Jaap Schot, 30 maart 2006
1. De onverschilligheid jegens de opgedrongen “problemen” is de belangrijke en centrale bevrijding.
2. Het veronderstelt verwatenheid zich bezig te houden met (‘zich gedachten aan te maken over’ is dat dan) problemen zoals ‘overbevolking’, ‘de klimaatsverandering’.
3. Ik heb één denkhoofd en geen macht die uitgaat boven mijn koopkracht.
4. Het is totaal zeker dat elk ‘idee’, elk voorstel tot oplossing, elke techniek daarvoor, zal verworden tot speelgoed (een speelbal) van al die mensen die in wedstrijd met elkaar zijn, dat is (met andere woorden gezegd): die ‘koninkje’ spelen, zich rangschikken, willen leiden, anderen zoeken over wie ze de baas willen spelen.
5. Ik ben alleen. Ieder levend wezen is alleen. Er bestaat geen ‘samen’, er zijn ons slechts ‘bijeen’ en ‘aan hetzelfde bijdragend/ naar hetzelfde strevend’ gegeven. En er is de moederliefde, die het kind (de andere genencombinatie) ‘lief heeft als zichzelf’. Waar die moederliefde is ( = het gedrag voortbrengt, stuurt en bepaalt), daar is het rijk dat een alternatief is voor ‘de wereld’ en dat niet ‘van de wereld’ is, het rijk van Jezus van Nazareth. Die vermoorde man, in termen van de juristen: na passend proces terecht gesteld. Naar heersend (‘positief’) recht.
6. Het Romeinse recht is ons ten voorbeeld gesteld, de Romeinen hebben hun oorlogen namelijk niet verloren, zoals de Nazi’s, van wier ‘recht’ door Guido Knopp e.d. schande wordt gesproken, in het kader van de vast nog wel tientallen jaren ‘nodige’ antipropaganda.
7. Het Romeinse rijk duurt voort, nu nog en is niet in verval. Het zich verpoppen van een rups is geen verval. Evenmin is het vervellen van een slang, verval. Integendeel in dat laatste geval: de slang is gegroeid, het gaat het dier goed, de oude huid wordt te eng.
8. Voor de keizer in de plaats komen de vele, vele ‘edelen’, voor het éne Rijk, de diverse rijken, maar telkens weer komt er hegemonie, want dat is het streven van elke vorst, van elke burger in de democratie. Stekjes zijn het, deze miljoenen (miljarden) vrije burgers, die soeverein over hun koopkracht beschikken en door geen wet gehinderd worden te streven naar ‘meer geld’= meer voorrechten = meer koopkracht = meer macht.
9. Uit elk stekje kán iets groeien in de betekenis van ‘in staat zijn’, maar ze zitten elkaar in de weg, ontnemen elkaar ‘de gelegenheid’. Zo is het in (deze) orde.
10. Totaal ten onrechte wordt succes (uitgroei, het verkrijgen van veel koopkracht --> veel minderen/ ondergeschikten/ met koopkracht aan het werk te zetten anderen) toegeschreven aan dat ‘in staat zijn’ puur, nee, het toeval gaf en geeft mensen meer of minder gelegenheid. ‘Wat gebeurt’ is een vermenigvuldigingsproduct van die twee betekenissen van ‘kunnen’: ‘ik kon niet’ en ‘het kon daar waar ik toen was, niet’. [Er was al iemand minister-president, er hád al iemand dat patent.]
11. De redelijkheid is de neusring van de rationalisten, ze worden er aan mee gevoerd. Ze spreken en denken met loze woorden, zo spreken atheïsten vrolijk de theologen tegen, terwijl die toch met de bijbelse verhalen op de loop zijn gegaan [een robinsonologie hebben ontwikkeld (christologie)], de bijbel ‘lezen’ zoals mensen die ‘Animal Farm’ letterlijk nemen, die boerderij (cfr. de ark) zoeken, in het schijnfeitelijke verhaal blijven steken. Daartegenin stellen dan de atheïsten met een stalen gezicht dat zij niet geloven in het bestaan van het varken Napoleon of in het ooit bestaan hebben van de verdreven boer [de god die dood is (verklaard)].
12.
0 Reacties