Jaap Schot, 29 augustus 1992
Algemeen verhaal, samenvatting:
De uitkomst van doordenken [met zoveel mogelijk zelf
waargenomen gegevens omtrent 1. eigen nodig doel en 2. stand en
gang van zaken in de omgeving] is waarheid en uit de voor hem
beschikbare waarheid dient door een ieder gehandeld te worden en
uit niets anders.
Dat geldt buiten het spel om voorrechten, niet binnen dat spel.
Binnen dat spel telt het nodige niet mee als doel, maar
wordt het slechts als middel gebruikt. Slechts als middel om
1. zichzelf als speler aanwezig te houden en
2. andere spelers onder druk te zetten, te dwingen tot wat in het
voordeel (= rangverhogend, extra bevoorrechtend) is van wie
het [voor die ander] nodige gebruikt.
Zij die spelen spreken van 'dictatuur' wanneer er iets
dwingends op hen inwerkt dat hen verhindert op te klimmen of zich
te handhaven in rang.
Het kennen van waarheid is voor de spelers nuttig. Kennis is als
wapen in de strijd om rang te gebruiken, kennis is macht.
Dat geldt voor
1. kennis van wie spelen,
2. kennis van de stand en gang van zaken in het spel,
maar ook voor
3. kennis van alles wat niet meespeelt (:"de natuur").
Alle kennis is bij gelegenheid tegen de andere spelers te
gebruiken en wordt om die reden gezocht.
1. Het geheimhouden van waarheid is een gevechtshandeling, zo men
wil een tactiek, een strategie.
2. Ook het voor waar aan anderen vertellen van wat niet waar is,
is zo'n manier van vechten.
3. Het toevoegen van onware uitspraken aan verhalen en berichten
is ook een methode van onwaarheid spreken als
gevechtshandeling, het is dat wat 'liegen' heet.
Een andere, aan minder mensen helder voor ogen staande methode is
4. het aan de taal toevoegen van namen van verzinsels, zoals
bijv. goden en instellingen.
Vanuit die verzinsels kan men gedrag gaan vertonen, dat
doet men ook: met doet alsof er landsgrenzen zouden
bestaan. En ziet: het is alsof ze bestaan, men moet, of
men er in gelooft of niet, meedoen (zijn paspoort
tonen) aan het spelen van die leugen. Zo wordt er veel
waar gemaakt. Binnen het spel bestaan die grenzen, voor
de niet meespelende natuur (de al of niet radioactieve
wolken bijvoorbeeld) bestaan ze niet. Voor de niet
meespelende mens bestaan ze dus evenmin, ze zijn
onwaarneembaar, hem niet gegeven. Als hij zijn paspoort
toont houdt hij zich slechts de last van dwaze spelers
van het lijf. Hij hoort onderwijzers bezig hem te
suggereren dat er grenzen zijn, hij ziet grenswachters
bezig hem te suggereren dat er grenzen zijn: hij neemt
geen grenzen waar, kent daardoor het feit dat die
grenzen voor hem geen gegeven zijn.* (zie voetnoot)
Wie speelt en zegt dat hij 'vrij' wil zijn, bedoelt dat hij
soeverein wil zijn: door niets en niemand gedwongen, geleid, tot
iets, wat dan ook, gebracht.
Die vrijheid boven alles en iedereen, altijd en overal
hebben ze hun god toegeschreven; het is hun ideaal, het
is dat waarheen ze streven: het is de top van de
voorrechtenladder. Niemand kan hen dan meer iets maken
en ze kunnen doen wat ze zelf willen. En dat is hun
hoogste ideaal. Ze wantrouwen, zichzelf als speler
kennende, ieder ander en wensen dus aan ieders greep te
ontkomen: fysiek en financieel, maar vooral ook aan de
greep via de taal: de moraal, de wet, dat wat gezegd
wordt te zijn en te moeten.
Hun willen heeft geen inhoud, ze willen alleen 'hoger op' en 'het
ver brengen'. Wat ze antwoorden op de vraag naar wat ze willen is
slechts de naam van dat stukje van het speelveld waar ze willen
vechten, zich met anderen willen meten, hun geluk willen
beproeven, willen woekeren met het talent dat die bankiergod van
hen hen leende.
Hij wil het spel niet verlaten want hij vreest (terecht) de wrede
omgang van het spel met niet-spelers (wilden en anarchisten
bijv.)
Wie niet speelt en vrij wil zijn wil slechts uit waarheid leven,
dat wil zeggen dat hij zich wil verlost hebben van alle
onwaarheden en leugens, in de vorm van valse voorlichting zowel
als in de vorm van hem aangeleerde verzinsels. Hij wil vrij zijn
van het in het genoemde spel om rangschikking betrokken worden,
wat hij herkent als aangevallen en in gebruik genomen worden.
Hij wenst dat het spel gestaakt wordt, weet dat dat niet zal
gebeuren en kent de reeds genoemde wreedheid van het spel jegens
niet-spelers ook.
'Vrij' is dan ook een woord met meer dan een betekenis.
Het is een misverstand te menen dat spelers en wie uit waarheid
willen leven hetzelfde willen. Ze kunnen niet met elkaar spreken
of samenwerken. Ze kunnen het niet omdat ze het niet willen.
Hoewel het zelden is dat mensen daar txaenz aan besteden, spelers
en niet-spelers kennen elkaars posities, weten van de ander wat
die aan het doen is: op het ni.o.v.n 'hij speelt', 'hij speelt
niet'. Meer hoeven ze ook niet van elkaar te weten. De speler
speelt verder, al of niet proberend de niet-speler te gebruiken.
De niet-speler komt op den duur hopelijk tot het inzicht dat het
even zinloos is de speler te vragen op te houden met spelen als
het zinloos is om de niet-speler tot meespelen uit te nodigen.
Beiden hebben ooit gekozen en blijven levenslang bij hun keuze.
Wie speelt is gedwongen het bestaan van de mogelijkheid om
buitenspel te leven te vergeten, want daaraan denken kost alleen
maar txaenz, die in het spel restloos ingezet moet worden in het
(ook letterlijk) moordende gevecht. In gevechtspauzes wordt veel
van 'een andere wereld' gedroomd, maar die droom is nooit bedoeld
als een beeld van de werkelijkheid die zou ontstaan zonder het
spel.
Niet-spelen en zich ook niet laten gebruiken, dat is alleen in
zeer bijzondere omstandigheden mogelijk. Ik heb die toevallig en
benut ze om beide spelen en niet-spelen helder te krijgen.
Dat is alles. ==/29-30-08-'92/==
Waarheid inspireert niet. Wat er aan waarheid te vinden is is
niet inspirerend.
1. Waarnemen kunnen we introspectief wat voor ons nodig is,
doelen waartoe we neigen: eenvoudig eten, drinken, slapen, dat
soort natuurgegeven doelen. De middelen hebben we geleerd en we
hebben dan ook zin in het ene en walging van het andere. Wie lust
er nu bijvoorbeeld schapeogen. Sommigen in het Middenoosten, zegt
men. Iedereen die denkt treft in zich al voorkeuren aan, die
hoeft hij niet te eerbiedigen, hij hoeft er ook niet tegen in te
gaan, alle middelen die het doel treffen zijn even goed, vanuit
het doel gezien. Onschadelijk voor zijn milieu is niemand, maar
onschadelijkheid is evenmin inspirerend voor wie slechts uit
waarheid leeft als schadelijkheid. Voor wie spelen om voorrechten
is schadelijkheid inspirerend: indruk maken, invloed hebben,
sporen nalaten, opgemerkt worden, voor anderen een factor zijn om
rekening mee te houden, kortom macht, het hoogste
'tussenpersoonlijke' goed, d.w.z. het hoogste goed tussen
spelers, want ongezien schade aanrichten, dat telt niet mee. Wat
niet gezien wordt en wie niet gezien wordt, telt niet mee in het
spel.
2. Waarnemen kunnen we wat we technisch kunnen doen om dat nodige
tot stand te brengen, te bereiken, er in te voorzien. Ook die
gegevens inspireren niet.
Wel beleven mensen lust aan het oplossen van problemen.
Wie niet speelt leeft wel ongeinspireerd, maar niet zonder lust.
Er is een voortdurende schaarste van problemen. Gevonden
oplossingen worden doorgegeven aan kinderen. Die zouden dan
nieuwe problemen en nog onopgeloste oude kunnen gebruiken om aan
het oplossen daarvan lust te beleven.
Zodra echter bij een probleem iemand anders of diens eigendom
betrokken zijn, MAG geen kind het oplossen. Die ander is een
speler die soeverein wil zijn en van zijn bezit moet ieder ander
afblijven, dat is de definitie van 'bezit'.
Vandaar dat men kinderen namaakproblemen voorzet, in de vorm van
gezelschapsspelsituaties en schoolopgaven. In het spelen van
gezelschapsspelletjes blijven de mensen steken, met het maken van
schoolopgaven gaan zeer weinigen door.
De mensen hebben hun leven lang een voor wat betreft het
belangrijke, voor dat wat van levensbelang is, een zoveel
mogelijk stabiel, eender, probleemloos gehouden situatie. Ze
hebben die en wensen die. Ze hebben die want ze wensen die. Ze
streven er naar.
En dat is verstandig, het is een prima overlevingsstrategie.
Maar ze hebben dan onnodige problemen nodig om die lust van het
oplossen te kunnen ervaren. En zoals tijgers in dierentuinkooien
lopen zonder doel, zo lossen de in de civilisatie gevangen mensen
spelproblemen op om hun hersens te laten functioneren, hun doen
is zinloos en dat feit kennen ze. Dat hoeft echt niemand hen te
vertellen.
..==//== vervolg d.d 30-08-'92:
Wie zich beperkt tot het doen van het voor hem daar dan nodige
bij die technische vaardigheden van hem en die beschikbare
middelen en omgeving, die leeft in de civilisatie hiertelande
hedentendage in een te gemakkelijke omgeving dan dat hij nog de
voor het lustvol functioneren als probleemoplosser nodige
problemen tegenkomt.
Oplossingenen die men vroeger in de culturen vond voor dat tekort
aan gegeven moeilijkheden waren:
1. feesten,
2. gemaakte spullen opzettelijk vernietigen
('potlash' = wedijverend vernielen van bezittingen en
'offeren' = weggooien van spullen door ze zogenaamd aan een
of andere god te geven) en
3. voor veel nodigs, zoals huizen niet zoeken naar permanente
oplossingen en duurzame materialen.
De spelers en gebruikten in 'onze' civilisatie hebben ook
feesten, en ook wedijverend vernielen in de vorm van mode, vooral
ook die vrouwen, bijv. op tv, die elke keer andere kleren aan
moeten hebben. Maar in die culturen gaf dat onnodige wegdoen van
spullen nieuwe gelegenheid tot zich bekwaam tonen in het zelf
maken ervan. Dat geldt nu hier niet. Zelfs bloemencorso's geven
aan zeer weinigen werkgelegenheid. Alles gebeurt hiet door
specialisten en met extreem veel gereedschap. De gewone mensen
moeten zich tot kopers beperkt herkennen. 'Ons' weggooien levert
geen oplossing voor ons probleem: het tekort aan nodig op te
lossen problemen.
==//==
------------------
voetnoten:
* Gezien het onder 1,2,3 en 4 genoemde kan iemand die nu denkt en
geschoold, opgevoed, geinstrueerd en opgeleid is, er niet op
vertrouwen dat wat hij aan gewoonten, begrippenapparatuur en taal
in zich aantreft van hem is: alleen dat bevat wat hij zelf buiten
waarneemt en wat hij zelf als nodig bij zichzelf waarneemt.
In zijn begrippenapparaat zitten de gevolgen van wat anderen al
vechtend deden: geheimhouden, zomaar wat vertellen, liegen en
verzinsels invoeren en "waarmaken".
Wat zo'n door de behandelingsinstellingen van de civilisatie heen
gehaalde invalt, aan tekst, emoties (bijv. ergernis of
enthousiasme) en neigingen zal zeer zeker aanvankelijk nog
grootstendeels blijken geschikt en bedoeld te zijn voor deelname
aan het spel.
Door ons heen spreekt [niet zelden levenslang] het geheel dat ons
'vormde' (tot bruikbaren en spelers namelijk). Velen zeggen 'ik
ben gelovig' als ze niet meer bedoelen kunnen dan 'men heeft mij
een om het te geloven bestemd begrippenapparaat aangeleerd'. En
in de loop van hun hebben ze met dat apparaat ook wel eens dingen
die hen overkwamen geduid, begrepen, geplaatst. Bij wat hen
overkwam viel hen die tekst in die met dat begrippenapparaat bij
zulk soort dingen aan te maken is. Ze dachten toen dat dat hun
inzicht, hun inzien, was. Dat is een misvatting: wie met dat
begrippenapparaat die gebeurtenis beschrijft, bespreekt, duidt,
die zegt dat en niet iets anders: hem kan niet iets anders
invallen, niet hij spreekt, maar door hem heen het
begrippenapparaat, het geloof, in kwestie. Wie met een standaard
begrippenapparaat een zaak bespreekt, kan niet zomaar zeggen wat
hij wil. Hij spreekt niet, het spreekt.
Niet kunnen zeggen wat je wil geldt ook voor de waarnemer die
verslag doet van wat hij waarneemt. Je kunt niet de muziek horen
die niet gespeeld wordt, niet de zonsondergang zien midden op de
dag. Soevereiniteit is een illusie, het is een verzinsel van een
waanzinnige, een gek, een verdwaasde. Niet, in dit geval, van een
verdwaasde enkeling, maar van de gezamenlijke geciviliseerden als
massa.
Ja, er vallen hen dingen in die zij willen.
Zouden ze in plaats van naar dat wat hen als gewilds inviel
te gaan streven, hun aandacht richten op wat dat 'willen' dan wel
is, als bezigheid, dan zouden ze zien dat het willen verdwijnt
wanneer de aandacht er op gericht wordt. Niet: wegsmelten als
sneeuw voor de zon, want dan blijft er water over. Verdwijnen,
absoluut niets blijken te zijn, zich een illusie, een verzinsel
tonen.
De vrije wil is iets wat spelers zich moeten toeschrijven om te
kunnen spelen, vooral: om mee te mogen doen.
Rede of vrije wil, dat is de keuze. Ze zijn onverenigbaar.
Redelijk leven of streven, dat is de keuze. Ze zijn
onverenigbaar.
De rede zo ver gereduceerd als ik het in het bovenstaande gedaan
heb, wordt volstrekt veracht door alle geciviliseerden. Een vrije
tijger die honger heeft zal zich redelijk gedragen volgens de
boven beschreven inhoud van dat begrip. Het dier neemt zijn zin
in eten waar, verkent zijn omgeving, zoekend naar prooi, schat
afstanden in, houdt rekening met windrichting, met zijn
zichtbaarheid voor het prooidier enz. enz.. Het dier blijkt
gewoon een intelligent wezen. Het heeft alleen geen
waanvoorstellingen, geen vrije wil, geen 'ziel', het is niet
doeltreffend voorgelogen, niet voor het niet-bestaande bang
gemaakt enz. enz.. Kortom het beest is zo gezond als de
psychoanalyse nog nooit iemand zelfs maar heeft willen hebben.
De tijger is een solitaire jager en het is nuttig het doen
en nalaten van dit dier eens te vergelijken met het gedrag van
Robinson Crusoe, de hoofdpersoon uit een boek dat een lofzang is
op de geciviliseerde mens. De enorme vracht onzin die RC met zich
meedraagt en niet afschaft is duidelijk beschreven. Zo doet hij
bijvoorbeeld alles waar de milieubewusten van nu, nu het te laat
is, tegen zijn.
==/300892/==
0 Reacties