Draaideur

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: doorgangspunt

Jaap Schot, 23 februari 1987

Wanneer we de in kaart gebrachte relaties tussen natuur, samenleving, cultuur, civilisatie en maatschappij nog even voor de geest halen, dan weten we weer dat de samenleving buiten (afgescheiden van, los van) de natuur wordt gedacht, sedert de intrede van de cultuur. Na het intreden van de civilisatie is de samenleving opgedeeld in een familiale sfeer (wat er over is van de cultuur) enerzijds en anderzijds de 'steedse' sfeer van de civilisatie, waarin iedereen zich met anderen meet: in de concurrentie als parttime koning (heerser), in de competitie als parttime knecht en in het gevecht als gladiator. De mensen, waartussen wij onszelf aantreffen zijn in de civilisatie geboren, getogen (opgevoed, geschoold en opgeleid, d.w.z. voor meedoen, consumeren en produceren afgericht, met informatie en vaardigheden gevuld) en gevangengezet (in de cel van hun voorrechten, met andere woorden: in die ruimte die voor hen overblijft buiten de voorrechten van hun tijdgenoten). Fysiek en in feite komen we die gevangenis, die cel zelfs vaak, niet uit.
Het is ons echter mogelijk onze situatie helder in te zien. Dat inzien maakt niet blij, maar verdrijft wel veel angst die slechts uit de herinnering stamt, maakt wie inziet minder (of in het geheel niet meer) wraakgierig, dat wil zeggen: er minder op belust om zelf aan de beurt te komen om anderen geweld aan te doen en dat inzien maakt dat de boosheid overgaat nadat deze bewust is geworden en gericht is op degenen die ons geweld aandeden en aandoen.
We beseffen, al doordenkend, dat ons boos‑zijn berust op het opvatten van wie ons geweld aandoet en aandeed als ware deze een 'mens', een 'vrijheid'. Een mens, een vrijheid, vatten we anders op dan een ding /of een groep verschijnselen. Onze boosheid verdwijnt wanneer we eenmaal inzien dat er voor dat zo (als anders, als 'buitennatuurlijk', als 'subjecten') opvatten geen reden is, maar slechts propaganda. Er was en is wel iets (dat negatieve, dat geweld) om kwalijk te nemen, maar er is geen subject om het aan kwalijk te nemen: de daders van het geweld zijn geen aanspreekbare subjecten, het zijn objecten, voorwerpen, machines, apparaten, onderdelen van apparaten. Het zijn onderdelen, bouwstenen voor de civilisatie, voor het systeem. Wat er uit deze massaal aanwezige dingen naar buiten komt (spuit of druppelt), en ons raakt en eventueel aangrijpt, is even afzenderloos en ongeadresseerd als het weer, als de verschijnselen van het klimaat. Deze anderen zijn doorgangspunten van hun verleden, als kind werden zij daarin veranderd, werd dat van hen gemaakt. Ze leerden toen zich zus en zo gedragen, met de instructie en/of de zelfgemaakte misvatting erbij dat ze ook later, zelf veranderd en in andere omstandigheden en tussen anderen, zich zo moesten blijven gedragen.
Vaak, misschien altijd, is het zo:
Het medemenselijk subject 'kind', waaruit elk dezer dingen werd gemaakt, is niet meer, leeft niet meer. Het heeft als bron van initiatief en als zelfstandig verkenner en "spelend" verwerker (van wat er om hem heen hem waarneembaar gegeven is) opgehouden te bestaan, opgehouden te werken, opgehouden te functioneren. Deze dode is niet weer op (= tot leven) te wekken. Dood is geen slaap. Als deze uitspraak maar niet als verontschuldiging voor de personen wordt opgevat. Bij personen (= dingen) waarin geen leven (als individu) meer zit is geen schuld. Zij kunnen gedood, maar niet vermoord. Het kan geen echt, maar slechts juridisch onrecht worden aangedaan. Ze gaan kapot, niet (nog eens) dood.
// *2 Het kind waarvan de persoon werd gemaakt is zo dood als de boom waarvan de tafel werd gemaakt.
Let op: dit is een spreekbeeld. Een andere manier om het vormen van de persoonlijkheid (als beschermende, camouflerende en aanpassende schil om het individu) te bespreken is te stellen dat het kind, de (nog) groeiende mens zich omgeeft met een zo bedoelde schil terwijl tegelijkertijd zijn opvoeders van buitenaf die schil bewerkend, deze vormen naar hun wens, beeld en gelijkenis. Bij deze bespreking kan de hoop wat groter gelaten worden dat het individu in de persoon er het leven afbrengt, dat het zijn 'socialisatie', zijn bruikbaarmaking en ingebruikname door de anderen, overleeft. Als er een levende in de persoonlijkheid zit, dan wordt de vraag of deze er nog uit kan, zich nog kan verlossen. Die vraag is natuurlijk alleen dan aan de orde en/of dringend wanneer de schil (de persoonlijkheid) aan de binnenkant en/of aan de buitenkant niet past: niet langer past en/of nog steeds niet past. Dat niet passen geeft problemen, er wordt aan de buitenkant uiteindelijk met fysiek geweld op gereageerd, aan de binnenkant voelt het niet passen aan als lijden: geen ruimte genoeg hebben, zich niet kunnen bewegen.

Let op: ook dit is een spreekbeeld:
Een oesterschelp is een fysiek gegeven, een persoonlijkheid (met een vroeger gangbare naam benoemd: een karakter) is dat niet. De persoonlijkheid is hoogstens software op ons zenuwstelsel: een meestal warrig geheel van angst‑ wekkende en terug‑lokkende herinnerbare sporen van wat ons toevallig overkwam en ons heugt.
Als de persoonlijkheid dat is, is ze niet waardevoller dan littekens en tatouages: verplicht ze tot niets. Ze is ook dan hoogstens een stuk gereedschap. Wij kennen dat soort gereedschap uit de veehouderij: bij paarden zijn het gareel, halsters en teugels. Die dingen zijn echter fysiek, hardware, ze dwingen het paard. Ze dwingen het zolang het de pijn bij het ontsnappen niet neemt, die vermijdt, daarvoor terugdeinst.
Als de persoonlijkheid ook dat (software dus) niet is, is ze een verzinsel. Een verzinsel net zoals de vrije wil er een is, een met als doel hen die er in geloven zich schuld te laten aanpraten en dan de mishandeling te aanvaarden die anderen hen als "straf" aandoen: de persoonlijkheid als handvat voor de machtige ander(en).
In dit verband is de verachting die opvoeders de kinderen jegens dieren (dierlijkheid, het natuurgegevene in hen) aanleren functioneel, voor hen bruikbaar, nuttig als het aanleren lukt. Wat onderscheidt de deugdzame (=bruikbare) namelijk van 'het dier': dat er een mens van gemaakt is. Men spreekt nog steeds openlijk van 'menswording'.
Slechts als ontvanger en doorgever van "de beschaving" worden ze geacht en aanvaard, de personen, door elkaar.//

Het is bij zo iemand (zo iemand met een persoonlijkheid) van buiten af te zien dat het geheel van sporen van zijn verleden in hem staat tussen hem (als individu) en de hem gegeven, voor hem ervaarbare werkelijkheid (die de onverwerkelijkte mogelijkheden insluit !).
In mijzelf kan ik dat nawerken van de sporen van mijn verleden waarnemen, overal waar ik dat nawerken niet met vlijt, tijd, aandacht en energie ongedaan heb gemaakt.
Ik merk op dat die sporen kleur en vorm gaven (en hier en daar dus nog geven) aan wat mij invalt: aan de eerste reactie op en de eerste berichten over wat om mij heen is, gebeurt en mij raakt. Wat mij het eerste bewust wordt omtrent iets is een reeds uit zijn verband losgesneden onderwerp plus een interpretatie plus een gevoelsmatige beoordeling ervan.
Dat is mijn persoonlijke reactie, mijn persoonlijke waarneming, resultaat van mijn persoonlijke verkenning.
Het tussen mij en de werkelijkheid in staan van het geheel van sporen uit mijn verleden is al een feit. Ik hoef die sporen daar echt niet meer telkens te plaatsen. Integendeel: als ik als individu zelf toegang tot wat is wil hebben, moet ik die heroveren op mijn persoon.
De lieden waar ik het hier over heb heroveren niets. Zij identificeren zich met dat geheel van sporen uit hun verleden dat tussen hen en de werkelijkheid in staat. Daardoor komt dat geheel van sporen ook tussen hen en mij in te staan en krijg ik als ik met hen te maken krijg te maken met hun ouders en opvoeders, met wat hen overkwam, wat hen werd aangedaan en met waar ze vroeger ooit eens toe besloten. Zoals ik door de kleren die ze aanhebben hun huid niet te zien krijg, zo krijg ik door de persoonlijkheid die er om hen gevormd is hen als individueel exemplaar van de soort, als medemens, als subject, als bron van initiatief, als vrijheid, niet te zien.

Wanneer we de geciviliseerde samenleving als mensvrij (Menschenleer) hebben herkend, als we eenmaal beseffen dat er geen (zelf initierende, vrije, wilde, van zijn africhting af staande, zijn verleden echt verleden hebbende) mens aanwezig is, dan is er te leven in die samenleving, die geen samenleving is, maar slechts zo genoemd wordt. Er is geen samen, maar slechts tegelijkertijd en bijeen, er is geen leven, maar slechts een als mechanisch, robot‑ /computerachtig aflopen, volgens programma en draaiboek, aangebracht door de opvoeding, scholing en opleiding. In die samenleving gaan ze als dingen om met elkaar. Ze vatten zichzelf op als dingen, ze volgen immers de in hen aangebrachte voorschrijvende "programma's", ze vatten immers hun verleden, dat wat er aan (al of niet herinnerbare) sporen daarvan in hen resteert op als agenda, als wat gedaan moet worden, zodra de situatie de bijpassende prikkels afgeeft, precies zoals wij dat onze computers en robots laten doen (dat opvatten dus). Ze vatten ook de anderen op als dingen, ze proberen elkaars programmering #(ze zeggen: 'elkaar', want ze distantieren zich er immers niet van) te leren kennen en ze eisen van elkaar dat ze "zichzelf" blijven, berekenbaar, hanteerbaar, voorspelbaar, wat ze samenvattend 'betrouwbaar' noemen.

En daarbij is nu het allervreemdste en fnuikende dit: Al die mensen hebben zich tot dingen gereduceerd, houden zich aan de spelbedoelingen, gedragen zich als het er op aan komt als soldaten met consumeren en toppresteren als plichten die ze vervullen, en ziet: hetgeen door al hun onvrije gedoe gebeurt en veroorzaakt wordt is totaal zonder leiding, is onvoorspelbaar en onbedoeld en door geen van hen te sturen, ook door de machtigsten niet. Bij een vechtend leger kan er tenminste nog de hoop zijn dat er in het hoofdkwartier gedacht, doordacht en gecoordineerd wordt. Van onze vrije democratische samenleving is volstrekt zeker dat er geen hoofdkwartier is, geen leiding, geen plan, geen doordenking en geen coordinatie. Overal en nergens vallen besluiten, maar dat zijn allemaal compromissen (die meer met de beslissers dan met het onderwerp te maken hebben, omdat ze bij de tussenpersoonlijke verhoudingen van de beslissers passen, niet bij dat onderwerp; statistisch zeker zullen er compromissen zijn die beter zijn als oplossing dan de beste oplossing die elk der betrokkenen zelf kon bedenken. Dat bewijst volstrekt niet dat het tot besluiten komen via compromissen daar geslaagd is, het was immers helemaal niet op de zaak gericht, dat compromiszoeken. Zo min als die paar gelukkige huwelijken 'het huwelijk' als goed bewijzen of die paar leuke banen het verschijnsel 'baan' goedkeuren.

De programmering # in kwestie is die van het 'je best doen' en 'je maximaal laten gelden', 'je metend met een ander', 'je metend met je vroegere zelf', 'het ver brengend', 'iets (in een roman vertelbaars) van je leven maken door het planmatig besteden van je txaenz.'
Het meest verachtelijke is volgens dat programma het zomaar leven. Ook verachtelijk is het je laten leven. Zeer negatief is het niet eens mee mogen spelen, beter dan buiten spel staan, in onbruik zijn, is het nog om als voetvolk in gebruik te zijn bij leiders.

Deze alles omvattende, in alles doordringende zucht (bereidheid) om zich met ieder ander en op elke dimensie te meten, wordt later toegespitst op de weinige dimensies van het gekozen (opgedrongen) specialisme. Het algemene onderlinge meten blijft, maar betreft dan dat wat men zich kan kopen, kan veroorloven. Minstens wil iedere civilisatie‑component (zo'n uit een kind gemaakt zich‑metend‑ding) boven een andere categorie van die dingen staan en meetellen, als lid, als erbij horend gelden binnen zijn eigen categorie. Daartoe moeten er minderen zijn en daartoe moet er qua consumptie gelijke tred gehouden worden met de anderen in de eigen categorie.

Dit alles is bekend.
Sommigen hebben tijdens de wedstrijdlessen thuis en/of op school ("lichamelijke opvoeding" is er hiertelande het ergste voorbeeld van) te vaak verloren om mee te blijven doen. Zij kunnen vluchten in perfectie (zich alleen met het vroegere zelf vergelijken; hun prestaties nu vergelijken met hun prestaties vroeger) en zij kunnen (zoals ik hier nu doe) het hele zich meten verwerpen als een wortel van kwaad. Dat herkennen van zich meten als een wortel van kwaad is niet zo moeilijk: het gemeet leidt tot gewedijver, dat neerkomt op het doen van onnodigs en daardoor op het toebrengen van onnodige schade aan de natuur in en om je. De uit kinderen gemaakte meet‑ en vechtapparaten die de samenleving vormen vernietigen de natuur in en om hen. Ze bestrijden in zichzelf en elkaar het streven naar leven en welzijn, dat ze als 'luiheid' betitelen. Ze bestrijden om hen heen dat alles wat zij als hun milieu, los van hen voelen en behandelen ['voelen en behandelen' moet ik hier nu schrijven, want zich cognitief opvatten als los van hun milieu kunnen ze tegenwoordig niet meer, de ecologie/biologie heeft hen in wetenschappelijke termen datgene (de onverbrekelijke verbondenheid) weer verteld wat vroeger uit eigen waarneming, verwoord in een natuurreligie, alle "wilden", vrij levende mensen dus, bewust was]. Het cognitieve wordt niet met handelen en voelen doorverbonden. Het handelen zou het meten storen. Het voelen zou de triomf storen.
Wat ze technisch kunnen, menen ze ook te moeten en te mogen, woekerend met hun bankiergodgegeven talenten of de natuur onderwerpend [vanuit de (marxistisch of kapitalistisch ingekleurde) materialistische instelling, die de civilisatie kenmerkt]. Deze natuurbestrijders voelen zich heel beschaafd omdat ze niet openlijk zeggen andere mensen te bestrijden.
Er zijn er altijd velen die steeds maar verliezen in de oefenwedstrijden waarin het zich meten met anderen wordt aangeleerd.

Wedstrijdsport is civilisatiereligie, sportfestijnen zijn religieuze vieringen. Het deelnemen aan de civilisatie:
(vrijwillig, geenthousiasmeerd, omdat je de smaak te pakken hebt gekregen) buiten de maatschappij/de beroepenwereld
en
(gedwongen, om den brode, al of niet met 'plezier') daarbinnen,
heeft de vorm van meedoen aan een race met vele deelnemers en weinig winnaars. Kanshebbers hebben meer kans naarmate er meer mensen van deelneming uitgesloten kunnen worden op gronden die niet ter zake zijn van de dimensie waarop men zich in deze met elkaar meet. Iedere niet‑vrouw, niet‑neger, niet‑ gehandicapte heeft een betere plaats in het algemeen klassement wanneer vrouwen, negers en gehandicapten niet meedoen aan de wedstrijd.
Iedereen heeft op het schoolplein en/of tijdens de gymnastiek minstens wel meegemaakt hoe minderheden werden aangewezen en van deelneming aan het spel uitgesloten. Dat mogen kinderen op school aanleren en inoefenen, pas later moeten ze dan ineens ophouden met discrimineren, maar wel doorgaan met zich met elkaar te meten.

Van degenen die niet altijd mee mochten doen komt een aantal blijvend buiten het spel der civilisatie te staan. Sommigen van hen mogen nooit meedoen, sommigen van hen zijn ermee opgehouden te willen meedoen. Van dezen worden velen toch de maatschappij in gedwongen en daardoor in competitie met anderen. Alle mogelijkheden zijn dan ook weer open, men kan bijvoorbeeld daar alsnog wennen en zelfs verslaafd raken aan winnen. Iedereen kan hier zijn eigen geschiedenis bespreken. Voor het schema dat ik nier nu schets is die niet van belang. Het gepractiseerde schema maakt een aantal verschillende levenslopen aan, die een aantal mensen overkomen. Welke, hoeveel en hoevaak zijn vragen die buiten mijn bestek hier liggen.*3

Mijn vraag in dit opstel is:

"Is er een leven buiten deze civilisatiereligie, een leven zonder wedijver, zonder zich meten met anderen, zonder geloof in dat gemeet, dat vergelijken, dat ijveren, dat streven, dat vechten?

Deze vraag is met 'nee' beantwoord zodra, zolang en inzoverre anderen iemand tot zich meten dwingen (door hem aan te vallen of door hem om den brode ertoe te pressen door als bezitters en bevoegden voor hem het zich meten als voorwaarde te stellen, waaraan hij moet voldoen om dat wat voor zijn leven en welzijn nodig is
1. te mogen (laten) nemen en/of 2. te mogen (laten) doen.

Er zijn mensen, die reeds al te vroeg te horen hebben gekregen dat slechts hun toewijding en gehoorzaamheid en hun prestatie, hun voor anderen nuttig gebruikte txaenz, waar ze iets van gemaakt, iets mee gemaakt hebben, basis kan zijn voor hun aanvaard en / of bemind worden. Hun bestaansrecht is voorwaardelijk, zo geldt dat in de civilisatie; dit in onderscheid tot in de natuur, waar ieders bestaansrecht onvoorwaardelijk is, maar begrensd, door zijn eigen kracht en vermogen om zich te handhaven. In de geciviliseerde samenleving leven de ingezetenen niet langer zelf door eigen zelfverzorging; ze leven door de hen in ruil verleende verzorgingsdiensten van anderen. Deze rampzalige te vroege opname in de geciviliseerde samenleving vindt plaats als de moeder in kwestie [gemystificeerd door zo'n samenleving] haar daad [een baby te laten komen en deze te verzorgen] niet langer herkent als haar zichzelf voorzien van gelegenheid tot lustgevend biologisch functioneren. Biologisch functioneren geeft lust en er hoeft dan ook met degene met wie je vrijt of met de baby die je verzorgt niet nog eens afgerekend te worden. Thuis dien je zonder kassa met elkaar om te gaan, maar niet alleen zonder kassa dien je aanvankelijk om te gaan met kinderen, ook zonder hen plichten op te leggen. Pas als het tot het kind is doorgedrongen dat zijn bestaan sowieso ook voor anderen een positief gegeven (verschijnsel, gebeuren) is en alleen begrensd wordt door zijn eigen kunnen in een voor hem passende situatie, pas dan kan aan de cultuur met zijn verplichtingen en rechten en later aan de civilisatie met zijn prestaties‑ruilen worden deelgenomen / bijgedragen.

Om tot een mens uit te groeien die als mens los en onafhankelijk van zijn persoon kan blijven bestaan, is eerst een tijd als baby, peuter, kleuter en kind nodig waarin het kind dat doet wat zonder aangeleerde kunstjes in hem opkomt en daarbij ervaart dat de anderen daaraan al of niet plezier beleven, dat doen positief waarderen (let wel: niet belonen en niet "straffen, geen conditioneringstrucs mee uithalen, maar er ook niet als uitdrukkingslozen, onleesbaar voor het kind er bij staan kijken. [zie nu eerst ddtoev2.txt]

Om uit te groeien tot iemand die (als exemplaar van zijn diersoort, in dit geval 'mens') los en onafhankelijk van zijn persoon kan blijven bestaan, is eerst een lange tijd (als baby, peuter, kleuter en kind) nodig waarin het kind dat doet wat zonder aangeleerde kunstjes in hem opkomt en daarbij:

1. ervaart dat de anderen daaraan al of niet plezier beleven, dat (= zijn) doen positief of negatief waarderen (let wel: niet belonen en niet "straffen", er geen conditioneringstrucs mee uithalen, maar er ook niet als uitdrukkingslozen, 'onleesbaar' voor het kind alleen maar bij staan kijken).*1

2. zelf rechtstreeks zijn omgeving verkent. Zijn omgeving in onderscheid van de hem omgevende anderen. Niet een school met informatie over dat wat gekend (nu ja, geweten) moet worden. Nee, een school die het zelf verkennende kind toegang verschaft tot voor dat kind nieuwe omgevingen. Toegang verschaft, de deur opent, niet: brengt, naar binnen transporteert. Het initiatief tot verkennen moet komen uit het nieuwsgierige kind. Deze school geeft (laat, opent) de gelegenheid kennis te verwerven omtrent een deel van wat is. Ergens kennis van mogen en kunnen nemen (opdoen, door waarnemen, ermee omgaan en het hanteren) is totaal verschillend van er informatie over moeten aanhoren en moeten onthouden.

Ik beschrijf dit 'het kind lange tijd laten' niet als voorstel. De bestaande werkelijke stand en gang van zaken wordt kennelijk zozeer door mijn tijdgenoten voorgestaan en/of aanvaard, dat ik me niet uitgenodigd voel een voorstel voor iets anders te doen. Ik beschrijf dit 'het kind een lange tijd laten' als een middel om de lezer bewust te laten worden dat wij hier nu gevangenen zijn, zodat misschien sommigen de lust vergaat hun kinderen eigenhandig tot blinde, tevreden en/of bange gevangenen te maken.

=

'Als mens los en onafhankelijk van zijn persoon kunnen blijven bestaan', wat kan daar nu het doel mee zijn. Hoe kan dat nu een doel zijn?

Wel, de omgeving van iedereen verandert: nieuwe mensen, nieuwe verschijnselen, nieuwe spullen. Alleen al om te overleven moet iedereen zich voortdurend veranderen om aan en in zijn omgeving te passen. Wat moet overleven is het individu dat in de persoonlijkheid verpakt zit, niet: die persoonlijkheid. Zo leert het het biologische verhaal.
Het verhaal van de IETSen (de organisaties van gezin tot nationale staat) vertelt dat de personen moeten overleven, want die personen zijn de bouwstenen van die IETSen, met andere woorden: door het overleven van die personen overleven de IETSen.

Liever offeren de leiders van IETSen een groot aantal van 'hun' individuen dan de identiteit, de persoonlijkheidskenmerken (dat is: het voor hen in dat IETS nu juist, bruikbaar zijn) van 'hun' onderdanen, "hun mensen".
Zo sneuvelen de soldaten bij het vernietigen van de producten van de wapenindustrie (zogenaamd vechten ze voor de vrede, de vrijheid, de vlag, de vorst en het vaderland), zo sterven de martelaren voor de kerk (zogenaamd sterven ze voor de god in kwestie of voor de anderen, hun naasten). Zo sterven ontelbaren voortijdig door en bij het (door middel van mode aangemoedigde en vernelde) vernietigend consumeren (=verbruiken) van de producten van de 'vredesindustrieen'.
Dat sneuvelen, verongelukken, ziek worden en kreperen is geen doel met, maar ook geen barriere voor, het uitvoeren van de plannen van de leiders.

=============

voetnoten: *1 Hoe kan dat (merkbaar positief en negatief waarderen dus) dan zonder toch een of andere afstelling / indoctrinering in het kind te brengen? Het antwoord is: wees volmaakt en handel dan natuurlijk, reageer zoals het in jou, als volmaakte, opkomt, zoals het je invalt. En wie nu de vraag stelt HOE volmaakt dan is en/of hoe, langs welke weg, de volmaaktheid bereikt moet worden, probeert alleen maar aan het zelf daarheen werken te ontkomen en de spreker met een onoplosbaar verwoordingsprobleem op te zadelen. Daar trapt geen wijs mens in.
Let op: als er ergens opvoeding plaats vindt zijn daarbij betrokken: 1. de opvoeder 2. de opvoedeling en 3. het passende gedrag, dat onderwerp oftewel inhoud van dat opvoeden is. Het passende gedrag zal lonend zijn, wat kan anders de betekenis van 'passend' zijn? Dat loon zal voor de dader waarneembaar zijn, anders bestaat het voor de dader niet, is het hem niet gegeven. Niet-passend gedrag zal schadelijk zijn voor de dader, zo niet, wat kan dan 'niet- passend' betekenen? Die schade zal voor de dader waarneembaar zijn, hem gegeven, wil die schade voor hem bestaan. De taak van de opvoeder is loon en schade waarneembaar te maken en aan te wijzen. Het is niet nodig alle schade in feite aan de opvoedeling voor te leggen: er zijn inzicht en fantasie in deze bruikbaar.
Alle opvoeden zal onmogelijk blijken (voor wie de moeite daarvoor neemt reeds bij doordenking) zodra, zolang en inzoverre de opvoedeling als SOEVEREINE ENKELING met VRIJE WIL wordt voorondersteld en bejegend, zoals de juristerij en de commercie dat willen. De zonde der vaderen wordt bezocht aan de kinderen, niet aan de vaderen zelf. Vele zondaars gingen vrijuit (schoolvoorbeeld: Mengele, de kamparts van Auschwitz).
Het zoeken naar juist gedrag is de taak van de opvoeder, die bij het vinden daarvan meteen gegeven krijgt hoe de juistheid aan te tonen. Het zoeken naar juist gedrag is evenzeer (in gelijke mate) de taak van de opvoedeling, van de jonge mens die zijn omgeving (inclusief zijn omstanders, zijn medemensen) verkent. Beide zoeken het (/ hun) gemeenschappelijk belang. Dat algemeen belang, met andere woorden: het goede, is gegeven, objectief, zoals een zaak gegeven is, zodra opgehouden is met het streven naar en/of het geloven in de aanvaardbaarheid van SOEVEREINITEIT en VRIJE WIL (hetzij van God, hetzij van de mensheid / de mens als soort, hetzij van enig IETS, hetzij van sommigen, hetzij van elkeen).

Hoe kan dat dan zonder toch een of andere afstelling / indoctrinering in het kind te brengen? Het antwoord is: wees volmaakt en handel dan natuurlijk, reageer zoals het in jou, als volmaakte opkomt, je invalt. En wie nu de vraag stelt HOE volmaakt dan is en/of hoe, langs welke weg de volmaaktheid bereikt moet worden, probeert alleen maar aan het zelf daarheen werken te ontkomen en de spreker met een onoplosbaar verwoordingsprobleem op te zadelen. Daar trapt geen wijs mens in.)

Voor hen die dit verblijf in een natuurreservaat voor mensen niet kregen geldt (psychisch, persoonlijk, in hun programmering) dat deelnemen onvermijdelijk en goed is, DE bedoeling, zogenaamd 'nodig'. Nog afgezien van winnen, zeker afgezien van positief plezier, het is voor hen al positief het (onrustige, negatieve, vaak qua herkomst hen onbewuste) gevoel te vermijden dat voor hen hoort bij 'nergens aan bezig zijn', 'zomaar aan het leven zijn', 'hun specialisme niet toepassen', voor‑zichzelf‑alleen bezig zijn.

Werklozen met een uitkering worden "slechts" tot al solliciterend wedijveren gedwongen. Zij zijn niet vrij van die dwang tot het maken van rituele civilisatiereligieuze gebaren. Evenmin als de staatskerk vroeger in de kerkgebouwen, brengt de staatscivilisatiereligie nu in de arbeidsburo's de aanwezigen tot geloof.

Het gaat om het geloof. Is het mogelijk deze civilisatiereligie hier om je heen als een religie te herkennen en om in jezelf te herkennen het geloof en de gewoonte om te "kerken", aan de godsdienstoefeningen deel te nemen en deze op televisie te volgen? Bij het kijken naar wedstrijden, kwissen, spelprogramma's. Het wedijveren is de huidige staatsreligie.
Wedijver is voor de natie onontkoombaar aangepast gedrag, gepast aan de druk van het ons omgevende buitenland, dat als vijand fungeert, zoals vroeger de natuur als vijand fungeerde, nadat de openlijke roofmoord en het als zodanig herkenbare koloniseren als onbeschaafd zijn gaan gelden. Met andere woorden sedert alle legers nog slechts defensief heten.
Ons wordt de fanatieke religiositeit qua concurreren van de japanners ten voorbeeld gesteld, zoals in de tijd van de kruistochten de godsdienstijver van de turken (bij de werving van manschappen voor die tochten).

De staatskerken hebben altijd banen te vergeven.
Ook de civilisatiereligie heeft banen te vergeven.
Het geloof noch het ijveren binnen het geloof leveren die banen.
De werkelijke gebruikers van het geloof geloven niet. Zij zien in dat het "samenleven" zonder geloof precies eender zou verlopen als nu met. Het samenleven is het Risk‑spel in het echt, verder niets.
Iedereen kan weten dat vele carrières niet met prestaties maar met gekonkel worden gemaakt.
Ware prestatiecarrières komen voor, evenals gelukkige huwelijken en leuke banen. Dat voorkomen bewijst niets, het is een statistisch te verwachten verschijnsel, waarvan nog apart bewezen zou moeten worden of het significant vaker voorkomt dan op grond van toeval (de curve van Gauss e.d.) te verwachten is.

Mijn vraag in dit opstel is:

"is geloofsafval bij deze staatscivilisatiereligie te verwachten, mogelijk, te veroorzaken?"

Slechts voor zichzelf kan iedereen deze vraag beantwoorden.
Dat is ook het enige wat iedereen hoeft te doen.
Naast het concrete voordeel hier nu verwachtte de gelovige ook nog de zegen van de kerk. Die zegen was een gedachtespinsel. Die zegen was even onnodig als al het onnodige dat ons nu hier door de civilisatiereligie als de moeite van het ervoor werken wordt voorgehouden. Ongeloof doet de ongelovige afzien van het leveren van (tegen)prestaties voor onnodigs want afzien van het consumeren van dat onnodigs.
Een vraag wordt dan: wie dwingt mij tot welk ophouden van de schijn van geloof en tot welke religieuze gebaren?
Een andere vraag: wat betekent eigenlijk, bij nader doordenken, het als dreigement bedoelde: 'als wij niet gelijke tred houden met de ontwikkeling, vervallen wij tot onderontwikkeldheid (wat niet gelijk is aan armoe, aan het niet hebben van het nodige voor leven en welzijn, maar hoogstens leidt tot het niet langer hebben van het nieuwste in massa ter wegwerping om redenen van mode ).

toevoeging: herkomst onbekend (150492:)

Wanneer men minder tijd enz. aan elkaar, met elkaar omgaand, besteedt dan het nodige minimum, dan blijft het onduidelijk als wat men met elkaar omgaat.
Wanneer een van de twee denkt (er van uit gaat) als buur met de ander om te gaan en de ander besteedt onvoldoende tijd aan de omgang, de zaak in kwestie, dan drijft hij de een naar het gebied van ongedefinieerde omgang. In dat gebied, waar zo weinig samen wordt gedaan, zo weinig wordt gesproken en besproken, daar is niet uit te maken als wat men met elkaar omgaat. Het door het onvoldoende tijd beschikbaar stellen dringen van de interactie in de richting van het niet met elkaar omgaan, van het elkaar negeren. Wanneer er iets te regelen is, is dat nalaten van het beschikbaar stellen van de nodige tijd een daad die in de richting dringt van het als vijanden met elkaar omgaan.

Er zit als dat gebeurt voor de een die dacht als buren bezig te zijn niets anders op dan zakelijk te beginnen: als vrienden kan niet (staat niet ter keuze) en om vijandig te gaan optreden is nog niet verantwoord, niet passend.

Dat overgaan tot zakelijke omgang is precies wat ik gedaan heb.

[Zoals altijd blijkt dat wat ik deed later (in dit geval nu dus) volledig correct vanuit de theorie, de analyse.]

U wilt er minder tijd enz. aan besteden dan nodig is.
U verwacht (zegt te hopen op) vertrouwen van mijn kant, nu al.

==//==

Het verband tussen de aangewezen verschijnselen is daar in de werkelijkheid, dat verband valt niet samen met en komt niet door de consistentie van de beschrijvingswijze. Consistentie is iets in een theorie, maximaal in een wiskundige theorie.
Het bewust en geformuleerd ("in voorraad") hebben van alle begrippen, beelden en verbanden gaat niet vooraf aan het ermee benoemen (---> aanduiden / aanwijzen).
Al uitschrijvend zijn in mij de begrippen ontwikkeld, verhelderd. Herhaaldelijk uitschrijven, vele malen, veel teksten over weinig verschijnselen, dat bracht begrippenapparaat plus taal tot stand.

‑einde‑050387corr/toevoeging 170492/‑

=============== VOETNOTEN:

**** WAT MOETEN WE NU VERSTAAN ONDER "PERSOONLIJKE" EN "TUSSEN‑PERSOONLIJKE" PROBLEMEN ?

zie ddtoev4.txt

==//==

Tekst bij het oude file 'draaideu(r).txt' van 230287.

Dat file gaat over het (ondanks beter weten en herhaaldelijk proberen toch telkens en uiteindelijk) terugkruipen binnen de grenzen van de eigen persoon, zoals ik dat toen tot mijn ergernis zag optreden bij L.
L. noch dit terugkruipen zijn in de tekst in kwestie terecht gekomen als onderwerp.
De tekst kan worden samengevat tot: kinderen worden in een persoonlijkheid opgesloten die hen zoals kleren wordt aangedaan. Als kleren, maar juist ook als tuigage, zodat ze bruikbaar, hanteerbaar zijn, zoals paarden. Paarden worden tot gehoorzaamheid, kinderen in de civilisatie tot gehoorzaamheid en tot vecht- (competitie- en win-)zucht 'opgevoed'. Vroeger werkte de collectieve angstige herinnering aan het onder de voet gelopen worden door overwinnende legers na bij de mensen en baden en onderwierpen ze zich zoals nu nog de Christenen en Mohammedanen. Hun god is een heerser.
Tegenwoordig geloven de mensen meer in de natuurlijkheid, juistheid en noodzakelijkheid van eindeloos vechten binnen de soort en/of streven naar maximale uitbreiding van macht over elkaar en over de natuur.
Dat is ook anders te verwoorden: tegenwoordig worden kinderen buiten dictaturen opgevoed tot Koning Klant, Jan Publiek en: knecht (dienaar-voor-geld), want het geld waarmee zij als KK en JP hun macht in koopkracht uitoefenen moet door hen worden verdiend. Zij zijn dus zeer zeker allen dienaren, nog steeds, knechten. Ze zijn onvrij, want ook hetgeen ze nodig hebben moeten ze kopen (betalen), niet slechts dat wat ze begeren (aan onnodigs, aan luxe, aan spul of diensten waaraan ze verslaafd zijn of dat ze/die ze gebruiken om in het grote rangschikspel hun rang te vertonen.
Maar gelovigen zijn het, gekleed in persoonlijkheden, geen naakte vrije mensen, geen dieren dus. Als ze af en toe 'buiten zichzelf' geraken, de dunne schil van beschaving afleggen, dan schrijven ze het volstrekt onnatuurlijke wangedrag dat ze vertonen toe aan de natuur (het beest) in hen.
Hetzelfde geldt voor het geval dat hen ooit een gedachte invalt die niet gangbaar is en niet binnen hun persoonlijkheid te plaatsen is. Ook dan doen ze gauw de oude kleren weer aan en zijn tevreden.
Van dat even 'buiten zichzelf' geraken, die vakanties, maken ze tegenwoordig een gewoonte. Elk weekeinde carnaval. Dagelijks ontremmen met behulp van alcohol, ontspannen met tabak. Telkens eruit en gauw meteen weer erin: dat vergeleek ik toen met het in zo'n draaideur blijven meedraaien: niet naar buiten gaan en niet naar binnen, het gebouw, de maatschappij, het spel in. Niet koud, niet heet.

Vandaar de titel van het file toen: 'draaideur'.

Fysiek is de wereld, de maatschappij, de civilisatie, de samenleving, niet te verlaten, denkenderwijs wel. Wie denkenderwijs weg is moet fysiek toch telkens weer bijvoorbeeld boodschappen doen en dus met functionarissen [= mensen, personen) omgaan. Dat omgaan blijft (wederzijds) manipuleren, wordt nooit samenzijn. Binnen kun je niet 'naakt' met elkaar omgaan en buiten is er niks te doen. Als ik dan met anderen moet omgaan die uniformdragers zijn, dan wil ik ook graag dat iedereen zijn uniform volgens bekende voorschriften draagt. Van mij mogen ze dan ook "achter alle loketten" robot/computers neerzetten. Ik vind het ook ideaal om als (exacter: daar, binnen met behulp van) een nummer me te kunnen melden. Ik heb met hen niets, met hun regels alles te maken. Die regels zijn als de regels waarmee ik mijn computer moet behandelen. Achteraf gezien had ik dan ook veel beter rechten dan psychologie kunnen studeren om thuis te raken in de wereld. Bij het kiezen van psychologie maakt men soms nog de denkfout dat er iemanden zijn die iets doen. Feitelijk koos ik psychologie omdat ik dacht dat dat wetenschappelijker, objectiever, 'niet waarderend met behulp van geloofsaannamen' was.
Met rechten en economie leer je hoe het vee (de personen) te hanteren zodat ze robotcomputers zijn die moeten (d.w.z. niet kunnen laten, te dwingen zijn met behulp van de juiste handelingen).

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *