Denken is geen verschijnsel

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief | Correspondentie met Jan (2001-2006) | Opstellen

Trefwoorden:

Jaap Schot, 23 mei 2006

Over denken

  1. Denken is geen verschijnsel, het verschijnsel in kwestie is introspectief en het is het ‘met je geestesoor’ horen van gesproken woord, waarvan je weet dat er geen ander is die het zegt en dat je niet zelf uitspreekt, en wat je dus niet via je gewone oren hoort, zoals anderen je ook horen praten, als je praat.
  2. Eerst leer je praten en dan leer je je mond houden en dat levert dan dit introspectief gegeven “verschijnsel dat niet verschijnt”: inner speech. [Sommigen spreken van ‘inner dialogue’, dus van conversation, gesprek. Die hebben wellicht een andere output van hun tekstaanmaker dan ik. Bij mij is het gewoon onuitgesproken bespreken van onderwerpen, zo, zoals ik het nu al vele jaren uitschrijf.]
  3. Je hoort dus iets zeggen, maar er is geen sprekende ander bij je in de buurt. Dat is een raadselachtig iets.
  4. Er praat een god die in mij zit tot mij. Dat is één vermoeden. Het kan een duivel of een demon of wat dan ook, ze hebben heel veel soorten geesten en spoken en goden en zo bedacht. Ik ben blij daar niet mee lastig gevallen te zijn. In de Bijbel zeggen alle profeten dat in hen ‘God’ spreekt, de orthodoxen van joden, christenen en moslims doen nog steeds alsof ze in hun heilige boeken geopenbaarde, door god tot de schrijver gesproken, tekst lezen.
    Tot op de huidige dag zijn er van die ingewikkeld geworden mensen, met die multiple persoonlijkheden en die stemmen en zo. God zij dank heb ik daar geen verstand van. Meer Moeder zij dank, vermoed ik overigens.
  5. Dan komen we aan de middeleeuwen waarin die heilige tekst uitgangspunt is voor het logisch afleidend denken. Nog tot op de huidige dag zijn er mensen die denken dat denken iets met logica te maken heeft. Het arrogants zijn de wiskundigen, die ook met heilige uitgangspunten (met name bij hen: meetresultaten) werken op een manier die in een (computer)chip kan.
  6. Ten opzichte van debatteren, dat zo rijk aan gevoel is, is logisch redeneren wel een vooruitgang, maar logica corrigeert niet voor onzin, vandaar de theologie, die logisch zeer doortimmerd is. En in de wetenschap produceren we met logica uit theorieën verwachtingen, geen waarheid, geen constateringen.
  7. Dan is er een eeuw of vijf geleden de associatiepsychologie: mechanisch/ procesmatig rijen de begrippen zich grammaticaal en logisch tot volzinnen aaneen. Ook het aanleren van de associaties is gebeurd, niet gedaan. Er is over die procesmatigheid wel ruzie geweest (is er nog, dus ‘gekomen’ is hier de juiste term), maar er is geen winnaar*.
  8. Het geneuzel in termen van daderschap is een pijler onder de gesystematiseerde binnensoortelijke txaenzroverij en onder het eren en blameren, dat is: het rangschikken. Zolang dat gaande is, blijven alle aan daderschap gerelateerde begrippen in gebruik en duurt de suggestie voort, die uitgaat van dat zo spreken bij ‘wat gebeurt’. Suggestie ≈ het schijnbaar opmerken van. Deze termen blijven deel uitmaken van wat de mensen aan tekst zal invallen. * Op de christelijke kweekschool werden wij nog expliciet gewaarschuwd tegen het mensbeeld ‘l’ homme machine’.
  9. Er is een verschijnsel waar aan te zien is dat wat we denken noemen óf een verzinsel is (een gepostuleerd vóórverschijnsel) óf een proces, een gebeuren. Dat verschijnsel is negatief: het is de onmogelijkheid om te denken wat je wilt. Wat je invalt, dat heb je niet gekozen, die grammaticale kiezer is inderdaad puur grammaticaal. Wat je invalt aan tekst is je (ik spreek natuurlijk alleen over mezelf, het gaat over het slechts introspectief gegevene) even vreemd en nieuw als het voor een ander is, als je de tekst uitspreekt. [Ook voor een ander kan ‘wat je zegt’ onverwacht zijn, want er zijn verwachtingspatronen op basis van ervaringen. Maar dit staat los van daderschap en van beheersen van wat er gebeurt.]
  10. Die weg om de baas te worden, die naar binnen in ons voert, is dus versperd. Daarom vond Skinner het operante conditioneren en De Bono verrijkte ons met het systematisch bewust en opzettelijk kunstmatig opwekken (als bij een miskraam) van associaties (→ invallen). Het is met denken net als met spijsverteren: alleen op wat we eten (de input) ‘hebben we vat’. Maar we moeten hier vlakbij het voor iedereen duidelijke en zekere neerschrijven: we hebben al heel vroeg geleerd ons mond te houden, niet het achterste van onze tong te laten zien, onze geheimen te hebben, karig te zijn met waarheid, onze woorden zó te kiezen dat we ons er altijd nog uit kunnen praten. Dat ‘doen’ we ook volautomatisch. Ook daar zit geen dader, het is een schil van aangeleerds, waardoorheen de gegevens binnenkomen (ingedeeld en wel) en waardoorheen onze potentiële output moet en gereduceerd wordt tot de echte output, die we ‘verantwoord’ achten.
  11. Onlangs was er op televisie bij Rondom Tien zo’n goed Nederlands sprekende hoofddoektrut die ‘mondig’ opvatte als ‘voor zichzelf , eigen uitspraken, gezag opeisend, gezag zoals in haar vroegmiddeleeuws (feodaal) gebleven ‘cultuur’ de uitspraken der vaderen, van de profeet, van de mullahs en van al die andere baardige genoten. De logica helpt om het gezag dezer uitspraken uit te smeren over het onderwerp in behandeling (waarover de gezagsfiguur niet had kunnen spreken: het vliegtuiggebruik e.d.). Het staat de gebruiker van de logica vrij (hij is geen machine) om dat uitsmeren na te laten over waar hij zin in heeft, bijvoorbeeld over het gebruik van XTC, de profeet had het alleen over alcohol. De logica levert ook geen gegevens over de werkelijkheid: kan het eten van dit varken z’n vlees (na déze bereiding) mij schaden? De logica kan namelijk de premissen niet aanvechten. Zo min als de empirie de feiten kan ‘laten vallen’/ buiten beschouwing laten/ ontkennen.
  12. De empirie zit ermee dat waarheid te nemen, zolang het eender blijft te hebben, maar niet te bewaren is, zodra de aandacht éven ván het onderwerp af gericht (geleid) is, is de waarheid omtrent dat onderwerp voor de afgeleide (de verderdenker is dat ook) zijn waarheid/ zekerheid kwijt. Alles is namelijk in de werkelijkheid (= het grote, omvattende veranderende) begrepen.
  13. Logici kunnen dat zó goed uitleggen. Maar de balk in hun eigen ogen, die zien ze niet. Ze ervaren de buitenwereld als bron van ‘dat zwart’, die afwezigheid van waarheid, dat ‘zelf geen profeet zijn’.
  14. Niet in de feiten, de geloofsínhouden, maar in de mentaliteit, zit de onverenigbaarheid van gelovigheid (vis in school zijn) en wetenschappelijkheid (alleenzwemmende vis zijn). Gezag toekennen aan een zelfde figuur als waaraan een ander gezag toekent is een manier om je aan die ander vast te plakken, met die ander mee te bewegen zoals vogels in een zwerm dat doen. Vlíegen die vogels dan niet? Nou en óf ze vliegen. Ze vliegen zoals theologen denken. Van ‘wil’ is bij hen / door hen sprake. Het hoogst bereikbare voor een onderwerp bij een rationalist, een verbalist, een theoloog, een gezagtoekenner, een ‘in formatie vliegende’ is dat er sprake van is. Het ontkennen van de aanwezigheid (in dit geval dus: het empirisch gegeven zijn) van iets, doet de rationalist door te zeggen dat er van dat iets geen spráke is. Alsof hij de afwezigheid meldde, zó moet het bij de hoorder overkomen. Dat is eenvoudig te bewijzen: de eerste de beste keer dat je iemand in den lijve aanwezig dit ‘daar is geen sprake van’ hoort gebruiken, meteen in de rede vallen en zeggen dat de dingen met hun bestaan niet wachten tot er van hen gesproken wordt. Dan kríjg je toch een stoot agressie over je heen (en/of produceer je toch een hoop rancune in de spreker).
  15. hier nu na de vakbonden worden ze veel minder ‘langs buiten’, door anderen die zij ( in hun eentje) geen macht verlenen, maar die macht hebben (= het kunnen) uit hoofde van hun positie in de maatschappij (in het systeem) beroofd van hun txaenz dan zij zich ‘langs binnen’ laten afnemen door ‘wat ze leerden’ en ‘waar ze in investeerden’, ‘wat ze hun ‘identiteit’ noemen.
  16. Geloofsinhouden zijn bewaarde manna. Priesters delen bewaarde manna uit: opmerkingen/ constateringen/ waarheid dus, uit de monden der profeten, geven ze door ‘om te geloven’, om ‘voor waar te nemen’, om uit te handelen, om door te vertellen. Geen stenen voor brood, maar fossielen voor levende dieren, nogmaals: bedorven manna.
  17. dit brengt me op het idee dat dat hele verhaal van die volheid van jaren in de ongerepte natuur wel eens het beeldverhaal kon zijn voor het onder leiding van Mozes omgaan met ONBEGREPEN constateringen. Iedere dag ‘verse’ waarheid nemen, niet geloven dat wat gisteren was, vandaag weer zo is. Door Gods goedheid heb je vandaag weer (niet nóg) je gezichtsvermogen en je denkkracht: kijk en denk. Zonder die conserverende taal die extra functie van meedoen te geven.
  18. De Enige die er nog is, na de nacht, is de Gever achter onze zintuiglijke gegevens en onze gedachten: hij geeft ons het ‘er zijn’ en wel zó: iedereen verschillend van ieder ander. Wij zeggen dat nu ‘met DNA’ als term, en we onderscheiden aangeleerd van aangeboren, prima. Maar die Joden leefden maar twee tot drieduizend jaar geleden, dat is ‘als gisteren’. Zij waren als wij, voor wat het godgegevene betreft.
  19. Van het spreken van een andere taal en het rondlopen in een andere mode wordt een mens niet anders. Niet wezenlijk.
  20. En als je je ergens mee bezig houdt, met een onderwerp, kun je niets anders aantreffen (‘vinden’ gebruiken ze ook voor ‘van mening zijn’ = als onderdeel van hun ‘identiteit’ hebben) dan waarheid, die kleine hoeveelheid waarheid die je zintuiglijk gegeven is. Van die gegevens kun je een deel opmerken, dat is de kennis die je neemt van je onderwerp (≠ de informatie er over die je verzamelt) en die kennis is het, die je kunt gebruiken om te doen en om te weten:
    20.1. doen: er je gedrag op baseren** en
    20.2. weten: met behulp van je taal vatten.
    Met enige tegenzin moet ik toegeven dat veel biologische soortgenoten van me meer nog dan tot doen en weten komen tot
    20.3. voelen bij. Het toegevoegde gevoel wordt zonder reden vanuit het opgemerkte gegevene ‘gekozen’. Er is dan ook een geringe voorspelbaarheid kenmerkend voor ‘het gevoel’. [denk aan: mijn muziek = zijn herrie]
  21. ** Dat ‘baseren van’ oftewel ‘komen tot’ gedrag noemen we denken, ook wel ‘kiezen’. Elke kat die een muis vangt doet dat, denken dus, ook. Het denken is volstrekt dierlijk. DUS moet er gewauweld en geneuzeld worden tot er een ander woord is voor iets uniek menselijks, bovendierlijks, óf, en daar hebben ze in de USA (zie de Startrek-series) voor gekozen: het gevoel moet verheerlijkt worden. Verheerlijkt = ‘benoemd’ tot (met de suggestie van ‘benoemd áls’) een kenmerk van heren/ bazen/ heersers/ overwinnaars/ hogeren/ beteren/ lofwaardigen/ aanzienlijken/ edel-achtbaren.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *