Doos vol ‘How to do’-boekjes

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: Robinson Crusoe

Jaap Schot, 8-26 augustus 2003

Betreft:
* natuur - cultuur - civilisatie
* ‘how to do’ - how to behave - how to play
* het LEVEN (= gebeuren, verlopen) van de genencombinatie ín en door het harmonieus functioneren van al de organen er in / er van
* ‘leven’ – LEVEN
* te waarschuwen, uit te nodigen en uit te dagen zijn
* benamingen, begrippen, verhalen, analogieën en modellen
* de dood en het bestaan / het bestendigen

De civilisatie uit, de natuur in
Als Robinson Crusoe, heen en weer zwemmend, bezig is het schip leeg te halen, neemt hij de doos ‘How to do’-boekjes mee, de doos vol etiquette boeken (‘How to behave’) laat hij aan boord, evenals de kist vol afleveringen van ‘Biermerks Boek met Oorsprongen van Ontevredenheid’ [schoolvoorbeeld: het tijdschrift ‘Aller Hande’ van Albert Heyn. Waar al dat getuttel en gekokkerel goed voor is? Voor de verkoop.]
Robinson denkt terecht: “Er is daar niemand, ik moet alles zelf doen en ik heb niemand om mij tegenover te gedragen.”.
Spelletjes tegen de verveling kan hij ook aan boord laten, de natuur is geen couveuse en laat de mens moe, maar niet verveeld achter als deze in zijn nodigs heeft voorzien. Nee, de natuur is ook geen sportschool, niet iedere spiergroep wordt in harmonie met de rest belast, tot ontwikkeling gebracht en onderhouden.
Robinson zal er wijs aan doen het genoegen dat hij van nature beleeft [aan het uitvoeren van zijn oplossingen voor ‘hoe kom ik aan wat ik nodig heb’] niet te verstoren met de nodeloze ontevredenheid, die hem door om markten vechtende vernieuwers in de geciviliseerde wereld is aangeleerd, voor dáár, voor hem als koopkrachtige, niet voor hem als mens, als dier dus, als exemplaar van die diersoort ‘mens’. De natuur voldoet.

Pas als er ten koste van de natuur een soort van couveuse is gebouwd, door de mens (denk nog heel even aan Robinson, maar hou niet aan hem vast, hij is slechts een gebruikte romanfiguur) voor zichzelf, zít hij (die couveuse, die veldjes met voedingsgewassen die hij de andere dieren niet gunt, enz.), te bewaken. Hij heeft zichzelf tot vogelverschrikker gereduceerd gedurende het grootste deel van zijn tijd. Cultuur heet dat.
Bij de bewaker – de vogelverschrikkende wachter -, slaat de verveling toe die bij het gevangen zijn behoort. De mens die bezit heeft zich gevangen gezet bij zijn bezit.
Tegen de verveling is er het spelen. Spelen is: het doen van onnodigs [= van dingen waarbij de natuur geen ‘how to do’ aangeeft, bij ’s mensen proberen] om hetgeen voor de ontwikkeling en instandhouden van de organen (de spieren, de hersens) ‘biologisch’ nodig gedaan moet worden ín te doen. Waar de natuur niet aangeeft wat en hoe te doen, verzint de mens zelf iets: hij stelt regels en een doel en hij heeft een spel.
In het doen van dit onnodige (spel) wordt hetgeen (van binnen uit, vanuit het zo-zijn van de genencombinatie) nodig gedaan moet worden (en als zodanig, als nodig dus, (her)kenbaar is aan: dat het bij doen lust-, bij nalaten onlustgevoelens geeft), gedaan, deels.
[De tijger moest in de natuur lopen om partner en prooi te vinden, voor zijn spieren moet de tijger nu lopen, ook al zit hij in de dierentuin of in het circus: hij moet (i.c. lopen) “naar twee kanten”: 1. naar binnen om te bestaan als tijger en 2. naar buiten, in de natuur tenminste, om partner en prooi te vinden.]
========
De mens is niet ‘geschapen’ / ’geschikt’ om wonen, laat staan om te zitten [dus bijvoorbeeld ook niet om te bezitten (= zitten waken bij wat hij voor zich claimt, opeist) en niet om op een troon te zitten (zich de invaliditeit in te laten dienen / verzorgen / verslappen / van initiatief ontdoen, zoals Koning Klant bijvoorbeeld) of in een gevangenis of in een verpleegtehuis].
==========
Kwaadaardige woekering.
================
De mens die zich tot zitten bracht, ging (uit verveling, tegen de saaiheid) spelen. De mensen die op de oogst wachtten gingen met elkaar spelen.
Die spelletjes namen te grote lengte (duur) en omvattendheid (omvang) aan, door spelen verworven posities werden zelfs overdraagbaar aan zonen en dochteren: kortom: de hele ziekte die ‘traditioneel samenleven’ heet. ‘Ziekte’, want het spelen werd na enige generaties niet langer (niet meer) als zodanig, als spelen dus, gekend, erkend, herkend. Men was er niet van wég te roepen, zoals een spelend kind is weg te roepen van zijn spel, om te eten.

‘How to behave’ boeken bevatten de waarheid omtrent hoe zich in het subspelletje ‘deftig zijn’ te gedragen, hoe te reageren op situaties in dat spel, wat in dat spel na te streven (hoe daar de doelpunten worden gemaakt). Gescoord te hebben weet men er door lof en erkenning. Er komt geen niet meespelende werkelijkheid (“natuur”) bij te pas. Er wordt zelfs geen bal aangeraakt.

De teksten in de serie “How to do - boeken ‘Voor hobbyisten en kunstenaars’”, wijzen aan hoe onnodigs succesvol gedaan kan worden. De natuur erkent niemand, kan slechts het succes niet verhinderen zomin als het succes door haar geschonken kan worden. De natuur speelt niet mee, kan ook niet bedriegen.
==============
Wij hier leven in de dwaasheid van het individualisme: de eenzijdige en overdreven waarde, die wordt toegedicht, niet toegekénd (niet door waarnemen, kennen, vast aangetroffen dus) aan het (dus elk) exemplaar van onze soort. [‘Dichtung’ keine ‘Wahrheit’, fictie, geen feit.] Die waarde is (volgens de propaganda) absoluut, nergens op betrokken, het is geen waarde voor iets of binnen iets of samen met iets, het is absolute waarde. En dat slaat dus nergens op. Het is feitelijk onjuist dat ergens een los individu zou kunnen overleven, laat staan leven, laat staan LEVEN. Het individualisme is gewoon het ‘alleenheersertje’ spelen door iedereen, de gelegenheid daartoe beschikbaar voor iedereen. De burgerman nam zijn kraaltje mee van de kroonluchter in het paleis van de onthoofde koning: iedere burger had zijn splinter soevereiniteit. En de kinderen erfden dat mensenrecht, zonder erg, zonder inzicht in de herkomst van deze dwaasheid: die herkomst was: de waanvoorstelling die de onderdaan zich van de koning had gemaakt, om zichzelf zijn gehoorzamen en bewonderen te verklaren.
===========
De enkeling weet niet wat te doen, niet jegens zijn eigen lijf, niet jegens anderen, niet jegens het andere. Dieren leren. Van díe dingen, die slechts door grote schade op te lopen, door de enkeling als ervaringskennis zijn op te doen, dient men de kinderen op de hoogte te stellen. “Die paddestoel is niet te eten.” Punt uit. In mijn tijd nog is er een aantal jaren geweest dat de haring niet rauw te eten was: aaltjes. Het zou massa’s ellende opgeleverd en geld gekost hebben als ‘men’ deze mededeling in de wind had geslagen en tóch gegeten had. DOM doen maakt niet gelukkig en is geen ‘vrij zijn’. De ontogenese kan niet een exacte herhaling van de fylogenese zijn. De soort, de taalgemeenschap, de stam leert, niet slechts het individu. Onderwijzen is natuurlijk gedrag, “een kwadratuur van leren”. Het gezonde mensenkind is van nature geneigd wat de moeder zegt, te doen, wat ze aanbiedt te eten, te drinken, waar ze het van weerhoudt, niet telkens wéér te doen. Dat is geen op het goede gerichte vrije wil, dat is gebeuren dat ‘evolutionair gezien deed overleven, leven, LEVEN’. [Let op: ik besef dat dat slechts het tegenwoordig gangbare verhaaltje is, van dezelfde rang als het vroegere verhaaltje van die (door God) op het goede afgestelde vrije wil of welk oud of nieuw verhaaltje dan ook: een verhaaltje is een verhaaltje, is een mnemotechnisch hulpmiddel: een steun en stut bij het onthouden van ‘feitelijkheden’, dingen die voor waar gehouden dienen te worden, waarom dan ook.] Veilig wie ’t voor waar durft houden, ook wanneer zijn oog niet ziet. Ik herinner me dat er een jongetje van vijf jaar verdronk bij mijn huis, doordat het zich op het te dun geworden ijs begeven had. Het kind heeft nooit geweten hoe dat zit met ijs na een vorstperiode.

OVER POLITIEK
Vannacht te kort en te slecht geslapen: om 8 uur kwamen immers de dakdekkers. Met hun deskundigheid, hun materialen en hun gereedschappen: zo’n steiger op wielen naast het huis, enz. Leuk, nee interessant en inspirerend om te zien. Geen zinnig mens zou deze overvloed van specialismen en specialisten vervangen willen zien door gevaarlijk en ondeskundig werkende mensen die het eenmalig zouden doen: hun eigen eenpersoonsprobleem oplossend.
Specialisatie is echt positief, evenals het bouwen van permanente huizen. En de aanklevende problematiek is:
1. dat iedereen afhankelijk is van ‘ de anderen als specialisten’,
2. dat er te weinig door de natuur wordt afgedwongen aan ‘arbeid’ om de aanwezige mensen allemaal moe te maken, na het doen van het nodige aan rusten toe, dus,
3. dat binnen de in de vrije tijd met elkaar gemaakte pret ook betaald moet worden, om der wille van het eenvoudig en hanteerbaar houden van het ‘economische systeem’ waar het ‘kopen – verkopen’ in de plaats kwam, is en blijft, van ruilen. Om de overtollige txaenz van wie arbeiden én van hen voor wie niets te doen was, op te maken, huppelt de werker in de amusementsindustrie: zijn/haar huppelen is moeizaam en zwaar werk, waarbij de schijn van vrolijkheid wordt opgehouden en alcohol en andere drugs massaal worden ingenomen om zich ongevoelig en onwetend te maken van de feitelijke vreugdeloosheid die het huppelen tot afgedwongen arbeid in gehoorzaamheid aan soevereine bevelen maakt, vernederend ook, niet alleen onecht.

Nodigs ‘technisch – goed’ doen is inspirerend.

Het succes is juist voor de deskundige zelf waarneembaar bij het zien van het resultaat van zijn arbeid, van zijn vaardig bezig zijn.

Voor die waarneming is applaus het surrogaat.

Waar goedkeuren plaatsvindt, blijkt de arbeid slavenarbeid geweest te zijn. Degene die nodigs doet is met zijn onderwerp bezig, niet met zijn klant. Betaald worden voor het doen van nodigs is een dwaasheid, een nonsens, die ook weer gebeurt ten behoeve van het onovertroffen (koop – verkoop) geld – txaenz - circulatiesysteem, als veredelde vorm van ruilen.
Tegen betaling onnodigs (moeten) doen is vernederend, is slaaf-zijn, gebruiksvee zijn, circusaapje. Bij onnodigs tegen betaling zien wij dat de vermakers (animeerders, amuseermensen) zich steeds verder vernederen: naakt meisje dat achterovergebogen op handen en voeten staat en als tafeltje dient voor de klanten om uit haar kruis oesters te slurpen. Illustratie uit een normaal (= niet porno) tijdschrift.

Privaat bezit van productiemiddelen en deskundigheid/specialisatie: het wérkt en levert het nodige en van goede kwaliteit, als er maar geen storende factoren werken, zoals monopolies.

Dit alles is er gekomen door een proces van veranderen, dat het best beschrijfbaar zal blijken met de termen uit de biologie: zoals in Australië het hele ‘geval’ er was, bemand met buideldieren, was het er elders bemand met ‘gewone’ zoogdieren en is het er ‘in de maatschappij’ bemand met mensen. De roofmens, de prooimens, de parasiet, de symbiose, het als een webspin wachten op klanten, het als een jachtspin achter klanten aan gaan, enz. enz..
Dat alles is aan gene zijde van goed en kwaad, het is gewoon biologie. Maar: met de gekte van ‘aller zoogdieren broederschap’ of zelfs ‘aller dieren broederschap’.
De mensen leven niet ‘als wolven onder elkaar’, nee, ze leven als zoogdieren onder elkaar. “De leeuw en het lam zullen samen weiden.” Wanneer dan? Zodra ‘de mens’ zich boven het historisch gegroeide, geëvolueerde zo-zijn van zijn ‘samenleving’ verheven heeft, zich er aan heeft ontworsteld. Die mens die nu in de maatschappij is wat de leeuw is in de savanne, hij die leeft van de weerloze anderen, zal met die weerlozen in vrede, niet langer ten koste van hen, leven. Het moge toch evident zijn dat de profeet niet de bedoeling had de schepping van zijn God te kritiseren. Het moge minstens duidelijk zijn dat wij als lezers dat wat in de natuur gebeurt niet naast een zedenleer voor ‘tussen ons mensen’ zullen leggen. Er is niks mis met de leeuw, zoals er ook niks mis is met het eten van vlees door varkens of mensen (door omnivoren) dus. Dat is natuur, dat is aan gene zijde van goed en kwaad. Van die waan dat men in het volgen van spijsvoorschriften het Goede (God) zou kunnen dienen, verloste Jezus nu juist zijn tijdgenoten. Er is niks mis met vlees eten, maar met het leven ten koste van je medemensen.

Ja, ze geloven niet (meer) in God hè, en de Bijbel is een raar dik boek. En geschiedenis was een keuzevak en de leraar ervan een lul. En zo is het gekomen. En die andere programma’s op televisie zijn zo interessant en worden morgen op het werk besproken, nou ja, genoemd.

De protestanten zongen uit de bundel van 1938 in hun kerken:
“Wat God doet, dat is wel gedaan, Zijn wil is wijs en heilig, ‘k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan, die hand geleidt mij veilig..”
Nu zingen al onze regeringen al tig jaren:
“Wat Kaka doet is wel gedaan, ’s Markts wil is wijs en heilig. Als ’s klanten wens ons voor zal gaan, dan vaart het staatsschip veilig.” Kaka, de lezer vatte het reeds, is: Koning Klant, de erfgenaam van HET op God geprojecteerde onderdrukkersattribuut: SOEVEREINITEIT.
De klant heeft altijd gelijk en niemand kan het de leverancier kwalijk nemen dat hij de wens van de klant om den brode, ter winstmaximalisatie om preciezer te zijn, vervult en dat ‘beter’ (in erger vernederende en de natuur schadende wijze) dan zijn concurrenten.
Die waanzin komt dus uit de geschiedenis en is ván de theologie óvergeschreven de economie in, omdat de theologie was aangevallen en overwonnen door ‘de moderne wetenschap’ / ‘de Verlichting’ (Aufklärung).
De liberaal (VVDer) is gewoon een afgodsdienaar naar Christenschaapachtig model. Hij leeft en gelooft in de dictatuur van de gebruikende gebruikten: de middenklasse. Hun vrijheid is keuzevrijheid en vrijheden (= niet langer toegepaste manieren van frustreren en binden). Hun model voor werkbeoordeling is die van het bordeel: “zijn de klanten tevreden?” als hoogste en enige criterium. Alle werk heeft voor en door en bij hen de karakteristieken van prostitutie.
Onder ‘individu’ verstaan ze ‘apperceptieve massa aangeleerds’. Ze zijn vooral géén dieren, vraag het hen maar. Het cadeautje van de priesters aan de gebruikten (de superioriteit ook van de slaaf, jegens alle andersoortige levenden) hebben ze netjes gehoúden.

Dit liberalisme is het geloof van alle sekten die politieke partijen heten. De staat kan zijn uitkeringen ons ontnemen en onthouden, zoals ‘God de Dader van alles wat gebeurt’ ons de oogst kan onthouden door het slechte weer dat Hij doet. De staat is slechts de uitvoerende instantie van de markt. Dat geldt onder elke coalitie. Hoogstens wordt enig reageren op de markt toegevoegd aan dat uitvoeren en meegaan.

OVER ‘WERK’

Eerst definiëren, nu ja, onderscheiden en apart benoemen:
1. een oeuvre aanmaken
2. aan soevereine bevelen gehoorzamen
3. bruikbaars maken van natuurgegeven onbruikbaars [MENSENVOEDSEL MAKEN UIT AARDOLIE dat zou wel iets zijn, naast en/of in plaats van vervoeren, conserveren en bewerken van natuurproducten]
4. zich verdedigen tegen parasieten en nodigs weggrissen voor de neus en klauwen van concurrenten: vechten in het biologische om het als nodig in zich waargenomene [water, lucht en ‘reeds door anderen aangemaakte biomassa’, gelegenheid tot bewegen, enz.].
5. enz.

Over LEVEN (en leven en overleven)
Ooit zag ik in de dierentuin in Antwerpen een adelaar in een op de grond staande kooi van niet meer dan driekwart meter hoog en zo klein dat het beest er alleen maar in kon, verder niets, niet lopen, niet vliegen, niet doodgaan. Dat was fout. Een arend moet gelegenheid tot vliegen hebben, zoals een tijger en een beer een groot ‘eigen’ terrein [‘territorium’] van ettelijke vierkante kilometers nodig hebben om tijger of beer in te zijn. In de loop van de evolutie hebben diersoorten organen gekregen (opgelopen, ontwikkeld) die in ieder exemplaar moeten kunnen functioneren opdat
1. het ecosysteem als geheel zal functioneren / voortbestaan
2. het exemplaar in kwestie zal LEVEN (wat van leven en overleven te onderscheiden is door LUSTbeleving).
========
Moet dat dan, 1. en 2.? Ja, dat moet. Wat is de kracht van deze vraag? Het is de vraag naar de zin van het leven, een vraag die er niet ‘om te beantwoorden’ is, maar als bewijs van het bestaan van lege woordopeenhopingen. Het leven heeft alleen zin, als het (weer of voor het eerst) tot LEVEN kan worden; wat onder andere betekent dat verplegen/ verzorgen slechts ‘zin’ heeft en ‘goed’ is, als er genezing, weer kunnen LEVEN dus, op (en door!) kan volgen.

Over werken nu dus weer
In het voorgaande is te lezen dat het “willen” hebben van ‘werk’ [ = de gelegenheid om (het hebben van) txaenz om te zetten in (het hebben van) geld] berust op het nodig hebben van geld voor wie binnen het economisch systeem in ‘onze’ vorm leeft. Voor wie een voorraad geld of een recht op een uitkering heeft bestaat er geen ‘behoefte’ van binnen hem uit, geen natuurlijk nodig hebben van ‘werk’. Een doel hebben, dat doel nastreven en slagen kan een mens ook zonder dat er een ander bij betrokken is om te betalen en/of te applaudisseren, moeiteloos. Alleen (= in hun eentje en met alles wat daar toevallig is) spelen moet kinderen worden afgeleerd, ze kunnen en doen het ‘van nature’. Het moet hen worden afgeleerd in het kader van ‘hen tot gebruiksvee maken’.
Waar komt de noodzaak vandaan om van de kinderen gebruiksvee te maken? Die noodzaak komt van het feit dat het nodige voor het grijpen ligt en kinderen, als dieren, als de dieren die ze zijn, dan gewoon nemen: tot het op is wordt de output van de fabrieken meegenomen en verbruikt, zoals de appels en andere vruchten die aan de bomen en zo gegroeid zijn. Veel vrij levende roofdieren doden pas als het aas op is. LUI heet dat in de propagandataal voor deze civilisatie. Er zijn prachtige films van hoe jonge katachtigen nadat ze vlees hebben leren eten, gekregen van mama, leren doden en dan leren jagen. Heel systematisch opgebouwd onderwijs. Echt onderwijs, waarin wie leert ván een verzorgde, afhankelijke tot een ‘zelfstandige, in eigen nodigs voorziende’ wordt. Dát is de richting in natuurlijk onderwijs.
Een jong katje dat er geen les in krijgt, leert niet jagen, doden, voor zijn eigen eten zorgen, ‘eigen’, gekregen, opgelopen, jongen verzorgen en onderwijzen.
Mensen leren / onderwijzen dat al vele generaties niet meer en nu moeten de laatste onder vrouwen bewaarde resten ‘eigen vrij kunnen’ kapot, breien en inmaken en kinderen grootbrengen, zoals aan het eind van de middeleeuwen de kennis der vroedvrouwen en vrouwelijke geneeskundigen door heksenvervolgingen overgebracht moest worden in handen van de opkomende mannelijke artsenstand. Alleen om geld van de belastbare rijken te besparen wordt het zelf verplegen van ongeneeslijke zieken nog door CDAers én VVDers aangeprezen. Het systeem zit daar boordevol werkgelegenheid en daaraan is een tekort, maar dat heeft even iets minder prioriteit dan ‘belastingen en premies laag houden’.

Wie een inkomen heeft dat voldoende is om te kopen hetgeen nodig is om als dier te LEVEN zal, - als genencombinatie (vrij van “zijn” apperceptieve massa aangeleerds) -, niet tálen naar loonarbeid of naar het scheppen van een oeuvre (dat wordt immers ter tentoonstelling aangemaakt, hoort binnen het spelletje ‘rangschikken’).

Wat wil ik nou zeggen over werk?
Antwoord: als je geen loonarbeid kunt krijgen die jou inspireert [wegens de afwezigheid van inspiratie bij jou of van open werkplekken/banen/posities, let wel” concurrentie en competitie zijn onfatsoen!] mijd ‘werken voor een baas’ dan, zo mogelijk.
Gevaar: dat je je de medische molen binnen laat schuiven en/of andere door derden betaalde ‘molens’, die jou kunnen schaden. Je bént niet ziek, maar werkloos.
Werken is geen religieuze, morele of ethische plicht,
werken is: gebruikt worden, door lieden die parasitair leven en de anderen voorhouden: ‘Gíj zult níet stelen’ (daarachteraan denkend: wíj wel, dat is ons voorrecht, wij noemen het ‘leiding geven’).
Het is een erecode voor gebruikten die niet in de gaten willen hebben wat hen overkomt, te denken: “ik wil niet van de bedéling leven, niet ten koste van anderen leven, zelfstandig met eigen handen mijn kost verdienen [= anderen dienen in gehoorzaamheid aan hun boven mijn twijfel verheven grillen en fratsen, mode en zo]”. [Hier ligt het ergerlijke punt dat sommige vrouwen ‘emanciperen’ gelijk stelden aan ‘zelf ‘werk’ nemen’: loonslaaf worden. Het is een misverstand te menen dat een ondernemer / werkgever iets anders doet dan dienen: hij geeft aan werknemers bevelen (op het komen waarvan hij gokt) door aan werknemers. Wat bedoelen ze met ‘vrije beroepen?’ Ik weet het niet.]
* Ze willen geen parasiet zijn, die gebruikten met die erecode (schoolvoorbeeld premier Kok ooit voor televisie, diefstal moréél verwerpelijk achtend, in totaal onbegrip dus); maar ze staan toe dat ze uitgezogen worden door hun ‘nobele’ diersoortgenoten, die hen “leiden”.
* Ze willen volledige werkgelegenheid én overwerk én competitie om banen.
* Ze willen ook: (zelf en iedereen die dat “wil”) een kansje kunnen (laten) wagen om zonder werken rijk te worden en dan ook zo te gaan leven als hun, kennelijk bewonderde en/of benijde parasieten. [Onlangs nog werd in het jeugdjournaal de kinderen onderwezen wat te doen met een prijs uit de loterij van 63 miljoen Euro. Krankzinnig gaan consumeren: eigen straalvliegtuig en eigen lange auto, enz. enz. Puur onderwijs in ‘der waanzinnigen consumptie’.]

Er is niets eerbaars aan loonarbeid. Het is bezig zijn binnen het systeem, dat weliswaar niet gemaakt is en niet gedaan wordt, maar slechts gebeurt en ons overkomt, maar dat verandert niets aan de zaak.

TERUG NAAR HET ONDERWERP ‘POLITIEK’
De Aufklärung was een gebeuren binnen de mensengebruikerij. Wat eender bleef was dat de mensen gebruikt werden en als schapen in door andersoortigen geleide kudden (massa’s zonder structuur en taakverdeling) leefden: ze kwamen door de verlichting niet tot LEVEN, ze kregen hun hachje niet terug in eigen handen of gaven het snel weer af aan een Bommel. Constant was niet het beeld van de god, maar de mentaliteit (= de gezamenlijke memen of ‘geesten’, al of niet boos waardoor ze bezeten waren) der mensen. Ze ervoeren en ervaren zich als overgeleverd, aan Gods wil niet langer, als verlichten, maar aan ‘de markt’ dan. Wat eender bleef was hun mentaliteit, hun aanvaarden van soevereiniteit ergens, zo niet in God, de zorgende schepper, dan maar in het toevallige veranderen, de evolutie. En ja hoor, zoals God als ‘goed’ gedacht ging worden door wie zich aan Hem overgeleverd voelden, geloofden, zo wordt de evolutie als vooruitgang gedacht, ervaren, opgevat. De technische ontwikkeling (nee, niemand denkt nog aan het hier gebruikte beeld, van het reeds in gevouwen toestand aanwezig zijn van wat er door ontwikkeling zich ontplooit) wordt als vooruitgang ervaren. Als een gebeuren buiten ieders macht, het streven in wedijver wordt gezien en ervaren (terecht) als een spel zoals het schaakspel: geen der spelers is de schepper en/of bedoeler van het spelverloop, dat voor alle spelers ongewenst kan zijn (in vorm en kwaliteit) en eindigen.
SAMENVATTEND: de soevereiniteit en de afhankelijkheid / het overgeleverd zijn en dat weten, die bleven. En ook het bijpassende (instandhoudende en veroorzakende) beoordelend opzij kijken naar de oppervlakte der dingen die langskomen. Het is opvallend dat juist ten aanzien van het sociale, in de sociale wetenschappen dus, dat door de oppervlakte heen het HOE onderzoeken zo zeldzaam was (Skinner was een groot man) en zo stelselmatig buiten gebruik en zo mogelijk zelfs buiten bespreking werd en wordt gehouden.
De schaapachtigen blijven in ‘koninkje spelen’ steken. De vraag ‘Wat is er aan mij van mij’, ‘waar komen mijn wensen vandaan?’, ‘ga ik echt doen alsof ik die massa aangeleerds bén in plaats van met “mij” MIJ te bedoelen, nee, niet die genencombinatie, maar die postuleerbare en door txaenz erdoorheen te voeren tot bestaan te brengen ‘gedachte’ “”geest””, die vrij is, NIET TEGENOVER die genencombinatie, naar wél tegenover die apperceptie dicterende massa aangeleerds, dat is: wél tegenover het verleden, dat zich via mijn opvoeders / omlevenden aan MIJ, de levende, die LEVEN moet, dus zonder buitenbesturing functioneren (volledig en harmonieus) moet, opdringt als buitenbestuurder.

De Aufklärung is er tegen de buitenbesturing, maar kreeg uiteindelijk slechts de natuurwetenschappen, het omgaan met wat geen menselijk vee is, als terrein om op te gebeuren. De mensengebruikerij ging door, alleen de middelen, de technische en zelfs de organisatorische en onderwijstechnische veranderden. En dat is de narigheid. Het wezenlijke bleef onaangetast.

KEUREN, loven, laken, favoriseren (de voorkeur geven): MEKKEREN.
Parasiteren is een biologisch verschijnsel, een natuurverschijnsel dus, en als zodanig buiten alle morele velden, onkeurbaar, niet goed te keuren, niet af te keuren, niet te keuren. Zo min als de regenboog mooi of gekleurd is, dat zijn toevoegingen van keurende, resp. kleuren ziende lieden.
Het uitspreken van zulke toevoegingen is MEKKEREN.
De meeste bijvoeglijke naamwoorden zijn verdacht.

een lofzang op onze correspondentie
========================
Mekkeren
Mekkeren is het geluid van de geit, een prooidier. Ongelijk aan wat het bovenstaande aangeeft dacht ik bij ‘gemekker’ aan het zeggen tegen de ander in de buurt: “kijk, een ………… , mooi hè” en alles van gelijke structuur waar tijdens reizen met gezelschap je gedachten door beschadigd, onderbroken en verdrongen worden. Het wezenloos gezellige verbale vlooien. Ik fiets om te bewegen, niet om daar te zijn, ik fiets altijd een ronde of rondje, het begint en eindigt thuis. Maar bewegen moet ik, net zoals de tijger in de dierentuin dat moet: niet om den brode, maar om niet al te snel aan slijtage door onbruik te gronde te gaan, waarom eigenlijk niet? Nou omdat het zo onaangenaam is om te creperen. Nee niet omdat er een kans is ooit terecht te komen in omstandigheden waar leven mede bewegen is en daardoor op LEVEN gaat lijken, op dat punt. De gevangen lucht zich. Dat is wat er gebeurt. En dat wijzen op die haas, die bloem, die bewegende molenwieken, zijn restanten, rudimenten van het elkaar als in een groep jagende dieren relevants in de omgeving aanwijzen. O.K., de ander is ook gewoon een gevangene, die zich lucht.
Zoals de lezer merkt, ben ik best bereid het goed te praten, maar het ergert me, ik erger me en daar kan ik niks aan doen! Help!
De hele nieuwsdienst en de hele volschrijverij (van de ruimte tussen de advertenties) die ze journalistiek noemen.

Het werkt allemaal volgens hetzelfde schema: je bent niet samen op jacht, er is geen gezamenlijk kader waarbinnen het doorgeven van de opmerkingen past. Er moge een eenpersoonskader zijn, maar daar kan verbale communicatie niet in passen.

Een ander voorbeeld dan de haas in het weiland waar zo nodig naar gewezen moet worden met woorden, is de oorlog in het middenoosten of elders. Het incident in die oorlog dat die dag in het nieuws was, was al irrelevant genoeg voor mij. Ik ben niet betrokken. Ik weet twee oplossingen, die zij die beslissen geen van beide uitvoeren:
* De vijand ertoe brengen zich voor geld van oorlog voeren te onthouden
* De vijand met alle kracht aanvallen met als enig doel deze uit te roeien.
De gebruikte ander methoden werken niet, zoals bekend is. Met bewezen-onwerkzame methoden werkende anderen hebben mijn belangstelling niet. Zij zijn in de uitsluitend door soevereinen bewoonde geciviliseerde wereld (minstens die lui die op het wereldtoneel de beslissingen en beslissinkjes nemen zijn binnen het spel soeverein) ‘de bronnen van dat wat gebeurt’. Ze vormen het spelverloop mede, zoals schakers dat doen, ze kunnen dat gebeuren niet naar hun hand zetten, het wereldgebeuren overkomt hen evenzeer als mij. Het is hun spelletje, niet het mijne, ik ben geen speler, geen enkel ‘fiche’ is míjn fiche.
Het nieuws is een poging om in mijn bewustzijn wanen binnen te schuiven. Daar pas ik voor. Daar pas ik al tig jaar voor en dus is er in mijn bewustzijn een structuur die een stroom van gedachten aanmaakt, een stroom die door van die niet passende berichten gestoord kan worden.
Zonder het te kunnen weten, vermoed ik dat er mensen zijn die niet zo’n te storen stroom aanmaken (in zich aangemaakt krijgen), voor hen zijn de berichten enzovoorts via al die media welkome vulling voor hun bewustzijn. Het zij zo, voor mij zijn het storende dingen. De media dringen zich hier nu niet zoals in 1984 en Brave New World onontwijkbaar op, anders wordt het als de schijnbare medemens zich als een naprater of mediumopener gedraagt waar ik bij ben.
Dat is het hele probleem.
In een correspondentie zullen altijd stukken zitten die voor de geadresseerde net zulke rommel zijn als dat wat via de media naar buiten komt (het advertenties en commercials begeleidende braaksel, woord en beeld). Maar dan is het aan de geadresseerde om met die stukken als met media-output om te gaan. Dat levert géen probleem. Prietpraat wél.

Ik merk dat het onderwerp nog niet uitgeschreven (c.q. in mij uitgewoed) is. Eergisteren zat ik in de trein en keek naar de vreemde mensen om mij heen. Lezen, met elkaar, c.q. met hun telefoontje bezig zijn. Het is ook een situatie: je bent een levend dier en het is dag, je bent wakker, en je wordt vervoerd als stukgoed. Maar weinigen slagen er in te zitten slapen.
Terug naar mijn onderwerp: ik besef dat ik niet kan weten wat de stroom van bewustzijn in de ander is, inhoudt. Ik denk ook wel eens iets heel anders dan ik mijn gezelschap laat weten. Ik denk dan drie dingen:
* Mijn echte onderwerp
* Dat de ander daar geen moer mee te maken heeft
* Dat de ander X wel zal willen horen of minstens accepteren.
Dan zeg ik dus X en het is voor de ander echt onmogelijk achter mijn echte onderwerp te komen en voor mij om ongestoord aan en over dat echte onderwerp van mij daar dan te denken. Die ander is geen nabije, maar een vreemde. En dat is iedere ander voor iedereen vaak en veel, vermoed ik. Wat ik ook vermoed is dat er anderen zijn die niet zo’n echte eigen onderwerp daar dan hebben, maar op buitenbesturing voor wat betreft ‘bewustzijn vullen’ staan. Wat hun onderwerp daar dan is, heeft uitsluitend met hun omgeving en hun zintuigen te maken. “Alleen infrarood en ultraviolet ontgaan haar”, denk ik wel eens van sommige vrouwen bijvoorbeeld. Maar ik erken dat zulks overdreven is, ook veel geuren en het onhoorbaar zachte, hoge en lage geluid ontsnappen aan haar ‘aandacht’ genoemde oplettendheid. Zo iemand is op jacht, naar moois, naar wat te loven of te laken, kortom te keuren is, te waarderen, te beoordelen, te veroordelen, te vergelijken, met iets anders dat aanwezig is of met iets anders dat gedacht is, verzonnen, aangeleerd als wensplaat (norm) naast wat waar en wanneer dan ook wordt (zal worden) aangetroffen.
Trek van de teksten van zo iemand het aanwijzen en het beoordelen (de bijvoeglijke naamwoorden) af en hij/zij is stil. Als geheugensteun: wat hij/zij zegt is: kijk, weer zo’n teringhaas.
“Kijk, weer zo’n teringhaas.”
* “kijk” laat jou niet met rust
* “weer” is standaard: het verleden (c.q. de omgeving toen) van de spreker wordt erbij gehaald, alsof jij daar iets mee te maken zou hebben; als je laat merken het niet te willen weten, word je ontbrekende belangstelling voor de spreker (wauwelaar, prietprater) verweten
* “zo’n” de schijn van algemeenheid, maar in feite het zich de gelegenheid geven voor het erbij slepen van een anekdote
* “teringhaas” in de woorden waarmee benoemd, aangeduid wordt, reeds, zit een vracht oordeel: er zijn bij nader bestuderen erg weinig woorden onder de door zo iemand gebruikte die niet zo’n oordeel in zich dragen.
===========
De ellende begint als je de vraag ‘waarom moet ik dat weten?’ stelt, in welke vorm en ten aanzien van welke prietpraat dan ook. Ineens wordt gedaan alsof het prietpraten de meest respectabele, serieuze en sublieme vorm van zich kenbaar maken voor de ander zou zijn en dat jij met je plompe geestespoten daar overheen loopt. Gekrenkt is deze ander, die hoort, terecht, dat jij eigenlijk zegt: “godverlaten onbenul, hou je bek of zeg iets zinnigs”. Dat is inderdaad wat ik bedoel.
“Zit hier niet een mens te imiteren, met deze tekst gaat dat niet.” Het is natuurlijk kul dat die ander niet anders zou kunnen (leren), als ik een ‘mongool’ (Down syndroom moet je tegenwoordig zeggen) hoor praten, stel ik die eis van zinnigheid ook niet. Leve de Josti band, maar weg met ‘Lagerhuis’ als U begrijpt wat ik bedoel. Ik zou niet kunnen meespelen, zelfs niet in het allereerste oefenorkestje. Ik maak dan ook geen muziek en zing ook niet ‘voor anderen’. Ik kan me best wijsmaken dat ik enige muzikaliteit had kunnen oplopen of ontwikkelen, als dat thuis mij omgeven en men mij als klein kind aangespoord had. O.K.: ik werd een pratend, sprekend, schrijvend dier (mens). Nu heb ik zelfs de beleefdheid mijn naasten niet met mijn teksten lastig te vallen, ze verzinnen het zelf maar en ze hebben hun journalisten en auteurs, ze zijn reeds zeer gelukkig. Ik hoef niet en zij hoeven mij niet: de populaire teksten lijken in de verste verte niet op wat mijn tekstaanmaker aan mijn geestesoor laat horen.

Alleen jegens mijzelf wens ik die bescheidenheid van de ander, dat respect, om mij niet lastig te vallen met tekst die de kwaliteit heeft van mijn muziekspel, geen ‘kwaliteit’ dus. Ik wil zelfs geen goede, voor mij niet te beoordelen, niet te vatten, niet te verstane muziek opgedrongen krijgen. Ik dring anderen ook geen ‘goede’ boeken en zo van derden op.
“Laten we zacht zijn voor elkander”, het lot, het toeval, maakte onze apperceptieve massa’s, hier gaat het met name om onze aangeleerde vaardigheden, verschillend, evenals onze geheugeninhouden. Laat ons zorgvuldig zoeken naar ‘een toon die voor (de ander) zijn oor te vernemen is’, zoals het in dat lied gezongen wordt. En zoals een eerdere vriendin (E.) het uitdrukte, geconfronteerd met míjn ‘doofheid’ voor háár non - verbale ‘uitzending’.

“Wat is liefde?”. Beter (dan te proberen zo’n rechtstreekse vraag te beantwoorden) is (nu ja, komt mij voor te zijn) het opsommen van vele ‘dingen’ / gedragingen, die er in ieder geval géén uitingen van zijn, zoals, hierboven uitgeschreven, het de ander wrijven over het gehele oppervlak van jouw toevallige zo-zijn. Met andere woorden: ‘de ander kennis te laten maken met jouw hele apperceptieve massa en de omgeving waaruit die stamt’ in plaats van afstand tot dat verleden zowel als tot de sporen daarvan te nemen en dan niet door je op buitenbesturing van de prikkels uit de omgeving waar je nú bent, even toevállig bent, als toen dáár.
Nee, zó moeilijk te vatten is dat niet. John Locke, die al in 1704 stierf had dat al, en wellicht niet als eerste, duidelijk te lezen gegeven: de omgeving waarvan je leert is ten opzichte van jou toevallig en wat je aan ‘massa aangeleerds’ met je meedraagt is dus ten aanzien van jou toevallig. Het is anderen niet toegevallen en het is niet jou taak die anderen er alsnog mee in aanraking te brengen via de sporen ervan die jij ten onrechte als “jouzelf” opvat en erger: bréngt.

Er dient (nu ja kan) een moment in een mens z’n leven te komen dat hij de Robinson Crusoe fase van het ZELF LEVEN begint. Ik herinner me dat ik, toen ik begon te werken (als leraar aan een Sociale Academie), tegen mezelf zei: ik heb nu 21 jaar dagonderwijs achter me, met goed gevolg afgelegd, wat in mij opkomt, is ‘voor de maatschappij’ verantwoord. Ik hield op te studeren, andermans teksten te lezen, laat staan die te gebruiken als lesmateriaal. IK val niet samen met mijn massa aangeleerds, maar voor de onderwijzende omgeving acht ik die passend, anders is het de fout van die omgeving, ik was nooit in verzet, ik puberde nooit. Ik vind puberen nog steeds het stompzinnigste dat bestaat. Wat protesteert daar nou tegen wat? Wie tegen wie? Allemaal wezenloos gedrag van gebruiksvee.
Dat is er ook weer uit. Verder:
Ik heb het met die (apperceptieve) massa aangeleerds van mij dan ook tot niets gebracht. IK heb daar als dier (als genencombinatie) niet onder geleden, ik had voedsel, kleding, huisvesting, alles wat ik in deze omstandigheden als dier nodig had en heb.
Ik moe(s)t alle ‘beschaafde’, gecultiveerd gedrag eisende, competitieve en concurrerende eilanden mijden, als zijnde voor mij onbewoonbaar. Terzijde: er waren de ‘huwelijkseilanden’ en de eilanden in die groep meed ik als de pest omdat ik had horen zeggen en zelfs met een half oog gezien had, dat daar een spinnenweb overheen zat, waar je niet zomaar weer onderuit kon komen.
Zelfs onbewoond waren die ‘beschaafdheid eisende’ eilanden voor mij niet geschikt. De consumptiespullen die daar overal lagen te lokken en zo, herinnerden mij constant aan mijn ‘er niet bij passen, als ‘massa aangeleerds’, aan mijn ‘niet hebben leren consumeren’ en ze lagen mij dus alleen maar in de weg. Ik kocht dus, dat is het waarneembare waar ik met dit bespreekbeeld naar wijs, nooit fototoestellen, auto’s, audioapparatuur, videoapparatuur, kunst en andere kul. Ik ga MIJ toch dat waarneembaar tijdgebondene, dus t.a.v. mij toevallige, niet aanleren als ik het kan vermijden. Kom nou.

De beperkingen die mij ‘eigen’ zijn, constateerbaar kenmerken, zijn een vermenigvuldigingsproduct van aanleg en leren en de grootte van deze factoren apart is niet achterhaalbaar. Het interesseert me ook geen moer. Het is toeval.

Wij noemen iets ‘toeval’, wanneer we geen verband zien waarin het ‘logisch’, doelgericht / bedoeld of ‘causaal achterhaalbaar’ is. Wat er ook met het toeval aan de hand is, respectabel is het toeval niet. En de massa gevolgen ervan (het zijnde om en het aangeleerds in ons) is derhalve ook niet respectabel, laat staan heilig.

Als wij ons zo-zijn of het toeval óm ons respectabel achten of zelfs heilig of aanbiddelijk of vererenswaardig (= respectabel???) dan verpersoonlijken wij het: wij maken er een persoon van, want slechts jegens personen, andere levende wezens, kunnen wij respect hebben. God, die Ene, de Dader van alles wat gebeurt, dus ook van het ons toevallende, toevallig schijnende, Díe wél, die kunnen we wel als respectabel opvoeren. MAAR: WEET dat dan ook, dat je God vooronderstelt, als je respect eist voor iedereen z’n zo-zijn. Voor iedereen z’n SOEVEREINE zó kiezen (resp. niet keizen, maar ‘zich uitleven’).

O.K., je kunt de gekte nog een graadje opdrijven en, Nietzsche volgend, zeggen dat het Noodlot (Fatum) bemind dient te worden. Dat is dan het surrogaat voor die zogenaamd dode god, het mechanisme om de angst te bestrijden blijft in gebruik: “bemin het onweerstaanbare geweld”; wat een onzin, buiten het KZ.
Wat N. ook voor een jeugd, voor een vader bijvoorbeeld, gehad mag hebben, toen N. dit schreef, was die vader als bedreiging al volstrekt verleden tijd en had N. dit niet echt door. Voor N. was het aangeleerds zijn zelf? Wellicht. En dus was zijn vader (nu ja, waren de bedreigers) voor hém onsterfelijk.
Het is, zacht gezegd, HEEL VERVELEND dat de mensen elkaar niet onderwijzen dat het verleden voorbij is, over, nergens meer de oorzaak van. Er is geen enkele ABSOLUTE, GODGEGEVEN verplichting om dat wat je aangeleerd hebt, te laten initiëren, vormen en bepalen wat jij doet en nalaat. DIE VERPLICHTING IS VAN DE ANDEREN AFKOMSTIG !!!
Als je nou maar zo’n uitdrukking als ‘godgegeven’ onbruikbaar acht en de uitdrukking ‘absoluut’ niet als tegendeel van ‘van anderen, buitenbestuurders in hope, van buiten jou afkomstig’ opvat, dan heb je geen woorden meer en valt het verbale denken uit op dat punt. Enthousiast begint je tekstaanmaker dan op een ander punt en je merkt niet dat je iets mist. Je hoort ononderbroken van alle advertenties en politici die gekozen willen worden dat jij soeverein bent en je hoort niet dat JIJ buiten het door jou aangeleerds bent of niet bent.
De mensen vlak in iemands buurt stellen er zelfs non – verbaal prijs op dat je blijft zoals ze je hebben gemaakt of leren kennen. Zonder erg ben ja als ‘massa aangeleerds’ namelijk wel een toevalsproduct, maar wel voorspelbaar op de voor die ander(en) ter zake (de zaak is hun gebruiken van jou) doende punten.

ALLES wat gebeurt is gegeven, dat niet ter keuring staat.

Over deelname in de maatschappij: ook hieromtrent geldt (is waar:)
er ís geen verschijnsel ‘willen’, ook niet introspectief, het is uit een legende, uit de propaganda. Er is alleen tegenzin, weerzin, afkeer, onwil, als verschijnsel. Dwang, dwaling (verleid worden en misleid) en bedrog, die zijn er ook als verschijnselen.
Optredende weerzin tegen gebruikt worden dien je te uiten,
in doeltreffend (= je er onder uit wurmend) handelen.
Protesteer niet, dat waarschuwt de anderen die jou willen gebruiken slechts: het zal niemand aanzetten tot jou helpen en wie jou wil gebruiker zal het niet remmen of van zijn wens af brengen.

Arbeid is de straf op (beschrijvend benoemd: het onvermijdelijk gevolg van) het gaan zitten bij (= bezitten van) planten die over enige tijd (deels) eetbaar voor jou zullen zijn. Wie zo gaat bezitten (= onttrekken en onthouden aan gebruik / verbruik door anderen die dat eetbare ‘lusten’ / nodig hebben) gaat evenzeer zitten als wie in een gevangenis wordt opgesloten. Zitten is zitten. Binnen of buitengesloten, op eigen initiatief of als wie ondergáát.

Alle maatschappelijke en/of tussenmenselijke problematiek is gevangenisproblematiek: het lijden van gevangenen.

Wie zit bij wat hij de andere potentiële consumenten ervan niet gunt, zit zijn straf op zijn afgunst uit. En op zijn ‘niet vertrouwen’ op Iets dat (een God die) in het nodige zal voorzien, vertrouwen zoals de jager en verzamelaar dat metterdaad, zonder woorden, verhalen en geloof in enig verhaal, doet.

Laten we het elkaar open en eerlijk zeggen: “wij zitten gevangen”. Wij zijn nog elkáárs cipiers als we opgehouden zijn onze eigen apperceptieve massa aangeleerds als cipier te laten fungeren. [Schoolvoorbeeld: systeemgebonden is de bedelaar voor zijn laatste kwartje net zozeer als de bankier voor zijn miljoenen, liquide middelen in kasgeld, tegenstander van inflatie.]
Waarom zo alles omvattend denken? Antwoord: elk deel is onhanteerbaar, het geheel werkt als vliegwiel.
We zitten gevangen en het is zo dat er geen wedstrijd met grote prijzen gaande is om iedereen ertoe aan te zetten alleen of in vereniging te gaan denken over mogelijkheden om te ontsnappen uit de situatie waar wij in geworpen zijn. [Nee, níet waar wij ons in binnen brachten. Er werd niet gebracht, er werd niet gedaan: er gebeurde, er is gebeurd. Alles wat verleden is, wat wás, is voorbij, ‘voorbijer’ en ‘voorbijst’ bestaan niet en dat het verleden moet gelden is een regel in dat ons schadende spel voornoemd, als ‘traditioneel samenleven’.]
Als de lezer en ik er niet op komen, op zo’n route “naar de vrijheid”, zegt dat niets. Als het probleem aan alle mensen bekend is en ontdaan van propaganda tegen het opmerken en doordenken, dan komen ze er wel uit, misschien, waarom niet? Weet ik niet.

Gebrek aan avontuur, beweging en gezonde (= korte termijn) spanning, dat levert het bezitten aan de mensen met een cultuur (gezaaids, beschermds) op. Angstige spanning komt er al gauw wel, want er komt overbevolking in verhouding tot wat de vrije, onbewerkte natuur aan mensen kan ‘dragen’ en altijd is er de mogelijkheid van misoogst en daarmee grote misère. In het Paradijs kregen ze vanzelf, wat ze al zittend moeten zoeken in spelen (gespelregeld bewegen en gokken, en ‘jagen als sport’).

Ze hebben te weinig, velen lange tijd NIKS te doen. Dat is slecht voor hen, qua functioneren, met hun spieren zowel als met hun brein. En ze verlangen naar ‘dingen om te doen’ en naar aandacht en waardering (= iets voor anderen betekenen, zodat, als er gedeeld moet worden, - en dat is zowel dagelijks als bij elke oogst en dus ook bij schaarste -, door de anderen ook aan hen gedacht wordt). Zo krijgen ze macht over elkaar, macht, d.w.z. de gelegenheid elkaar te dwingen tot het zich gewaardeerd maken: to please.
‘Please’ is een bevel.

Al dat geplease is al lang geregeld en wordt nu bij ons in overdreven, niet meer te consumeren mate gedaan, als loonarbeid: productief en vooruitbrengend, vernieuwend. Dit in tegenstelling tot in die traditonele samenlevingen, die in eindeloos herhaald wezenloos getuttel en gedoe hun overtollige txaenz als gevangenen aan het verdoen zijn. Er zijn verhelderende films over primitieve / traditionele samenlevingen, waar de meisjes en vrouwen niet op kunnen houden met hun haar te tuttelen en de jongens in wedijver zo hoog mogelijk springen. Nou, die hebben het dan ook tot niets gebracht met zijn allen. Ik zag Indianen van de amazone geloof ik, die zich met holle stokken de onderlippen verbouwen. Er is geen eind aan wat mensen verzonnen om te doen in / met de txaenz die de natuur hen niet vult met afgedwongen nodigs.
Het foute van de civilisatie (in beweging) maakt het repetitieve gedoe van de culturen niet prijzenswaardig, laat staan dat er de voorkeur aan te geven zou zijn. Dat SPELEN [in traditionele samenlevingen (culturen) zowel als in onze dynamische, vernieuwende, voortrazende civilisatie] wordt gedaan, het is als spelen herkenbaar en dan kunnen wie herkennen ermee ophouden, zoals kinderen dat kunnen met hún spel. Hetgeen al spelend gedaan wordt, gebeurt ook, maar daar houdt het niet door op spelgedrag, vermijdbaar, beëindigbaar, onnodig te zijn.
Loonarbeid wordt begeerd. Gij echter, wijs zijnde, die wijsheid checkend aan de tien (als geboden misvatte) ‘woorden’, zult niet begeren. Het gaat jou als vrij mens alleen om wat jij biologisch nodig hebt en nodig moet. Jij bent, wijs zijnde, buiten de wereld, nee, niet terug in het paradijs, maar vrij in de wereld, waar je geen onbeschermde, ongeclaimde, onbewaakte, ‘van niemand zijnde’, vruchtdragende bananenbomen als omgeving hebt, maar volle supermarkten en een uitkering in betaalcentjes.

Alles wat het biologisch nodige te buiten gaat is nonsens, is SPEL, is SURROGAAT.
Wat is er tegen spel? Niks, zolang je niet meedoet (of gedwongen, of vrijwillig, en/of uit onbegrip of wanbegrip van je situatie als vrij dier tussen geciviliseerden met die grootheidswaan ‘meer dan dieren’ te zijn).

Er is alles wat er nodig is, alles wat nodig is, wordt gedaan, binnen ‘het economisch huis’, dat is: daar waar koopkrachtige vraag is. Buiten dat huis zijn de écht armen, die als ze demonstrerend brood eisen omdat ze honger hebben, echt niet kunnen overschakelen op cake, zoals die hofdame rond 1800 dacht.
Aan de eindigheid van dat ‘huis’, bínnen de massa mens, is door loonarbeid NIETS te veranderen. Binnen dat huis zijn de zogenaamd armen niet zonder brood, maar zonder (merkschoenen of iets dergelijks waarmee ‘niet onderdoen voor anderen’ wordt bewezen, en dus:) achtbaarheid, voor hun gevoel, zoals GEZEGD IN DE ADVERTENTIES, en bewezen door de pestende medescholieren, de mobbende collega’s, de hen negerende buren, enz. enz..

In het biologisch nodige voor een diersoort ís niet te voorzien, de populatie wordt gewoon altijd zo groot dat de rand van zwaksten aan gebrek ten onder gaat. ‘De mens’ is niet alleen een diersoort, maar ook een plaag (= schaadt ook andere levensvormen tot uitstervens toe, dat is: tot ecosysteembeschadigens toe)
1. door zijn (’s mensen technische) succes en
2. door boven op het biologisch nodige ook nog veel te nemen om te gebruiken als onderscheidingsteken bij het grote spel ‘rangschikkertje’: een woekering van het beschreven streven naar achtbaarheid, positief gewaardeerd, geliefd, dus bij het delen meegenomen, ja bevoorrecht, worden.

Waarom doen mensen wat ze doen?
Antwoord: doordat daar dan voor zover zij weten het kunnen doen van een hen meer lokkende bezigheid ontbreekt (niet kunnen = de vaardigheid en/of de gelegenheid niet hebben, c.q. niet opmerken).
Het is het toepassen van een biljartersbeeld van oorzaak-gevolg wanneer rechtstreeks naar een beweegreden voor het waarneembare gedrag gevraagd (gezocht) wordt.

Voorzie in en toon zo’n aantrekkelijker bezigheid en het wangedrag wordt verdrongen, tegen alle ‘kracht van de gewoonte’ in. Hebzucht en nieuwsgierigheid o.a. zijn de bondgenoten bij die verandering. Waarom gebeurt dit dan niet veel vaker? Omdat het alternatief vaak niet eens gratis is voor de aanbieder, laat staan: winstgevend. En het moet winstgevend zijn volgens de heilige wet binnen het genoemde ‘economische huis’.

Voor het gemak vertel ik eerst maar in de tegenwoordig gangbare manier, evolutionair, procesmatig systeemloze, doelloze, verandering, niets wordt gedaan, er is alleen gebeuren en er is geen antwoord op “Waartoe (met welk doel)”. In deze manier van vertellen is er een multidimensioneel beeld van het volstrekt oorzakelijk en dus tevoren vastliggend gebeuren.
Het verhaaltje: als ‘de mens’ op een keer de afwezige voedselconcurrent de a.s. vruchten niet gunt, denkt hij ‘abstract en zo’, en stelt hij zich buiten de natuurlijke orde. Vele dieren vormen voorraden, maar het verdedigen van wat nog komen moet tegen afwezigen die wellicht, waarschijnlijk zullen komen, dat is een prestatie. ‘De mens’ gaat zitten bewaken, houdt het in de gaten, woont bij ‘het zijne’.
Wonen is niet iets waar ‘de mens’ voor geschapen is, zomin als het paard. Zitten wachten, zitten waken, ‘de mens’ is er niet voor geëvolueerd. Leven van voorraden, het dwingt hem niet tot de (voor zijn LEVEN en welzijn/gezondheid) nodige zwervend zoeken en af en toe jagen. Het vaste, de palen en schuttingen en de woningen en de regelingen, het schaadt ‘de mens’. ‘De mens’ is niet bestand tegen het permanente, het blijvende, het bepaalde, het gevestigde. In plaats van iedere dag zich en de anderen te bewijzen dat het overleven, leven en LEVEN hem mogelijk is, zoals de verzamelaar (en af en toe jager) die hij is, doet, leert ‘de mens’ het angstige wachten en de vijandschap jegens ‘rovende’ dieren. ‘De mens’ krijgt alle kwalijke karaktertrekken van de gevangene, de langgestrafte met name.
‘Reactieformatie’ of zo, heet het ómkeren van het gevoel: in plaats van zich het haten van het blijvende, geregelde, gevestigde, betrouwbare, zekere, veilige bewust te laten worden, gaat hij zich met vele woorden lovend en juichend uitlaten over alles wat VAST ligt (zit, is). ‘De mens’ wordt bang voor de boze wildernis, voor het onzekere, voor het er alleen voor staan in onbekende omstandigheden. Hij doet ook nooit meer de ervaring op dat aan te kunnen.
Vóórdat ‘de mens’ voor zich als enige opeiste tegen alle andere levenden en zich vestigde bij / bond aan zijn bezit, deed hij die ervaring ‘LEVEN, ik kán het’ vrijwel elke dag op. Wie die ervaring die dag / enkele dagen, niet opdeed, was dood. Geboren worden, eten, slapen en doodgaan waren gebeurtenissen van dezelfde orde: gewoon, onopgemerkt, onbenoemd, ondoordacht. Ze zijn dat (van dezelfde orde) nog, volledig. Al het gedenk van zittende mensen verandert daar niets aan, dat gedenk verandert wel iets, namelijk de opvattende massa aangeleerds die tekst en vooral (eerder en gevaarlijker:) gevoel aanmaakt.
Nu we met z’n zes miljarden zitten, komen natuurlijk, statistisch zeker, zeer velen, in absolute aantallen rekenend, ertoe deze onze situatie op te merken en er ongeremd (moedig, onbevooroordeeld, onpartijdig en zo, ik zou zeggen: met de wetenschapsinspiratie) op te studeren en over te denken en te spreken / schrijven.
Gewoon rustig kijken. Wij zitten. Als het mis is, zegt men dat er geen plaats voor ons is. Geen formatieplaats. Geen plaats als bemanningslid.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *