Jan Schot, 6 december 2025
Deze ‘onder de loep’ schrijf ik terwijl ik nog bezig ben een, eerder aangekondigde, tekst uit te broeden over de lezer. Daartoe las ik Umberto Eco’s “Lector in fabula; De rol van de lezer in narratieve teksten”.
Nog nadenkend over begrippen als ‘de model-lezer’, ‘de empirische lezer’, ‘tekstuele coöperatie’, zoek ik tussendoor het oudste opstel, waarin Jaap de 'onwelwillende lezer' noemt. Oftewel, het spook dat zijn plezier in het schrijven door de jaren heen danig bedierf.
1
Die zoektocht leidde me naar “Instrument bij het schrijven van een tekst” (mei 1984), waar Jaap de gedachte aan een eventuele lezer uitbant, en zijn plan van aanpak ontvouwt bij het maken van een boek:
Wanneer ik zodoende een grote verzameling korte verklarende beschrijvingen maak – naast een beperkt aantal gebruiksvoorbeelden van synoniemen, en een aantal opsommingen van, te subsumeren, verschijnselen – dan ga ik die hele verzameling als een woordenboek ordenen en er een concordantie bij maken.
Beetje lange volzin die vooral overambitieus in de oren klinkt. Het is hem dan ook niet gelukt.
Later zou Jaap meermaals aan het papier toevertrouwen dat hij in de loop van de tijd wel ‘bewezen’ had geen boek te kunnen schrijven. Tijdens onze tweede correspondentiecyclus (2001-2006), gaf hij aan samen met mij een boek te willen schrijven: "Ja, het zou me wel aanstaan als er met jouw hulp een boek uit mijn teksten werd. Zeer zelfs."
Ook dat is er niet van gekomen.
Schrijven zonder aan een lezer te denken?
Zoals hierboven aangegeven, bande Jaap de lezer in dat opstel uit 1984. Hij schreef het zo op: "De gedachte aan het gelezen of gebruikt worden van mijn teksten, dient voorlopig geheel te worden verbannen uit mijn gedachten bij het werken eraan."
Vraag is of het überhaupt mogelijk is een tekst te schrijven, zonder een eventuele lezer 'voor ogen' te hebben. Maar misschien lees ik hier te gemakkelijk over het woordje voorlopig heen!
Hoe dan ook, uit Eco's "standaardwerk van de semiotiek", zoals het zo fraai heet op de achterflap, was mij al overduidelijk dat 'de lezer' een belangrijke – zo niet, cruciale – rol speelt bij het ontstaan van een tekst.
Overigens was Jaap door de jaren heen ook allesbehalve eensluidend in zijn ideeën over de lezer. Hij heeft bij 'de lezer' onder meer gedacht aan een buitenaardse verkenner die hij alles
2
moest uitleggen. Maar ook aan God, aan wie hij niets zou hoeven uitleggen. Jaap stelde zich immers voor dat Hij alle – dus ook, de voorgaande – teksten zou hebben gelezen, begrepen en onthouden.
Van Eco naar Sartre
Toeval of niet, al rondstruinend in Jaap's boekenverzameling stuitte ik onlangs op een oud werkje van Jean-Paul Sartre, getiteld “Wat is literatuur”. Gezien de vele potloodstrepen in de kantlijn, concludeerde ik dat Jaap dit boek zeker gelezen heeft. De eerste drie hoofdstukken van Sartre’s boek, lijken mij nog altijd relevant. Ik doel op “Wat is schrijven?”, “Waarom schrijven?” en “Voor wie schrijft men?”.
Van Sartre naar Orwell
Ook waardevol blijft George Orwell's essay "Waarom ik schrijf", waar in een veel korter bestek dezelfde thematiek wordt behandeld. Hij had maar 10 bladzijden nodig om zijn verhaal te vertellen. Hij is dan ook een Engelse schrijver, en niet een Italiaanse semioticus of een Franse filosoof.
Orwell noemt vier belangrijke redenen waarom iemand proza schrijft: puur egoïsme, esthetisch enthousiasme, het geschiedkundig motief, politieke doeleinden.
Volgens hem heeft iedere schrijver deze redenen in wisselende mate.
De eerste drie motieven vond hij ‘eigenlijk’ belangrijker. Maar omdat hij niet in vredestijd leefde, kregen de politieke doeleinden – welhaast onvermijdelijk – de overhand.
Van het schrijven van politieke teksten probeerde hij, naar eigen zeggen, een kunst te maken. Ik denk dat hij daar wel in geslaagd is.
Voor zichzelf schrijven?
In een later opstel veronachtzaamt ook Jaap 'de lezer' niet. Desalniettemin beweert hij in "Aztekentrap": "Ik schrijf voor mij, niet voor een lezer."
In reactie hierop, geef ik een stukje tekst uit Sartre's boek. Ik hoor daarin een echo van Eco's "tekstuele coöperatie".
“Het is dus niet waar dat men voor zichzelf schrijft: dat zou de ergste mislukking zijn [...] als de schrijver op zijn eentje zou bestaan, zou hij kunnen schrijven zoveel hij wilde, nooit zou het werk als een object het licht zien en hij zou zijn pen moeten neerleggen of wanhopen [...] Het is de gezamenlijke inspanning van schrijver en lezer die dat concrete en denkbeeldige voorwerp tevoorschijn zal roepen, dat een geesteswerk is.”
(Jean-Paul Sartre “Wat is literatuur” blz. 37-38)
Het gaat niet om 'zijn' begrippen of ideeën...
Terug naar "Instrument bij het schrijven van een tekst": "Per slot van rekening gaat het, zowel voor mij als voor een eventuele lezer, om mijn begrippenapparaat."
Ik struikel over het idee dat de lezer uitsluitend geïnteresseerd zou zijn in Jaap’s 'gereedschapskist'. Dus interpreteer ik het maar zo: in een tekst van hem, kun je ‘zijn’ begrippen in actie zien.
Belangrijker dan dat begrippenapparaat, is kennis nemen van zijn ideeën over het onderwerp. En dat onderwerp wil nogal eens erg ‘verstopt’ zitten.
Waar het zeker niet om gaat, is het klakkeloos overnemen van Jaap’s ideeën over een bepaald onderwerp. Ik wijs nog maar eens op het vaak door hem geuite “Geloof niemand, ook mij niet”.
maar om het onderwerp!
Niet zijn ideeën, maar het onderwerp is waar het om gaat. Jaap roept de lezer op zelf naar het onderwerp toe te gaan, er zelfstandig over na te denken.
Het mooist is natuurlijk als je vervolgens zelf iets schrijft over dat onderwerp.
Geef je dan, al was het maar voor jezelf, antwoord op de aloude vraag "Verstaat gij wat gij leest"?
Of, geef je daarmee blijk van 'coöperatie tussen tekst en lezer' (Eco), of van "de gezamenlijke inspanning van schrijver en lezer" (Sartre)?
Ik kom er graag nog eens op terug.
- George Orwell – Waarom ik schrijf (1946)
- Jean-Paul Sartre – Wat is literatuur (1948)
- Umberto Eco – Lector in fabula; De rol van de lezer in narratieve teksten (1979)
Voetnoten
1) In 1998, dus 14 jaar later, zal Jaap – naar ik aanneem, opgelucht – het volgende schrijven:
"Van de gedachte onwelwillende lezer ben ik af. Die heeft tijden lang door mijn denken over ‘dat boek van mij’ gespookt. Dat spook is weg."
2) In ieder geval de – voor een buitenstaander, maar al te rare – toestanden in 'onze' wereld.
Dank Jan. Ik denk sowieso dat er altijd wel een lezer is waar je niet omheen kunt: jezelf. Onder het schrijven (je eigen tekst her/ nalezend) en in de toekomst. Wellicht dat deze gedachte in de besproken teksten vervat ligt, dan las ik daar overheen. Ik lees uit jouw tekst niet dat Jaap zichzelf als lezer ziet van zijn eigen teksten. Ik wil overigens geen afbreuk doen aan de vraagstelling of je teksten kunt produceren zonder andere lezers dan jezelf voor ogen te hebben.
Beste Paul, natuurlijk leest iemand die schrijft zijn eigen tekst.
In theoretische beschouwingen echter, worden ‘de schrijver’ en ‘de lezer’ voorgesteld als twee verschillende personen, die in een bepaalde relatie staan tot ‘de tekst’.
Over dat lezen van de eigen tekst, schrijft Sartre in “Wat is literatuur” dat de handeling van het schrijven vanzelfsprekend een quasi-lezen omvat, die het werkelijke lezen onmogelijk maakt.
Achteraf zet ik mijn vraagtekens bij het feit dat ik ‘onvolledig’ citeerde. Duidelijker is Sartre uitgebreider aan het woord te laten: tekst van blz.36-38
Vrij veel komt als ‘logisch’ over, maar we hoeven natuurlijk niet te doen alsof hij dé theoreticus bij uitstek is, alsof zijn woord beslissend is.
Onverminderd interessant is het om na te denken over, bijvoorbeeld, het (her)lezen van een eigen dagboeknotitie. Bij mij komen dan vragen op als
Tot slot vraag ik me af of jouw “en in de toekomst” betekent dat je het idee hebt dat je, bij het schrijven toentertijd, rekening hield met ‘de ander die je ooit zou worden’.
Toni Morrison zei het ooit prachtig: “If there’s a book that you want to read, but it hasn’t been written yet, then you must write it yourself.” Schrijvers zijn soms eigenlijk niet meer dan doorgevers—niet in de zin dat ze het verzinnen, maar dat ze het vastleggen. Tegenwoordig dan op een laptop in plaats van papier, maar het idee blijft hetzelfde: sommige gedachten en verhalen komen gewoon in je op, en jij bent degene die ze opvangt en overbrengt. Alsof het verhaal jou kiest in plaats van andersom.