Jaap Schot, 31 augustus 2005
1. Er is geen hoop nodig. Ik eindig op mijn vel en met mijn dood, zoals iedereen. Ik heb totaal geen neiging opgelopen mij met wie dan ook (of welk ideaal dan ook) te meten op welke dimensie dan ook. Dank zij Moeder ben ik niet bevaderd en leef ik vadervrij. Ik kan die waanzin (wanzin is ook een goed woord hiervoor) om je biologische vader te willen gaan zoeken teneinde hem te kennen niet vatten, begrijpen of navoelen. Ik hoef niemand te overtreffen en ik hoef mezelf zoals ik nu ben niet te overtreffen, ik wil slechts functioneren en daar hoort leren bij. Leren is geen overtreffen van wie jij voor het leren was.
2. Er zijn hoofdzaken en bijzaken. Er hoeft maar heel weinig het permanente geheugen in. Het is zinnig gedrag de onbelangrijke dingen onbesproken te laten, bespreken is een vorm van ‘het opbergen in het permanente geheugen waarschijnlijker maken’.
3. Een andere vorm daarvan is het aanmaken van gevoel erbij en het oordelen er over, het er een wensplaat naast houden en de overeenkomsten en verschillen waarderen, waarde toekennen, goedkeuren of afkeuren. Toejuichen of verketteren.
4. Het verleden is voorbij, voorbijer en voorbijst bestaan niet. Het uitschrijven van de vorige zin is even voorbij als de oerknal.
5. De toekomst is er nog niet, is ons niet gegeven. Morgen niet en het doven van de zon niet.
6. Er hoeft niets. Alleen het nodige moet voor dat strevende leven (die entelechie) waarvoor het nodig is. Ik moet ademhalen voor mijn voortbestaan en dat voortbestaan is de kern van mijn entelechie, de voorwaarde voor de rest ervan: het overige functioneren.
7. Van een bedoeler (God, schepper en slavenhouder “Heere”) en van ons als bedoelende wezens is slechts sprake.
8. Wij, genencombinaties, zijn gesloten systemen. ‘De mens’ is géén open systeem, niet als het natuurgegeven dat hij is, niet als Robinson Crusoe op zijn eiland (dat ‘de ruimte om hem heen’ is, als hij weer terug is tussen de anderen op het vasteland).
9. ‘De mens’ is een te waarschuwen en uit te nodigen dier, zoals vele andere dieren ook zijn. Zijn entelechie verandert niet door de apperceptieve massa aangeleerds waar zoveel bangmakerij zijn sporen in heeft nagelaten. En ook van valse voorlichting, leugens over goden, hemel, persoonlijkheid, daderschap enz. enz. enz. . Die apperceptieve massa heeft zich gedrongen tussen entelechie en gedrag. Het nodige wordt op niet doeltreffende wijze nagestreefd. Dat niet doeltreffende gedrag wordt deels afgedwongen, anderdeels wordt menigeen ertoe verleid. Bedreigen en bedriegen zijn beide aan de gang jegens iedereen. Angst en wantrouwen zijn in het algemeen passend, maar dat heeft wel tot gevolg dat wie waarheid spreekt evenzeer een ander (= iemand die te vrezen en niet te vertrouwen is) is. Geloven, de bézigheid is fout, los van wat er geloofd wordt.
10. Geloven, de bézigheid is fout, los van wat er geloofd wordt. Maar het is nodig te waarschuwen te zijn en uit te nodigen. Ik ken slechts een kleine flard van het kenbare en dat kenbare is slechts een flard van ‘wat gebeurt’. Elk handelen is dus deels gokken, het er op wagen met te weinig kennis van de omgeving. [Schoolvoorbeeld: de radioactiviteit waar mevr. Curie aan te gronde ging en de Radon uit het bouwmateriaal van haar nieuwe flat, waar Moeder waarschijnlijk haar longkanker van opliep.] Velen van ons worden daar toch nog –tig jaar oud mee. En dat is het dan. Wij zijn chemisch zoals al het andere stoffelijke (= gebeurende). Het stoffelijke is het gebeurende is een parafrase van E=mc².
11. Daderschap is een illusie, een leugen, in feite een tamelijk recente. Om koningen eer en gebruikten schuld te kunnen toewijzen al of niet bedoeld (planmatig ingevoerd), in ieder geval bruikbaar gebleken en volstrekt algemeen geworden. Dat het concept nergens op slaat is te zien waar het daderschap in de middeleeuwen ook aan dieren werd toegekend en nu, bij “onze” bio-industrieën is afgeschaft: die miljarden dieren zijn ineens ‘dingen die gebeuren’, puur (bio)chemie.
12. De vijf reuzentonijnen in ‘Het Journaal’: schoolvoorbeeld voor propaganda en voor ‘koninkje spelen’.
13. Iedereen oogst wat hij veroorzaakt, maar hoewel er van beloning en bestraffing sprake is, valt dat in de empirie weg, want degenen die de zee leegvissen zullen het niet meemaken dat hun nazaten hen vervloeken. Zonder die waan van straffende alwetende god en een leven als persoon ná dit leven (in het woordje ‘dit’ zit de hele waan verpakt) is er geen enkele bescherming van de kinderen tegen de in concurrentie en competitie (resp. als speler van ‘koninkje’ en als zich als andere ter keuze staande overtreffende aanbiedende aan de hurende bazen)het milieu vernietigende en de onbetrokkenen / weerlozen verdringende ‘mannen’.
14. Een vader is een echte man die nageslacht bezit. Ja, bezit. Het bezittelijke voornaamwoord is erg passend. Niemand ergert zich aan die bezittelijke voornaamwoorden voor ‘kind’ en ‘vrouw’ enz.
15. Via het sportende vaderland (“Nederland” oftewel met de sportnaam aangeduid: “Oranje”) worden die verbondenheid en dat voortbestaan, wordt die continuïteit van een geheel, nu uitgesproken (‘zonder erg’, impliciet). Dat geneuzel over sport en vaderland is een zielig surrogaat voor het roomse geloof (en voor de andere staatsgodsdiensten voor het gewone kansloze gebruiktenvolk, dat kaarsjes brandt, religieus gymnastiekt, knielt en buigt en offert). Dat roomse geloof is veel beter uitgewerkt.
16. Terzijde: het roomse geloof is als staatsgodsdienst (wereldgodsdienst) onverenigbaar met het joodse geloof (inclusief die sekte van Jezus, die voor het jodendom was, wat het protestantisme was t.o.v. de roomse leer), dat tegen elke civilisatie gericht is. Die god op onze guldens en op de koppels van de Duitse soldaten in WO-II, dat is een staatsgod, dat is niet die van de joden, van de bijbel. En het boeddhisme kent helemaal geen goden, maar het gewone gebruiktenvolk kreeg de boeddha als god, tegen alles in. Zoals anderen ook Jezus vergoddelijkt hebben, een zwaar onzinverhaal, met een god die zijn zoon offerde voor een abstracte gerechtigheid, die boven alle mensen en zelfs boven de schepper dus, uit zou gaan. Dat, dat een uitgevaardigde wet boven alles gaat, is een kreet van de staat, die vind ‘je’ dus in een staatsreligie (al of niet een godsdienst).
17. Wat ik doe is: mijzelf al uitschrijvend laten lezen, al denkend met mijn geestesoor laten horen, van dat wat er door mijn omgeving geschreven, gezegd en gedacht zou moeten worden, opdat deze massa anderen ook zouden passen bij ‘wat gebeurt’.
18. Je kunt nooit iets anders opmerken dan ‘wat gebeurt’. Je kent (kennen = aan het opmerken zijn) dus nooit onwaarheid.
19. Er is niets waars uit te zeggen met verzinsels die met zelfstandige naamwoorden / werkwoorden benoemd zijn. Nee ook niet met de met eigennamen benoemde verzinsels. [Als ik het over Robinson Crusoe heb, duid ik met die eigennaam niet iemand aan, maar: een mens in een specifieke situatie, namelijk ‘alleen’, met niemand aan het omgaan, met niemand in interactie. Dat verhaal van die schipbreuk en dat belanden als drenkeling op dat ‘onbewoonde’ mensloze, eiland, is alleen ‘nodig’ voor wie zich ‘alleen zijn‘ zónder dat gebeurtenisgeweld niet kunnen voorstellen.]
20. Locke had het dus bij het juiste eind, sloeg de goede weg in, de weg naar de waarheid, weg van het valse alarm en de loze belofte en de bedreiging en verlokking met verzinsels.
21. Maar Descartes, - hoewel hij tegen beter weten in dwaalde, terugkeerde naar de verzinsels, expliciet, dus ook voor hem zelf te corrigeren - , won het bij alle vorsten (en hun spreekbuizen/ woordvoerders: de juristen en de priesters en de bange/ voorzichtige filosofen zoals Kant en Hegel).
22. In een boek dat ‘De gekleurde vogel’ heet beschrijft iemand dat een door een mens kleurig geverfde spreeuw door soortgenoten wordt dood gepikt. Zo vergaat het mensen in ieder geval niet zelden als ze anders doen (inclusief spreken) dan de anderen die de massa zijn, die eender zijn. Mensen die met hun kleuren (= anders zijn) te koop lopen. Is men van dat verschijnsel áf wanneer men een democratistische tolerantistische liberalistische maatschappijvorm aanmaakt? Nee, echt niet, want menigeen begeert voorrechten (= toegestaan parasiteren op soortgenoten, dat qua kwaliteit en qua omvang / kwantiteit is begrensd en omschreven).
23. Onlangs zond Teleac een programma uit waarin werd uitgelegd dat de kloosters in de late middeleeuwen rijk werden doordat de voorbede van de monniken te koop was en door de rijken vanwege hun zonden voor hun zielenheil nodig werd geacht.
0 Reacties