Jaap Schot, 20 mei 2004
Ik gebeur, ik doe mij niet. Dat is, in de moderne (= ná middeleeuwse) wetenschap de juiste uitspraak. ‘Doen’ is een voorwetenschappelijke term en een buitenwetenschappelijke. [Buiten de wetenschap is het maatschappelijk met elkaar spreken en spelen.] Naast het functioneren (dat noemen we: het nódige doen, zoals adem halen, eten, slapen en al dat andere functioneren van onze organen) en het maatschappelijk spelen (‘rangschikkertje’) is er dat ‘Wetenschap bedrijven’, dat zoeken is en vooral: uitzoeken van hoe het gevondene in elkaar zit/ ‘werkt’ (= in oorzaak-gevolg-relaties gebeurt).
Ieder van ons is een genencombinatie (soorten zijn een verzinsel, net als rassen en volkeren en families) die leert (= opmerkt enzovoorts en onthoudt) en via dat aangeleerde (ik noem dat ama, een acroniem?/ beginletterwoord) wordt er gedaan en nagelaten, omdat we andere dingen (vaardigheden en herkenvaardigheden) dan die wij leerden, niet kennen en dus niet rechtstreeks kunnen gebruiken om te voorzien in en te doen wat we nodig moeten hebben en doen.
Als genencombinatie, verpakt (als gekleed) in aangeleerds brengen wij een stroom(pje) txaenz het grote (gezamenlijke, zich spontaan verviltende) gebeuren in. Wij kunnen onze bijdrage aan dat vilt op geen enkele wijze gericht leveren, daarvoor ontbreekt ons de nodige waarnemingsgelegenheid en de zintuigen ervoor hebben we ook niet, terwijl daarenboven die bijdrage van ons te klein is om iets merkbaars te veranderen aan wat sowieso gebeurt. Dit feit maakt alle maatschappelijk streven voor iedereen volstrekt nutteloos, zinloos, futiel, blijk van totale zelfoverschatting, geblaas, poeha. [Misschien is het voor sommigen lust gevend om minderen te hebben, ik heb nooit minderen gehad en ik erken geen meerderen als zodanig, ik herken elke meerdere als alleen maar via de spelopstelling en de gehoorzamers als mogelijk schadelijk, als gevaar. Ik voel me niet veilig in het monster Trotteldrom en ik voel me niet veilig in het vizier van dat monster. Dat is het wat ik te melden heb over de maatschappij, de georganiseerde, gerangschikte massa.]
Nu heb ik het geluk gehad dat ik zonder in een klooster te hoeven en geloof te veinzen, buiten dat monster het overgrote merendeel van mijn txaenz kon blijven en gaan besteden, ja investeren [en wel in inzicht in wat mij, als genencombinatie, lerend in deze civilisatie als omgeving (deze taal, de wetenschappelijke, de maatschappelijke speltaal, de religieuze taal en de voorwetenschappelijke en buitenwetenschappelijke subtalen lerend) overkwam en overkómt].
Ik had en heb de gelegenheid gehad, gevonden en benut om de Aztekentrap naast het plein waarop het maatschappelijk leven zich afspeelt te beklimmen, een beeld voor: afstand nemen en overzicht krijgen door er boven uit te geraken. Ik verhief noch verhef mij op het plein, in het spel, een rang verkrijgend, ik kwam hoger búiten, buiten mededinging, wat soms ‘abstract’ wordt genoemd. Werkloos gemaakt werd ik ‘buiten mijn schuld en toedoen’, buiten spel dus, mijn ongeschikt geworden zijn (dat zij constateerden) werd mij niet als zet (om parasitair te worden) aangerekend. Terecht niet. Ik speelde nooit mee ‘rangschikkertje’. Mijn ‘mij laten scholen en opleiden’ was nooit middel tot dat rangschikkersdoel: ‘het tot iets brengen’. Geen ambitie. Ik had thuis (van Moeder) het besef geleerd door de anderen, via de werkdoorgevers, gebruikt te worden: gebruiksvee te zijn. Dat was een niet goed onder woorden te brengen, toen, daar, besef: KENNEN dat geen WETEN [= precies verwoord hebben, begrépen, in concepten gevat en niet slechts (dat is ‘KENNEN’:) voor gedragskeuze in gebruik genomen] werd, niet toen reeds. Dat WETEN kwam pas zo’n 45 jaar later tot stand: op die Aztekentrap.
Dit WETEN is niet wijd verbreid. Dit KENNEN wel. KENNIS is niet buiten gebruik te houden, wel onbewust, onverwoord en ongeWETEN. Het gebruiken van die KENNIS is nodig om niet te botsen en te wrijven met het maatschappelijk gebeuren.
Diegenen die botsen en wrijven zijn de wetsovertreders en lastbezorgers. Skinner heeft aangetoond hoe leren gebeurt en dus bij gevangen anderen veroorzaakt kan worden. Het gepraat erbij is voor mensen een gelegenheid om in te functioneren als taaldier, wat ieder van ons is. Het spreken is een oppervlakteverschijnsel, zoals het slaken van kreten in sociaal levende en sociaal jagende dieren van andere soorten dan de mens dat ook is. Het KENNEN en reageren op die kennis, dat verloopt er los van: als er een doofstomme onder een auto dreigt te komen, doet ie ook een stap terug. Net als die hond.
Onderscheiden, onderscheiden, onderscheiden!
- Een bevel van een soeverein die zijn wil al dreigend oplegt aan een gevangene / slaaf, is ongelijk aan een doorgegeven noodzakelijkheid, gezien het gezamenlijke ondernemen en de omstandigheden door een leider aan medewerkers, die minder informatie en overzicht hebben omdat het weten en beslissen niet anders dan centraal kan worden gedaan, technisch onmogelijk door allen gedaan kan worden.
- Iedere theorie, ieder model, ieder schema is ‘een stuk taal’ en is los van het ermee begrepene, gevatte, beschrevene. Iedere uitspraak (geschreven tekst) is als beschrijving het vermenigvuldigingsproduct van dat gebruikte stuk taal en waarneming / het besef. Beschrijving = taalstuk x (spreek uit:maal) door een mens genómen gegeven (kennis). Wat niet aan de hand, niet het geval is, kun je niet als kennis hebben, niet waarnemen, dus ook niet melden.
- Iedere eerlijke melding is toch slechts informatie, geen kennis. Wat je hoort zeggen is ‘onder woorden’ en ‘in woord-begrip-combinaties’ gebracht. Geloven is de foute bezigheid zulke informatie op te vatten als ware het eigen kennis. Het is de fout van het angstige dier, dat het op waarschuwingen reageert zonder zelf ook (en zelfs eerst) te kijken. De menselijke orthodoxe gelovige laat zich zelfs ontmoedigen zodat hij er nooit toe overgaat zelf te kijken.
- Priesters en juristen/ politici/ economen/ staatskundigen laten na hun hoorders steeds weer (ja, zelfs ooit) te wijzen op bovengenoemde te onderscheiden ‘zaken’.
- Ook wetenschapstheoretici zijn er zelden op te betrappen dat ze aanwijzen dat het leven vanuit de vooronderstellingen van de wetenschap (zie bijvoorbeeld Van Melsen’s boek van die titel) slechts wordt (door de staat, c.q. door de roomse kerk wérd) toegestaan voor alles wat buiten het maatschappelijk spel (‘rangschikkertje’) ligt.
0 Reacties