Einde bespreekbeelden

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden:

Jaap Schot, 28 december 1991

HET EINDE VAN BESPREKEN MET BEHULP VAN BEELDEN.

Bij het pogen 'de wereld' te bespreken heb ik in de loop van de tijd vele beelden gebruikt. Spreekbeelden gebruiken is nuttig om moeilijk of niet te benoemen relaties tussen grootheden binnen je onderwerp aan te wijzen. In de werkelijkheid verhoudt A zich tot B zoals in het beeld C zich verhoudt tot D. Per naast de werkelijkheid gehouden beeld gelden een of meer van die verhoudingen en dan is het spreekbeeld uitgeput, verbruikt. Wist 'men' dit maar, maar nee, 'men' gaat veel verder dan de geldige a:b=c:d's bij het gelijkstellen van beeld enerzijds en het desbetreffende onderwerp in de werkelijkheid anderzijds.

Nog erger wordt het wanneer het spreekbeeld (geheel of deels) verzonnen is, een verzonnen verhaal of stand en gang van zaken. Dan is er namelijk niets meer (zoals in een uit de werkelijkheid genomen beeld nog wel) dat verder fantaseren remt. Voorbeeld: voert men eenmaal een persoonlijk, aanspreekbaar God in, dan is de hele westerse filosofie te verzinnen zonder uit de problemen te komen die het invoeren van dat verzinsel levert. Iets vruchtbaarder is het ons bij het doordenken van onderwerpen af te vragen of ze in een enigszins andere stand en gang van zaken ook bestaan. Voorbeeld: bij veel vraagstukken is het dienstig zich eerst af te vragen of Robinson Crusoe op z'n eiland alleen ze kan hebben. Moeiteloos blijkt dat vele dingen puur een gevolg zijn van de aanwezigheid van anderen. Dat is vaak enorm verhelderend, namelijk daar waar bij het bespreken ervan die anderen verdacht afwezig gehouden worden, wat niet zelden gedaan wordt.

Men mag zich afvragen wat voor zin het heeft weg te denken wat ononderbroken aanwezig is in de werkelijkheid waaruit het onderwerp in bespreking is genomen (is uitgesneden). Een antwoord op die vraag is pas te formuleren als proefondervindelijk bewezen is dat dat wegdenken niets opleverde. In het zojuist genoemde voorbeeld vond men er de betrokken anderen door, bracht men die erdoor op het beeldscherm van het bewustzijn, waar ze bij het bespreken thuishoren.

Men mag zich ook afvragen waar het goed voor is om naast dat wat men waarneemt zich een alternatief te schilderen waarmee men het waargenomene dan vergelijkt. Laat men dat na dan bespaart men zich veel (zij het niet alle) tevredenheid en ontevredenheid, waar men verwacht: het meevallen en het tegenvallen. Ontevredenheid zal er onvermijdelijk blijven daar waar in het nodige voor (eigen) leven en welzijn niet is (te) voorzien. Nu ik (tegenwoordig) stel dat het samenleven in de huidige democratische civilisatie van ons het spelen van een gezelschapsspel IS (let wel: is, niet: gelijkt of schijnt), gebruik ik geen beeld.


Er zijn geen wezenlijke punten van niet- overeenkomst tussen de door iedereen als zodanig erkende gezelschapsspelen enerzijds en anderzijds het meedoen met [= het deelnemen in / bijdragen aan] dat samenleven, dat we als spel 'rangschikkertje (of overtreffertje) met bezit' kunnen noemen. Er zijn tussen alle gezelschapsspelen verschillen, zoals die er ook zijn tussen alle zoogdiersoorten. Nochtans zijn het allemaal gezelschapsspelen resp. zoogdieren.

Weten we eenmaal dat enig dier een zoogdier is, dan weten we dat het niet zonder X kan en op manier Y aan Z moet komen. Ik ga hier geen biologie-uitspraken doen.
Wanneer we eenmaal weten dat iets een gezelschapsspel is, dan weten we dat het spelen ervan van nature ONNODIG is.
Er werd ooit en kan altijd weer en nog, door elk mens waardig geleefd worden zonder dat spel.
En dat is nu zo ongeveer het enige wat ik nog echt wil zeggen. Wie de diagnose: 'het is een gezelschapsspel' verwerpt, hoeft verder niets van mij te horen of te lezen, want het kan hem geen nut of voordeel meer opleveren.

*)  Transcriptie:
In het spel gaat het om bevoorrechten (= achterstellen). Het verleden is van spelbelang als legitimatie voor de bestaande voorrechten.
Men mag zich afvragen wat voor zin het heeft om nog gedachten te besteden aan wat was, wat dus niet meer is, en aan dat wat nog niet is: het mogelijk toekomstige. Wat was en nog steeds is, maakt gewoon deel uit van wat is en of het was, is van geen belang, evenmin of het blijft, eender blijft of verandert of verdwijnt.
Waarom men zo'n massa belang stelt in wat buiten bereik is (de sterren bijvoorbeeld) is ook een bron van terechte verbazing.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *