Jaap Schot, 10 november 2007
Bij de oeroorlog die in een overwinning op de Weigeraars eindigde ontstonden twee erfenissen: die van de overwinning en die van de nederlaag. De erfenis van de overwinning bestond uit de wapens en de minachting voor de overwonnenen. Met die beide ingrediënten was het de overwinnaars en hun kinderen en kindskinderen mogelijk zich met een rustig geweten (= zonder “zo ga je niet met een medemens om”) te laten vrezen en dienen (dienen = txaenz offers brengen, uit vrees, om mishandeling te voorkomen).
Er waren dus twee soorten mensen in die massa mensen na de oorlog: bovenmensen en ondermensen. Dat onderscheid was niet echt en aangeboren, maar werd onspeels gespééld. Op natuurlijk niveau, buiten spel, waren de bovenmensen (de edelen) en de ondermensen gelijksoortige dieren. Vandaar dat ze onderling paarden en het verlangen naar vriendschap voelden. Het handhaven van het spel was dan ook deels natuurbestrijding. Spelen volgens regels (≠ dat wat we bij jonge dieren ‘spelen’ noemen) is onnatuurlijk, ja natuurvijandig.
Die massa mensen na de oorlog heten nu samenleving of maatschappij. De spelregels heten orde en in de loop van de tijd na 300 n.Chr. gaat dat in Europa ‘godgegeven orde’ heten. Dat er een god is die deze tweedeling wil, wordt aan alle kinderen geleerd (in vaderlijk onderwijs). Vaderlijk onderwijs is onderwijs het spel betreffend, gaat dus over de regels, het geldende (≠ waar zijnde, hoewel aangetroffen!). Het vaderlijke onderwijs is het (ethische, morele, staatsstichtend godsdienstige, waarden en normen, fatsoenlijk en modieus) geheel van gewauwel, leugens, vals alarm, loze beloften en suggesties dat het verleden en verzonnen goden en voorouders ‘het voor het zeggen hebben’.
In het vaderonderwijs wordt met fysiek geweld en daarna daarmee dreigend, mores geleerd. Disciplineren, tot volgeling maken. Het geweld en de angst van de oeroorlog worden voor zover voor het intimideren van dit kind nodig blijkt herhaald, aan ieder kind in het vaderende onderwijs. Het breken van de natuurlijke neigingen van het kind is het doel met dat ‘mores leren’: het kind moet er aan gewend raken dat het er niet om gaat wat het nódig moet, maar om wat het van de baas (daar dan) moet. Het platste voorbeeld is: er moet nu opgelet worden, niet gepist. Dat voorbeeld is toch het allerduidelijkste.
De vader die erfgenaam is van de nederlaag leert zijn kinderen mores ‘met mededogen’, om te voorkomen dat een erfgenaam van de overwinning het (dat aanleren van wat geldt) het kind later zónder mededogen zal doen.
Het moederlijke onderwijs betreft de natuur in en om het kind. De moeder leert het kind de maatschappij en haar inrichting opvatten als een natuurgebeuren, niet om te bestrijden en te veranderen, maar om intelligent mee om te gaan, ontduikend, schuilend, gebruikend, corrumperend, je camouflerend, er wetenschap op bedrijvend, zodat je goede verwachtapparatuur krijgt en er lang en gelukkig in kunt leven, zonder het te beoordelen, zonder erdoor geïnspireerd of ervoor enthousiast te geraken. Zéker (a fortiori) zonder er aan te gaan offeren (= geven om niet, uit angst die in verering is omgevormd). De Moeder leert: eer en deugd, goed en kwaad, moraal en ethiek, fatsoen en goede smaak, dat is allemaal kul. Voor de vrije mens is het allemaal slechts noodzakelijk camouflagemateriaal. Noodzakelijk gemaakt door de scheidsrechters. Tegenwoordig zijn de pesters op scholen de vrijwillige handhavers van de regels. De vrije mens = degene die geen van de beide erfenissen van het verleden aanvaardt, het al of niet aanvaarden van een erfenis staat juridisch in de feodale tijd de mensen niet vrij, maar feitelijk, mentaal zijnde, staat het de kinderen van de Moeder, die bidden tot God met het ONZE VADER, vrij.
Wie nog niet vrij is, houdt het verleden nog vast, aanvaardt nog erfenis. Ja, de gewone loonafhankelijken met vrije koopkracht hebben uit beide erfenissen enig eigendom gekregen. Ze hebben hun eigen lijf (--> hun txaenz) in eigendom en daarnaast nogal wat rechten op spullen en diensten. Ze verkeren in de waan dat ze die rechten aan de overwinning op de natuur (die ze zich dan voorstellen als een gevecht van mensen onderling, zie Hobbes c.s.) te danken hebben, aan het verleden dus. Met die kromme onzin houden ze het verleden vast. Tegen de uitspraken van Krishnamurti in.
De Moeder onderwijst: je bent een chemisch proces, een genencombinatie die aan het gebeuren is, je hebt als je geconcipieerd wordt, geen verleden. Je bent als chemisch proces ononderbreekbaar. Je hebt als je “dood gaat” (= als chemisch proces eindigt), geen toekomst. De term ‘dood’ is totaal semantisch overbodig. Semantisch overbodig, buitenwetenschappelijk, dient ze om bang te maken, exacter: om met fysiek geweld door mores lerende vaderenden ingeboezemde angst een aangrijpingspunt, een onderwerp, te geven, te focussen.
Je bent als genencombinatie niet door andere mensen geschreven (--> als gebeurende niet door mensen bedoeld). Zeg maar, om daar een uitdrukking voor te hebben, dat je door God geschreven bent in DNA (dus: voor wat betreft wat je nodig hebt en nodig moet, door Hém, je ECHTE vader, in de hemel, zo bedoeld bent).
Het Moederonderwijs houdt vrij, - als het op tijd, dat is: eerder dan het vaderonderwijs gegeven wordt. Het bevrijdt, als het pas daarna (als evangelie) gegeven kan worden. Het bevrijdt slechts de uitverkorenen: hen die nog te bevrijden zijn, die hun erfenis nog herkennen als van buiten komend, als van andere oorsprong dan hun entelechie (≈ dat wat uit hun godgeschreven genen voortkomt aan nodig hebben en nodig moeten).
===========
Het ‘samenlevinkje’ spelen volgens regels is natuurvijandig. Kijk maar. Het spelen van competitieve spelen is religieus bezig zijn. Het went de mensen aan hetgeen de basis is van de mensveehouderij (= de civilisatie, de resterende toestand na de oeroorlog). En de ononderbroken viering van de sport houdt de mensen daar aan gewend. Ze denken bínnen de sport, niet óver de sport (in de betekenis van ‘het sporten’).
Het sporten is de religieuze oefening (de heilige mis van de roomsen) voor de erfgenamen van de nederlaag: ze rangschikken zich daarin (in het zich met elkaar om te overtreffen meten en in het records breken) naar kracht (txaenzkwaliteit en naar kwaliteit van hun besturingssysteem, hun bruikbaarheid, hun gebruiksgemak. De enthousiaste sporters zijn het meest van hun entelechie / natuur vervreemd, want ze blijken het meest bereid hun lijf (gezondheid en leven, txaenz) te offeren voor een zinledige bezigheid. Elke spor (sportieve dimensie) is een zinledigheid, die hen door de erfgenamen van de overwinning als ‘een medaille waard’ wordt aangewezen. Ze zijn maximaal inzetbaar gebruiksvee. Nodigheid en zinnigheid zijn voor hen geen criteria. En zij zijn rolmodel voor de kinderen. Dit, - nodigheid en zinnigheid zijn voor hen geen criteria -, geldt ook voor wie, - om te overtreffen en niet als camouflage-, de mode volgen en aanvoeren. En ook zij zijn rolmodel voor de kinderen, als het maar éven lukt.
Dát is de godloze wereldlijke religie die de tweedeling ondersteunt. De tweedeling die bij middenklassemensen (loonafhankelijken met vrije koopkracht) tot uiting komt in hun gespletenheid (hun lonen drukken als koper). Deze middenmensen zijn verward, door die gespletenheid en het zwijgen over en anders overstemmen van de waarheid omtrent deze erfenissen.
De huidige erfgenamen van de nederlaag zijn niet langer alleen maar de afstammelingen van de verliezers van de oeroorlog. Nee, het zijn de zwakkeren, de verzorgingsstaat is opgeheven, iedereen is aan de commercie (zo heet de uitbuiting, het binnensoortelijk parasiteren, vaak). Om meer tegenprestatie van anderen te verkrijgen dan ze zelf aan de stroom prestaties toevoegen gaan de ambitieuzen ondernemen. Het meer nemen dan ze geven is het doel van de op winst gerichte ondernemende ambitieuzen. Zij zijn niet op dienen (offeren uit angst om zich te beveiligen) uit, al noemen ze hun bezig zijn wél zo, zoals hengelaars hun aas ook als eten voor de vissen voorstellen.
Het grote misverstand in deze is de enkeling -ondernemer te verdenken van het opnieuw uitvinden van (<-- doordénken --> niche vinden binnen) het systeem. Nadoen, meedoen en daarna ‘blijven doen uit gewoonte’, verklaren vrijwel álle gedrag. De uitvinder en de doordenker zijn zeldzamen. Zij zijn vaak veel te lang met de záák bezig om nog belangstelling over te houden om in de wereld mee te spelen.
Naar de meeste kleine uitvindingen is evenmin vraag als naar de losse ideeën omtrent ‘wat gebeurt’. Men moet leuren met kleine uitvindingen en losse ideeën (ook al zijn het geen meningen, maar dingen die te plaatsen zouden zijn in echt verwachtgereedschap). De massa der mensen is aan het kleine ongemak en aan het vanzelfsprekende foute gewend.
De vraag naar verlossing is al lang niet meer voldoende om een resultante van doordenken te kunnen verkópen. Alles moet gepromoot worden, tegen al het andere in. Er is geen onderscheid binnen al die koopwaar: een boek is een boek. Een filosofie is een filosofie. Als een schrijver zich niet opstelt als vee ter keuring voor de lezer – criticus – koopkrachtige potentiële koper, dan is er geen spelsituatie en gebeurt er niets.
Waar niemand inlegt, is er niets te verloten of, - al vechtend -, ongelijk te verdelen. Waar geen specialisatie is van inleggende werkenden, blijft de kwaliteit van het ingelegde op laag niveau. Inleggen = de erfenis van de nederlaag aanvaarden --> hebben. Deel nemen van ‘wat er te consumeren is’, consumeren, is het hebben van de erfenis van de overwinning: het neemrecht, dat een voorrecht is, want er is niet voor iedereen alles. Die schaarse is vereist om het spel gaande te houden. Het is onbelangrijk wát er schaars is, het nodige of slechts het begeerde. Maar de intelligente, die Mozes begrijpt, ‘zal niet begeren’. Zal zich beperken tot wat hij nodig heeft (entelechisch en ‘door het zo-zijn van zijn omgeving’ bijvoorbeeld dus allerhande dingen als camouflagemateriaal). De mode is het onwerkzaam maken van dat camouflagemateriaal, waardoor ook wie niet begeert, aan het kopen (--> txaenz leveren in ruil voor geld) blijft. Aan de mode valt dus niets te loven.
Als er geen nood en gevoelde gevangenschap (≠ die schaarste en wat daar uit volgt, het onvervuld begeren / verlangen) is, is er geen markt voor verlossing. Dan krijgt men vraag naar verlossing van de eindigheid en van de zwakte (<-- toevallig zo in DNA geschreven zijn, slijtage en ziekte, dat is: txaenzverlies). Dan gaat men verder die weg af en gaat ‘de natuur’ als cipier ervaren. De natuur is wreed, zegt men dan. Men gaat veel meer dan ‘het zich vrij van door mensen gemaakt zijn poneren’, leggen in de uitspraak “ik ben door Gód in DNA geschreven” en gaat de eigen onvolmaaktheden en eindigheid aan (die) God verwijten, met andere woorden men gaat zélf geloven in het aantrefbaar zijn – oftewel in het bestaan, van dat hulpbegrip dat men invoerde (die hulplijn die men trok). Beetje ondoordacht.
Van God, die je verloste van die binding aan de anderen als waren ze je scheppers, maak je een afgod, die je niet verlost, maar ‘straft’ of zo.
Het is de afgod van de staatstichtende religie, die je hier te pakken hebt. Nee, niet: die jou hier te pakken heeft. Die afgod is er niet, bestaat niet, is alleen maar een gedachte, die nergens naar verwijst, een rationalistengedachte dus. Logisch en zo, maar een wegwijzer het lege heelal in: tussen alles wat ruimte inneemt door.
De God waar Mozes mee werkte is een hulplijngod, een figuur in een verhaal, dat tegen de bedreigende cipiers gericht is. Tegen de wapens (de bedreiging) het verhaal, dat gebruik maakt van hun bijgeloof, hun ondoordachtheid. De natuurgoden zoals de vulkanen en de zee, die bestaan en ‘doen’, als immers uitbarsten en tsunami’s brengen geen ‘doen’ is, wat dán? Maar als het biologische, het ecosysteem in Egypteland een serie rampen geeft, dan is het niet zo dat daar een verbiddelijke God zijn boos-zijn aan het tonen is. Dát is een verzinsel. Onlangs nog waren mensen op Java bezig een vulkaan te verbidden om toch maar het boos uitbarsten na te laten. En dan zijn er twee mogelijkheden of de God blijkt verbiddelijk (de uitbarsting blijft uit) of de wijze en mate van bidden en offeren deugde niet en/of de zonde waarover de berg boos was, was te groot om wraak na te laten.
Als (exacter: voor zover) de gebeurtenissen in kwestie eenmalig zijn, is er geen verwachtgereedschap mee (= vóór) te maken. Delen van die serie Egyptische natuurrampen zouden best eens herhaaldelijk kunnen zijn opgetreden.
Het eenmalige is voorbij en dus geen onderwerp van vrees meer. Alleen als ‘vruchtbaar nog de schoot is, waaruit de ramp kroop’ (Brecht), dán is oplettendheid (nee geen vrees) passend. Er blijft dijkbewaking en gefundeerde weersverwachting nodig. Het gebeuren waarvan wij deel uitmaken, het aardgebeuren in onderscheid (en omvattend) het wereldgebeuren, is geen couveuse. Aan het wereldgebeuren kunnen wij, als losse individuen (IETSen of bondgenootschappen van IETSen) niets doen. Het is “ons” spel, bestaat uit onze zetten in het spel waarin we (de beide erfenissen)ongelijk verdelen. De fout ligt in het ‘wij’--> ‘ons’, die gezamenlijkheid als doende grootheid, die is een verzinsel. Wij kunnen nog niet (door inzicht en naastenliefde gedreven) dat bestaan van dat ‘wij’ spélen. En dat (spelen) is onze manier van ‘scheppen’. Wij (alle mensen dus) zijn nog niet ‘eenheidje’ aan het spelen. Of het er ooit van komt? Ik zou het niet weten, de aanleg is er, maar het loslaten van het verleden (= van de erfenissen / het onnodige) gebeurt nog niet. Er valt nog niet aan mee te doen, het wordt niet voorgeleefd (anders dan in sommige verhalen), het valt dus ook nog niet te imiteren.
=========
Het is me wat, hè. Ja, ja, er valt een mens wat ín. Als hij er maar voor gaat zitten.
=========
De verdeeldheid, de strijd, de competitie en de concurrentie, het zal mijn tijd zeker duren.
=========
Soms denk ik: “ik ben best mijn best aan het doen”:
> om onder woorden te brengen wat er aan de hand is (gaande is) in de wereld en
> wat ‘de wereld’ is (een spelbord) en
> wat, ‘het wereldgebeuren’ (een spelverloop).
============
Invallen uitschrijven in dagelijks opstellen levert een groot aantal legpuzzelstukjes / lego-blokjes om een geheel van te laten worden (een Gestalt die zich sluit).
==========
‘Het wereldgebeuren’ is niet door en door fout (slecht), de specialisatie [gepaard aan de motivatie om te werken (plezier in het werk, functioneren daar in, in het doen)] levert een veranderen van de omgeving in de richting van ‘een couveuse waarin te functioneren is’, op. Wij leven nu langer en gezonder dan veel van onze voorouders. Ik leef beter dan een vorst. Ik zou niet willen oversteken (ruilen) met een rijke (een veel onnodigs consumerende).
==========
Het dóórkrijgen van dat waarover ik slechts verhuld geïnformeerd werd, levert me veel plezier [ik functioneer er in --> lust <-- endorfine)].
En ik doe er niemand kwaad mee.
0 Reacties