Jaap Schot, 1 april 1987
De civilisatie heeft ons, tijdgenoten van elkaar los gemaakt, ze heeft onze eenheid opgedeeld in eenlingen, van elkaar geïsoleerden, de eenheid die wij, ieder van ons als nieuwkomer op zijn eigen initiatief, beleefden, "projecteerden": Iedereen begint ermee zijn omgeving als levend, net als hijzelf levend, op te vatten. Sterker: iedereen begint ermee zich niet los van zijn omgeving te ervaren. Niemand begint meteen zichzelf op te vatten als los en gescheiden van zijn milieu (inclusief zijn omstanders).
Het is de civilisatie, het zijn de zelf geciviliseerden, dat wil zeggen tot elkaars bestrijders gemaakten, die nieuwkomers op aarde isoleren door hen als geïsoleerd te behandelen.
[Pas als die isolatie een eindweegs is gevorderd kan het terroriseren met collectieve straffen beginnen als tweede of zoveelste fase in het proces van menselijkheidsvernietiging: het proces van het gelijkschakelen, eender maken, mentaal uniformeren en tot elkaars vijanden maken.]
Voor wie als volwassene begint te merken dat hij verlossing verlangt en nodig heeft is de naam van zijn enige echte onderwerp: zijn eigennaam, beter nog: zijn legernummer of enig ander hem van al zijn tijdgenoten onderscheidend nummer.
De eigennaam kan voor sommigen nog met van die noties beladen zijn als bij Heer Bommel (van Marten Toonder), die zich nog meent te kunnen en moeten gedragen als "een Bommel".
Een nummer heeft echt alleen maar een etiketterende functie, geen enkele gedrag suggererende, voorschrijvende of verbiedende functie.
Daar gaat het nu precies om: de eigen naam, het eigen nummer zijn aanduidingen voor zeg maar: jouw genencombinatie, voor jou zoals je "als een onbeschreven blad" begon te bestaan.
Het is dat oorspronkelijke, op eigen initiatief met bestaan begonnen exemplaar van zijn diersoort dat verlossing zoekt uit het hem aangedane isolement. De civilisatie isoleerde hem van zijn omgeving, van de natuur, van het leven (in de anderen, in het andere en in zichzelf).
Dat exemplaar van zijn soort wil af van het meedoen aan het vernietigen van het leven in/van zichzelf en zijn milieu.
Dat exemplaar wil daar van af zodra, zolang en inzoverre het niet langer voordeel ervaart van het meespelen met de andere geciviliseerden. Succesvolle deelnemers (spelers) vinden geen reden om het spel te verlaten, te veranderen of te breken. Pas als iemand in het spel niet wint, merkt dat hij de regels niet kan veranderen, merkt dat hij het spel niet kan verlaten en het niet kan breken, pas dan komt de gedachte aan verlossing in hem op. Uiterst zelden is het zien van andermans verliezen voldoende reden om het spel te verwerpen, zo dat zien al ergens toe leidt, dan meestal tot niet meer dan liefdadigheid, een sociaal vangnet, uitkeringen.
Boeken gaan niet over de lezer. Wie zich ongelukkig weet en verlossing zoekt kan dan ook wat de civilisatie betreft gerust lezen, want dat helpt hem echt totaal niet. Vandaar dat er geen censuur nodig blijkt: de civilisatie is in het vrije westen niet zwakker dan in het communistische oosten.
Iedereen blijven de teksten vreemd, welke hij niet in zichzelf verneemt, verneemt als oorspronkelijke producten van zijn eigen brein, zodra, zolang en inzoverre dat werkt met zich eigen gemaakte of eigengemaakte begrippen (onderscheidingen en opgemerkte relaties tussen wat onderscheiden werd) en met eigen waarnemingen en ervaringen. De voor dat luisteren naar het eigen oorspronkelijke brein nodige txaenz moet zo iemand met geweld, tegen hun wil en verzet in, terugnemen van wie zijn txaenz nu voor hem besteden.
Er is een soort rupsen die men 'army worms' noemt, rupsen van een mot, de Leucania unipuncta (volgens de Webster). Deze rupsen bewegen zich in grote aantallen als een leger voort, alle plantengroei in haar weg vernietigend; dezelfde naam 'army worms' wordt gebruikt voor iedere verwante soort met overeenkomstige gewoonten.
Onlangs zag ik een tv-filmpje over deze mottenlarven, die als exemplaar in een massa. een plaag, een ander uiterlijk blijken te hebben dan ze hebben als ze verspreid voorkomen. Dat andere uiterlijk krijgen ze bij het vervellen tussen vele soortgenoten. Vervellen doen ze zo'n keer of vijf voordat ze volwassen zijn. Het andere uiterlijk is een reactie (qua vorm genetisch vastgelegd, neem ik aan) op hun omstandigheden. Dat is proefondervindelijk vastgesteld, volgens mijn tv.
Het viel me in dat dit dier een beeld kan zijn om te gebruiken om over de mens te spreken. Het is volkomen duidelijk waarneembaar dat er twee verschillende elkaar uitsluitende reacties zijn op het leven in een civilisatie: meedoen en niet meedoen. Beide reacties vertonen vele vormen.
Ik wil hier nu alleen even uitschrijven dat iets erfelijk kan vastliggen maar als potentie, als mogelijkheid, die pas verwerkelijkt wordt als de passende prikkelconstellatie optreedt. Dat zou ook bij mensen zo kunnen zijn. Hetgeen de rups heeft en verkleurt, die plaagdeel, massadeel is, is niet iets wat de ruimtehebbende rups mist. Dat woord 'verkleurt' is hier van belang. Het is verkeerd, want het keurt. De kleur van de zeldzame rups is even eigen oorspronkelijk, individueel, echt en soortspecifiek als de kleur van de plaagrups, de massarups. Geen van beide reacties wordt gekozen.
Voor de geciviliseerde mens, de massamens, is de centrale vraag of hij anders (met een ander zozijn) kan reageren dan hij reageert op wat in zijn omgeving is. Het is mij niet bekend. Wat doet een uit de plaag geïsoleerde rups bij zijn volgende vervelling? Wordt hij weer of voor het eerst een ruimterups?
De massamens heeft evenals elke rups maar een enkel doel: consumeren. De rupsen vreten soortgenoten, anderen ("elkaar") op als ze geen planten meer als voedsel vinden. Zover is de mensenplaag nog niet gevorderd, maar een ander mechanisme dan dat wat we bij de rupsen zagen, komt bij ons nog nergens in zicht. De massamens "kiest voor" (= vertoont als) reactie de onbeperkte consumptie, de topprestatie daarin, wat Jules Henry in 'Culture against man" noemde "heroic deeds of consumption".
Zo reageert hij op zijn omgeving, omstanders en situatie, in dit geval dus: op de geciviliseerde samenleving.
Rupsen vervellen als de druk van binnenuit, als gevolg van hun groeien, te groot wordt. Mentaal vervellen, kunnen mensen zoiets? En kunnen dan uit geciviliseerden (massamensen, toppresterende consumenten) weer of voor het eerst mensen worden die leven als wilde, zeldzame, ruimtehebbende exemplaren van hun soort, tussen de plaagvormige tijdgenoten als tussen andersoortigen. Rupsen verkleuren niet door de aanwezigheid van sprinkhanen in plaagvorm. Kunnen mensen (rupsen) hun anders gekleurde soortgenoten als andersoortigen zien?
Er is steeds een wedijver tussen het verklaren van het doen en laten met behulp van erfelijkheid enerzijds en met behulp van africhting (conditionering, leren) anderzijds. Die rupsen als spreekbeeld gebruiken levert een onderzoekbare mogelijkheid op: zowel een verzameling rupsen als een verzameling mensen kan op veranderbaarheid en op erfelijke bepaaldheid van doen en laten worden onderzocht. De jonge rupsjes komen allemaal eender uit de eieren: zwart kopje, doorzichtig lichaam.
De kinderen worden door de civiliserende (voor het deel uitmaken van, het bouwelement en component zijn voor de geciviliseerde samenleving geschikt makende) opvoeding en het civiliserende onderwijs naar het centrum van de samenleving op weg geholpen. In hun arbeidsleven, vrijetijdsleven en gezinsleven moeten ze dan verder zelf binnen blijven en zo mogelijk centraler in de samenleving worden (komen te zitten).
Wie werkeloos worden, de middelen verliezen om aan het culturele leven deel te nemen en / of alleen komen te staan, om welke redenen en door welke oorzaken of daden dan ook, gaan op weg naar de buitenrand van de samenleving.
Dit op weg gaan naar de buitenrand voelt aan als een gevaarlijke val. Het lukt niet de anderen vast te houden die in de samenleving vastzitten of in beweging zijn in de richting van het midden. De gesprekken lukken niet langer, er blijven geen gemeenschappelijke onderwerpen en bezigheden over, men heeft elkaar niets meer te bieden aan gezelschap, steun en begeleiding, men kan niets meer voor elkaar betekenen, men heeft niet langer iets van elkaar te verwachten, men kan elkaar zeker nooit meer een bal toespelen.
De druk die wordt uitgeoefend op wie in de richting van de buitenrand op weg is, wordt anders en minder. Verlies van status geeft aanvankelijk vermindering van druk van buitenaf, van anderen op de betrokkene, dus vermindering van spanning, van stress. Wie van het midden vandaan naar buiten gaat, ervaart dat gaan, dat bewegen, als een val, als het kwijt zijn van houvast. Gezegend (bevoorrecht) onder hen zijn diegenen die voldoende geld hebben of krijgen om als consument te blijven meetellen in de samenleving.
Wat te doen met al zijn txaenz die nu ter beschikking aan de (vallende) losgelaten enkeling zelf komt?
Zijn opvoeding en onderwijs geven de vallende geen raad in deze. Alleen hobby's die vormen zijn van consumeren en/of van dienen als vrijwilliger, kunnen hier helpen.
Voor wie geen hobby's van die soort hebben en ontwikkelen stelt zich de vraag: "wat nu?".
Het eerste wat nodig is, is het gaan onderscheiden van wat men als exemplaar van zijn diersoort nodig heeft en hoe men daar in de eigen situatie aan kan komen. Het onderscheiden van het nodige van het onnodige heeft men vrijwel nooit geleerd, daaraan zit dus al meteen een flink stuk (denk)werk. Weinigen zullen tot de conclusie komen dat voor alles wat ze nodig hebben ook door anderen gezorgd wordt. Diegenen voor en bij wie dat volledig voorzien worden het geval is, zullen zich niet bewust worden van een gevoel van vallen bij het gaan in de richting van de buitenrand van de samenleving.
Het gevoel is een teken dat er tekorten aan nodigs zijn. Menig gevoel dat berust op een afkeuring van dat zich weg van het centrum bewegen is een teken van het nog niet als een spel herkend hebben van het deelnemen aan de samenleving. Deelnemen aan dat spel was afgedwongen en voor die dwang compenseerde men (zich) met sommig nodigs en vooral met luxe, onnodigs.
We hebben in opvoeding, opleiding en onderwijs geen manieren geleerd om direct te voorzien in alles wat we nodig hebben voor ons leven en welzijn, direct, dat wil zeggen: zonder onze specialistische diensten met anderen te ruilen, zonder loonarbeid dus. Zonder loonarbeid, maar wel met gebruikmaken van de uitkering die men geniet.
Vrijwel iedereen die naar buiten valt uit de samenleving zal er veel txaenz voor nodig hebben en zelfs hulp om het voor hem nodige te herkennen en te leren er direct, zelf in te voorzien. Sommigen zullen in dat direct voorzien niet kunnen slagen. Als ze dat nietkunnen goed kunnen uitleggen en voorleggen ("aan de sociale dienst", aan anderen, aan de centraleren in de samenleving) hebben ze een niet geringe kans de nodige gelden en/of leergelegenheid te krijgen.
Wat er aan gelegenheid tot het laten stromen van de eigen levensenergie nodig is, kan niet door anderen verstrekt worden. Gelegenheid kan men iemand laten, die iemand moet zelf weten dat het laten stromen van zijn levensenergie nodig is en die iemand moet zelf al expressieve bezigheden durven en kunnen en/of willen leren.
Durven is een (moeilijk) iets, opgemerkt wensen te worden en/of applaus verlangen is weer een ander iets. Beide komen af van betrokken zijn op (let wel: niet bij) anderen, resp. van denken dat de anderen op je (willen) letten, je überhaupt willen waarnemen.
Een van de opvallendste verschijnselen is echter dat niemand je meer ziet, als je eenmaal naar buiten bent gaan bewegen. Aan anderen om aandacht aan te besteden hebben maar heel weinig mensen die binnen zijn een tekort.
Mensen die wat verder naar buiten zijn nemen al gauw een huisdier om veel van hun txaenz aan te besteden.
Het simpele verdoen van de eigen txaenz is geen groot probleem, wel echter het komen tot een sprankelend leven, het tot stromen brengen van de eigen levensenergie.
Loonarbeid is voor dat tot stromen brengen zeer zeer zelden een passend middel. Er zijn leuke banen, maar dat komt alleen doordat er zoveel banen zijn, dan wordt het bestaan van ook enkele leuke banen statistisch dwingend, onontkoombaar. Zo zijn er ook gelukkige huwelijken en integere geciviliseerden.
Vaak pas wanneer iemand naar buiten valt en daardoor (of daaraan gepaard) zijn eigen txaenz voor een groot deel of volledig zelf ter beschikking krijgt, kan hij überhaupt het probleem stellen van hoe zijn levensenergie tot stromen te brengen. Ervaring daarmee hebben de minsten, die lui met die leuke banen en die gelukkige huwelijken, die bevriend waren met die integere geciviliseerden. De rest komt voor het eerst, "sprakeloos", zonder er passend begrippenapparaat voor te hebben!, voor dat probleem te staan.
Vaak weten ze niet meer dan dat soms een vakantie wel eens heel even een flits van echt leven leek.
Van expressie die we allen om ons heen zien valt vaak te zeggen dat het compensatiegedrag is voor het ingespannen, ingedrukt, gespannen en verkleind leven. ('Verkleind' is hier bedoeld als: maar weinig eigen txaenz zelf te besteden hebben overgehouden en slechts over weinig vormen van gedrag beschikkend om dat weinige te besteden).
Veel expressie was en is besmet met competitie en perfectionisme.
==== "Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht, ik durfde niet,
ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet."
Dat is een couplet uit een gezang van de Ned. Hervormde Kerk (geweest ?).
Vanuit de nieuwkomer een gerechtvaardigde aarzeling, in een geciviliseerde samenleving, dat wil zeggen ordelijk vastgelegd, gestructureerd, onder andere ook (als aansporing tot werken) daartoe: gelaagd.
Elke keer als iemand zich iets kiest, een opleiding/beroep/specialisatie, een koophuis, een dure hobby, een huwelijk, ouderschap, legt hij zich voor een groot deel van zijn txaenz-besteding in de toekomst vast.
Het probleem is weg, hoewel het geweld en het leed blijven, zodra, zolang en inzoverre de keuzes door anderen voor de enkeling gemaakt worden en zeker als die anderen dat doen in naam van de maatschappij, die is en werkt zoals ze is en werkt doordat ze door een God zo geschapen en gewild zou zijn.
Niet voor niets zegt men dat God de wereld geschapen heeft, in plaats van zich exact uit te drukken en vast te stellen dat God de aarde schiep en de natuurmensen, maar niet de wereld, de samenleving, de civilisatie en de deze vormende personen en functionarissen.
Wij mensen, blijven zitten met een verlangen naar echt leven, dat wil zeggen als schepsel, vanuit de neigingen die we in onze genen hebben en binnen de natuurlijke omgeving waarvoor we geschapen of in miljoenen jaren geëvolueerd zijn. Die natuurlijke omgeving is voorgoed vernietigd. Wat we nog kunnen is: in de kunstmatige omgeving op eigen initiatief leven en zoveel mogelijk daar nog die dingen doen die we in de ons passende natuurlijke omgeving ook hadden gedaan: daar omdat we zo doende in wat we nodig hadden zouden voorzien, hier zo doende schijnbewegingen makend, bewegingen om de bewegingen, om het eraan vastzittende gevoel van (alsof) biologisch functioneren, een (onecht) lustgevoel. Dat is ons probleem. Daarover gaat de joods-chr. godsdienst.
0 Reacties