Jaap Schot, 1 april 1991
Het gaan bedrijven van veeteelt en landbouw, het "in cultuur gaan" heeft al de doos van Pandora geopend; de ellende is er al mee begonnen. Landbouw bindt de zaaier als bewaker aan de plaats waar hij zaait en zet hem op tegen potentiele mee-eters van het gezaaide: dieren en vreemde medemensen. Ook zet het zaaien hem op tegen de wilde, concurrerende planten, het onkruid. Veehouders verdedigen hun vee tegen wilde dieren, tegen roofdieren en tegen planten etende dieren die met het vee concurreren om het voer. De in cultuur levende mensen zijn vijanden van alle wilde, vrije, door hen ongebruikte planten en dieren. De in cultuur levende mensen zijn de schepper als god kwijt. Hen rest nog slechts de stamgod die hen de overwinning en/of bescherming brengt. Het zweet zijns aanschijns is niet het kenmerkende en erge, maar zijn onvrede met de schepping, ja zijn oorlog ermee. De goede oogstenreeks brengt de overbevolking, de afhankelijkheid van de oogst wordt te groot, met zovelen is niet terug te vallen op dat wat de vrije natuur aan voedsel levert. Met het aantal komt en groeit de angstige spanning van zaaitijd tot de oogst binnen is.
In plaats van terug naar de kleine aantallen en de veiligheid van het deel uitmaken van de ongerepte natuur, als een dier onder andere, vocht en vecht de mens door tegen de natuur. Nu is de natuur overwonnen, de hoeveelheid mensen is ontelbaar. Er is geen terug meer, de ongerepte natuur is op.
Naast dit vernietigend omgaan met de natuur heeft de mensheid het grote rangschikken uitgevonden. De knechtenkunstjes die men elkaar heeft laten doen, Cultuur en technologie en wetenschap, zijn positief genoemd. Sommige wetenschap is de moeite waard geweest, evenals sommige technische prestaties. Scheikunde vind ik een mieterse wetenschap, ze kan en kon ook ontstaan en bestaan zonder chemische massa-productie. Wetenschap ontstond niet, maar ontwikkelde zich wel als knechtenkunstje en als hulp bij het jagen op winst, om rang. Het grote rangschikken heeft vele prestaties zowel afgedwongen en voortgebracht als misbruikt.
Zij die leven van knechtenkunstjes doen, de beroeps, de professionals, de arbeiders ook, kunnen niet anders dan het doorgaan ermee wensen, als ze wensen verder te leven alleen al, te zwijgen nog van als ze in rang gelijk willen blijven of omhoog willen. Ze zitten gevangen. Dat feit kennen ze allemaal. Wat voor nut heeft het voor hen zich van dit feit bewust te maken, er gedachten aan te wijden? Ik zou het antwoord op die vraag niet weten. Er is geen ontsnappen mogelijk. Alleen het denken is af te leiden van dit onderwerp. We reizen comfortabel en gezellig koutend en spelend in een razendsnelle trein naar de afgrond. Men tuttelt in onze oren over luchtvervuiling en laat de man aan de macht die honderden oliebronnen aan liet steken. Alle andere onderwerpen zijn minder belastend dan dit, meent menigeen. Dat is niet zo, maar wat ze vermijden zullen ze nooit ervaren. Nu ik met dit in armsober.txt uitgeschreven beseffen niets kan, geen daad bij die woorden kan voegen, valt alle last meteen van me af. Ik kan niets, dus ik hoef niets en daarmee ben ik vrij; juist ook van de dagelijkse druk om stand op te houden, rang te behouden, binnen zijn te bewijzen, mee te doen, te zorgen. Dat is de uitwerking, het gevolg, van het bewustmaken van deze stad en gang van zaken.
Antagonisme en later vijandschap brengt het zaaien en veehouden tussen de soorten schepselen. De mens valt in zonde en de hond valt met de mens mee. De mens vindt het onkruid en het ongedierte, het schadelijk gedierte, uit. Het is in Australie bijvoorbeeld nog geen honderd jaar bekend dat de oorspronkelijke inwoners ook mensen zijn en dus niet mogen worden doodgeschoten als ze een schaap opeten dat "van een boer is". Dat wolven op aarde thuishoren is ook nog maar kortgeleden een wat minder ketterse uitspraak geworden. Als er over een hertenplaag op de Veluwe geschreven wordt in Nederland in 1991, dan komt in dat verhaaltje nog allen de jager en niet de wolf voor. De jager kan de visueel goed gecamoufleerde herten moeilijk vinden, maar een wolf, wolven op de Veluwe, oh nee.
Vee, jaagbaar wild en ongedierte, dat is de indeling.
Cultuurplanten, leuke bloemetjes, mooie bomen en onkruid.
De mens deelt in.
Het rangschikspel brengt antagonisme en later vijandschap tussen de mensen, biologisch soortgenoten maar qua ras en rang (klasse, stand en kaste) zozeer gescheiden dat de laagstgeplaatsten het nodige ook niet krijgen van de hogergeplaatsten die dat bezitten. Wie geen kunstjes voor de bezitters kunnen (of mogen) doen, krijgen ook het nodige niet. Er wordt dan ook door mensen massaal gestorven van armoe (onjuiste voeding, ziekten, honger, gebrek).
De bijbel is te lezen als een quasi-historisch verslag van een protest / vermaning tegen dit verlaten van het Schepsel-zijn, tegen dit (zich laten) vallen uit de verzorgende hand Gods.
1. De tocht in de ongerepte natuur (als "woestijn" of, minder slecht als woestenij aangeduid) is te zien als een veertig jaar lang durende, mislukte cursus "Terug naar het natuurlijk bestaan, het leven van wat te verzamelen is". Pas na gezeur komen er dieren (kwartels deze keer) op het menu. God, de Schepper als onderwijzer van reeds geciviliseerden (dat waren ze in Egypte, knechten waren ze er, maar ook al consumenten van vlees in dit voorbeeld). Zelfs God de Schepper slaagt er niet meer in om van eenmaal geciviliseerden weer vrije mensen te maken. Als compromis krijgen ze een land waar ze als landbouwers en veehouders kunnen samenleven. De ongelijke verdeling van landbezit en voorrechten die op den duur kunnen ontstaan worden om de vijftig jaar totaal teniet gedaan. Het samenleven buiten de natuur wordt als een spel geregeld; na 50 jaar is er een ronde afgelopen, Jubeljaar, nieuwe ronde. Dit spel is waarschijnlijk nooit gespeeld. Daardoor liep het in cultuur samenleven gewoon uit op civilisatie, rangschikken zonder rondes: leven op een rechte lijn, de geschiedenis. Geen rondes, geen hernieuwing, geen kunstmatige seizoenen, geen ervaring meer mogelijk van het feit dat het maar een spel is.
2. Jezus preekt tegen het liefdeloze omgaan met elkaar van de in rangen zich schikkenden, de geciviliseerden. Jezus psychologiseert het probleem, doet alsof het uit de spelers komt. Jezus onderscheidt niet tussen personen (enkelingen) en individuen, denkt dat de personen, de spelers, nog aanspreekbaar zijn als de natuurwezens die ze ooit, als heel klein kind, waren. Dat bracht hem tot het aanspreken van personen als waren deze slechts in hun persoonlijkheid geklede levende individuen en niet: wandelende kinderlijkkisten. Dat de mens in de personen al als kind gestorven is, dat feit negeren velen, met name zij die spreken (Krishnamurti / Jezus) en / of schriftelijk publiceren (Wilhelm Reich bijvoorbeeld heel lang). De natuurlijke mens, het Schepsel Kind, sterft echter al vrij snel na het begin van zijn civilisering. En er is geen wederopstanding, dood is dood.
Wie bidt gebruikt de goden zoals de ondernemer de koopkrachtigen: namelijk zoals de systeemspeler de roulette. Ze pogen allemaal een gok te veranderen in, op te vatten als, te definieren als, een behendigheidsspel. Een goed gebed, een goed offer, een goede reclame, een goede keuze. Een extra, een meevaller, een prijs, een buitenkans, een voorrecht, iets meer dan een ander, dat wil de biddende, ondernemende, gokkende geciviliseerde. Rangverhoging dus. Het spel "zich in rangen schikken" is onmetelijk saai, want in geen duizenden jaren gewijzigd. Het toeval wil dat ik niet gedwongen ben geworden en geweest om mee te doen. Men (het systeem) let niet erg op of wel iedere gebruikte ook in het spel opgaat. Ik kwam niet binnen en nam later steeds meer afstand. Afstand geeft de gelegenheid tot overzien: het geheel vatten zonder details te kunnen onderscheiden. Ik weet niet wat er in het spel nu gedaan wordt en gebeurt; ik ken geen enkele speler en niemands positie, strategie of tactiek. Ik kan niet eens meer meedoen. Ik ben in mijn leven niet echt bang gemaakt voor het buitenspel zijn, het geen rang hebben. Niet echt bang, wel voorgelicht dat het gevaarlijk is buiten. Nu ik buiten ben merk ik voornamelijk op dat er daar buiten niets te beleven valt. Maar van nature wil een mens ook helemaal niks. Het blijkt niet nodig mijn leven van kunstmatige hoogtepunten te voorzien (verjaardagen en andere feestdagen). Ook inspireert mij niet het maken van alle dagen tot feestdagen, wat de reclame ons voorstelt, zoals de hovelingen in de jaren voor de revolutie dat voorstelden aan de Franse Lodewijken. Ik wil geen tuin, geen uitgaansleven en geen maaltijden ` la Versailles, al kreeg ik er geld bij toe.
Wat ik leuk gevonden heb is het wetenschappelijk, objectiverend, bestuderen van wat ik kan zien gebeuren om mij heen: het democratisch - geciviliseerde leven van de gewone mensen om mij heen. Zij, de miljoenen, zijn het die de wensen hebben en de koopkracht en die zo 'de markt' zijn en 'de kiezer'. Wat zij willen gebeurt en zij willen wat ze geleerd hebben en herhaald aanbevolen krijgen te willen. Ze zijn holle personen, er zit geen aanspreekbaar vrij, wild, natuurlijk MENS in deze personen. De personen zijn aanspreekbaar, maar niet iemand binnen in die persoon. Het zijn spelers die niet meer weten, nee, die nooit gehoord, geleerd, ingezien, vernomen hebben dat het een spel is, waar ze aan / mee bezig zijn. Ze zijn het niet vergeten, ze hebben het nooit gehoord en ze hebben het nooit zelfstandig opgemerkt / ingezien. Hun hele leven tot nu toe hebben ze er in geinvesteerd, er aan gewijd. Het zal hun en mijn tijd per definitie wel duren hoor, na ons de zondvloed, wij leven nog in de tijd van de natte voeten. We zullen wat dweilen met de kraan open, tegen beter weten in; we zetten ons in voor het milieu, als de regering / de overheid dat van ons vraagt. Helemaal gerust zijn we er niet op, maar we leiden onze aandacht wel af, dat kunnen we goed (voor ons laten doen).
0 Reacties