Jaap Schot, 12 januari 1985
Enig inzicht in de dagdromen die ik heb is nodig om iets te kunnen zien van de samenhang van de stellingen die ik naar voren breng.
Waar dat zien goed voor is, wil ik hier niet bespreken.
Voor meedoen ben ik altijd te verlegen geweest, misschien is het beter te zeggen : te snel afgestoten door de eerste de beste voorwaarde die de andere kinderen voor het mee mogen doen stelden.
Het is ook puur civilisatie om voorwaarden te stellen voor meedoen.
Op meedoen heeft gewoon iedereen van nature recht.
Maar al eerder heb ik uitgeschreven dat de civilisatie door de schoolkinderen op de meest duidelijke wijze wordt herkend en in de spelletjes aanvankelijk uitgespeeld en daarna in de spelletjes doorgegeven. Als ze met elkaar, kleuters nog, schooltje spelen in de eerste weken nadat ze de lagere school werden binnengevoerd, dan beelden ze de terreur die ze ondergaan nog uit, later geven ze de druk door aan elkaar in spelletjes die strijd zijn, zonder winst of verlies of doel: tikkertje, buut (diefje met of zonder verlos).
Daar begint ook het uitsluiten van sommigen, niet iedereen mag meedoen. Waarom niet? Niet omdat die kinderen zwak of anders of vreemd zijn, maar omdat de civilisatie buitenstaanders eist als onderdeel van het spel. Buitenstaanders moeten er zijn, die nog minder geacht worden dan de laagstgeplaatste van wie binnen zijn.
Die buitenstaanders, die kinderen die niet mee mogen spelen zijn even nodig als leiders, toonaangevende kinderen, 'haantjes de voorste'.
Ik was van het begin af aan, vanaf de eerste dag dat ik naar de lagere school moest zo'n buitengesloten kind. Ik heb me nooit ingevochten en ik heb daar geen spijt van.
Ik ben steeds duidelijker een buitenstaander geworden, ik leerde nooit hoe het toegaat binnen de civilisatie, al vechtend.
Ik merkte in de loop van mijn leven dat het maatschappelijk leven de voortzetting is van het "spelen" op het schoolplein. Spelen heet het, maar speels is het in het geheel niet en het is ook niet hetzelfde 'de ervaringen verwerken' dat we de peuters en kleuters zien doen. Het "spelen" op het schoolplein, destijds spelletjes, is oefenen voor later, maar het is niet te vergelijken met het speelse met elkaar omgaan van jonge roofdieren: er is volstrekt niets natuurlijks aan.
Het buiten de civilisatietje spelende groep staan, maar voor hen toch een functie hebben, namelijk de taak buiten te staan en te verlangen er bij te horen, mee te mogen doen, werd mij niet met woorden duidelijk gemaakt. Ik begrijp het allemaal nu pas echt.
Ik speelde dan ook nooit het spel goed mee. Ik bleef hun gedoe herkennen als niet mijn spel.
Het wemelt in de wereld natuurlijk van figuren zoals ik, die in gebruik genomen zijn als buitenstaanders en ondermensen, om het spel volledig te bemannen.
Er is een andere ingang voor wie mee wil doen, de ingang via het hebben van het juiste speelgoed. Dat varieert van de zwemkleding, de sportuitrusting, de schaatsen, de bromfiets tot de auto en de camera en de ski's en de bergbeklimmersuitrusting.
Door de financiële positie waarin ik werd ingeboren en waarin ik lange tijd, in ieder geval gedurende de hele jonge jaren waarin ik deze ingang had kunnen leren kennen, kwam er langs die weg niets voor mij binnen mijn bereik.
Ik herinner me nog levendig dat ik het op het ijs te koud had en dat ik geen fiets had, en nooit een brommer en nooit een scheikundedoos om proeven mee te nemen, kortom ik bleef buiten, ik kwam niet via het bezitten ooit binnen.
Toen ik er het geld voor kreeg, was het te laat, ik had al geen neiging meer om te worden zoals en te gaan behoren bij het klootjesvolk dat mij tot dan toe zo doeltreffend als buitenstaander had benut. Ik kreeg nooit meer aansluiting, op geen enkel punt.
Ik bleef het jongetje dat niet meespeelde, "het is hun wereld, niet de mijne" werd de klassieke uitdrukking die ik daarvoor gebruikte.
Het hoefde niet meer, het was te laat, de rol van buitenstaander, mij ooit toegeschoven door de kinderen op het schoolplein in een dorpje, was me 'onder de huid' gegaan. Ik had mij die rol eigen gemaakt. Ik had de suggestie aanvaard, dat de wereld, het gebeuren dus, het spel qua regels en qua verloop, van hen was en niet van mij.
IK HEB MIJ MIJN PLAATS LATEN TOEWIJZEN.
Het gevolg van die aanvaarding van die suggestie is geweest dat ik op mijn werk niet functioneerde zoals dat voor een meespeler behoort.
Ik stelde mij veel te afwachtend op, ik ""dacht"" dat zij aan iets bezig waren en eiste van hen dat zij in hun spel een rol zouden uitzetten voor en uitleggen aan mij. Zij wilden toch zo graag leiding geven? Nou dan, de last van het leiding geven, waar ze ook extra voor betaald krijgen, is dat ze voor anderen het werk moeten verzinnen.
Ik voel me beslist niet hun mindere, integendeel, ik zie voor mijn ogen dat ze er niets van maken. Ze vernielen en vervuilen de aarde, ze vermoorden elkaar, ze verachten waarheid en recht, kortom, het is vullis, geen enkele verachtende term is voldoende sterk voor deze gezwelcellen, die het lichaam van het leven op aarde verzieken.
Ze zijn een kwaadaardig gezwel met z'n allen. Ze zijn overal te onintelligent voor, ze luisteren naar geen enkel wijs woord, ze vermoorden wie hen vermanen. Ik voel me niet verwant aan die geestelijke microben.
Zelfs hen verachten is nog een vorm van met hen bezig zijn, die ik teveel eer voor ze vind.
Aanspreekbaar zijn ze niet en voor medelijden komen ze mijnentwege niet in aanmerking.
Is de mensheid homogeen verrot?
Ik ben ook een mens en bij de reusachtige massa mensen die er nu is, moeten we de absolute aantallen lui die sterk op mij lijken erg hoog schatten. Lui die sterk op mij lijken kan ik sowieso al niet verafschuwen. Dan zijn er nog die 'goede lieden' die niet op mij lijken. Al met al zou je een wereld kunnen bevolken met degenen die niet vallen in de bovenbeschreven gezwelcellen.
Helaas is dat alles van geen enkel praktisch belang.
De structuur van de civilisatie veranderde de afgelopen 6000 jaar in het geheel niet. De verandering van de oppervlakkige vormen doet voor het functioneren ervan als dodelijk gezwel niet ter zake.
Tot en met je laten vermoorden, zoals Jezus van Nazareth deed, helpt niet. Uiteindelijk wordt Jezus al honderd jaar na zijn dood door degenen die hij bestreed gebruikt voor wat hij bestreed.
Wetenschappelijk te werk gaan heeft al evenmin geholpen, de Verlichting heeft scholen gewild, de scholen zijn tot gevangenissen verworden, waar, -ik beschreef he boven-, nu alle kinderen de civilisatie in al haar terreur leren kennen, zie wat de kleuters uitspelen en zie wat de lagere schoolkinderen op de pleinen en in de gymnastiek elkaar aandoen, ja, zelfs op de dansvloer (waar ik zelf geen ervaring heb).
Zij die meespelen kunnen zich waarschijnlijk niet verplaatsen naar het punt van waaruit ik aankijk tegen de samenleving, de wereld, de civilisatie, de maatschappij.
Al hun gedachten zijn al sedert hun eerste dagen op de lagere school bij hun relatieve positie in de groep die speelt.
Wat zijn mijn dagdromen?
Ten eerste, die zijn niet op het in een groep op de anderen betrokken rangordenen gericht.
Het is geen toeval dat de spelers, -zoals ik hen nu maar even zal noemen-, de mensen steeds vergelijken met paarden en herten en dat soort haremvormende dieren van de steppe, dieren zonder nesten, ononderbroken bezig (in de ogen der hen voor hun goedpraten gebruikende mensen) met het verdedigen van rechten op vrouwen tegenover andere (mannelijke) exemplaren van hun eigen soort.
Over het overleven van degenen die het beste zich kunnen voeden en verdedigen in de natuurlijke omgeving hebben de biologen het tegenwoordig zelden, het gaat nu om het bestaan van het menselijk individu in dienst van de genen die hij tijdelijk draagt, en die hij in zijn krachtigste tijd moet doen voortbestaan, ten koste van alle andere.
De eigenschap waarop wordt uitgeselecteerd is de gevechtskracht tegen soortgenoten en de aandacht die het zich voortplantende exemplaar kan houden bij dit vechten met anderen om copulaties.
De menselijke werkelijkheid is dat er enorme hoeveelheden kinderen worden geboren uit vrouwen om wie niet gevochten is en die niet een winnaar kozen. Bovendien doet het de kinderen totaal niets en is dat hele genenverhaal niet ter zake binnen die 6000 jaar waarin nooit de voortplanting een zaak van uitsluitend winnaars werd en bovendien de mensen slechts als hardware beschouwd moeten worden terwijl ze (vervloekte werkelijkheid) handelen vanuit de software.
Met beeldvrije termen: ze handelen als persoon, niet als individu.
Iets optimistischer: als persoon, niet slechts als individu.
Wat nu te doen met deze gegevens?
Ik heb me zonder veel moeite de maatschappij, het werk, het spel uit laten gooien, zodra dat werd geprobeerd, door spelende jongetjes die mij niet aardig vonden.
Waarschijnlijk omdat ik hun spelletje "gelden en laten gelden", "compromisje vinden", "samen schijn ophouden", "soevereintje" of hoe het ook heten mag, niet lekker soepel mee speelde.
Ik wilde individu zijn en een taak uitvoeren, zij willen een persoon zijn die zich laat gelden, met als vulling voor dat spel met dat doel, eventueel het uitvoeren van een taak.
Er is geen goed en kwaad, geen gelijk en geen ongelijk, anders dan vanuit een bepaald gekozen standpunt.
Er zijn alleen verschillen.
Ik kies ervoor vanuit de natuur te kijken naar de wereld.
Ik ben op de suggestie van anderen, in concreto de kinderen van de eerste lagere school waar ik op moest, in gegaan en heb mij tot buitenstaander van de wereld laten maken, ik heb me laten definiëren.
Wie als individu de vrijheid kent, die geen soevereiniteit is, maar het spreken van waarheid en het doen van gerechtigheid, die kan en wil, nee beide uitdrukkingen zijn niet ter zake, die ZAL geen "soevereintje" met ze spelen.
Wie hun spelletje weigert mee te spelen, wordt er uit gegooid.
Zo eenvoudig ligt dat.
Waarheid en gerechtigheid behoeven geen verdediging.
Over waarheid heb ik het al voldoende gehad, gerechtigheid is nog een genoemde, maar onuitgewerkte zaak.
De basis van het stellen van het bestaan van gerechtigheid is dat er geen recht is te baseren op kracht. Wat je kunt is je nog niet van nature toegestaan. Het gaat mij om 'van nature' dat volgt uit de hele context waarin ik schrijf, steeds vanuit de natuur, buiten de culturen en buiten de civilisatie.
De dieren in de natuur ziet men niet ononderbroken bezig hun prooi uitroeienderwijs te doden. Dieren raken verzadigd en houden dan op.
Slechts de mensen in cultuur en/of in civilisatie bijeen gaan steeds maar door met aanmaken, met doden, met consumeren.
Dat geldt voor de consumptie van luxe, niet voor het eten en dergelijke. De mensen in de wereld worden nooit verzadigd van onnodigs, daaraan is de onnodigheid mede te herkennen.
De consumptie van luxe en het consumeren ter compensatie voor het leed, het zogenaamde troostverbruik, eindigen nooit.
De aarde is niet in staat een eindeloze begeerte te dragen.
Dat begeren zonder einde, dat is het gezwelkarakter van de wereld.
Opvoeden (het geestelijk breken van kinderen) is een vorm van compensatieconsumptie, alle macht uitoefenen (bevelen doorgeven) is dat.
Macht uitoefenen (komt neer op het doen bestaan van IETSen) en het zich toe-eigenen en verbruiken (komt neer op het aan anderen onthouden) van wat men niet nodig heeft en wat dus niet bevredigt, niet loom maakt en tijdelijk 'lui' en 'inactief', dat zijn twee vormen van het KWAAD.
'Kwaad' bezien vanuit de natuur, kwaad vanuit de opvatting dat leven beter is, te verkiezen is boven, dood zijn.
Zolang ze gezond zijn stellen zij die in de wereld een rol spelen dat dit standpunt, deze overweging, niet ter zake is, dat ze deze ook geenszins weersproken hebben.
De opmerking is alleen maar volstrekt buiten spel.
Buiten spel, dat ben ik ook.
Vandaar dat ik over het verloop en over de regels van het spel ook niets te schrijven heb. Dat wil zeggen : niets over het nieuws, het wereldgebeuren en niets over politiek, niets over welk '-isme en welke '-cratie nagestreefd of met geweld verdedigd moet worden. Niets over de strijd van de vele IETSen onderling om de aandacht en de offers van degenen die van die IETSen onderdeel willen zijn en aan dat onderdeelzijn hun identiteit willen ontlenen.
Dat is ook een centraal gegeven: wie in de wereld een rol wil spelen, hoe piepklein ook, moet zich een identiteit aanmeten, moet een antwoord uit zijn hoofd leren op de vraag wat hij nastreeft, waar hij voor staat, wat zijn waarden zijn, met wie hij het eens is enz..
Men kan ook met inhoudloze en woordenloze verbondenheid aan een bende, een groep of een IETS volstaan. In de schreeuwende en vooral actie voerende massa hoeft men niet diep doordacht te zijn.
Vaderlandsliefde en enthousiasme voor het avontuur om de Saracenen van het Heilig Graf te verwijderen zijn genoeg om een goede deelnemer te zijn aan een oorlog in Vietnam of aan een kruistocht.
Wanneer men zich het lichaam kan kleden in een uniform hoeft men geen identiteit te hebben voor zijn geest.
De burgers, die ongeuniformeerd door het leven moeten, die hebben een identiteit nodig. Vandaar de zeer toegenomen verkoopbaarheid van verhalen over waarden en naar ik vast geloof van zulke neigingen als homosexualiteit en travestie enz.. Ik vermoed dat ze iets voelen en dat ze dan meteen uit het probleem zijn, ze hebben gratis een antwoord op de vraag "wat ben jij ?". Iedere neiging of waarde waar velen een (onderdeel van hun) identiteit van maken, levert een IETS op en zo'n IETS betekent een verzameling stoelen voor functionarissen, bestuursleden, vergaderaars, actieve leden, hulpgroepen, opvanggroepen enz..
Zo spelen ze "wereldje", zo spelen ze allen hun rol.
Voor velen is ook "wijze afstandelijke uil" een rol; ik herinner me nog een medestudent, die heel weinig sprak en aan z'n pijp lurkend zich een imago van grote slimheid verwierf. Een masker, waar nooit iets van achter vandaan kwam.
Ik heb een grote aarzeling, om niet te zeggen: geen enkele lust of nog beter: angst om te publiceren. Ik bedoel wat ik zeg niet als een bijdrage.
Ik kan ook niets bijdragen, alleen al niet vanwege het feit dat ik buiten spel sta.
Daar sta ik dus mentaal al levenslang.
Wat te doen met dit gegeven?
Ik heb al in het nalaten van duizend mogelijke bestedingen van het geld dat ik had laten merken dat ik niet mee wil doen.
Ik kan dat uit mijn gedrag gedurende mijn hele leven aflezen.
Ik heb er nooit wat van gemaakt, ik had ook niet de behoefte nog van alles en nog wat in te halen. Ik wou ook nooit aan de beurt zijn tegenover anderen.
Alle gedachten zijn ooit wel eens in me opgekomen, en waarschijnlijk heb ik ze ook uitgeschreven, maar ik ben geworden tot het tegendeel van een activist, ik ben geen doener, maar een nalater.
Ik ben nu definitief buiten spel gezet. Wat nu?
vervolg, 14 januari 1985
Om zicht op een zaak te kunnen hebben, moet men die zaak op een afstand brengen, hebben en houden. Die afstand kan men nemen of men kan ze opgedrongen krijgen, dat maakt in dit opzicht geen verschil.
Ik schrijf over de wereld en de stand en gang van zaken in de wereld.
Dat doe ik vanaf een afstand.
Ik heb geen gedetailleerde kennis van binnenuit te melden, die voor iemand in de wereld bruikbaar zou kunnen zijn bij het meespelen in het grote spel.
Mijn teksten zijn geschikt voor wie nog of weer buiten staan, buiten de wereld of buiten de maatschappij, werkeloos, in onbruik, zonder veel relaties, gepensioneerd, niet opgaand in vrijwilligerswerk en/of hobby's.
Met 'geschikt voor' bedoel ik hier: bruikbaar bij het bewust zijn en bij het kunnen uitzeggen van wat je waarneemt en ervaart.
Daarbij denk ik niet zozeer aan het citeren van wat ik uitschreef, als wel aan: het ook gebruiken van de begrippen die ik in mijn teksten gebruik. Wie nog minder ver wil volgen kan het door mij gebruikte begrippenapparaat benutten om,-zich ertegen af zettend-, voor zichzelf een eigen, bij hem passend begrippenapparaat te ontwikkelen.
Ik schrijf in deze teksten ook over mezelf, "Ich-nah".
Daarbij maak ik gebruik van mijn begrippenapparaat betreffende de wereld. Ik merk dat dat uitschrijven onmisbaar is voor mij om een goed humeur te behouden, om aan onrustige en negatieve stemmingen te ontkomen.
Als ik niet voldoende uren aan het uitschrijven van mijn bewustzijn besteed, ga ik dromen en ik word overdag onrustig.
Het lukt me niet om te gaan spelen en bijvoorbeeld te gaan leren.
Dat leren van dingen waarvoor ik geen gebruik heb, daar heb ik gewoon de rust niet voor.
Anders gezegd, ik word nog steeds gedreven door wat ook om telkens volledig uit te schrijven wat mij in gedachten komt (bewust wordt).
Centraal is: ik ben nooit toe gekomen aan het gevoel met de anderen één te zijn, ik heb geen "wij"-gevoel gekregen. Ik ben niet bij de anderen, mijn tijdgenoten en hun wereld, betrokken geraakt, betrokken geworden. Ik ben bij en tussen hen, ik bevind mij in de wereld, maar ik ben geen deelnemer aan de wereld, ik leef alleen.
Nu ik uit de maatschappij gegooid ben, (werkeloos en oninzetbaar), is dat voor mij alleen: weer op mijn plaats gezet zijn.
Op de plaats, die ik als passend bij mij ervaar.
Weer weg van de plaats waar ik de schijn moest ophouden en waar ik voortdurend ervoer dat ik de regels niet kende en de mentaliteit niet had. Uit de maatschappij weer terug naar huis, naar mijn moeder, terug in de cultuur, waar de relaties door de traditie toegewezen zijn.
Het krijgen van een voldoende uitkering is: het krijgen van zoveel geld dat je je steeds de politie, de cassière, de deurwaarder enz. van je lijf kunt houden, terwijl je je toch van het in de wereld voorhandene aan goederen en diensten, datgene neemt wat je nodig hebt voor je leven en gezondheid.
Voldoende is wat voldoet aan het van nature nodige.
Voor mij is dat de definitie.
Voor wie echt tot deelnemers aan de wereld zijn gemaakt, moet voor een andere definitie worden betaald, zij hebben er recht op om te kunnen blijven deelnemen aan wat zij omschrijven als het 'sociale en maatschappelijke' leven.
(Daarmee bedoelen ze wat ik 'de wereld' resp. 'de civilisatie' zou noemen).
Ik kan,-nu ik voorgoed buiten de maatschappij sta-, alles wat ik in mijn schooltijd als instructie geleerd heb, weer vergeten.
Ik kan het als instructie vergeten, dat wil zeggen: ik heb het niet weer nodig het als zodanig me te herinneren.
Zowel wat ik geleerd heb in de klas, van de leraren/onderwijzers als wat ik op het schoolplein heb geleerd.
Ik hoef niet meer buiten mededinging mee te hollen bij hun tikkertje en hun verstoppertje.
Als ingrediënt voor inzicht in de stand en gang van zaken in de wereld blijft het geleerde onontbeerlijk.
Tot voor kort heb ik dat alles nog niet als ingrediënt voor dat inzicht gebruikt.
Ik heb wel steeds geprobeerd te begrijpen en na te vragen waar ze in de civilisatie en in de maatschappij en ook in het onderwijs aan bezig waren. Ik wilde begrijpen en dan dat streven van ze mee gaan dragen, mee gaan doen, met inzicht en van harte, gemeend.
Ik heb hetgeen ik in mijn schooltijd geleerd heb, gebruikt als bevel waaraan ik in geval van nood, met tegenzin en als het even kon slechts in schijn gehoorzaamde.
Lijdelijk en inwendig verzette ik me er steeds tegen.
Ik was en ben een buitenstaander.
Ik ben niet tot iets anders in staat geweest.
Mentaal buiten staande heb ik niet het gevoel van erbij te horen gehad, dat diegenen die mij erbuiten hielden, lieten of zetten voor mij bedoeld hadden.
Wie niet mee speelt, de over het hoofd geziene, de geweigerde, de uitgestotene, moet zich betrokken voelen, in zijn rol van buitenstaander betrokken.
Anders fungeert hij niet als zodanig in het spel "civilisatie".
Het spel zoals dat op het schoolplein om te oefenen gespeeld wordt door de schoolkinderen, en in de civilisatie in het echt door de grote mensen.
De Joden en homoseksuelen in Nazi-Duitsland deden er wijs aan uit het land te vertrekken zolang het nog kon. Wie aangewezen en genomen is als "Pruegelknabe", als zondebok, of als buitenstaander doet er wijs aan zich te verwijderen, zich buiten het bereik van de spelenden te brengen, te vluchten.
Vluchten is zeer passend en waardig dierengedrag.
De manier waarop buitenstaanders worden behandeld is dient ertoe een les te leren, niet aan hen, maar aan de laaggeplaatsten binnen.
Aan die medespelers, die geplaatsten, die weinig loon voor hun inspanningen ontvangen-, wordt getoond dat zij nog zeer tevreden kunnen en moeten zijn met het binnen zijn en mee mogen doen alleen al.
Hoe rotter de omstandigheden van het gebruikte volk, hoe wreder de behandeling van de buitenstaanders.
Er wordt een voorbeeld gesteld.
Als hij niet anders kan, moet de buitengeplaatste zich verbergen, onderduiken, ervoor zorgen dat hij niet opvalt, ja liefst, dat hij niet te vinden is.
Het spel dat 'wereldgebeuren veroorzaken' moet heten is een strijd.
Door de nood daartoe gedwongen kan de buitenstaander nog proberen de deelnemers uit elkaar te spelen. Zo kan men b.v. wijzen op de redeneertrucs en de afweermechanismen en op de klassetegenstellingen, dan lever je munitie aan de strijdende partijen, bij de tegenpartij zien ze de gevechtshandelingen optreden die jij als buitenstaander aanwijst en voor dat opsporingswerk zijn ze je erkentelijk.
Iedere speler heeft zijn tegenspeler.
Iedere partij heeft haar tegenpartij.
Dat geeft wellicht enige veiligheid.
Een andere techniek werd door ene Weinreb in de oorlog (WO II) gebruikt.
Of die man nu een heilige of een sloeber of een ander iets daartussenin was, is van geen belang voor het feit dat hij speelde met, zich de huid redde inspelend op de tegenstellingen binnen de hem bedreigende spelers van het civilisatiespel, dat toen daar toevallig even "Nazisme", "het derde rijk" heette.
HET SPEL 'CIVILISATIE' heette daar toevallig toen even zo.
De wezenlijke structuur van het spel is gelijk aan de structuur van het derde rijk. De civilisatie is gelijk aan het derde rijk, zoals de ene olifant gelijk is aan de andere: ook een olifant.
Het is niet voldoende te zeggen dat de ene wel een olifant lijkt, het zijn beide olifanten. Het derde rijk en de civilisatie zijn beide misdadige gebeurtenissen. Dat dat over het derde rijk wel en over de civilisatie in het algemeen niet is uitgesproken komt alleen omdat het derde rijk de oorlog verloren heeft.
Vanzelfsprekend is ook wie zich, buitenstaander zijnde, weet te vermommen als deelnemer, passend bezig. De Jodenster moest gedragen worden omdat het buitenstaander-zijn die mensen niet was aan te zien.
In het Zuiden van de USA hebben ze geen gebod om kentekens te dragen uitgevonden, de negers zijn van nature zwart. Toen ze in de USA, dat bolwerk van de wereld die zich vrij noemt, communisten gingen vervolgen, moesten ze wel openbare hoorzittingen hebben en zwarte lijsten, want een communist heeft geen ander lichaam dan een echte deelnemer aan de wereld, aan wat ze de westerse beschaving noemen.
De civilisatie is geen spel waar een mens die bij zinnen is zonder dwang aan deel zou nemen. We werden er als kind al toe gedwongen.
Dat we wat wilden worden (in onderscheid van voort zouden willen gaan iemand te zijn, wat we als peuter nog deden) werd voorondersteld bij de vraag "wat wil je later worden ?"
Van nature wil een mens niet later iets worden, hij is gewoon al iemand, hier en nu.
Niet onverwacht is het wanneer we argumentaties horen waarbij het vechtspel 'civilisatie' wordt geprojecteerd op de natuur en zodoende ook voor de mensen die ermee bezig zijn tot 'natuurlijk gedrag' wordt verklaard. Het gaat er om dat de mannetjes met elkaar vechten om de vrouwen, om de copulaties, om de paringen, om de bevruchtingen.
In tegenstelling tot projecties uit "individualistischer" tijden, toen de vorst met zijn initiatief nog de te projecteren figuur was, is er nu sprake van het gebruikt worden van het individu door de genen die het draagt. Zijn genen gebruiken het individu, zodoende houden zij zich in stand. Het individu is een tijdelijke wegwerpverpakking.
Ook de winnende en dominerende stieren zijn gebruikten, door hun genen worden ze gebruikt.
Die abstracte stoffelijke dragers van eigenschappen en instinctgedrag zijn nu de eigenlijke initiatiefnemers en spelers geworden in het spel, dat de strijd is van allen in concurrentie met allen.
(Let wel : in concurrentie en competitie, niet puur tegen elk ander.)
Het abstraherend bespreken van het gebeuren dat onderwerp is van de wetenschap die 'economie' heet, leidde tot het wegwerken uit het verhaal van het verschijnsel en gevoelen van 'soevereine beslissing' bij het besteden van geld voor goederen en diensten.
Uit het verhaal verdwenen zo:
-de vernederende werking van het voor geld moeten dienen
en
-het erbij horende gevoel van macht uitoefenen om te compenseren voor en te troosten na het eigen gehoorzamen.
Zo werd de voelende persoonlijkheid zorgvuldig verwijderd uit de besprekingen van het aanwenden van de koopkracht.
Let wel: de voelende gevormde persoonlijkheid, dat is de speler in het wereldspel. Deze speler is volstrekt ongelijk aan en onverbonden met het ervarende natuurlijke individu. Dat komt in de wereld niet aan bod en niet ter sprake. De persoonlijkheden spraken er over met de term "het in ons" (Freud dus, over het Es), de lijfelijke driften, hetgeen te onderdrukken is geweest in de tijd van het openlijke slaan (in de kindertijd dus) en weg te zwijgen in de tijd van maatschappelijk functioneren.
Alleen als de voelende persoonlijkheid negatieve gevoelens heeft bij zijn meedoen in de wereld, zo sprak een psychiater voor t.v., is er reden om de verdrongen waarheid omtrent de stand en gang van zaken waarmee hij moeite heeft met hem te onthullen.
De onaangename werkelijkheid van heersen dat knechten is, werd uit de besprekingen verwijderd.
In de daders werd een onbewuste gedacht, door reclame bespeeld, dat leidde tot de koopbeslissingen.
Evenwijdig daaraan worden de dieren door de biologen voorzien van onbewuste drijvende plannen der genen in hen.
Zo naderen de verhullende beschrijving van het economisch gebeuren en de projectie van dat spel op de natuur elkaar weer, net als vroeger bij Darwin.
Dat de reden voor de competitie tussen de knechten (sollicitanten) het keuren der heren (Koning Klant) is, kan niet gezegd worden in de termen van psychologie en economie, laat staan van de verreweg superieure psychometrie en econometrie.
Verreweg superieur voor wat betreft het verhullen van wat is, zowel als voor wat betreft het gebruiken ervan in de civilisatie, als wapen.
Overigens hebben ze in de jaren zestig ook iets uitgevonden voor de niet langer door hun tijdgenoten met gebrek aan het nodige en met onveiligheid bedreigde kinderen van de welgestelde bovenlaag van de USA middenklasse:
de zelfontplooiing, een reden om aan het consumeren te blijven, van luxe met name, ook als dat consumeren niet langer een angstig vertonen was. Een vertonen van macht of van bruikbaarheid, resp. het heerlijk vertoon en het knechtelijk vertoon.
In beide gevallen is het vertoon zowel op de andere mannen als op de vrouwen gericht. (Dat er sommige vrouwen in de civilisatie voor man spelen maakt het spel volstrekt niet anders; civilisatie heeft met lichamen niets van doen. Integendeel, zolang er gespeeld wordt, b.v. in vergadering en in kruisverhoor, wordt er met het lichaam alleen rekening gehouden als iemands lichamelijkheid tegen hem/haar gebruikt kan worden.)
Na de desublimering (Marcuse,1964),
het surrogaat voor sexuele revolutie (W. Reich), die niet kon plaatsvinden omdat het een opstandige keuze voor de natuur is, tegen de civilisatie,
is deze zelfontplooiing, die zo mooi weer boven (!) de lijfelijke, bevredigende, loom makende "deficiëntie-behoeften" staat, een uitkomst.
Het spel kan weer ongestoord doorgaan.
De tot terugkeer naar de natuur in hen, d.w.z. tot het verlaten van het gevecht om het onnodige in staat gestelden, gaan door met toppresteren, ze noemen het nu: zelfontplooien.
Ze verrichten nu wat Jules Henry "heldhaftige daden van consumptie" noemde, als hun bijdrage aan het doen draaien van de economie.
Wie zich vroeger maatschappelijk nuttig had te maken, moest het bepalen van wat zo nuttig was overlaten aan de bazen, de kopers.
De zelfontplooiers in de consumptiemaatschappij mogen zelf hun willekeurige keuzes invoeren, graag zelfs, de knechten zijn blij met iedere werkgelegenheid, met iedere bestelling. Hun probleem is juist : hoe verzinnen we nog iets wat mensen willen kopen.
De zelfontplooier vervult een maatschappelijke functie, hij verzint inhoud voor het productieapparaat.
De zelfontplooier vernietigt voor zichzelf en anderen het leed van het niet weten wat te doen met de tijd, de aandacht, de vaardigheden en de productiemiddelen.
De zelfontplooier leert geen smaak aan, maar is oorspronkelijk in zijn keuzecriteria.
De zelfontplooier is de toonaangever, de trendsetter, de modemaker, de opinieleider van de massa der consumenten; de zelfontplooier is wat de kunstenaar was in de tijd dat de middeleeuwen werden afgesloten. Af en toe in het verloop van "het leven" van een civilisatie zijn zulke oproepen tot het verzinnen van nieuwe tijdpasseringen nodig; dan namelijk wanneer de oude oplossingen (kruistochten en oorlogen) niet langer gewenst worden.
De noodzaak was deze keer maar gedeeltelijk, men heeft nu door dat men de wapenindustrie gaande kan houden zonder de wapens zelf op te gebruiken. Alleen van wapens die men niet echt richten kan (atomaire, biologische en chemische) moet men even de verspreiding of proliferatie verhinderen. Zolang de derde wereld niet op is, kan men, thuis blijvend, verdienen als aan kruistochten.
Verdienen doet men door te (laten) dienen voor geld, laten dienen doet men als werkgever, dienen als werknemer.
Voor geld, dat is: voor de gelegenheid om op zijn beurt anderen te knechten, nadat men zich van het nodige heeft voorzien.
Het ruilen van nodige arbeid noem ik hier dus uitdrukkelijk niet 'knechten', aan wat men ook wel 'zinvol' werk noemt, zit niets vernederends. Aan het nodig zijn ervan voor het leven en welzijn kan de arbeider een gevoel van eigen waarde ontlenen.
Er bestaat nog steeds de gelegenheid om op de oude voet voort te gaan, het wereldkapitalisme is nog geenszins aan grenzen gestoten.
Er zijn nog arme mensen genoeg, die op de oude manier kunnen worden gebruikt ('uitgebuit' als men dat woord wil gebruiken).
Er is, met andere woorden nog geen noodzaak om massaal de mensen zichzelf te laten ontplooien.
Zelfontplooiing blijft voorlopig een reserveoplossing voor het vraagstuk 'hoe brengen en houden we mensen die wij niet met gebrek bedreigen ertoe zich in te spannen als consument en als producent van ideeën?'
Daarbij komt dat wie hen wil volgen, van de zelfontplooiers het een en ander moet leren. Aan het nieuwe dat zij verzinnen en voorleven is de gewone nieuwe koopkrachtige nog lang niet toe, zijn kleinkinderen wellicht ooit.
De derde wereld kan niet met industrieproducten alleen haar tegenprestatie leveren, vandaar dat er zoveel sekstoerisme is.
Duidelijk gezegd: de rijken gaan de armen neuken.
Zowel voor de vereenzaamde geknechten, het oude type staatsburger, als voor de zelfontplooiers geldt:
ze doen wat ze doen, zonder te weten wat ze doen.
Dat wil zeggen: zonder een zicht vanaf enige afstand op het spel dat ze meespelen.
Voor de ingeschakelden is er meer verontschuldiging aan te voeren voor de denkluiheid waardoor ze niet weten wat ze doen, dan voor de zelfontplooiers. Voor beide geldt dat het doordenken niet wordt aangemoedigd en dat wie meespelen geen voordeel hebben van het beseffen wat het spel nu eigenlijk inhoudt, bij nadere afstandelijke beschouwing (als) van buiten af.
De spelhandelingen zelf zijn veelal weinig boeiend, vaak dom, oninteressant en vermoeiend, dus moeten ze ervoor zorgen dat
-mee mogen doen,
-winnen en
-slagen
de redenen worden om mee te gaan doen en om door te gaan.
Om te kunnen slagen moet men zich een doeltje stellen.
Men moet wat willen.
Om te kunnen winnen zijn er verliezers nodig.
Aan het verliezen moeten minder voordelen kleven dan aan winnen of zelfs nadelen.
Om mee mogen doen aantrekkelijk te maken moeten er lui zijn die niet mee mogen doen. Als dat niet te regelen is, bijvoorbeeld omdat men alle aanwezigen voor het bemannen van het spel nodig heeft, -wat soms even het geval kan zijn-, dan kan men de teams-kiezen-truc van gymnastiek of de partnerkeuze-truc bij dansen gebruiken, om het mee mogen doen te graderen.
Zo wordt er altijd een oplossend antwoord gevonden op alle moeilijkheden bij het tot stand brengen en in stand houden van het spelen van het spel "civilisatie" (in alle duizend vormen die dat kan aannemen op basis van steeds dezelfde structuur).
De dominante jongetjes/meisjes wijzen aan wie er het eerst en wie er het laatst of niet mee mogen doen. Ze maken daardoor het spel pas mogelijk, want aantrekkelijk, of, minder: lonend, of nog weer minder : meedoen beter dan niet meedoen.
Het uitstoten en het ongelijk verdelen zijn niet op diegenen gericht die het minste krijgen, maar op alle spelers.
Het speelt niet lekker,
-als er geen grenzen zijn aan het speelveld en/of
-als er geen grenzen zijn aan de verzameling deelnemers en/of
-als van tevoren de gelijke verdeling der inzet vaststaat en/of
als er helemaal geen inzet is.
Zeker zal menigeen dan niet bereid zijn de inspanningen op te brengen die het spelen vereist.
Ik weet niet welke vorm het spel "civilisatie" tegenwoordig op de schoolpleinen en in de schoollokalen heeft.
Slechts in de maatschappij wordt het spel gespeeld vermomd als productie. In kerken en sporthallen doet men het met ouweltjes en medailles.
Aan alle spelen zit ook een kant die consumeren is, denken we alleen maar aan de speciale kleding van priesters en van spelers van gevaarlijke balspelen. In alle consumeren heeft de maatschappij belangen. Anders gezegd: op alle consumeren en dus op alle vormen van "civilisatie spelen" grijpt de commercie aan.
Overal en altijd heeft het spel "civilisatie" dezelfde grondstructuur:
- bezig zijn volgens regels
- (meer) binnen zijn, terwijl anderen (meer) buiten zijn,
- iets (naast deze centraliteit) ongelijk verdelen, vaak in de vorm van wel of niet krijgen (medailles)
- het onuitgesproken laten van de grondstructuur van het spel.
In de maatschappij is het spel gecamoufleerd met produceren, met dienstverlenen, met dienen voor geld. Die camouflage gebeurt niet uit schaamte voor waar men mee bezig is, nee het is een middel om via geldgebrek te kunnen dreigen met honger en dergelijke ontbering.
Zodoende kan men iedereen, dwingen om mee te doen, ook diegenen voor wie al vast staat dat ze niets zullen winnen.
Voor de meesten staat vast dat meedoen niet leuk is.
Ook al wordt tegenwoordig een deel van de last afgewenteld op machines (energieslaven), er is en blijft een enorme hoeveelheid onaangename en vernederende arbeid in duizenden vormen.
Leuke banen zijn even zeldzaam en even mogelijk als gelukkige huwelijken.
Produceren is voor zo'n 90% (hoe ontwikkelder het land, hoe hoger dat percentage) van de werknemers: aan onnodigs bezig zijn.
Bezig zijn aan het voldoen aan de willekeurige opdrachten van anderen in hun functie van Koning Klant, de soeverein in de democratische, want geld gebruikende, civilisatie.
Het sporten, het gokken, het spelen op het schoolplein, het kerkbezoek, het werken in de maatschappij, het zijn evenzovele vormen van godsdienstoefening, het zijn vormen waarin het grote geloof, de civilisatie, wordt uitgeleefd, wordt gevierd.
De leer van dat grote en onbetwijfelde geloof in de civilisatie is als volgt te formuleren:
1. het beschikbare, het bezitbare, de goederen, de diensten en de voorrechten die in de wereld zijn, zullen ongelijk verdeeld worden onder de spelers;
2. dat zal gebeuren binnen regels;
3. gij zult elkaar de voorrechten enz. niet gunnen maar benijden en elkaar daarom zoveel mogelijk hinderen bij het toe-eigenen ervan ;
4. ook wie weinig krijgen zullen gedwongen worden mee te (blijven) doen, zo nodig door hen te laten kijken naar het leed dat diegenen wordt aangedaan die niet meedoen: de wilden, de onontwikkelden, de joden, de negers, de wetsovertreders, de wilde dieren.
Maar net wat voorhanden is
-zal worden mishandeld,
(wat we straffen zullen noemen)
-zal ontbering worden aangedaan
(wat we een gevolg van voor het tot arbeid motiveren
noodzakelijke inkomensverschillen zullen noemen)
en -zal worden gedood,
zo dat nodig is om een duidelijk voorbeeld te stellen.
Hiervoor zijn vele vormen naast uithongeren beschikbaar.
5. Eenmaal verworven rechten laten we zoveel mogelijk onaangetast om voor wie nog bezig zijn zich voorrechten te verwerven deze prikkel werkzaam te houden. Hieronder valt ook het 'gij zult niet stelen'.
6. Al deelnemend ouder worden leidt automatisch tot het verkrijgen van enkele voorrechten als troostprijs (jaarlijkse loonsverhoging en rechten op pensioen en WW b.v.). Dit voorkomt tevens dat er solidariteit ontstaat tussen ouderen en jongeren binnen de massa dergenen die bij het verdelen systematisch minder krijgen dan ze inbrengen aan prestaties (dat is: aan het "vermenigvuldigingsproduct" van tijd, aandacht, energie, inzet en vaardigheden.)
7. Het gaat hier om een religieus bezig zijn en niet om een middel tot een doel; dat valt onder andere af te leiden uit het voor ieder waarneembare feit dat succesvollen niet ophouden met hun werk wanneer ze voldoende geld (verdiend) hebben om er de rest van hun leven al het nodige van te kunnen bekostigen. Het is nooit genoeg, dat is de regel.
Het meeste van de output van de bewustzijnsindustrie (tot ons komend via de media) leidt slechts onze aandacht af van de zojuist hier beschreven stand en gang van zaken in de wereld. Dat geldt voor wat er verzonnen werd, fictie voor escapisme, maar evenzeer voor het uitwijden over feitelijke details, die daartoe soms uit hun verband gerukt worden. Dat hoeft echter niet, want het uitvergroten van een deel der werkelijkheid leidt er vanzelf toe dat het bewustzijn van het publiek daarmee vol gemaakt wordt. Als het vol wordt gemaakt met een detail, is daarmee het verband, de context, vanzelf buiten beeld, onbewust, buiten bespreking.
Het wereldnieuws dat wij horen, bij voorbeeld, zou voor een wereldregeerder bruikbare en zinnige informatie kunnen zijn. Voor ons, in zulke zaken machtelozen, is het alleen een les: 'denk er om dat je in het gareel blijft, want anders -wordt je land een derdewereldland of -komen de bozen van de andere IETSen (i.c. nationale staten) je land binnen en jou ongedefinieerd kwaad doen.' Het politieke nieuws is helemaal een schijngevel, de echte beslissingen worden zonder enige openbaarheid door niet verkozen bestuurders van geldstromen genomen, binnen regels die hen noch tot grote goede daden, noch tot grote misdaden ruimte laten.
Tegenover het gebeuren in de wereld staan wij als individuele en natuurlijke mens even machteloos als een eekhoorntje tegenover hetgeen gedaan wordt in een jongeren-zomerkamp dat in zijn bos gehouden wordt. Het beestje kan z'n hart vasthouden bij de gedachte aan de bosbrandgevaren die voortvloeien uit het roken en het stoken van vuren daar, maar het kan er niets aan doen. Bij een eventuele bosbrand zal het eekhoorntje getroffen worden door een ramp. Voor het eekhoorntje is de mens 'natuurlijk milieu', dat wat de mensen doen en veroorzaken is voor het eekhoorntje een natuurramp. Een sprinkhanenplaag is voor mensen een natuurramp. Een mensenplaag is voor de andere levensvormen een natuurramp.
Voor ieder mens als natuurlijk wezen, als individu dat lichamelijk en geestelijk is, zijn zijn tijdgenoten/soortgenoten een bedreiging. Voor de natuurlijke mens is het wereldgebeuren een natuurgebeuren, vaak een natuurramp. Voor ieder mens als natuurwezen is het kenbaar dat zijn tijdgenoten/ soortgenoten HET gevaar zijn.
In deze context wordt het duidelijk waarom de besprekende spelers van het spel der civilisatie het hebben over 'de mens' die zijn milieu verwoest en vervuilt. Die manier van bespreken voorkomt de vaststelling: 'ieder van ons is de gevangene van en de overgeleverde aan zijn tijdgenoten/soortgenoten. "Onze wereld" is een vernietigingskamp, Auschwitz is slechts een model geweest.'
De bovenstaande vaststelling is in de literatuur en voor t.v. al lang uitgesproken. Wij zijn echter geestelijk als met Teflon bekleed, waarheid kleeft ons totaal niet aan. Iedereen blijft die waarheid vreemd, welke hij slechts van anderen verneemt.
Ik schrijf deze tekst uit zonder er enige emotie bij te voelen. Iedereen weet dat hij ontijdig zal sterven, mede door toedoen van zijn tijdgenoten, is het niet door hun doen, dan wel door hun nalatigheden (gif, straling enz. enz.). Wie rijk is, wordt niet vernietigd door arbeid, dat is zo ongeveer het hoogst bereikbare.
Het is onintelligent om er van uit te gaan dat een paus in God gelooft. Het is ook niet intelligent om er van uit te gaan dat hij volbewust als dier leeft en zijn positie in de wereld slechts gebruikt om van te leven en gezond te blijven. Iedere functionaris die niet weg kan uit de baan die hij heeft naar een gelijkveilige en gelijke voordelen en voorrechten biedende positie elders, gelooft zo vast als hij is aangesteld, in de leer van het IETS waarbij hij tewerkgesteld is. Als functionaris krijgen slechts weinigen hen te spreken. Met wie zullen ze als persoon spreken ? Met wie als individu, als eenmalig apart exemplaar van hun diersoort ? Het heeft voor hen geen enkel nut om onder woorden te brengen wat ze als zodanig, als individu dus, zouden moeten zeggen teneinde waarheid uit te spreken.
Alleen voor een buitenstaander die overigens veel vrije tijd in comfortabele omstandigheden heeft, is het uitspreken van die waarheid van het individu een zinnige tijdbesteding, een vorm van geestelijk functioneren, dat is: een vorm van lustgevend (beter: lustvol) bezig zijn. Het kostte me duizenden uren om deze waarheid van het vrije menselijke natuurwezen, van het individu, onder woorden te brengen. Ik ken en ben nu die waarheid, bewust, begrepen, uitgesproken, uitgeschreven. Die waarheid, die kenbaar is vanuit mijn positie als buitenstaander. Dat is goed voor mij. Maar wat heeft een paus, een portier, een schilder, een geplaatste, een rolvervuller, aan deze waarheid ? Deze waarheid die voor hem even waar is als voor mij, omdat hij precies eender een dier is als ik. Van buiten de wereld, kan hij deze waarheid ook kennen, hij hoeft (ja dient) niets te geloven.
Wij, exemplaren van de diersoort mens zijn niet reeds als zodanig, als individuen, op biologisch nivo, een bedreiging voor elkaar; we zijn dat slechts zodra, zolang en inzoverre we spelen, "wereldje", "civilisatietje", "maatschappijtje" . Dat wil zeggen: we bedreigen elkaar pas zodra, zolang en inzoverre we onnodigs consumeren, we bedreigen elkaar daar waar we elkaar afdwingen: - onnodige, natuurverwoestende aanmaak van goederen en - vernederende diensten, die het voor de dienstverlener nodig maken zich door consumeren op zijn beurt,van wat voor onnodigs dan ook, te troosten, d.w.z. zijn vernedering te vergeten. =
Wat is het toch fijn, dit zo fijn te kunnen onderscheiden en uitschrijven, juist ook omdat de soevereine lezer, glimlachend, met een enkel
"deze argumentatie spreekt mij niet aan, ik voel dat niet zo, onder andere vanwege het geforceerde onderscheiden van 'wereld','cultuur','civilisatie'en 'maatschappij'"
mijn hele tekstenverzameling kan wegvegen en daarmee applaus kan oogsten van de meerderheid dergenen die in het wereldspel meedoen. Geen speler in actie kan zich de luxe veroorloven in te stemmen met die waarheid die (voor) de buitenstaander gegeven is. Wie die waarheid afwijst zit op rozen. De lezer zal hieruit kunnen begrijpen waarom ik niet gebrand ben op publiceren.
Samenvattend: we moeten allen ophouden met het consumeren van dat wat niet nodig is voor ons leven en gezond zijn (lichamelijk en geestelijk) . We moeten ophouden met het voor ons geld eisen van vernederende diensten. Zodoende zullen we ophouden voor elkaar en voor het overige leven op aarde een natuurramp te zijn. Dan zullen we weer individuen en dus vrij zijn.
Niet langer zullen we -soeverein zijn -doen wat we "willen" vanuit onze gevormde persoonlijkheid (onze smaak) -zeggen wat we "willen" en/of wat ons doeltreffend lijkt in discussie, debat en argumentatie, kortom : in het vechten met woorden; wij zullen als vrije individuen niet meer hoeven te doen, dan wat voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn nodig is en wij zullen waarheid spreken.
We durven in onze angst met die waarheid niet eens in te stemmen, laat staan er uit te handelen. We mogen alles zeggen, maar dat mogen we alleen doordat de verbinding tussen doen en spreken is verbroken.
Toch kunnen we voor onszelf wel degelijk wat winnen door het 'verliezen' van wat we 'ik' noemen: onze soevereine persoonlijkheid, het resultaat van onze opvoeding, vorming en opleiding, onze maatschappelijke status, onze luxeconsumptie (inclusief onze troostconsumptie en onze consumptie om ons te wreken en om te compenseren voor ons geknechtworden.) We zullen er een andere trots mee kunnen winnen, niet langer zullen we trots zijn op wat ons is verleend, toegekend, geleerd, ter beschikking gesteld en als bezit gelaten. We zullen niet langer trots zijn op wat omstanders en omstandigheden van ons gemaakt hebben, maar we zullen trots kunnen zijn op onze vrijheid, onze oorspronkelijkheid, ons zelfzijn, ons eigenhandig voorzien in wat nodig is voor ons leven en welzijn, ons zelf, op eigen initiatief, in zelfbestuur leven.
Wie waren voor deze keuze te vinden? Iedereen kent het bestaan van deze mogelijkheid. Werd er ooit geteld wie er wel en niet gedachten aan besteedden en wie er wel en niet voor kozen ? Ik zie via de media en ook rechtstreeks veel mensen kiezen voor het zich identificeren met hun persoon, met hun maatschappelijke positie, met hun hebben en houden, met hun partij, met hun groep. Zij die anders kiezen zijn niet de meest zichtbaren. Bovendien hebben ze er geen behoefte aan anderen te overtuigen. Waarheid heeft geen verdediging en geen propaganda nodig. Wie (uit) waarheid leeft, heeft geen bijval en geen instemming nodig (zoals wie het alternatief kiest dat wel nodig heeft, "voor zijn psychisch evenwicht").
..einde revisie op 15 januari 1985 ..begin aanvulling op 17 januari,na nog enkele verbeteringen
Wat ik hier vaststel is dat het voor ieder die als individu wil leven, zaak is zich te keren tegen de hem aanklevende civilisatie, tegen zijn "eigen" persoonlijkheid, tegen wat hij zich eigen heeft gemaakt van wat hem geleerd/onderwezen werd. Het is niet aan te bevelen te trachten iets te veranderen aan wat anderen aankleeft, voordat men zelf zich van de wapenrusting van de civilisatie heeft ontdaan. Waar het voor het gevoelsleven vooral op aankomt is: het verplaatsen van de trots. Niet het nederig worden, dat is niet aantrekkelijk en het is geen bron van kracht. De geciviliseerde (geschoold, gevormd en opgevoed) is trots op de gewoonten van denken en handelen die hem werden aangeleerd. De geciviliseerde is trots op de hoeveelheid, de omvang van de soevereine macht die hem is verleend ('toevertrouwd' zo men wil), of dat nu in de vorm van geld, van specifiek bezit, van bevoegdheden, van aanzien of van ander voorrecht is. Aan datzelfde toebedeelde ontleent de geciviliseerde enig gevoel van veiligheid (iets wat nodig is voor leven en welzijn). Enig gevoel, echt veilig kan niemand zich in de maatschappij (dat is vergelijkbaar met: aan het front, waar het gevecht om de verdeling van de buit plaatsvindt) noch in de wereld in het algemeen ooit voelen, per slot van rekening ervaren we allen : het is oorlog. De geciviliseerden lijken wel opgesierde paarden, die trots zijn op hun leidsels, hun teugels, hun gareel, de strikjes in hun manen. Die trots is vreemd en moeilijk te begrijpen, want dat we zo denken en zo doen, is ons met geweld aangeleerd en afgedwongen. Ik herinner mij nog goed de trots die mij op de HBS (middelbare school) is aangebracht op het zo vol met kennis gestampt zijn, als wij waren toen we ons diploma hadden gehaald. Men hand mij geleerd trots te zijn op het gehoorzamen en het resultaat daarvan. Een bizarre slaventrots. Dat ging dan ook zeer snel over, want na en buiten de school had niemand enige bewondering voor al die geheugenvulling. Die hele trots bleek niet meer dan een motiveertruc te zijn geweest. In de maatschappij, waarvan de school een onderdeel is, waarin de kinderen bruikbaar gemaakt worden, worden we binnengedwongen, daar is gehoorzamen onontkoombaar en het aanmaken van een verhaal te verdedigen, dat onze situatie niet beschrijft, maar leefbaar maakt. Geen wereldbeschrijving, maar een wereldbeschouwing. Evenals schoonheid is het zo-zijn van de wereld 'in het oog van de beschouwer'. [Beauty is in the eye of the beholder.]
We laten ons echter ook buiten de maatschappij door anderen leven. Heel vreemd is dat, de bevelen (de sociale druk) waaraan wij hier als geciviliseerden gehoorzamen, komen niet langer van verre anderssoortige dictators, maar democratisch van opzij, van mensen aan wie wij zelf de bevoegdheid gaven en laten om deze druk op ons uit te oefenen: onze zelfgekozen vrienden, familieleden, huwelijkspartners, idolen, politici, opinieleiders, referentiegroepen enzovoorts. En ook onszelf treffen we aan, bezig te proberen andermans gedrag te beïnvloeden: "kom nou joh", "stel je niet zo aan", "doe nou gezellig", "je moet....", en zo voorts. Duizenden uitdrukkingen, vele vele malen per dag per persoon. Vooral kinderen en ouderen en wie geholpen moeten worden, worden overstroomd met deze stuurpogingen.
In het omgaan met deze mensen buiten de maatschappij zien we de druk de maatschappij uitstromen, de civilisatie en de cultuur (het familieleven) binnen. Die druk op de mensen in de maatschappij komt van onszelf vandaan,
- waar we als Koning Klant het goedkoopste, zoveel mogelijk en de topprestatie bestellen,
- waar we als Rente Regina sparend en beleggend rente voor ons geld incasseren,
- waar we als Jan Publiek ons applaus laten horen,
- waar we als Stemgerechtigde, als Kiezer, ons hokje rood maken.
Waarom laten we onze trots op onze soevereine macht in bovengenoemde vier vormen, niet varen?
Antwoord:(?) omdat het binnen de maatschappij als motivatie werkt, net als die trots van de gymnasiast op zijn kennis van dode talen. Algemeen: net als die trots van de leerling op zijn kennen en kunnen van wat hij moest leren.
0 Reacties