De derde draad

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: vaderlandse geschiedenis

Jaap Schot, 19 februari 2005

Na "Collectief geheugen" en "Woorden en onderwerpen" is dit een derde rij genummerde uitspraken, een draad waarvan, samen met die genoemde en vele andere opmerkingen in eerdere opstellen door de lezer zelf weer een lapje (landkaart van het besproken onderwerp) moet worden gebreid. Het kan technisch niet anders: teksten zijn lineair, zijn, wat dat betreft, als draden.

  1. Jezus als onthullend journalist: de priesters en de handelaars in religieuze waren vormen samen het religieus - commercieel complex. Dat buit jullie geloof uit door je te vangen in een letterlijk geloven.
  2. Priesters zijn geen profeten. Priesters (dominees) zijn dienaren van het woord, profeten zijn zij die hebben doorgekregen waar het woord over gaat. Zij weten, zij bespreken wat ze waarnemen.
  3. De laagste vorm van priesterdom is echt heel dom, die citeert zelfs niet, die reciteert. Zie de islam.
  4. Dan heb je de dominees die ik ware uitspraken hoor doen als ze citeren (of beter nog: voorlezen) en bij hun toepassingen op en voorbeelden uit en voor het dagelijks leven volkomen de mist in hoor gaan. Ze hebben er niets van gezien, van dat waarnaar de bijbelwoorden wegwijzers (waarvan de bijbelwoorden aanduidingen) zijn.
  5. Een voorbeeld uit de islam: als de profeet zegt (schrijft) dat ‘je’ geen alcohol moet drinken, dan moet je minstens als voorganger (dus als je je bek opentrekt tegen anderen) dóórhebben dat de profeet het over alle psychotrope middelen had. En dát moet je dan je minder met de religie bezige geloofsgenoten inpeperen.
  6. Anders ben je net zo ongeremd onnozel bezig als die atheïsten die niet tot averzinselisme komen. En zich dan van het geloven, de bezigheid, afwenden, zonder de verzinsels buiten gebruik te stellen, dat (alle verzinsels buiten gebruik stellen) zou namelijk betekenen: ophouden met denken. Dát moeten ze niet doen, ze moeten alleen ophouden met geloven en daardoor, zo, dat doende, met het accepteren van het grammaticaal en logisch correcte gewauwel dat ze met hun geestesoor horen van hun tekstaanmaker (bijvoorbeeld: over die ontelbare verzinsels als waren het daders).
  7. Ze zouden stilvallen (aan elkaar geschreven, niet: geluidloos te gronde gaan). Ze zouden het gepruttel dat ze in zich schijnen te horen, leesbaar in de stukjes in "De Vrije Gedachte", uitschrijven voor zichzelf en, nu ongelovig, dit lezend het zelf corrigeren, het herkennen als aan hen als genencombinatie én aan wat ze opmerken van ‘wat gebeurt’ vreemd maaksel, gesuggereerd door ‘de taal’, met name door die woordenschat en verzinselenmassa, die door propagandisten en juristen en ‘desinformatieambtenaren’ (verwarringsdienaren) zijn aangemaakt en worden gebruikt.
  8. Het kruiswoord van Jezus: “Nu ben je met mij “in het paradijs””. Nu ben je met mij buiten de (je) traditionele cultuur en buiten de civilisatie. Buiten de traditionele cultuur waar Abraham moest gaan zijn, ‘ergens, je ziet wel’, ‘daar zorg ik wel voor’ zegt de stem in Abraham, die stem die deze ‘van God’ acht. Buiten de civilisatie waar Mozes zijn volk wilde (en probeerde te) brengen, helaas zonder massaal succes, maar toch: de leer, de checklist (10 geboden) en flink wat anticivilisatie-wetten en ideeën bleven in heilige bewaring bij dat volk, dat profeten voortbrengt, lui die weer naar het besproken, aangewezen onderwerp gaan in plaats deze lezend en herlezend en voorlezend te blijven staan bij de woorden, de wegwijzers naar het onderwerp.
  9. “Nu ben je met mij “in het paradijs””: je bent met je aandacht bij (= je besteedt je txaenz aan) wat je nu raakt, nu meemaakt, nu ervaart, zonder via de propaganda te kijken, bestand tegen de suggestie daarvan, niet meepratend met de massa die haar leiders napraat. Nu ben je buiten je kooi.
  10. Zodra en zolang je traditioneel cultuurgedrag vertoont of bezig bent met activiteiten die in de civilisatie ‘cultuur’ genoemd worden (musiceren of muziek consumeren als schoolvoorbeeld voor alle kunsten en gecultiveerde bezigheden en het opgaan in welk onnodigs dan ook) ben je buiten de natuur, buiten het paradijs, wég van God, wég van ‘waar je soort in de evolutie geschikt voor geraakt is’, verdwaald, om het met een beeld te zeggen: met de massa anderen in de fuik waar onze soort in gezwommen is, en waar we nu als batterijmensen als productievee gehouden worden, systematisch. Geen idéé meer van ‘buiten’, geen vermoeden of nieuwsgierigheid waar huidige of vroegere profeten het in ’s hemelsnaam over gehad zouden hebben.
  11. Dat van die hemel na de dood is toch pas veel en veel later uitgevonden, eeuwen nadat die profeten spraken. Dus dáárover spraken zij niet. Die hemel werd uitgevonden, verzonnen is de exacte term, niet ontdekt, in het kader van heet christendom als staatsgodsdienst, voor een staatsgodsdienst is het onbruikbaar ‘de verlossing uit het gebruikt worden’ te prediken als komend vóórdat de gebruikte mensen doodgaan. [Te prediken als beloofd, als door Jezus besproken, als te verwachten en als na te streven en te hopen en te verlangen en dichterbij te bidden.]
  12. Moeder hield mij buiten de traditionele cultuur en buiten de civilisatie. Ik heb het niet over diep doordachte opzet, maar ik sluit die ook niet uit. Ik was en ben ‘verlegen’. En zij las mij (ons, haar kinderen) de bijbel voor, in de gewone versie voor volwassenen en zonder commentaar. Beter had ze het niet kunnen doen: het aanbieden van de basis van het denken bij en van en over de hier nu op aarde dominante civilisatie, het aanbieden van de taal die ‘je’ op straat en in school en gewoon thuis van de anderen niet hoort. Die taal die nodig is om het over wat zinnigs buíten deze civilisatie [ die met die werkplekken voor mensen als productievee (analoog aan de schuur met kippen in legbatterijen)] te hebben: over het paradijs, nu onderwerp van de wetenschap ‘ethologie’. Te zien in natuurfilms.
  13. Moeder veroorzaakte mede dat ik gebeurde zoals ik gebeurde, gebeur zoals ik gebeur, of in gewone uitdrukkingen die resp. ‘me als actief beleven’ en ‘me juristisch opgevat’ aanduiden: dat ik ben zoals ik ben, ‘dat ik doe ‘zoals ik doe’ en ‘wat ik doe van wat ik zou kunnen doen’.
  14. Dat ik dus denk zoals ik denk. Zoals het in mij denkt. Zoals ik dat wat mij invalt als inval, als gegeven, krijg. Als van buiten. Van buiten mijn bewustzijn. Horend met mijn geestesoor (een breindeel, een klomp hersencellen) wat mijn denkhoofd via mijn tekstaanmaker ‘innerlijk publiceert’. Als iemand die in een andere tijd met een andere voorraad begrippen en ervaringen déze ervaring, “ik maakte toch deze gedachten niet aan, die valt me toch echt ín hoor” had, dan was het zeer wel mogelijk en geen teken / blijk van krankzinnigheid als hij (een) God of zo als influisteraar / roeper bezig meende aan te treffen.
  15. Het is moeilijk om achter dingen die je met je geestesoor hoort ‘iets binnen in je’ als bron te zien, lang voordat hersenonderzoek aan WOI gewonden zo lekker veel gegevens heeft opgeleverd.
  16. Ik kreeg nooit de neigingen van een beschaafde. Het geld dat ik voor vertonend consumeren en deelnemen aan de maatschappij kreeg uitbetaald als loon voor mijn (als gebruikt worden bedoeld) lesgeven, - waarin ik de leerlingen en studenten niet op de bedoelde wijze jaar na jaar dezelfde opleidende behandeling gaf, maar mij uitte, hen mijn zo-zijn voorleefde -, hield ik dus over.
  17. In de ogen van de andere mensen had en heb ik gelukkig wel een rang en rechten en voorrechten. Dat gunstige feit is mijn ecosysteem, met warm en koud stromend water, elektriciteit en al dat andere, dat van de materiële wereld een kunstmatige, maar voortreffelijke leefomgeving maakt. Daar wil ik dus helemaal niet uit weg, want: ik kan er als woestijnheilige zo alleen en ongestoord in een comfortabel en degelijk huis wonen.
  18. Wie denkt dat je daar weg moet, denkt te romantisch. De huiskat is ook eeuwenlang in groot comfort onhonds gebleven: zelf LEVEND. Mijn totemdier. Naast de heremietkreeft dus.
  19. Vakantiereizen werken voor mij niet. Ik ben overal dezelfde denker over hetzelfde, alleen thuis heb ik veel en veel meer rust daarbij (dus een veel krachtiger stroom txaenz ervoor beschikbaar).
  20. Weg met alle aandacht voor de vorm. Weg met het bestuderen en je blind staren op het oppervlak. Weg met dat als ondoorzichtig opvatten van wat je om je heen hebt. Voorbeelden:
  21. Het gaat niet om de woordenschat maar om de woordvormingsregels die in de taal functioneren (= die te formuleren zijn om te verwachten wat er in de taal gebeurt). Het gaat er om te zien dat die woordenschat via die regels is ontstaan.
  22. kritieken op televisie-uitzendingen en toneelstukken zijn ook besprekingen van de oppervlakte. Het zal me toch een gore rotzorg zijn of de toneelspeler goed speelde: ik wil weten wat de toneelstukschrijver in kwestie onder mijn aandacht wou brengen aan niet verzonnen mij gegeven stuk werkelijkheid. Dáár gaat het om. Waar in mijn leven is er iets dat bespreekbaar / te begrijpen / te vatten is met een koningsdrama van Shakespeare. Dát is wat ik wil aangewezen krijgen, ik ben namelijk míjn leven aan het leven.
  23. Weg met alle oerlevering, tweedehands vormgeving, erfenis, traditie.
  24. Laat het verleden los, het verleden houdt jóu niet vast hoor, het is restloos voorbij, weg, uitgewerkt, het is dáár (in ruimtelijke beeldspraak besproken) buiten jouw bereik en jij bent buitten het bereik van het verleden. Al die anderen die je het tegendeel suggereren (meestal al ‘langs binnen’, via de denkgewoonten die je aangeleerd zijn dus) liegen je voor teneinde je te kunnen gebruiken (met een beeld: je voor hun karretje spannen, zonder beeld: jouw txaenz roven, via je tot kopen brengen en dan dus tot: voor geld werken).
  25. Als je in je eentje, zonder erbij te consumeren over je verleden gaat zitten mijmeren, dan heeft geen tijdgenoot daar een bron van inkomen aan en dat zul je merken dat er ook sterk aangedrongen wordt dat je ophoudt met dat gedenk en gevoel. Dan hoor je ineens zeggen dat je het verleden het verleden moet laten. Als je geoefend en wat kwaadaardig bent, kun je ze binnen een paar minuten het tegendeel laten zeggen, als je ze het erfrecht en/of het koningshuis laat verheerlijken en de vaderlandse geschiedenis of wat ook, minstens lukt het bij hun eigen grote daden, zoals het vangen van die grote vis of het redden van dat konijn.
  26. Geen gezag en geen traditie.
  27. LEEF zelf, dus alleen, los (≈ onverschillig). Er zijn heel erg weinig dingen die mensen samen kunnen doen, laat staan: móeten doen.
  28. Weg met alle datumfeesten en alle herdenkingen.
  29. Het concept ‘God’ is bij het bespreken van de onderwerpen van de bijbeltekst - aanmakers net zo nodig als het concept ‘energie’ bij het bespreken van hún onderwerp door onze natuurkundigen.
  30. Er is dat grapje van die leraar die een ingeslapen leerling wakker maakt met de vraag: “Wat is elektriciteit?”. Antwoord: “Ik weet het nu niet, maar ik héb het geweten”. Waarop de leraar: “Dan ben je de enige ooit geweest.”
  31. We gebruiken allemaal zonder erg een enorme hoeveelheid van die woorden die wegwijzers zijn naar begrippen die wij niet hebben. Die woorden zijn als hulplijnen in de meetkunde: nuttig, maar we moeten weten dat het lijnen en geen tekeningen van kabels zijn.
  32. Ik kon geen wiskunde omdat ik in de natuur was, zelf aan het leven, dus moest waarnemen teneinde te kennen. Zo faalde ik bij wiskunde en natuurkunde, maar de scheikundeleraar deed het goed: een leerlingenpracticum, waarbij je opschreef wat er voor je ogen en onder je handen gebeurde: gebeuren plus taal: methode van het natuurgegeven ‘taalonderwijs door wie moedert’. Dat paste bij mij.
  33. De televisie is geen verrekijker. Maar de verteller is niet de oorsprong. Niet alleen de techniek van de toestellen en zo functioneert mee in het doen gebeuren van wat ik als televisie-uitzending zie. De taal die gesproken wordt, en ík bedoel niet de beeldtaal, daar ben ik zo blind voor als de gewone mensen voor de gesproken, geschreven, op het denken volgende en de tekstaanmaker in ons sturende, taal. Daar heb ik evenmin mij verstand van verschaft door txaenz ere aan besteden als de gewone mensen zich verstand verschaffen van de genoemde gesproken/ geschreven woordentaal.
  34. Je ziet niet wat je ziet.
  35. “Lees maar, er staat niet wat er staat” is de titel van en bloemlezing van gedichten van Martinus Nijhoff. De gelijkenissen in de bijbel zijn ook schoolvoorbeelden: er staat niet wat er staat. Het gaat niet over een boer die zaait, het gaat over iemand die een inzicht uitzegt, publiceert, mensen toespreekt, hen op iets wijst.
  36. Wie heeft er nou behoefte aan gewezen te worden op waardevols buiten zijn comfortabele en met zoveel moeite bereikte en verdedigde maatschappelijke positie?
  37. De blijde boodschap dat het verleden ongeldig is, is alleen blij voor wie er aan vastgehouden wordt door zijn naasten. Hij moet dus de instructie van God aan Abraham lezen en uitvoeren: vertrek uit je land en van je verwanten. Ik wijs je wel een “Amerika” (Jacques Brel): een leeg land, waar je vrij bent, zo vrij als Robinson: niemand die je aan je kop zeurt met ‘wat was’, ‘wat toen geregeld werd’, ‘wat eeuwenoude traditie is’.
  38. Weg uit je traditionele cultuur, je bloed en bodem. À la Abraham.
  39. Weg ook uit het diensthuis, uit de situatie van batterijmens, van ‘als productievee gehouden worden, overvloedig gevoed worden, uit ‘de vleespotten van Egypte’, resp. in beeld: met de gekookte en gestampte eieren van de andere legbatterijkippen ( dat zijn dus de productieve medeburgers/ middenklassemensen = zij die in deeltijd cónsument én in een deel van hun tijd próducent van consumeerbaars, dus (hopelijk) verkoopbaars zijn, die werk en inkomen en koopkracht hebben).
  40. Ik zie het niet als mijn taak in dit leven om tevreden batterijmensen aan hun kop te zeuren. Je bent tevreden of ‘uitverkoren’ om de blijde boodschap ‘er is wat buiten de zogenaamde samenleving, buiten de schuren met de legbatterijen, buiten de nationale staten, buiten de civilisatie.
  41. Wie niet tevreden is met het materiële en dus ontvankelijk voor de blijde boodschap dat het WARE LEVEN inderdaad búiten is (nee niet na je dood, nee niet in een zelfgezochte ‘Robinson Crusoe situatie, primitief doen zonder noodzaak), kan merken dat er nóg een val, nog een boobytrap is klaargelegd: die van het ‘samen moeten’: de hand van de ander(en) verplicht moeten vasthouden, zodat ontkomen niet mogelijk is.
  42. In veel dieren zit een vrijheidsdrang te noemen tegenzin (dat is dus iets dat de andere kant uit werkt dan de door de juristen voor hun vorsten uitgevonden ‘wil’, die in de richting van het onnodige zou werken). Deze tegenzin komt voort uit het merken dat de door het nodige plus (of beter: maal) het gekende van de omgeving ingegeven eigen neiging door de buitenbesturing wordt tegengewerkt of de rust die bij de bevredigdheid van de behoeften hoort, daardoor wordt verstoord. Die rust die bij de bevredigdheid, de voldaanheid hoort, wordt door de gebruikers ‘luiheid’ genoemd en/of gebrek aan entrepreneurschap of algemener: initiatief, dadendrang.
  43. Wat de genencombinaties in kwestie moeten doen (vanuit wat Aristoteles de ‘entelechie’, de in de eikel gebouwde/ ingevouwen/ bedoelde ideale eik) is als zichzelf gebeuren, zonder storing en gebrek, met gebruikmaking daarvoor van ál hun txaenz.
  44. Iedereen die zo’n genencombinatie van buitenaf probeert te besturen is gewoon een aanvaller, een hindernis, een last, een txaenzrover.
  45. We vinden die tegenzin in alle mogelijke dieren, overduidelijk in kamelen en paarden en katten.
  46. Zoals de juristen de vorsten en andere mensengebruikers een taal smeedden om bij hun lastigvallen te praten, zo verschaft de bijbel ons een taal om bij die natuurlijke tegenzin te praten.
  47. De juristentaal is er voor de slavenhouders, de taal van het joods-christelijke geloof is er voor de gebruikte mensen.
  48. Er is geen andere ‘theologie’ dan bevrijdingstheologie. Wat ik niet bedoel als bijval voor de reëel bestaande bevrijdingstheologie. Het woord ‘theologie’ alleen al, daar spuit het onbegrip, het ‘als een priester praten’ uit.
  49. Het gaat er niet om wat er staat, wat aan God en Jezus in de mond gelegd is en toegeschreven. Dat is allemaal verzinsel. Maar al dat verzonnene is wegwijzer naar het onderwerp. En dáár moeten wij als lezers heen: naar het onderwerp, om zelf dat te bestuderen en in het geval van de taal van het geloof: te zijn, als gebeuren.
  50. Waarom God (als concept) in gebruik gebracht en bij anderen aangetroffen en overgenomen en in gebruik gehouden? Ze wisten en zij die niet slordig leven weten, dat het een verzinsel, een concept, een menselijk talig maaksel (in totale tegenstelling tot een plaatje, een voorstelling !!!) is, een denkproduct.
  51. Echt hoor, zo zeker en vast als de bovenlaag der juristen weet dat hun taal er om te verwarren en te bedriegen en te bedreigen is, gericht tégen de gebruikten (door de Nazi’s veel en veel eerlijker gewoon ‘ondermensen’, ‘slavenvolken’ en ‘door arbeid te vernietigen gevangenen’ genoemd). In welke omgeving je het ook tegenkomt, eerlijkheid ruikt beter dan de schimmel van de macht, het bovenlaagsgeheim en het staatsgeheim.
  52. Vele van de andere “menselijk” genoemde genencombinaties zitten je in de weg, zijn er op gericht jou in een kooi te stoppen, emotioneel aan zich te binden en/of te verplichten en/of te hechten (variërend van ‘trouwen’ tot ‘aan je verdienen als werkgever’, tot aan je gebruiken om voor jou onvoordelig met je te ruilen als leverancier of als klant), God niet. Voor niet weinig mensen is god dan ook een stuk denk- en voelgereedschap, waarmee het hele gevoelsmatig en communicatief functioneren in stand en aan de gang gehouden kan worden, terwijl bevrijd van deze aankleverij van soortgenoten.
  53. Andere genencombinaties van je eigen soort zitten je in de weg, je Moeder (= wie jou bemoedert), dat hoeft helemaal niet je ‘biologische’ moeder te zijn; waarschijnlijk overigens wél een vrouw, maar bij zes miljard exemplaren van één soort tegelijk, zullen er tienduizenden overtuigende uitzonderingen zijn, durf ik te wedden). Theoretisch kan het zelfs een opvangprofessional zijn.
  54. Wat ‘bemoederen’ inhoudt is ongeveer hetzelfde als wat goed onderwijs inhoudt, plus de lijfelijke verzorging als baby (voeren, wassen, schoonhouden, leren wat te eten en wat niet, enz.).
  55. Zie verder, voor het tekenen van de mentaliteit van de echte moeder het verhaal over het Salomons oordeel.
  56. In het paradijs was het zo (“geregeld”) dat de gevaren en de ongastvrijheid van de natuur het SAMEN LEVEN voordeliger, ja van overlevingsbelang maakten. Toen, dáár konden en deden we dat en nu nog in uitzonderlijke omstandigheden, vrijwel ‘automatisch, natuurlijk, we hebben het in ons, al moet voor de erger verknipten wel erg duidelijk zijn dat er geen terug naar de civilisatie meer volgt om hun graai en roofafrichting buiten werking te doen geraken.
  57. Het beschrijven van ons, in de civilisatie gevangenen als gebruiksvee (paard met leidsels en zadel) veronderstelt een stand van gebruikers, die plannen hebben (laten maken) en die (laten) uitvoeren.
  58. Wij als productievee echter mogen álles aanmaken wat aan andere batterijmensen te op te voederen [≈ te laten consumeren en daartoe met winst (= parasietenleefgelegenheid) te verkopen] is.
  59. Aanknopend bij dat ‘in de weg van de groei zitten’: Wilhelm Reich wijst in dit verband op de bonsaiboompjes aanmakende Japanners als schoolvoorbeelden. Andere voorbeelden zijn te zien in Limburg, met al die vogels in kooitjes. Klassiek is ook het voorbeeld van de heer Schreber, uitvinder van de volkstuintjes, die ook zijn kinderen opbond om ze recht te laten groeien.
  60. Ik heb het allemaal al uitgeschreven, met de hand en/of met de computer.
  61. Zonder inzicht in wat de tekstaanmaker in ons doet [tot lineaire breiwoldraad maken van wat als lapje (landkaart / ansicht van het door ons aangetroffen onderwerp) breisel is aangemaakt door de denkafdeling in onze hersenen] kan dat wat ik schreef door de lezer (hier is bedoeld de zijn bezigheid, lezen, niet vanaf de Aztekentrap beschóuwende, ondoordachte, lezer) niet worden benut als wegwijzer naar het onderwerp [ dat is in dit geval ≈ het paradijs, de natuur, dat wat niet meespeelt, het ongemaakte (in volstrekte tegenstelling tot het artificiële, kunstmatige, onechte, gecultiveerde, tot bonsai gemaakte), af en toe in bepaalde gevallen ook ‘hemel’ en ‘zaligheid’ en zelfs ‘eeuwig leven’ genoemde.
  62. ‘Eeuwig’ ≠ eindeloos durend (een contradictie binnen de term overigens: alle duren is eindig).
  63. Om dat nodige inzicht te veroorzaken is er al die tekst over taal en taalgebruik.
  64. Nog eens: de drang om ongestoord, zonder tekorten, ‘vrij’ uit te groeien, te bloeien en vrucht te dragen zit in elke genencombinatie die de genoemde tegenzin ervaart, hetzij als neiging, als gevoel of als geverbaliseerde gedachte.
  65. Hoe het kan dat er mensen zijn die deze tegenzin niet ervaren, kan met het gladtongige praten van de geoefende toepasser van de evolutietheorie op alles verklaard worden met de afwezigheid van een vrijheidsgen, of met de aanwezigheid van twee hondengenen of van één t.a.v. het vrijheidsgen dominant hondengen.
  66. Voor velen was de formulering van Sartre dat de ander de hel was (is) een verwoording van wat wie het hondengen niet heeft, voelt tussen al die roedelvormende anderen om hem heen, die hem erbij willen hebben, als één van hen. Kennelijk ruiken ze het verschil niet: hondenfoutje. Anders hadden ze ‘ons soort’ overigens al lang doodgebeten, zo zijn ze wel.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *