Jaap Schot, 28-29 augustus 1981
280881 Een verdoezelwoordenboek
Wie ‘consequenties van’ zegt, verdoezelt het onderscheid tussen ‘reacties op’ en ‘gevolgen van’.
Wie ‘competent’ zegt, verdoezelt het onderscheid tussen ‘bekwaam’ en ‘bevoegd’.
Wie ‘moeten’ zegt, verdoezelt het onderscheid tussen ‘technisch, als middel noodzakelijk’, ‘bevolen’/’afgedwongen’, ‘van nature noodzakelijk’ en ‘moreel vereist’.
Meer voorbeelden vallen mij nu niet in. Het is echter de moeite waard
- steeds naar verdoezelende uitwerking van woorden te zoeken
en - daarvan aantekeningen te maken in een verdoezelwoordenboek.
Wanneer ik iemand een meerduidig, verdoezelend woord hoor gebruiken, kan ik dat zien
- als iemand die het slachtoffer is van de taal die zo inexact is,
maar ook - als iemand die daar kennelijk niet onder lijdt en er – door er niet tegen te vechten in zijn taalgebruik – niet het slachtoffer, maar de benutter van is.
Wie niet poogt te ontkomen kan zijn gevangen raken (resp. gevangen blijven) niet meer voor 200% aan de vanger toeschrijven.
Ik merk, nu ik dit hier uitschrijf, dat hier toch een probleem ligt. In het beeld, in het als analoog ingevoerde en opgevatte, gevangen houden.
In dat analoge (nee, kennelijk niet-analoge) gevangen worden blijft er de initiatiefnemer die gevangen neemt.
Wie zich weerloos laat vangen kan niet geholpen worden, want hij poogt niet zelf.
Wel blijft het passend voor derden om de vanger te bestrijden, omdat deze een potentieel gevaar is voor hen zelf. Als de vanger wordt overwonnen (Nazi-Duitsland b.v.) zijn zijn gevangenen daarmee wel bevoordeeld, maar slechts die onder hen die zelf ernaar streefden vrij (ongevangen) te blijven [resp. weer te worden (te ontsnappen) (hun cipiers te schaden teneinde dezen buiten staat te maken hen gevangen te houden)] konden als door die overwinning geholpen worden opgevat.
Geholpen ≠ bevoordeeld.
Bevoordeeld omvat meer gevallen dan geholpen.
Wie een verdoezelende term gebruikt kan zich niet opvatten (resp. etaleren, d.i. aan anderen voordoen) als slachtoffer van het zo-zijn (i.c. het behept zijn met, het bevatten van meerduidige, m.n.i.c. verdoezelende termen) van de taal.
Wie een verdoezelende term gebruikt, gebruikt ZIJN taal. ZIJN taal dient, - wil er communicatie met (d.i. begrijpen van en begrepen worden door) anderen mogelijk zijn - , zich te bevinden als een subtaal binnen de taal, maar voor de keuze van ZIJN taal uit DE taal is en blijft de gebruiker volledig verantwoordelijk.
Mijn taal dient sachgerecht en eenduidig te zijn.
Ik heb overigens ook voor het “inwendige”, “privé”, “niet-communicatie-gerichte” gebruik woorden nodig die aan deze eisen voldoen.
Wat er gebeurt, wat er dan ook gedaan wordt, door mensen, die dat ook zouden kunnen laten, is: de taal wordt als zorgvuldig gebruikt instrument voor de kinderen tot een niet-gegeven grootheid gemaakt.
Miljoenen slordige gebruikers vermoorden de taal.
Daar komt nog bij dat het taalonderwijs en het taalgebruik in de media zienderogen verslechtert.
Zijn teksten dan voor de mensen hier en nu niet meer van belang?
Ik vrees dat met het badwater van de reclame en de propaganda het kind van het door taaluiting verhoogde bewustzijn en het daardoor (door die taaluiting) mogelijke contact tussen mensen, is weggegooid.
“Er bestaat geen objectiviteit” is er gesteld (door de VARA e.d. socialistische clubs o.a.).
Dat is, omgezet in wat men er onder verstaat: alles is gelogen, er is geen waarheid, tekst is pure uiting, zonder dat sprekers door hun kennis worden gestuurd.
“Woordmoord” is één van de methodes, maar het verschijnsel als geheel is “taalmoord”.
Is er hier sprake van moord? Is er sprake van ‘voorbedachten rade’?
Ik denk dat alleen de IETSen van grote omvang, woord- en taalmoordenaars als specialisten in dienst hebben.
Een IETS leeft (“slechts”) in de harten (zielen, begrippenapparaten) van zijn onderdelen.
Een echte X-ist – een onderdeel van het IETS ‘X’ – zal zonder opdracht, uit innerlijke (geïnternaliseerde) overtuiging, taalvermoordende teksten produceren. Andere IETSonderdelen van ‘zijn’ IETS zullen die teksten aanhoren, lezen, doen drukken, kopen.
Wij hier te lande, heden ten dage zijn allemaal lezers, sprekers en schrijvers van slordige teksten.
Willen we wel anders? Nee, waarom zouden we, als we er niet toevallig goed in zouden zijn? Wie wint er wat met exactheid en wijsheid?
Antwoord: iedereen. Maar: ‘men’ wil het goede cadeau krijgen. Er moet een Verlosser, een verplichting, een sterke man, een regeling komen.
En dan zullen we ons best gaan doen. Er is ruim reden om ons over deze afwachtende, zich onderwerpende houding te verbazen.
Niemand van ons kan door zorgvuldig te spreken en te schrijven het grote bederf tegenhouden.
Niemand van ons heeft de durf en de wens en de energie ervoor over om alle anderen met wie hij praat of correspondeert tot zorgvuldig taalgebruik te dwingen.
We laten het afweten.
We zien nog steeds collectieve, massale, maatschappelijke, grootschalige verschijnselen. Ons bewustzijn is daar vol mee.
Waarom? Omdat weten/kennen een kant is van zijn. En als wij nu volgestopt worden met informatie omtrent het geheel, dan suggereert ons kennen vervangend geïnformeerd-zijn ons dat wij IETSonderdeel van het geheel zijn. Wij voelen ons dan ook binnen en daarmee mee-levend. Wij zijn cellen van een lichaam, een dier, een IETS dat in z’n geheel moet weglopen bij de bron van de hitte die wij allen voelen vandaan. Niemand van ons kan alleen weg.
Daarom vragen wij om een regeling, een centrale maatregel, een bevel.
Onze vraag daarnaar is passen (bij onze situatie).
En als er dan een gebod of verbod is, dan gaan we dat ontduiken.
Dat doende zijn we nu juist in deze mist terechtgekomen.
Een tekort aan politie, een teveel aan begrip voor elkaar als ontduikers, heeft het grote verwaarlozen veroorzaakt. De spontane summatie van slapte en tegenwil. Geen belastinggeld en/of onderlinge onenigheid ervoor over om het bevel tot uitvoering te laten brengen en tegelijk begrip voor elkaars “lekker stout zijn”.
Lekker stout zijn is iets waartoe slechts infantielen neigen. Zijn het de kinderen aan wie veel verboden werd, die tegenwoordig slordig spreken? Nee, ook de kinderen die van onderwijzers die door hen als bevel-zonder-noodzaak beleefde taaldiscipline niet onderwezen, niet voorleefden.
Wie van ons heeft de tijd om les te geven in taalgebruik?
Antwoord: niemand in het gewone onderwijs.
Het zou best kunnen dat er voor een boek waaruit men taal kan leren, als volwassenen, zonder leraar, buiten school, een markt is.
We moesten dat maar eens proberen (onderzoeken door zo’n boek op de markt te brengen).
Wat kan er in zo’n boek?
Het antwoord op de vraag “welk woord voor welk begrip?”
Zo’n woord kunnen we aanwijzen d.m.v. omschrijvingen (verhalen, spreekbeelden) en verhandelingen en door bijbehorende tegengestelde (antonieme) begrippen.
Ook onderscheiden hoort bij deze beschikbaarstelling: duidelijk aangeven dat consequentie = reactie op + gevolg van, dus: een verdoezelwoord.
De betekenis van een woord. Deze betekenis is een bedenksel, een hersenschim, een ideaal, een idee.
Met een woord bedoelt de gebruiker iets en onder een woord verstaat de luisteraar iets.
Dat zijn de echte, bestaande “dingen”, de bedoeling en de opvatting.
Hoe kom ik erachter wat ik bedoel met een woord? Het gemakkelijkst en best gaat dat als er iemand is die verkeerd op mijn woord reageert. ‘Verkeerd’ wil hier zeggen: dat hij er iets anders onder verstaat dan ik wil dat hij eronder verstaat. Als hij, mijn toehoorder, mijn gesprekspartner, reageert op grond van zijn opvatting, - en niemand kan op iets anders reageren, in alle eerlijkheid -, dan blijkt dat zijn opvatting ongelijk is aan mijn bedoeling.
Zo leer ik mijn bedoeling kennen. Ook zo. Het kan ook anders, maar zo kan het ook.
Het gevolg van mijn schrijven is slechts dat deze inkt zo over dit blad verspreid is. De lezer leest en interpreteert en wordt bang, blij of boos of niet.
Hoe kom ik er nu toe zo weinig als gevolg (en daarmee voor mijn verantwoording) te kennen?
Wel, bekijk maar eens een geschrift van een Japanner of zelfs van een Fin. Totaal onleesbaar voor jou. Dus zie je waar de macht van de schrijver eindigt en waar de macht (en dus het werk en de plicht) van de lezer begint.
Zo merkt de lezer zijn macht als hij zijn onmacht herkent.
Zo moet ook de gesprekspartner zijn macht erkennen en daarmee zijn verantwoordelijkheid.
Een kind wordt het onmogelijk gemaakt om iets voor zijn omgeving vreemds, onduidbaars, te doen. Iets waarbij niet aan hem kan worden toegeschreven wat de omstanders aan reacties op hem vertonen.
290881 vervolg over taal 280881
Een andere reden waarom taal-zorgvuldigheid tegenwoordig ontbreekt, is: dat er geen heilige tekst meer is. Als ik in 17 honderd zoveel hier te lande over woorden in de Bijbel had geschreven, had dat de aandacht getrokken.
Hier en nu wordt wegwerptekst geproduceerd. Zelfs boeken zijn bestemd om weg te doen uit de voorraad van de boekhandels (en uitgevers) en zelfs van de bibliotheken.
Veel kenmerkender dan boeken zijn voor ons hier nu kranten, tijdschriften, gesproken (verklinkende) tekst op radio en t.v. en het politieke en propagandistische en reclame gepraat.
Dit kenmerkende taalgebruik is niet de moeite van zorgvuldige formulering, maar minder nog de moeite van zorgvuldig nagaan wat jij eronder verstaat waard.
Wat gebeurt er, wanneer ik naga wat ik versta onder tekst die niet tot mij individueel gericht is door iemand die mij niet kent? Kan ik dan meer dan mijzelf leren kennen op een door een ander, de spreker, aangewezen punt? Wat doe ik als ik een boek lees? Dan vraag ik me af wat ik onder deze tekst versta. En ik probeer het besproken onderwerp zelf te pakken, in de gaten te krijgen. Ik wil nl. dat onderwerp leren kennen, d.w.z. daarover [uit eigen ervaring dus noodzakelijkerwijs] weten, voelen en doen, kortom: ZIJN.
Vaak zal er een kortere weg naar de zaak, de ervaring daarvan en daarmee (de) waarheid daaromtrent zijn, dan het zorgvuldig bestuderen van een tekst.
De grote massa praters en schrijvers schrijft over en praat na. En de tekst kan door bestudering niets opleveren, want er werd niets in gedaan, er werd niets in ondergebracht, er werd niets in uitgedrukt.
Voor gebruik in het tegenwoordige taalgebruik is een boek over exact – zich – uitdrukken niet geschikt. Wegwerptekst maakt en hoort men niet zorgvuldig.
Welke aanwijzingen omtrent exact, verhelderend, taalgebruik zijn wel zinvol, waarvoor en in welke vorm moeten ze dan worden aangeboden?
- Waarvoor? Voor inwendig, privaat, bewustzijn verhogend, zelfkennis bewerkend/tot stand brengend gebruik.
- Welke aanwijzingen?
- Ik denk dat vooral, met verdoezelwoorden begonnen kan worden.
Werkwijze: de cursist schrijft uit wat hem invalt omtrent een onderwerp.
Dan zoekt hij elk woord dat hij gebruikt heeft in zijn opstel, op in het verdoezelwoordenboek en merkt dat hij tientallen onderscheidingen botweg zich niet gerealiseerd heeft en zodoende een veelduidige tekst heeft neergeschreven. - Scheld- en prijswoorden.
Bevrijd gebied - prijswoord
- = terrein; zo niet, wie gebiedt er, wordt daar geboden, opgedragen, bevolen? Waarvan zijn ze dan bevrijd? Van het ene bevel, t.g.v. het andere bevel?
0 Reacties