Constructieve ontevredenheid

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: Aztekentrap | Dresden | Mein Kampf | wensplaat

Mager paardje, jaag maar,
De steppe is eindeloos breed,
De vliegen steken je flanken,
de stenen je zere hoeven,
Nooit komt er een eind aan het leed.
(J.J. Slauerhoff) 1

Jaap Schot, 2 september 2005

  1. Waar is het allemaal goed voor? Al dat voelen aan ‘wat gebeurt', al dat ‘naast een wensplaat houden’ van ‘wat het geval, op te merken, te melden, waar (véritable) is’?
    Er is een term voor: "constructieve ontevredenheid".
  2. Waar is het gebeurende allemaal goed voor? Dat is een vraag die volgt uit het toepassen erbúiten van een vraag die bij en binnen het (= alle) construeren zinnig is, past.
  3. Er wórdt door ‘wat gebeurt’ helemaal niets geconstrueerd. Het is als het vragen “waar wil je naar toe?” aan een vallende hagelsteen.
  4. “Om in te functioneren”, is één vreemd antwoord op die vraag naar waar iemands ‘zich inspannen’ goed voor is.
  5. “Om voor (de gevolgen van) een andere bezigheid te compenseren” is een andere. We hebben nu bijvoorbeeld een regering die op school meer gymnastiek (“sport”) wil invoeren om de gevolgen van ‘het verkeerde eten’ door kinderen weg te werken. “Onze” kinderen zijn veel te vet, want ze eten het verkeerde, door de reclame, de voorbeelden op de televisie en de terreur van opzij (de toonaangevende, pestende klasgenootjes), die het opeten van het naar school meegegeven goede eten tot een waagstuk maken.
  6. Met ‘constructief’ bedoel ik ‘door samenstellen bouwen’, denk maar aan het in elkaar zetten van een als bouwpakket – bij bijvoorbeeld IKEA® – gekocht meubel.
  7. Een gedachte van het christendom is dat God een Geheel in elkaar aan het zetten is en dat ieder van ons een nuttig onderdeel daarin is. Wij worden gebruikt, ons gebeuren (dat ‘leven’, ‘bestaan’ of ‘wat we doen’ genoemd wordt) was (werd) vóórbedacht en wordt gebruikt (en zo nodig in Zijn uitvoeren van Zijn plan bijgebogen, van vorm veranderd) in een constructie (een bouw) door die Ene God. Die God is ergens aan bezig en wij als onderdeeltjes zullen zo min ooit snappen waarom wij in dat gat moeten als het boutje ooit begrijpt dat het in dat voorgeboorde gaatje moet opdat ... Enzovoort.
  8. Nee, niet álles wat gebeurt (“gedaan wordt”) is constructief, zo stellen de vorsten in hun geregel van ‘wat er in hun rijk door hun onderdanen gebeurt’, men zegt: ‘gedaan wordt’.
  9. De vorsten der wereld stellen hun wensplaten op tegenover ‘wat God doet’. Dat is, wat als natuurgebeuren te herkennen en erkennen is, en wel ‘de evolutie’ wordt genoemd.
    De centrale oorlog is die van de wereld tegen de natuur.
    De oorlogen binnen de wereld, tussen de vorsten, de Rijken, de -‘ismen, die zijn ‘tweederangs’.
  10. Al pratend bespreekt de mens zijn eigen bezigheden, stelt hij zich op buiten zichzelf. Dat is geen spirituele daad, dat is een suggestie die uitgaat van de taal, die nu eenmaal niet uit eigennamen van alle unieke gebeurtenissen kan bestaan en functioneren. Iedere waarschuwingskreet van ieder dier heeft reeds dit abstractiekarakter. Er is niets uniek menselijks dááraan.
  11. Dit vreemde ‘als buiten zichzelf staand praten’ treedt fylogenetisch (= voor de sóórt, voor ‘de mens’) pas op als dat waarschuwen gaat woekeren en het eigen gedrag gaat beschreven worden.
  12. Ontogenetisch, feitelijk, dagelijks waarneembaar, komt het (wederom) tot stand bij kinderen die hun spreken/ hun spraakvermogen vullen (men zegt vaak “ontwikkelen”). Met andere woorden: als kinderen leren praten gebeurt dat ‘van zichzelf als gebeurend dier (met gevaar van vervreemden*) vervreemden, afstand nemen’ telkens weer: “Jantje valt” zegt het jongetje over zichzelf, kort voordat hij met het woord ‘ik’ gaat werken.
  13. *’Met gevaar** van vervreemden’ neemt de taalgebruiker als beschrijver van zijn gedrag afstand van ‘zichzelf als gegeven gebeuren’. Wie spreekt gebruikt DE taal van de groep, kan dus niet anders dan over zichzelf melden als beschreef hij zich van buiten af, buiten zichzelf zijnde. Het ís niet anders.
  14. ** Hoezo gevaar? Antwoord: voor de andere taalgebruikers is mijn entelechie onwaarneembaar, zoals ook mijn kiespijn dat is. En het is nog erger: op mijn Moeder (wie mij bemoedert, dat is: mijn Moeder is, zoals die Samaritaan de naaste was van die gewonde toen) na, is iedereen totaal ongeïnteresseerd in mijn entelechie: iedereen in de civilisatie ‘denkt’ (spreekt/ meent) zoals de slavenhouder (de manager, de chef, de baas): of het met of zonder ‘zin’ gebeurt, dat is niet van belang, het gaat er om dát het gebeurt (= gedaan wordt, door de slaaf, de gebruikte, de leverancier van de dienst binnen de commerciële dienstverlening).
  15. Dr. Phil stelt steeds weer: ouders dienen hun kinderen voor te bereiden op de maatschappij zoals die is. Dat betekent, zo wijst hij aan dat ze leren dat er regels zijn en dat het nodig is (= afgedwongen wordt) zich daaraan te houden, daar niet tegen in te gaan. Niet uit gewoonte, niet zonder vastbesloten ‘in opstand’ te zijn, zou ik er in het toespreken van pubers aan toegevoegd willen zien.
  16. De mensengebruikers van den beginne waren de leiders van hun vrije stamgenoten en gebruikten de overwonnenen die niet hun stamgenoten waren. Deze slavenhouders parasiteerden en verloren door onbruik hun leidinggevende vermogens toen de slaven om het hardst gingen dienen en diensten aanbieden. Om maar aan de armoe te ontsnappen en/of om aan voorrechten (→ geld werd de uiteindelijke vorm daarvan) te komen. Koning Klant is de erfgenaam van de slavenhouderij en zie toe hoezeer deze wordt gebruikt door de dienstverleners. Koning Klant is de parasiet, die gebruikt wordt, de rollen zijn omgekeerd, maar het systeem is ongewijzigd: mensengebruikerij door mensen, binnensoortelijk parasitisme. Iedere ook maar enigermate welgestelde (= iemand die meer geld te besteden heeft dan voor zijn noodzakelijkheden betaald moet worden; iedereen die enig vrij besteedbaar inkomen heeft) is, daar waar ‘vrij’: parasiet. Parasiteren betekent onnodigs consumeren en dat in concurrentie en competitie zich metend met anderen, op aangetroffen dimensies. Het vermogen dimensies te verzinnen resp. het nodige nog te zien (= contact te hebben met de eigen entelechie) ging verloren, wordt door wie vaderen (het werkwoord dus) weggedrukt ten gunste van die genoemde dimensies.
  17. De vaderaars hebben gevonden (beter: bevonden, zonder veel erg) dat het erg goed overkomt de kinderen te laten kiezen. Dat gaf aanvankelijk ‘door toeval gemotiveerden’ voor scoren op die dimensies in kwestie. Nu is dat ‘laten kiezen’ ook door vrouwen die doen alsof ze moederen overgenomen en wordt de kinderen eindeloos gevraagd wat ze willen eten en leren en zo, en dat maakt dat die kinderen in arren moede maar bij het eerste het beste niet erge als ware dat hun voorkeur blijven.
  18. Koning Klant geeft geen leiding en evenmin geven de flitskapitalisten leiding. De regeringen (gekozen vaderaars voor de massa, die iedereen er in machteloos maakt) zijn trekpoppen [van ‘dat wat de gokkende flitskapitalisten veroorzaken, veroorzaken, let op: niet doen, niet nastreven, niet bedoelen’].
  19. Dr. Phil is een welwillende leraar ‘vaderen’. Ja, hij vadert zelfs vóór. Het gaat hem erom geciviliseerden te (laten) maken van kinderen. Hij heeft gelijk, er zit niets anders op: het heeft evenmin zin VVDer te zijn en met de wind mee te blazen als om SPer te zijn en tegen de wind ín te blazen. Alles gebeurt gewoon, er wordt niets gedaan en er is geen door ‘doen’ benoemd ‘gebeuren achter of onder het waarneembare gebeuren’.
  20. ‘Ware woorden’ en ‘handelingen van wie voorleven’ zijn oorzaken van gebeuren binnen in de anderen, die verstaan resp. imiteren, navolgen. ‘Spreken (publiceren)’ en ‘voorbeeldig leven’ zijn de moeite (ieders vrije txaenz) waard. Zozeer als liegen en ‘het slechte voorbeeld geven’ verwerpelijk en ‘er ter bestrijding’ zijn. ZO MOGEN WIJ HOPEN. Ik zie het onomstotelijk bewijs niet geleverd.
  21. Dat waarover mijn uitspraken waar kunnen zijn, dat deel van ‘wat gebeurt’ dat binnen mijn ‘Umwelt’ treedt (ligt), hoef ik niet te zoeken, het dringt zich aan mij op, het valt op, het trekt mijn aandacht. En (het is inmiddels 4-9-2005 10:04) ik ben op mijn hoede, dus ik let ook op.
  22. Boeken verbranden is een loos gebaar, zoals het uitwissen van olifantensporen de olifanten niet raakt. Het boek dat niet gelezen wordt en de roep die niet gehoord wordt, zij beide vallen volledig binnen de natuurwetenschappen: ze zijn dingen die gebeuren. Papier vergaat langzaam of snel, al naar de omstandigheden (hoor hiervoor de archivarissen). De roep verklinkt, ze is bewogen lucht.
  23. Bij het bombardement op en de volgende teloorgang van Dresden gingen vele boeken verloren, waaronder vele exemplaren van ‘Mein Kampf’ en vele bijbels. Zo gaat dat. 2
  24. Het lezen van een boek en het horen van een roep zijn wellicht ‘geestelijk leven’ te noemen. Het vastleggen van ‘potentiële herinneringen’ in DNA, zoals Vester beweert, is voor mij evenzeer een openbaring waarin ik maar niet geloof en niet aan twijfel, als die pijnappelklier van Descartes. Het zál allemaal wel.
  25. Of het nu zus of zo werkt of in elkaar zit, ik ‘zie´slechts de oppervlakte: ik lees en luister ongebruikelijk kritisch. Ware het anders, dan zou ik andere tekst te lezen en te horen krijgen.
  26. “Heb je de brándweer gehoord?”, vroeg de zwakbegaafde aan de vrouw die vlak voor mij fietste. Ze verstond hem niet en keek ‘puzzled’, waar ik op reageerde met haar zijn tekst te laten horen. De ongelukkige jongen was al lang doorgefietst, was ook nooit van plan geweest te stoppen en echt te weten te komen, wat dan ook. Nee, wij hadden geen van beiden de brandweer gehoord.
  27. Deze zwakbegaafde kan praten, wat een gezelschapsdier zoals een hond nooit zal leren. Er zijn baby’s geweest, waar nu een gezelschapsdier uit gegroeid (geworden, gemaakt) is. Zo min als die zwakbegaafde een antwoord zoekt, zo min is zo’n ‘huisdier – uit – een – baby’ ergens aan bezig het groeisel uit een kind wacht op een initiatief van een ander, nu ja, uit de omgeving. Geef het een consumeermachientje in handen en het kan tíjden toe: zie ze (als de Japanners) fotograferen. Geef ze als kunstrichting of als ‘werk’ een techniek en ze blijven bezig: schilderen, beschrijven, doodmaken (van bisamratten bijvoorbeeld). Ook van deze, in het geheel niet genétisch minderwaardigen, is het de vraag of ze alle andere dieren en planten waard zijn, die voor hen doodgemaakt worden en van het voor hen nodige verdrongen. Deze soort groeisels uit kinderen doet zelf niks anders dan ononderbroken oordelen en rangschikken en dat is de reden waarom ten aanzien van hen zo’n vraag naar een oordelende rangschikking terecht is. Maar alles gebeurt gewoon en geciviliseerde mensen zijn even onaanspreekbaar als stenen. Dat komt door de verstarring die hen door hun eigennaam wordt aangedaan. Door hun geloven in wat hun eigennaam hen suggereert: permanentie.
  28. Iedereen kent het feit dat hij een gebeuren is, dat is: ononderbroken verandert: fysiek (als weegbare grootheid) van vorm én van materie (om de zeven jaar, zo vertellen sommigen door, zijn alle cellen in ons lijf vervangen; nu ja, de hersencellen dan niet, zegt men. Ik heb dat allemaal van horen zeggen. Ik meld dat men het zegt. Ik praat niet na en niet mee. Ik praat niet door als ik niet kan melden, dat is: niet actueel voor waar neem wat ik ‘denk’ en verwoord.).
  29. Iedereen kent het feit dat hij fysiek én qua kunnen en kennen (= kunnen herkennen) verandert, ononderbroken: leren, daar komt geen einde aan en ‘je’ kunt het niet nalaten: het gebeurt, het wordt niet gedáán.
  30. Wij gebeuren, van elke permanentie is slechts sprake. Die eigennaam die we op het stadhuis kregen, die benoemt dat verzinsel: onze identiteit. Niets aan ons is ook maar enige tijd identiek, maar die identiteit die heeft die eigennaam en zonder die krijgen we geen uitkering, zijn we nergens welkom, zijn we zelfs in eigen land, tegenwoordig, dank zij de mohammedanen en hun terreur, fout, we moeten ons identiteitsbewijs bij ons hebben. Dank U, Mohammed.
  31. Nu citeer ik even: J. Krishnamurti: “Het is een vreselijk iets, te zeggen “Ik ben een Hindoe”.” Het is een vreselijk iets te zeggen dat je een katholiek, een christen, een moslim, een Nederlander, een vrijdenker, of wat ook, bent.
  32. Het is ook een vreselijk iets je bij je eigennaam te noemen. Je hébt geen naam (van nature) zo min als een vuur of een draaikolk of een cycloon een naam eigen is.
  33. De eigennaam is een uiterst belangrijk en boeiend verschijnsel. Het is wat bij andersoortige als vee gehouden dieren het brandmerk is. Het is de ontkenning (en verhindering) van het natuurgegeven dat ‘je’ slechts gebeurt.
  34. Gebeuren is: zonder permanentie zijn.
  35. Gebeuren is ook: inwerking ondergaan, beïnvloed worden.
  36. Gebeuren is doordringen en doordrongen worden, maar gebeuren is géén doen, gebeuren is: niet na kunnen laten dat je (zó) gebeurt.
  37. Niemand kan iets aan zichzelf [= zijn (zó) gebeuren] veranderen. Geloof dit niet, kijk onbevangen, aandachtig, zorgvuldig naar jezelf, naar wat jou zelf gegeven is hieromtrent. De taal in de civilisatie suggereert het tegendeel. Iedereen constateert dat die suggestie een leugen is, maar dat stopt dat zó spreken (en “denken”) niet: het niet optreden van die veranderingen die de macht eist, maakt immers de betrokkene schuldig, strafbaar, wilszwak, blíjvend verwerpelijk.
  38. Is er dan geen hoop? Als wij willoos gebeuren, als er geen ons welgezinde God is die greep op ‘wat gebeurt’ heeft (resp. néémt), als wij zijn in de situatie van druppels in een regenbui: in vrije val op weg naar ons einde als druppel, het water is blijvend, als enige, wat dan?
  39. Nee, er is geen hoop. Geloven, de bezigheid, is fout, los van elke inhoud. Waar slechts sprake van is, en dat is het geval bij álle geloofsinhouden, is niks, wat er over gezegd wordt is niets anders dan in beweging gebrachte lucht.
  40. ‘Liefde’ wordt veelal gebruikt voor favoritisme en in die kreet waar ze zogenaamd universeel is, is ze meestal bedoeld als soortistische solidariteit: alles wat door een vrouw geworpen is, is per definitie hoger en waardevoller dan elke andersoortige genencombinatie. Die superioriteit is een welkomstgeschenk van diverse civilisatiereligies (schoolvoorbeeld: de roomse, waar de mohammedanen dan nog eens extra ‘alle vrouwen-mensen’ als minderen – lageren bij kregen.
  41. Deze heiligheid van alle (menselijk) leven beschermt de binnensoortelijke parasieten buitengewoon doeltreffend. Het kost(te) hen dan ook geen enkele moeite deze heiligheid aan alle mensen te schenken. Het is glimlachwekkend hoe superieur die mensenrechtenjongens zich voelen (c.q. tonen).
  42. Civilisatie betekent (naast specialisatie qua vaardigheden en ‘werk’) rangschikken, dat is: (zich en anderen) vernederen en (zich en anderen) verheffen, het bewonderen en verachten, het dienen (= zich láten gebruiken) en kopen (= gebruiken) van de ander.
  43. De vernederde compenseert voor zijn vernedering [= zijn tegen zijn eigen entelechie (neiging en belang genoemd soms) in handelen, uit angst en/of begeerte] door zich als klant of ‘als wat en hoe ook’ (ook vrijwel alle misdaad valt hieronder)derden als minderen aan te schaffen: de dieren en de vrouwen werden door de roomse kerk resp. de islam ter beschikking gesteld als objecten voor die wraakneming, die compensatie. Op vrouwen en dieren, niet op de baas, moet de vernederde zijn gram kwijt. Dáár gaat het om. Het zijn staatsreligies, de wereldkerk en de wereldveroveringsleer van Mohammed (bekeerden, in de islam geborenen, mogen niet afvallig worden op straffe des doods, geen ooit mohammedaans geworden grond mag in handen van heidenen / ongelovigen terug komen. Het is een leer met een ‘terugloop verhinderende klep’.)
  44. Het is al vreselijk om te goeder trouw rooms of hindoe of islamiet te zijn, maar het is helemaal vreselijk om te zeggen: ik ben katholiek maar ik heb niks met de leer en de uitspraken (meningen) van de paus van doen. Wij zijn islamieten, maar gematigd, wel een hoofddoek en gekniel en ongeremd veel kinderen, maar wij veroveren de nog-niet-moslim-wereld niet te vuur en te zwaard, ook niet met die modernste vorm van oorlogvoering (na slagvelden, nog in WOII en na guerrilla, in Vietnam en zo, nu) met kamikaze – plofislamieten en terreur.
  45. Maar er is geen kwalijk nemen of kwaad worden passend: alles (inclusief iedereen) gebeurt gewoon: er is geen enkele reden voor ‘geestelijk leven’, dat is: voor het uitleven van (= txaenz besteden aan) dat waarvan slechts sprake is, sprake waarvan suggestie uitgaat, doordat men als mens (= als genencombinatie) een te waarschuwen en op te roepen taaldier is.
  46. Het hele geestelijk leven wordt gespeeld, niet in mindere mate dan ‘Dallas’ en om geen andere reden: de spelers willen gespaard blijven voor armoe en verachting en spelen dít omdat er geen aantrekkelijker alternatieven voorliggen. Iedereen kent het feit dat het allemaal gespeeld wordt, dat er van de superioriteit van de overlevenden, van de rijksten, en van de waarde van de dimensies der kampioenen, en van de hemel en van huize Ewing, enz. slechts sprake is, dat er niets van is aan te treffen (geweest). Maar iedereen hoedt zich ervoor openlijk van deze kennis weten te maken, de leegte als zodanig te benoemen, dat tot zich door te laten dringen, het te weten, en nog verder staat het van iedereen af dit te publiceren. ‘Je’ zou wel gek zijn. Al is het de moeite van censureren niet waard, deze waarheid is niet verborgen, de redenen om het weten en/of minstens het publiceren te voorkomen zijn in ieders ervaring gegeven.
  47. Voor de enkeling is het zeer de moeite waard om in alle stilte en rust zijn situatie als levende hier nu te beseffen, er volbewust van te zijn. Beseffend ook dat dat beseffen noodzakelijk is vanuit de entelechie van een taaldier, zo noodzakelijk en puur individueel belangrijk, totaal niet op enig ander gericht als eten, drinken, slapen, pissen en poepen. Niet ter publicatie. Publiceren is totaal onnodig en overbodig en zelfs ongepast.
  48. Dit (“mijn”, het Nederlandse) volk leverde me, aanvankelijk verplicht en later in ieder geval nog kosteloos 21 jaar dagonderwijs. Dat was voor mij genoeg om “als een zweefvliegtuig” vaart te krijgen en van de grond te komen. Het feit dat ik toch al het nodige kreeg, noem ik de thermiek die de maatschappij afgaf. En van deze thermiek gebruik makend steeg ik op. Wie zo opstijgt zoekt, krijgt (c.q. neemt), vult geen plaats in de sociale/ maatschappelijke piramide. En andersom, wie die zoekt enz., stijgt niet op. Na het hoogte krijgen kun ‘je’ het er op wagen van boven het veld vandaan te gaan, afstand te nemen, langs de berg, de (Azteken) trappenpiramide omhoog te gaan.
  49. Die thermiek was en is bedoeld om meer en hoger opgeleiden = bruikbaar gemaakten te verkrijgen uit de voorraad borelingen. De regelingen zijn en waren niet ‘persoonlijk bedoeld’, ze gelden en golden zonder aanzien des persoons. Dat was en is mijn geluk (bonne chance, zegen van Vrouwe Fortuna).
  50. Ik maakte wat dat betreft zelfs (onbestrafbaar) misbruik van de regelingen.
  51. Postuum kan ik wellicht zinnig ‘wat ik zag’ alsnog laten weten. Het zullen er niet velen zijn die er iets aan hebben. In de genoemde maatschappelijke piramide is er niets mee te beginnen. Maar er is postuum geen reden meer het geziene, opgemerkte, genoteerde, uitgeschrevene geheim te houden. Voor mijn dood is het wat onhandig misschien want als ik onpartijdigheid ‘verdedig’, dan zijn álle partijdigheden daartegen en boos op mij. Dat moet ik dus niet hebben.

1) [red.] Het gedicht van Slauerhoff is kennelijk zowel bekend onder de titel "Mager paardje" als onder de titel "Volkswijze". Het gedicht bestaat uit drie coupletten:

Mager paardje, jaag maar:
De steppe is eindeloos breed,
De vliegen steken je flanken,
De stenen je zeere hoeven,
Je mag nooit stilstaan en drinken.
En de zon is zoo hard en zoo heet.

Smal scheepje, vaar maar:
Eindeloos is de zee,
Al trillen je moede masten,
Al heb je te zware lasten,
Toch mag je in geen haven rusten
En aan ‘t eind van de reis moet je ankren,
Ergens ver buiten op de ree.

Arm hartje, klaag maar:
De liefde is eindeloos wreed,
Je krijgt haar niet en haat ze
Of je krijgt haar wel en dan gaat ze
Toch later weer weg en verlaat ze
Het hartje dat haar beminde;
Nooit komt er een eind aan het leed.

2) [red.] Een overduidelijke verwijzing naar het boek 'Slaughterhouse-Five or The Children's Crusade' van Kurt Vonnegut.
Dat boek gaat onder meer over het bombardement op Dresden (1945), en heeft als Leitmotiv – steeds terugkerend thema – het zinnetje 'So it goes'.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties