelfsprekendheid te geven. Zonder “vaderlandse geschiedenis” (pure propaganda, waar niet ronduit gelogen wordt, wordt toch een wel zeer merkwaardige en niet van de gebruikte criteria begeleide keuze uit het zogenaamd ‘bekende’ gemaakt) zou er echt niemand op het idee komen hier koninkrijkje te gaan spelen en die oranjes zou niemand ooit vinden en bijzonder achten.
  147. Boeken moeten het vaak van de eerste zin hebben, dus de bijbel is erg goed: In den beginne (dus alles was niet meteen zoals het nu is, het is begonnen). En dan meteen die keuze voor die éne manier van ‘spreken bij wat we zien gebeuren’ : het bespreken in termen van gedaan worden. Wat er nu is, begon te komen en wat is de daarbij gevoegde tekst: schiep God de hemel en de aarde (dat is dus alles wat we kunnen zien: wat boven ons is en wat om ons heen is. Dat kwam er en we zeggen erbij: dat werd gemaakt. Geen gekke keuze, het vermoeden van een dader, een maker. De moderne controverses hadden ze nog niet hè, dát moeten we wel blijven beseffen.
  148. Als (dus: ) het ons lukt (in) te zien dat dat alleen maar een manier van spreken bij ‘wat we opmerken’ is, ontstaat er over het invoeren van een Dader geen enkele opwinding. Wij zijn geboren ná de grote opstand tegen het (ten onrechte ‘misbruik’ genoemde) gebruik van allerlei godsbeelden om de gebruikte mensen te laten dénken dat er andere redenen voor hen waren dan angst om anderen te gehoorzamen, die vreemde de leiding over hun leven te geven, zich minder te voelen, hun nare lot als hun eigen schuld op te vatten. Die godsbeelden en de bijpassende zelfbeelden voor de gebruikte mensen waren nuttige instrumenten voor de mensengebruikers. Hun doelen waren minder sympathiek, maar het gebruiken van dat doeltreffende talige gereedschap kan niet om díe reden ‘misbruik’ genoemd worden. Er is geen goed of neutraal doel na te streven met dit bedrieggereedschap. Zoals je met een geweer niets nuttigs kunt doen. Gebruiken is kwaad doen. Maar dat maakt van dat gebruiken geen misbruik. Nu ja, er zijn belangrijkere zaken.

1) Geinig: de spellingcorrector van dit computerprogramma accepteert ‘breier’ niet als bestaand woord, maar breister wel.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *