A>b:
B>type bodhi.txt
.pl70
.mb2
.mt2
.he file bodhi.txt / schijf groen 9 / blz. #
Hallo Everaard,
Als ik weer eens een gesprek heb of op een andere manier een
onderwerp tegenkom dat me interesseert, dan krijg ik een soort
tekstdiarrhee. Vandaar dat ik deze week heel veel geschreven heb.
Dat is geen probleem, want het gaat vanzelf over.
Deze tekst is een schriftelijk vervolg op ons gesprek, van vorige
week. Het is ook en vooral een reactie op de tekst in het
foldertje van Bodhimanda.
Het meeste van die tekst kan ik 'voor mijn gevoel' goed volgen.
Maar wat met 'eenwording' wordt benoemd, weet ik niet. En ik zou
nooit 'wij' en 'ons' gebruiken. Al geef ik toe dat het velen
waarschijnlijk afschrikt als ik in plaats van 'wij' en 'ons'
'zij' en 'hun' gebruik. Ik vermoed dat ze zich dan erg alleen
voelen ineens of zo.
Ik probeer in mijn vizier te krijgen het in de tekst besprokene.
Het besprokene is het onderwerp, nietwaar, het gesprokene duidt
dit onderwerp slechts aan, is ("slechts") als een vinger die
wijst naar de maan.
-/-
"Het drama van de mensheid vanaf het begin van haar
historie tot op de dag van vandaag, komt voort uit haar
fundamentele verlangen naar eenwording en uit de manier
waarop zij getracht heeft die te bereiken."
-/-
Laten we over de paardheid spreken. De paardheid is als onderwerp
al heel ingewikkeld. Alles wat we over de paardheid kunnen
uitzeggen kunnen we aftrekken van wat we over de mensheid kunnen
zeggen en dan houden we in ieder geval in de rest ook over: het
specifiek menselijke, het uniek menselijke, waar ze zo dol op
zijn.
De paardheid wordt gevormd door
Met de paardheid duiden wij aan
Ons begrip paardheid omvat
alle paarden die nu leven en ook alle paarden die ooit leefden.
Zelfs: alle paarden die ooit zullen leven.
Flink uit de kluiten gewassen begripje dus.
Ik weet niet of de paardheid een drama beleeft.
Ik weet dat de nu levende paarden in gebruik, buiten gebruik
gesteld of verwilderd zijn. Wilde paarden, rechtstreeks en
onvermengd afstammend van nooit gebruikte voorouders zijn er
(vrijwel) niet.
Over paarden werd en wordt geheerst, dat wil zeggen: hen worden
kunstjes aangeleerd en het doen van die aangeleerde kunstjes
wordt hen daarna afgedwongen.
Het in gebruik genomen worden verwondt psychisch. Het
traumatiseert. De meeste van de zo verwonde mensen blijken
hun kinderen niet te beschermen tegen het nawerken door hen,
de verwonden heen, van dat verwondende in-gebruik-nemen,
onderwerpen, onderschikken, vernederen, tot mindere maken in
een rangorde. Slechts weinigen breken niet onder dit in
gebruik genomen worden. Zij die niet breken zijn in hun
eigen ogen niet de mindere van wie dan ook. Zij erkennen de
rangschikking niet als een rangorde. Zij nemen geen plaats
in deze rangopstelling. Ze erkennen geen minderen en geen
meerderen. Zij doen niet mee. Zij blijven zich verzetten of
ze nemen afstand van allen die zich rangschikken, ze stellen
zich buiten deze mensen-in-civilisatie op. Het is verstandig
met die opstelling-buiten niet openlijk te koop te lopen,
wie een boodschap aan de gerangschikten heeft, wordt
daarvoor gestenigd of gekruisigd of zo. Zijn boodschap wordt
genoteerd, vertekend tot ze in het rangschikspel bruikbaar
is en dan gaan ze er mee spelen. Ze gaan bijvoorbeeld 'doen
wie het meest onthecht is aan wat in de rangschikking telt',
een flauw spelletje, waarvoor niemand zich hoeft te laten
vermoorden om het op gang te brengen.
Het paard van de groenteboer wordt gebruikt, zoals ook die man
als groenteboer gebruikt wordt, of deze zich dat nu bewust maakt
of niet. De problemen die paard en boer hebben met de saaiheid en
onnatuurlijkheid van hun baan zijn overeenkomstig en niet
specifiek menselijk.
Overeenkomstig kunnen we spreken over renpaarden en ruiters,
politiepaarden en agenten en zo voorts.
Paarden en mensen zijn gevangenen van hun tijdgenoten/mensen.
Paarden worden bestuurd doordat het gareel en het leren tuig dat
hen is aangedaan wordt gehanteerd om hen met pijn te dreigen en
aan onaangenaams te herinneren. Een paard loopt in fysiek gareel
en tuig.
Bij mensen is dat niet veel anders. Die zitten gevangen in wat
hen is aangeleerd. Bij mensen noemt men het geheel van het
aangeleerde hun persoonlijkheid+vaardigheden, bij paarden hebben
we daar dezelfde uitdrukking voor maar dan tussen
aanhalingstekens.
Begon de historie van de mensheid toen men kinderen andere dingen
dan vaardigheden ging aanleren, verplichtingen en rechten en zo ?
Vaardigheden die als gereedschappen voor hen waren om zelf mee te
voorzien in wat zij zelf nodig hadden, in rechtstreeks omgaan met
de natuurlijke omgeving waarvan dat nodige genomen wordt.
Was Ezau bijvoorbeeld, toen hij afstand deed van het
bedenksel 'eerstgeboorterecht' gewoon een wilde, vrije mens,
dat is: persoonloos ? Had hij dit gewoon niet aangeleerd,
zomin als de Indianen het grondbezit ? We mogen het
voorbeeld gebruiken om ons begrip duidelijk te maken, wie
zal ons dat verbieden, nietwaar ?
Stel het drama zowel als de historie beginnen met het door
anderen aangeleerd krijgen van kunstjes die wij later voor hen
moeten doen, in plaats van het aanleren van het nodige om
zelfstandig en RECHTSTREEKS, ZELF te voorzien in het eigen nodige
voor eigen leven en welzijn.
Ik laat 'de mensheid' en 'de paardheid' dan verder buiten
gebruik, wat we als onderwerp kunnen gebruiken voor een gesprek
zijn de nu levenden, van paardheid en mensheid.
Wie mij kunstjes leren zijn biologisch mijn soortgenoten, dat is
een probleem, waaraan de paarden niet kunnen lijden. Paarden
hoeven geen afstand te nemen van wie hen africhten, ze hebben die
afstand.
Gelukkig heb ik mensen ontmoet die mij niet in gebruik probeerden
te nemen, maar mij dingen, houdingen, vaardigheden aanleerden die
gereedschapskarakter hadden (en hebben) voor mij als zelfstandig,
rechtstreeks, zelf voor mijn nodigs zorgende. Let wel, daar waar
ik leef is het vinden van een bananenwinkel precies hetzelfde als
het vinden van een bananenstruik in het grote wilde tropische
bos.
Pas na relatief lange tijd (61/2 jaar) tussen zulke mensen
geleerd en geleefd te hebben kwam ik (op school) ook mensen tegen
die mij bruikbaar wilden (nu ja, in het kader van hun
beroepsuitoefening moesten) maken. Bruikbaar voor derden, tegen
betaling voor bazen en gratis voor mijn naaste.
Ik kreeg een laag van aangeleerds om mij heen, die bedoeld was
voor twee dingen:
- zelf leven (voorzien in wat voor mij als dier, wat ben ik
anders ?, nodig is)
- passen [als gebruikte of als speler] in het spel om
voorrechten dat men 'civilisatie' noemt, dat gespeeld wordt in de
maatschappij, door (zogenaamd) vrije, willende burgers,
levenslang en met al hun tijd, aandacht, vaardigheden,
toewijding, inspanning.
Voorrechten zijn per definitie ongelijk verdeeld. Om
mee te gaan streven naar het verkrijgen van voorrechten
moet ik me als enkeling opvatten en ik moet onnodigs
dat tot rangonderscheidingsteken is benoemd leren
begeren. Dat begeerlijke wordt kunstmatig schaars
gemaakt als het niet van nature schaars is.
Het groenteboerepaard wenst zich de route langs de klanten zo
gekozen dat er rekening mee gehouden wordt of ze in de schaduw en
in de wind staat. En af en toe een versnapering en wat te
drinken, dat is ook wenselijk, vindt de paardevakbond.
Vraag:
Willen ze nu een bij hetgeen zij aanleerden passende situatie,
willen ze een gunstig gekozen loop-baan,
of is er met eenwording iets anders bedoeld ?
"Verlangen wij niet allemaal naar situaties waarin
gebeurt wat wij wensen en wensen wat er gebeurt en is
niet bijna elke handeling die wij verrichten in wezen
gericht op het laten ontstaan of voortbestaan van
situaties waarmee wij wensen samen te vallen?"
Het is voor het paard van de groenteboer volkomen duidelijk dat
het zelf, als paard, geen belang heeft bij het voldoen aan de
koopkrachtige vraag der wijkbewoners naar aardappels, groente en
fruit. Menig groenteboer zal zich in dit verband nog wel (laten)
wijsmaken dat hij met deze wijkbewoners samen in de mensheid zit
en als sociaal wezen mede voor hen leeft en werkt, niet slechts
van hen leeft, zoals een boer van zijn koeien. Dat verhaal kan de
groenteboer met zijn werk verzoenen, kan hem zelfs inspireren,
kan hem als zingeving aan zijn bestaan dienen.
Zouden echter de tijdgenoten van de groenteboer de beleefdheid
opbrengen te verpuffen, te verdwijnen zonder een stinkend lijk
achter te laten dus, dan zou de groenteboer geen paard en geen
kar meer nodig hebben. En hij zou ook geen zin meer hoeven te
geven aan zijn leven. Hij zou zo'n zin evenmin nodig hebben als
zijn paard of als de mus op het dak.
Heel iets anders zou hij nodig hebben: de kennis en vaardigheden
om zelf te zorgen voor (= te voorzien in ) al het voor zijn leven
en welzijn nodige. Er zou hem blijken dat hij daarvoor nu juist
niet geschoold, opgeleid, voorgelicht, geoefend en voorbereid is
door al die welwillende tijdgenoten (ex-"medemensen") van hem.
Bruikbaar maakten ze hem, niet 'lebensfaehig'. Onaardig trekje
van hen, dat na hun vertrek nog even bleek.
"Situaties die ideeen of voorstellingen weerspiegelen
die wij met ons denken hebben opgebouwd op grond van
onze ervaringen, herinneringen, aanleg, achtergrond en
opvattingen: voorstellingen die wij vervolgens tot doel
van ons doen en laten maken en waarnaar wij ons leven
en onze omgeving vorm(ge)geven willen zien- de
zin(geving) van ons bestaan."
Het spoorloos verdwijnen der mensen/tijdgenoten blijkt voor de
groenteboer niet smartelijker dan zijn verscheiden zou zijn
geweest voor hen; zeer dragelijk blijkt deze smart en vooral
kortstondig.
Het door hem vrijgelaten paard merkt dat het aan het aangeleerde
(de weg in de wijk en de betekenis van de bevelen der mensen
o.a.) niets heeft nu het op zichzelf is aangewezen. Het zal nooit
weten wat zijn voorouders aan leefkundigheden verloren zijn toen
ze door de mensen in gebruik genomen werden. Wat ze als paarden
ooit als software hebben gehad en aan elkaar overgedragen, dat
zijn ze kwijt geraakt en dat is voorgoed en voor eeuwig verloren.
Verwilderd als ze zijn, zijn ze er veel minder goed aan toe dan
ooit, oorspronkelijk als wilde soort met ervaring.
Ook de groenteboer merkt dat hij ten aanzien van het zelf leven
invalide is gelaten en gemaakt; zijn specialisme blijkt nu een
kreupelheid.
De problematiek die 'het drama van de mensheid' heet, blijkt de
problematiek van gebruiksvee te zijn, van dieren in de
dierentuin, van circusdieren, gevangenenproblematiek.
Terzijde: vrij naar een liedje uit de radio-show "negen
heit de klok": ... En ze denken al die uren
in hun eigen, hoe ze de wereld naar hun zin
zouden kunnen krijgen. ...
"Vanuit ons verlangen verdelen wij op basis van deze
voorstellingen alle verschijnselen die zich van
binnenuit en van buitenaf aan ons voordoen in
"gewenste' en "niet-gewenste" en proberen vervolgens de
gewenste te verkrijgen en/of te behouden en de niet-
gewenste te voorkomen en/of uit te bannen"
Als ik dit (dat het gevangen-dieren-problemen zijn) door laat
dringen tot mijn bewustzijn zie ik geen licht, ik kan hoogstens
zeggen dat ik de betrokken feiten die ik al ken plus ook wat
nieuwe feiten zie BIJ of IN dit licht. Ik kan met andere woorden
zeggen dat ik met dit begrippenapparaat minder waargenomen feiten
onverwacht, onverklaarbaar, verrassend of zo vind. Het geeft me
wel een prettig gevoel even, op het moment van het vinden van
zo'n beschrijvingswijze voor zo'n verzameling samenhangende
verschijnselen --- waarnemingen --- feiten ---constateringen.
Vraag:
Is dit zoiets wat gebruikers van die term VERLICHTING zouden
noemen?
Ik verlos mij ook wel een beetje. Weliswaar niet uit mijn fysieke
(exacter: financiele) gevangen-gehouden-worden binnen de mij
verleende voorrechten en ook niet uit mijn gebruikt-worden, maar
wel van elke 'zingeving' in en aan dat circus, die gevangenis,
die dierentuin, oftewel: de wereld, de civilisatie, de
samenleving, de cultuur, de maatschappij, het in competitie
samenzijn met zijn gestreef, zijn uitdagingen, zijn kansen, zijn
succes en mislukking.
Het blijkt poeha en inspireert hoogstens nog tot een langgerekte
geeuw.
Het Paradijs, daar ben ik uit, de omstandigheden voor en enige
tijd na mijn geboorte, waarin niemand mij kunstjes-leren afdwong,
laat staan kunstjes-doen, die omstandigheden waarin ik van dat
dwingen nog geen weet had, krijg ik niet terug.
'Hemel', niet 'Paradijs', noem ik de omstandigheden waarin
niemand meer iemand dwingt (tot wat dan ook) maar waarin
menigeen, zo al niet iedereen weet wat dwingen was.
Ik ben niet aan het verlangen naar de hemel als samenlevingsvorm
voor mij met al mijn tijdgenoten samen. Laat staan dat ik
daarnaar aan het streven zou gaan. Dat hebben al zovelen voor en
naast mij (= in mijn tijd van leven) vruchteloos gedaan, dat hoef
ik niet meer uit te proberen.
Zodra, zolang en inzoverre ik (mij aan) tijdgenoten vasthoud
blijf ik buiten de hemel. Incidentele hulp, aan een "naaste", die
overvallen is en geholpen moet worden of die verdwaald of verward
is en aan een mededeling of verklaring iets kan hebben, dat kan,
maar langer dan zulke momenten is er geen gedeelde hemel, geen
gezamenlijk bewoond 'rijk der vrijheid'. [Vrijheid van dwang en
daarvoor compenserende waan.]
..==/120191/==
..aangevuld op zondag 13 januari 1991
Wanneer ik het gestreef in gevecht met elk ander om het ongelijk
verdelen van alles wat bezitbaar, dat is: met wapengeweld en
dreiging verdedigbaar is herken als een vanuit alle culturen
gezien immoreel gezelschapsspel, dan heb ik geen neiging (meer)
er aan mee te doen. Zomin als de neiging het te bestrijden. Die
neiging tot bestrijden is evenzeer een betrokken-zijn er op als
de neiging mee te doen.
O.K. ik ben er dus klaar mee.
Zij die spelen bezitten echter samen alles, ook het voor mijn
leven en welzijn nodige. Zij bezitten dat, dus dwingen mij tot
kopen / betalen en (voorwaardelijkheid) tot tegenpresteren, dat
is: tot het doen van kunstjes om aan geld om te kopen te
komen. Aan die dwang kan ik niet ontkomen. Men leeft in de hoop
en de verwachting mij tot het leren en doen van meer kunstjes
voor en diensten aan hen te kunnen verleiden door mij tot het
begeren van onnodigs te bewegen. Helemaal vertrouwt men dat
echter niet en daarom worden alle dingen tot ruilwaar en koopwaar
gemaakt, ook het voor mij nodige, onmisbare, van levensbelang
zijnde; ook interacties, zoals gesprekken en wandelingen-samen en
paringen en zo voorts. Niks voor niks.
Slechts dwazen geven hun gezelschap en omgang en aandacht
enzovoorts zomaar weg. Voor wat hoort wat.
Daar niet over praten of het verkeerd voorstellen van
de feiten helpen dat niet de wereld uit. Het hoort ook
gewoon in de wereld. Toch is het de gewoonte om op dat
weinige buiteneconomische de nadruk te leggen en te
doen alsof dat de grote ruime omgeving is van dat nare
'doen om gedaan te krijgen'.
Het genereus anderen wat schenken, anoniem en om niet, dat kan
slechts wie rijk is doen. Leven met anderen zonder rekening
courant, zonder een geheugen vol verworven rechten en opgelopen
verplichtingen, leven zonder verleden en toekomst dus, dat is
onverenigbaar met leven in de maatschappij, in de civilisatie, in
deze "samenleving". En dit zo met elkaar leven is in vele
gezinnen en families diep doorgedrongen, zeer diep. Ook in
'relaties' en vriendschappen.
Denkbaar is een cultuur waarin rechten en verplichtingen niet te
beinvloeden zijn met prestaties en wanprestaties. Culturen neigen
ernaar zo te zijn. Maar alle culturen zijn vernield door de
civilisatie, dit is dus meer iets voor een grafrede.
Ik vermoed dat ik hopeloos, moedeloos en vertwijfeld ben, want ik
voel geen verlangen meer naar die situatie zoals die in de reli-
fiction (analoog aan science-fiction) wordt beschreven, waarin
het geheel van wat ik aanleerde past in mijn omgeving en ik dus
via dat aangeleerde optimaal, harmonieus en volledig kan
functioneren, als handigerd, als medemens, als denkerd en zo
voorts, zodat ik mijn beweging, mijn geestelijke stimuli en mijn
eten, drinken, slaap, wakende rust en zo voorts verkrijg.
Verkrijg zonder dat ik in competitie strijd, met weddende anderen
daarbij toekijkend in hun functie van Jan Publiek en Koning
Klant.
Voor die reli-fiction situatie werd en wordt niemand geschoold,
opgeleid, getraind, geinstrueerd, geindoctrineerd.
Met wat ik heb aangeleerd heb IK niet meer te maken dan mijn
computer met dit file. Ik ben er niet voor bestemd, ik werd en
word er voor gebruikt, dat is alles. Ten opzichte van mij is ook
alles wat mij invalt aan gedachten puur toevallig. Zoals een
programma voor een computer. Programma's zijn in de computer
gebracht opdat deze via deze programma's kan worden gebruikt. Zo
waren ook opvoedingsresultaten, karakter, eer- en andere
gevoelens enz. enz. bedoeld.
En hetgeen van nature menselijk is dan?
De aanmaker van deze computer bestond waarschijnlijker dan de
Schepper en Onderhouder van hemel en aarde en van al wat leeft.
Leuke gedachte hoor, maar met mij is waarschijnlijk evenmin iets
bedoeld als met deze computer. Ik ben een robot-computer-in-
zelfbezit. Ik heb geen plan met mezelf, met andere woorden ik heb
geen gebruiksvoornemen (dus geen toekomst) met mezelf; ik werd en
word vrijwel niet gebruikt door anderen; in-onbruik-zijn is niet
het beste voor een ding dat kan functioneren.
Het dier in een kooi in een dierentuin heeft zichzelf
niet nodig om te voorzien in wat het nodig heeft om te
bestaan. Daardoor bestaat het zonder te LEVEN.
De tijger zal nooit passen in het circus, al zullen
zijn jongen ook nooit meer passen in 'de natuur' en al
zullen de jongen van die jongen niet anders meer weten
en misschien willen dat er een circusnummer komt waarin
ze optimaal kunnen functioneren, lopend, springend en
wat ze nog meer kunnen en kunnen verzinnen. Ze zullen
als mensen worden, die tijgers: buitennatuurlijk.
Het aangeleerde, [de zojuist toevallig-voor-mij genoemde
software], verwerpen als 'van mij' of 'mij' komt neer op het
loslaten van het verleden. Daarnaast buiten gebruik en zonder
plan (= zonder toekomst) zijn, dat brengt een mens op de smalle
richel van het heden, waar wat hier aan gelegenheid tot
functioneren zich voordoet moet worden opgemerkt en meteen benut.
Vraag: Is dat 'eenworden' ? Of ben ik gewoon door een andere deur
naar buiten gegaan, het gebouw "samenleving' uit ?
Ik weet echt niet wat er naast en buiten het grote spel
'civilisatie' dat om ons heen woedt, nog zou kunnen worden
nagestreefd. Of er daar moet worden gestreefd.
Ik merk dat ik gewoon probeer naast en buiten dat spel voort te
bestaan, LEVEN zit er niet in als mogelijkheid.
Op het paard van de groenteboer wacht niet de wijde steppe.
Zo min wacht op ons als wij de civilisatie de rug toe keren 'de
natuur', fysiek niet en ook als wij ons geestelijk, wat dat dan
ook betekenen mag, naar buiten wurmen en dat verwerpelijke
gezelschapsspel om rang verlaten, dan wacht er voor zover ik
kan/kon zien daar buiten geen gelegenheid tot verdere geestelijke
groei.
Wat zou dat moeten zijn, die geestelijke groei?
Verder dan het waarnemen, kennen, constateren, en begrijpen van
wat mij hier nu gegeven is, wat voor mij gegevens zijn, kan ik
niet komen? Of wel ?
Zo, misschien kunnen we nu mondeling verder ?
P.S. De analyse in die folder is toch echt eindeloos
veel verder dan wat ze als psychologie verkopen en dat
is jammer voor hen die daar in blijven steken, hoe hoog
verheven ze zich ook voelen. Maar dat is hun probleem.
==/150191/==
Wanneer ik kleurenblind ben mag ik niet het bestaan en gezien-
worden door anderen van kleuren ontkennen. Als ik doof ben mag ik
het bestaan en waarneembaar zijn voor anderen van voor mij
onwaarneembare geluiden niet ontkennen.
Als ik ten aanzien van feitelijkheden die voor anderen
verschijnselen zijn blind ben, dan is dat voor mij een gegeven,
dat ik niet zal gaan zitten betreuren.
Om alsnog te gaan leren tekenen of musiceren tref ik mij ook aan
als te lui, als daartoe ongeneigd. Dat accepteer ik.
Ik heb nu wel alle illusies afgeschaft, voor zover ik ze ooit
had. Dat vond ik leuk om te doen, aanvankelijk ook de illusies
van anderen. Dat hoeft voor mij nu niet meer. Als iemand een
illusie heeft, mag hij hem van mij houden. Ik ben er niet op of
bij betrokken. En bovendien geloof ik niet dat er
aanspreekbaarheid bestaat, anders dan als gedachteconstructie.
==//==
0 Reacties