Functionaris, persoon en individu

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: censuur | onbewerkte versie

B>type fpincc.txt .pl50 .op .mt2 .hm1 .mb0 .he

file fpincc.txt/schijf53/ blz. # omvat schijf 53/ file fpimarvv.txt/ blz. #

21 februari 1986 (bladzijden 6045 t/m 6047)

Hieronder voeg ik voor bovengenoemd file het file fpimar.txt en daarna het file fpimar2.txt: schijf52/file'fpimar.txt'/ blz.#

20 februari 1986 //blz.6041 t/m 6044

Zoals in zijn 'transactionele analyse' Berne onderscheidt tussen ouder, volwassene en kind binnen de ziel van de personen, zo onderscheid ik daarnaast tussen functionaris, persoon en individu in het omgaan van mensen met elkaar. Ik kan de manier van tekenen die Berne voor zijn onderscheidingen had, overnemen:

functionaris functionaris

persoon persoon

individu individu

Ook voor die omgangsbepalende regelverzamelingen tussen (afgesteldheden van)(instanties in) de mensen geldt dat slechts de horizontale (heen en weer-)pijlen terecht en probleemloos zijn. In woorden uitgedrukt: het omgaan van mensen met elkaar als functionarissen, als personen en als individuen levert geen oneerlijkheid en geen verwarring op. Oneerlijkheid, problemen en verwarring treden op wanneer een van de interagerenden zijn persoon en/of zijn individu inbrengt in zijn functionarisschap, en/of wanneer een persoon een functionarisgedrag vertoont (voorbeeld: "beroepsdeformatie"), en/of wanneer een individu niet uit de schillen van persoonlijkheid en maatschappelijke functie kan komen teneinde een ander individu dat hem als zodanig tegemoet treedt te ontmoeten.

Ik (js) leef, spreek, handel als individu en/of als functionaris. Mijn omgang met anderen is functioneel, zakelijk of intiem, vredig.
Ik heb na afloop van mijn 21jarige (het dienen voor geld in de maatschappij voorbereidende) carriere als scholier, leerling en student, een maatschappelijke functie als uitvoerende in de maatschappij gekregen als onderwijsgever. Bij het uitvoeren van die taak heb ik gemerkt wat ik geleerd heb mij in de maatschappij geen soepele en van botsingen en wrijvingen vrije omgang bracht.
Dat bleek niet zo vaak bij het omgaan met wat mijn minderen (ondergeschikten) geacht werden, de studenten, als het bleek bij het omgaan met collega's en met zogenaamde meerderen (Hoogduits: Vorgesetzte), waar ik dus aan ondergeschikt was.
Ik had geleerd dat het omgaan met anderen op het werk zakelijk diende te zijn, taakgericht, functioneel, doelmatig, gestuurd door de doelen die in de statuten van de instelling staan genoemd.

Merkend dat mijn afstelling (mijn instructies, mijn persoon, mijn ziel) niet paste in mijn omgeving had ik de onderstaande opties. Ik kon kiezen uit:
A. zelf veranderen, wijzigingen aanbrengen aan mijn instelling, (mijn ziel, mijn persoon, mijn opvatting van de wereld), mij aanpassen aan wat ik aantrof als aan een gegeven onder het motto: wat is, is o.k.
B. proberen de anderen te veranderen, op andere gedachten, tot ander gedrag, tot ander handelen te brengen: vechten met hen en hun traagheid om mijn inzichten en waarden tot gelden te brengen.
C. weg gaan, een plaats in de maatschappij zoeken waarvoor de instelling die ik heb opgelopen de juiste instelling is; zulke plaatsen moeten er zijn, per slot van rekening heb ik die instelling niet meegebracht uit het niets, maar opgedaan in de op de maatschappij voorbereidende school, uit gepubliceerde boeken, gehoord van, overgenomen van en goedgekeurd door mijn leraren.
D. mijn ziel, mijn instelling, mijn instructies, buiten werking stellen; mijn meningen (opvattingen) en mijn waarden (strevingen in de civilisatie) als even grote rommel herkennen als de meningen en waarden van mijn tijdgenoten: alles wat ik heb opgedaan opvatten als oude kranten, d.w.z. de sporen van het verleden nooit en te nimmer erkennen als uit te voeren bevelen, als draaiboeken, als gedragsdeterminanten.
[Zo, leven zonder ziel, zonder verleden als gids of bevel dus, is mogelijk, want een mens kan uitwijken naar zakelijkheid en naar intimiteit: je hoeft slechts 1. dat waartoe je om den brode (= om aan het nodige voor je leven en welzijn te komen) gedwongen wordt door je tijdgenoten en 2. dat wat je als toevallig in deze tijd op deze plaats beland wild exemplaar van de diersoort mens van nature nodig moet en aan spel om aanvullend (biologisch !) te functioneren kiest.]

Uiteindelijk is het de laatste keuze (D) geworden, gevolgd door weggaan (C).

Anderen, met wie ik in aanraking kom, hebben dat niet gekozen en uitgevoerd. Zij zijn nog bezig aan anderen en als ze daarin niet slagen aan "zichzelf" te veranderen. Daarbij betekent "zichzelf" hun ziel, dat wat er van hen geworden is, dat wat er uit het kind dat zij ooit waren is geworden (deels is dat: gemaakt door anderen, deel is dat veroorzaakt door gebeuren dat niet uit daden van anderen bestond, maar er hooguit mede door veroorzaakt werd, en tenslotte is dat deels ook 'eigen' keuze, eigen schuld en toedoen, eigen verdienste en eigen stommiteit.) Die anderen leven nog in hun ziel, leven nog als persoon.

Ik leef als individu en functionaris (intiem en zakelijk), niet persoonlijk, niet als persoon. Dat komt die anderen niet goed uit en het komt bij die anderen niet altijd als geloofwaardig over. Ze geloven het gewoon niet. "Dat kan toch niet", zo denken ze, "dat is hooguit een doelstelling, een wensdroom, een ideaal van hem." Ze mogen dat van mij gerust denken, want als nietpersoon heb ik geen erkenning van hen nodig voor mijn psychisch evenwicht, mijn psyche vertoont geen evenwicht en geen spanningen, mijn psyche staat uit.

Deze niet aanvaardende anderen denken telkens weer dat ze met mij in het persoon <-----> persoon vlak bezig zijn. Als ik als individu een opmerking maak die hen er als mindere af zou laten komen als ik die opmerking als persoon gemaakt had, dan krijg ik meteen een gevechtshandeling op mij (naar mij toe) gericht.

Ze vatten dat wat ik uitzeg / uitschrijf niet op als 'een greep om (iets van de) waarheid te winnen' (met de woorden van Ortega y Gasset), maar als een mening, een standpunt, een poging om hen te overtuigen. Ze doen alsof ik een persoon zou zijn, die, slechts gebonden door zijn instelling, afstelling, waarden, strevingen, niet gebonden aan wat is en aan de beperkingen van de beschrijvingswijzen daarvan, naar willekeur (soeverein) uitspraken kan doen, die onvolledig, onjuist, op manipulatie gericht zouden zijn.
Mijn tekst is echter niet persoonspecifiek, waarheid heeft geen verdediging nodig, waarheid verdwijnt ook niet met de (tong van de) spreker, met de (hand van de) schrijver. Tegen waarheid helpt geen censuur. Waarheid heeft van censuur niets te vrezen. Als iemand aan waarheid twijfelt maakt hij de kenner van waarheid daarmee dan ook volstrekt niet onzeker.
Wie waarheid poogt te verwoorden dient men niet tegemoet te treden met de vraag of wat hij zegt waar is, daar zorgt hij zelf voor, de vraag is en blijft wel: waar is het waar, welke delen van de werkelijkheid worden er passend in besproken en ook: welk begrippenapparaat is er hier gebruikt voor het aanmaken van deze ware uitspraak.

Vrijen is geen garantie voor intiem, dat wil zeggen, als individuen met elkaar bezig zijn, aan het omgaan zijn.

Het individu-zijn wordt soms opgevat als minderwaardig zijn (een wild dier, een rat), soms ook als "Jezus-zijn", als heiligheid. Personen in de knechtensamenleving (de gedemocratiseerde, competitieve civilisatie, van part-time heren die ook part-time knechten zijn) achten zich gelijk aan alle anderen. Wie als individu leeft is anders dan iedereen, dus heilig of verachtelijk.

Individueel levende mensen zijn inderdaad, als bolletjes, los van elkaar, elkaar niet over enig oppervlak rakend. Ze hebben elkaar niet in gebruik voor het handhaven van een psychisch evenwicht en evenmin als spelers in een zielig ("psychisch") ritueel, nodig om zichzelf herhaaldelijk iets onwaars te bewijzen.
In de betekenis die personen aan die term geven 'betekenen' individuen dan ook niets voor elkaar. Ze kunnen echter ook niet benoemd worden als voor elkaar 'vervangbaar door iedere ander'. Vervangen slaat op het in gebruik nemen in plaats van iets anders. Er is tussen individuen geen sprake van gebruik, dus niet van vervangen.

Individuen betekenen niets voor elkaar. Ook functionarissen betekenen niets voor elkaar. "De passende ander' is een ziele-concept. Als gevoel benoemd heet het romantische liefde; evenzeer romantisch is de achterkant (resp. het nabeeld) van die liefde: de haat. Individu en functionaris beide, resp. in intimiteit en in zakelijkheid, missen de liefde zowel als de haat. Ze zijn vrij van betrokkenheid op en bij de ander.

Het persoonlijke betreft het onnodige en/of het nodige in onnodige vorm, op onnodige wijze.

Het gedoe van wie zich als personen gedragen vormt en veroorzaakt het gebeuren in de civilisatie. Idealiter vormt en veroorzaakt het zakelijk handelen van functionarissen het gebeuren in de maatschappij. Idealiter vormt en veroorzaakt het leven uit de traditie het gebeuren in de cultuur ( = het via familie- en stamrelaties traditioneel geregelde leven).

Geciviliseerd = van een zieleleven voorzien, met een onstoffelijke korst omgeven, omhuld, ommuurd, ingebunkerd, plus ertoe gebracht (en daarmee nog niet opgehouden) om zich met die korst te vereenzelvigen. Alle zielen zijn rommel, kooimateriaal, webdraden, taai ongemak, taai ongerief. Alle zieleleven is verwerpelijke onzin, waarvan je je als individu zowel als als functionaris zo snel mogelijk dient te ontdoen en dient te onthouden. Als individu om wille van de vrijheid, als functionaris om wille van de zaak, de doelmatigheid, de rationaliteit.

A propos rationaliteit:

Rationaliteit, rationeel leven betekent: planmatige keuze, dat is het zich vastleggen voor de toekomst, daarmee zichzelf onvrij makend, want wie een doel heeft en vasthoudt, heeft nog slechts de keuze uit middelen tot dat doel. Het zich vastleggen in (of voor) de toekomst, het heden laten heersen over wat zal zijn over de toekomst, daar, in de toekomst het verleden (in dit geval: wat nu is) de baas te laten zijn over wat dan is, dat is volstrekt onverstandig en men noemt het rationeel. Het is 'heersertje', 'godje' over jezelf spelen. Zelfbestuur. Zelfbeheersing. Zelfdiscipline.

Doen alsof je weet en kent wat je niet weet en niet kent, maar slechts gist en gelooft, dat is onverstandig, verwerpelijk, dwaas.

Jezelf en anderen pogen te brengen tot het doen van iets dat moeilijk of niet ongedaan te maken, te herroepen, terug te draaien is, heeft niets met vrij laten te maken, zelfs niet met een te goeder trouw soevereiniteit verlenen, de gelegenheid geven om al of niet te zondigen, te falen, zijn eigen meester laten zijn.

Pogen iemand tot een keuze te brengen waardoor hij verder vast komt te liggen dan hij hier en nu is, is gewoon een gevechtshandeling binnen de civilisatie. Dat geldt voor het laten kopen van dingen en ook voor het laten aangaan van contracten zoals het huwelijk.

[hier is tussengevoegd: schijf52/file'fpimar2.txt/ blz.#]

Onder iemands 'handelen' verstaat M. dat waarmee hij als bewustzijn bezig is. Bijvoorbeeld: een spreeuw haalt voedsel voor haar jongen en doodt zodoende vele rupsen en emelten. De spreeuw is in de definitie van handelen aan het voederen. De boer die gif spuit om rupsen en emelten te doden, is aan het doden van emelten en rupsen bezig, ook al doodt hij meteen ook de spreeuw. Dat doden van die spreeuw valt buiten het handelen. De uitspraak dat de spreeuw haar jongen voedt is even waar als de uitspraak dat ze rupsen doodt. De ene uitspraak is een even ware beschrijving van wat er gebeurt als de andere. De beide beschrijvingswijzen, waarin de rupsen resp. niet en wel voorkomen, sluiten elkaar niet uit.

[nu volgt het file fpimarvv.txt van schijf 53]

Mijn onderwerpen zijn de laatste weken:
1. scripties maken
2. wat is kiezen (het onderwerp van de scriptie van M.)
3. het omgaan van mensen hier tegenwoordig met elkaar.

Ik ga nu verder over 3.

Als ik de omgangsmanieren (als functionaris, als persoon en als individu) ten opzichte van elkaar op de hoeken van een driehoek plaats, dan komt er het volgende:

----------------------------------------------------------------

functionaris

persoon --------------- individu

NODIG ONNODIG

arbeid + spel zijn vrije tijdsbesteding beide nodig voor het in de onnodige vormen biologisch functioneren der spelen en in verslavingen

[het laten bepalen van de [het laten bepalen van toekomst door het verleden de toekomst zowel als is hier een technische regeling het ruilen van diensten om het nodige, door ruilende zijn hier onnodig.] specialisten, kwalitatief zo goed als voor enige deelnemer mogelijk, te laten doen.]

----------------------------------------------------------------

-op het werk- maatschappij (funct.<---->funct.)

-thuis- -buiten- privacy civilisatie (indiv.<---->indiv.) (persoon<---->persoon)

Ik heb bij nader inzien achteraf, mij nooit toegang verschaft tot de civilisatie, tot het terrein (gebied) van het onnodige. Ik ben in de maatschappij (als leerling en als werknemer) gebruikt. Ik kan dat woord 'gebruikt' vervangen door 'in de gelegenheid gesteld mijn tijd, aandacht, energie en vaardigheden om te zetten in een inkomen'. Dat klinkt vriendelijker. Ik diende voor meer geld dan er voor mijn leven en welzijn nodig was, dus spaarde ik, ik hield over. Dat 'dus' berust op de middenterm 'ik besteed mijn geld niet aan onnodigs, niet aan het uitleven van een geldingsdrang. Ik verslaafde mij niet aan iets onnodigs. In de maatschappij was ik niet tewerkgesteld op een van die relatief weinige plaatsen waar nodige diensten voor geld worden verleend.

----------------------------------------------------------------

funct.<---->funct. de omgang is zakelijk

persoon <----> persoon de omgang is competitief

individu <----> individu de omgang is intiem

----------------------------------------------------------------

Wie gediend heeft voor geld, gedwongen is geworden tot minstens die gespecialiseerde vorm van het besteden van zijn tijd aandacht en energie, wil dat met dat geld later, na afloop van de diensttijd, gekocht (dat wil zeggen: anderen tot dienen gedwongen kunnen worden). Het dienen voor geld is de moeite waard door de blijvende geldigheid van geld en het waardebehoud daarvan (het tegendeel van inflatie, van geldontwaarding).

Aan die inrichting van de maatschappij is niet te ontkomen.

Te doordenken valt wat er aan negatiefs aan de maatschappelijke inrichting blijft vastzitten als de competitieve omgang in de civilisatie verdwijnt.

De competitie is een motor voor een deel van wat er in de maatschappij gebeurt, om precies te zijn voor de onnodige werkgelegenheid. Ook onnodige werkgelegenheid is werkgelegenheid. Hetgeen in de onnodige werkgelegenheid gedaan wordt is onnodig, het inkomen dat de daders (de dienaren voor geld, de knechten) verwerven met dat werk, hebben zij wel nodig. Vanuit de werknemers gezien is die werkgelegenheid niet onnodig voor zover zij het eruit voortvloeiende inkomen nodig hebben. Ook zij echter zijn part-time deelnemers aan de civilisatie, aan de competitie en ze willen het onderste uit de kan hebben. Ze zijn tot het verlenen van onnodige diensten waar koopkrachtige vraag naar is, gedurende een groter aantal uren bereid dan hen wordt afgedwongen door wat ze nodig hebben (reeds door anderen in bezit genomen is en dus door hen gekocht moet worden voor geld waarvoor ze moeten dienen).

Zetten we nog eens de driedelingen van mensen qua omgangsprogramma's naast elkaar:

functionaris <----> functionaris

persoon <---------> persoon

individu <--------> individu

Jan Piet

Jan en Piet kunnen met elkaar omgaan op de bovengetekende horizontale, passende, evenwichtige HELDERE manieren: zakelijk als functionaris, wedijverend als persoon en intiem als individu.
Hoe het zakelijke gedaan moet worden is door de aard van de zaak in kwestie gegeven; de technische noodzakelijkheid en de efficiëntie heersen.
Hoe het individuele, intieme omgaan moet zijn is weliswaar niet voorgeschreven en vaak zelfs niet verwoord, maar het is geenszins onduidelijk. Iedereen kan in en aan zichzelf voelen wat hij nodig heeft en ieder kan de lust en onlust ervaren, die de natuur hem als redenen voor doorgaan resp. ophouden gewaar laat worden.

Het kwaad ontstaat uit en in de competitieve, wedijverende, wedstrijdende, concurrerende, vechtende omgang van mensen die zich gedragen als personen in de civilisatie.
Uit die strijd komen de opdrachten tot onnodig toppresteren in de maatschappij (en daarvan afgeleid: in de scholen) voort. Die strijd is de oorzaak van gevoel, gedoe en gedenk.
De inzet van de strijd is de plaats die elk der deelnemers zich verovert op wat ze wel de maatschappelijke ladder noemen; het aanzien dat elk der deelnemers geniet. Dat aanzien zal meestal slechts genoten (dat is de gebruikelijke term) worden in kleine kring, aanzien in de ogen van een groot publiek is hetgeen diegenen nastreven die zich opzwepen tot topprestaties. Dat aanzien, die faam, is slechts weggelegd voor diegenen onder die ambitieuzen die niet alleen hun best doen, hun eigen records breken, maar die het winnen van hun concurrenten.
Deze wedijver, dit zich ten opzichte van elkaar als meerdere - mindere plaatsen heeft krankzinnige omvang gekregen. Het is alomtegenwoordig (het doet zich voor tussen twee mensen die met elkaar praten, zowel als tussen miljoenen die zich in wedstrijdsporten uitputten). Het is al volstrekt niet meer zo dat iedereen betaling als loon voor deelnemen aan een wedstrijd eist.
Kans op het krijgen van iets (aandacht of een prijsje) is al voldoende om deel te nemen. Deze bereidwilligheid om te ijveren in wedstrijden kan met zachtmoedigheid en speelsheid gepaard gaan, maar overal is te zien dat de speelsheid en sportiviteit verdrongen worden door het keiharde vechten, juist ook
- tegen het eigen lichaam (drugs en uitputting) en
- tegen het eigen verstand en
- tegen de natuurlijke, het omgaan met soortgenoten regulerende instincten.
Het stoeien is natuurlijk speels gedrag, maar dat is dan ook niet tegen de ander maar met de ander. Het stoeien is een extra bron van biologisch functioneren, naast het doen van hetgeen nodig is, gezien wat je nodig hebt voor het onderhoud van je leven en welzijn enerzijds en wat je moet doen aan je omgeving om dat te verkrijgen anderzijds.

Het competitieve gedrag in de civilisatie is niet meer te herkennen als 'veelvormig geworden stoeien', het speelse en het biologisch functioneren (----> lichamelijk en geestelijk welbevinden) zijn geen grenzen meer. Het wedijveren gaat door lang nadat het welbevinden heeft opgehouden. Het wedijveren vindt plaats zonder dat op het welbevinden van lichaam en geest wordt gelet. Het eigen welbevinden noch dat van de ander krijgt aandacht. Let wel: wie zich inspant omdat hij zich achteraf zo prettig voelt is bepaald niet natuurlijk bezig. Het middel-doel schema is puur kunstmatig. Het komt neer op het gebruiken van het eigen lichaam alsof het een ding of slaaf zou zijn waarmee je voor je erover heersende bewustzijn (geest) plezierige gevoelens aanmaakt.

In tweegesprekken blijkt het competitief* worden uit het streven gelijk te krijgen en uit het verdedigen van wat men zojuist gezegd heeft: het innemen van een standpunt. Men maakt het standpunt in kwestie ter plaatse en dan pas aan uit een opmerking die men zojuist gemaakt heeft.

Het vechten om gelijk komt
- in de plaats van samen om een onderwerp heen springend met woorden stoeien, of,
- in de plaats van inzichten uitwisselen: ware uitspraken zoekend, zonder te letten op wie ze vindt.
[Dat laatste doet men als men ernstig bezig wil zijn, zakelijk, bezig nodigs te doen.]

Voor de geciviliseerden is vechten, proberen te winnen, een meerdere - mindere relatie vaststellen een alomtegenwoordig doel. Beschaving betreft niet het laten vallen van dit doel, maar het zich beperken tot bij conventie bepaalde middelen. Het vinden van ware uitspraken over een zaak (een onderwerp) is voor de personen, de geciviliseerden, alleen maar een spel naast alle andere spelen. Een ware uitspraak over een onderwerp vinden heeft dan dezelfde functie als het maken van een doelpunt. Een tweegesprek komt in het schema van een tenniswedstrijd terecht.

[hier is achtergevoegd file natcult.txt/schijf53/blz.#, de voetnoot is daar weer helemaal achteraan geplaatst.]

Zoals de civilisatie de cultuur beroofde van de werkzaamheden der huisvrouwen, landbouwers en veetelers, zo beroofde reeds de cultuur de natuurmens van de gevarieerde en avontuurlijke (wisselvallige) bezigheden die we vissen, jagen en verzamelen noemen. Vissen is het laatst in cultuur gebracht (visvijvers). De cultuur voorziet in vis, vlees en plantaardig voedsel, maar de bezigheden die nodig zijn om te voorzien, zijn niet langer avontuurlijk of wisselvallig, gaan niet langer gepaard met te overleven geluk en pech op korte termijn. Een misoogst, een veeziekte, een vergiftigde visvijver zijn een zware klap, een ramp, ze vallen niet onder de noemer 'pech'.

De civilisatie heeft met haar bewapeningswedloop ook de strijd tegen de andere levensvormen ten top gevoerd. Gevist wordt met behulp van radar, gejaagd met infraroodkijkers en precisiegeweren, tegen andere dieren die hetzelfde willen eten als wij wordt chemische oorlogsvoering toegepast evenals tegen planten die in concurrentie leven met wat de mensen verbouwen.

De dragelijke wisselvalligheid van het natuurlijke bestaan van de mens is weg. De cultuur beschikte niet over de gevechtskracht en bewapening die de civilisatie inzet om aan de natuur buit te ontnemen. De cultuurmens moest het met bidden doen. De geciviliseerde mens vecht tegen de levende natuur.

Om de dragelijke spanning van het geluk of pech hebben kunstmatig te krijgen gokt en wedt de mens sedert de cultuur begon. Om het weldadige gevoel van verzadigd zijn tegen de achtergrond van eraan voorafgaande gerichtheid op verzadigen resp. laven te krijgen, gebruikt de mens psychotrope middelen (verdovend, verslavend, opwekkend of giftig genoemde genotmiddelen).

De wereld, die stoffelijk is, zowel als de samenleving, die onstoffelijk is, zijn kunstmatige nabootsingen van de natuur waarvoor de mens genetisch-erfelijk is toegerust. Men speelt 'natuurlijk-leventje', men maakt onnodig gevaar aan, omdat men de prikkel wil van het in gevaar zijn en zich er uit redden. Zowel cultuur als civilisatie brengen de mens in een saaie, prikkelarme, veilige couveuse-situatie. De mens wil veiligheid, maar heeft behoefte aan de prikkels die horen bij het natuurlijke bestaan, dat niet vijandig maar wel wisselvallig, lichtelijk onveilig en geen couveuse is. De mensen hebben wat om handen en wat om op te letten nodig: hun spieren, handen, zintuigen en hersens moeten steeds (weer) functioneren. Aan dat functioneren ervaart de mens lust, hij voelt er lust bij.

-----------
* competitief is het, men kan het ook 'persoonlijk worden' noemen of 'zich geciviliseerd gedragen'. Niet zelden benoemt men met het woord 'beschaafd' slechts het zich enigszins beperken bij de keuze van technieken om tegen de ander te vechten.

A>b:

B>type fpimarvv.txt

.pl50

.op

.mt2

.hm1

.mb0

.he                        schijf 53/ file fpimarvv.txt/ blz. #

.. 21 februari 1986 (bladzijden 6045 t/m 6047)

.. op 29 januari 1987 is dit hele file weer herzien en aangevuld

..Hieronder  voeg ik voor bovengenoemd file het file fpimar.txt  en

..daarna het file fpimar2.txt:

..schijf52/file'fpimar.txt'/ blz.#

..20 februari 1986 //blz.6041 t/m 6044

.. ook natcult.txt is toegevoegd, als slotstuk.

..verbeteringen d.d 020287

Zoals in zijn 'transactionele analyse' Berne onderscheidt tussen ouder,

volwassene en kind binnen de ziel van de personen, zo onderscheid ik daarnaast

tussen functionaris, persoon en individu in het omgaan van mensen met elkaar.

Ik kan de manier van tekenen die Berne voor zijn onderscheidingen had,

overnemen:

 

functionaris         functionaris

 

 

persoon              persoon

 

 

individu             individu

 

Als resp. functionaris, persoon en individu doen en laten we volgens

omgansbepalende regelverzamelingen tussen ons. We kunnen die

regelverzamelingen die we als functionaris resp. als persoon gebruiken

benoemen als afgesteldheden van ons, als ware het software, op ons

zenuwstelsel als hardware. We kunnen ook in navolging van de freudianen

spreken van 'instanties' in ons, geciviliseerde mensen.

 

Ook voor die drie bovenstaande grootheden (functionaris, persoon en inidivdu)

geldt dat slechts de horizontale (heen en weer-)pijlen terecht en probleemloos

zijn. In woorden uitgedrukt: het omgaan van mensen met elkaar als

functionarissen, als personen en als individuen levert geen oneerlijkheid en

geen verwarring op. Oneerlijkheid, problemen en verwarring treden op wanneer

een van de interagerenden zijn persoon en/of zijn individu inbrengt in zijn

functionarisschap, en/of wanneer een persoon een functionarisgedrag vertoont

(voorbeeld: "beroepsdeformatie"), en/of wanneer een individu niet uit de

schillen van persoonlijkheid en maatschappelijke functie kan komen teneinde

een ander individu dat hem als zodanig tegemoet treedt te ontmoeten.

 

In ons doen en laten als functionaris komt onze beroepsopleiding tot uiting.

De inhoud van die beroepsopleiding is niet van ons prive, de beste

beroepsopleiding is die welke eender werkende functionarissen aflevert. De

beste functionaris is een robot/computer. De best doordachte en uitgeprobeerde

beroepsopleiding is zozeer klaar dat ze een computer in kan. Alle

functionarissen gaan om met spul, met informatie en met dingen en zijn bezig

met technische bezigheden. Zo definieer ik 'functionaris' zijn. Alleen in

automaten/computers/robots komt dit begrip echt als verschijnsel voor. Alleen

die niet van mensen gemaakte automaten/computers/robots kunnen zo storingsvrij

gemaakt worden. Een postzegelautomaat is een mooi voorbeeld van een

functionaris. Niemand ervaart psychische moeilijkheden bij het gebruiken van

zo'n apparaat.

 

Iemand die een gezonde kijk heeft op functionaris zijn ervaart er ook geen

moeilijkheden mee om als een robot/computer te handelen binnen zijn taak als

functionaris. De loketbediende op het postkantoor kan een hongerige klant niet

een broodje kaas verkopen, dat heeft hij niet. Daar voelt zo'n functionaris

zich ook niet door gefrustreerd. Als individu wil hij natuurlijk een hongerig

medemens best aan eten helpen. Dat hij dat niet als functionaris kan doen,

frustreert hem echter niet.

       [Terzijde: om een ander mens aan eten te willen helpen als die ander

       dat nodig heeft is geen opvoeding, geen persoonlijkheidsvorming nodig.

       Naastenliefde, behulpzaamheid en gastvrijheid zijn dan ook geen

       aangeleerde deugden, het zijn pas als deugden gepropageerde en

       ingevoerde verschijnselen geworden nadat eerst de bezittende

       persoonlijkheid in het kind, in de mensen, was gevormd. Bezitten komt

       in de mensenkinderen van nature niet op. Gebruiken en van een ander die

       het bezitbare aan het gebruiken is afpakken, zal wel eens voorkomen.

       Als de ruzie om het schaarse dan wordt beeindigd door 'eigendom' als

       begrip in te voeren, leren de kinderen 'bezitten': mijn en dijn:

       voorrechten ten aanzien van gebruik, in de opvoeding nog vaak gekoppeld

       aan plichten ten aanzien van onderhoud en opruimen (twee vormen van wat

       'in orde houden' heet).]

 

Ik (js) leef, spreek, handel als individu en/of als functionaris. Mijn omgang

met anderen is functioneel, zakelijk of intiem, vredig.

Ik heb na afloop van mijn 21jarige (het dienen voor geld in de maatschappij

voorbereidende) carriere als scholier, leerling en student, een

maatschappelijke functie als uitvoerende in de maatschappij gekregen als

onderwijsgever. Bij het uitvoeren van die taak heb ik gemerkt dat dat wat ik

geleerd heb mij in de maatschappij geen soepele en van botsingen en wrijvingen

vrije omgang bracht.

Dat bleek niet zo vaak bij het omgaan met wat mijn minderen (ondergeschikten)

geacht werden, de studenten, als het bleek bij het omgaan met collega's en met

zogenaamde meerderen (Hoogduits: Vorgesetzte), waar ik dus aan ondergeschikt

was.

Ik had geleerd dat het omgaan met anderen op het werk zakelijk diende te zijn,

taakgericht, functioneel, doelmatig, gestuurd door de doelen die in de

statuten van de instelling staan genoemd.

Op school had ik mij niet ontwikkeld tot een op anderen en hun prestaties zijn

aandacht richtende, vergelijkende, in competitie bezige persoon, met andere

woorden: ik ben niet geciviliseerd geraakt.

 

Mijn onderwijzers en leraren hebben mij ook niet tot die competitie aangezet.

Zij hebben mij de gelegenheid gelaten te denken dat het onderwijs bezig was

nodige 'kennis' door te geven. Zij hebben mij gelukkig in die waan gelaten.

Later is het me een waan gebleken, dat wel, maar toen was dat ontdekken van

dat waankarakter van mijn schoolkind-filosofie niet meer erg schadelijk voor

mij.

Niemand heeft er bij mij tijdens mijn schoolcarriere ooit op aangedrongen als

persoon in school te functioneren. Op school, in school, zo stond men mij toe

te vinden, was / is een mens functionaris: leerling of onderwijsgevende.

Een leerling is men niet pas en zodra en naarmate men leert, onderwijsgevende

is men niet pas, zolang en naarmate men onderwijst, nee, men is het als men

die maatschappelijke functie, die opdracht, die taak heeft.

Met persoonlijke dingen, zoals geloof of afgunst of streverigheid, of met

individuele dingen als geslacht, ras en leeftijd heeft men op school gewoon

niets te maken: leerlingen hebben geen geslacht, geen ras, geen leeftijd, geen

honger, geen pijn. In schoolklassen bevinden zich geen individuen en geen

personen, alleen functionarissen. Zoals ook bij sporten alleen spelers bestaan

en geen negers, geen russen en geen geslachtelijke wezens (het zou beter zijn

om daar waar dat nodig is in te delen naar bijvoorbeeld gewicht, zoals bij

boksen, en /of naar spierkracht of weet ik veel, dan naar 'heren' en 'dames').

 

Men mag mijn opvatting van functionaris-zijn gerust een persoonlijke opvatting

noemen. Ik vind het futiel wanneer iemand zich in zijn functionaris-zijn als

individu of als persoon kwijt wil kunnen. Ik vind dat men voor persoon-zijn en

voor individu-zijn tijd, aandacht en energie, leervermogen en begaafdheden

moet kunnen inzetten naast het functionaris-zijn. Ik vind het belachtelijk als

iemand zegt "ik ben onderwijzer" / "ik ben mid-voor" als hij niet bedoelt: ik

speel hier nu die rol, ik onderwijs, ik speel hier nu dit spel mee op de

plaats middenvoor.

 

Merkend dat mijn afstelling (mijn instructies, mijn persoon, mijn ziel) niet

paste in mijn omgeving had ik de onderstaande opties. Ik kon kiezen uit:

 

  1. zelf veranderen, wijzigingen aanbrengen aan mijn instelling, (mijn ziel,

   mijn persoon, mijn opvatting van de wereld), mij aanpassen aan wat ik

   aantrof als aan een gegeven onder het motto: "wat is, is o.k.".

 

  1. proberen de anderen te veranderen, op andere gedachten, tot ander gedrag,

   tot ander handelen te brengen: vechten met hen en hun traagheid om mijn

   inzichten en waarden tot gelden te brengen.

 

  1. weg gaan, een plaats in de maatschappij zoeken waarvoor de instelling die

   ik heb opgelopen de juiste instelling is; zulke plaatsen moeten er zijn,

   per slot van rekening heb ik die instelling niet meegebracht uit het niets,

   maar opgedaan in de op de maatschappij voorbereidende school, uit

   gepubliceerde boeken, gehoord van, overgenomen van en goedgekeurd door mijn

   leraren.

 

  1. mijn ziel, mijn instelling, mijn instructies, buiten werking stellen; mijn

   meningen (opvattingen) en mijn waarden (strevingen in de civilisatie) als

   even grote rommel herkennen als de meningen en waarden van mijn

   tijdgenoten: alles wat ik heb opgedaan opvatten als oude kranten, d.w.z. de

   sporen van het verleden nooit en te nimmer erkennen als uit te voeren

   bevelen, als draaiboeken, als gedragsdeterminanten.

 

[Zo leven, zonder ziel, zonder verleden als gids of bevel dus, is mogelijk,

want een mens kan uitwijken van het zielige naar zakelijkheid en naar

intimiteit: je hoeft slechts weinig, namelijk:

  1. dat waartoe je om den brode (= om aan het nodige voor je leven en welzijn

   te komen) gedwongen wordt door je tijdgenoten

en

  1. dat wat je als toevallig in deze tijd op deze plaats beland wild exemplaar

   van de diersoort mens van nature nodig moet en aan spel kiest om aanvullend

   (biologisch !) te functioneren. Je moet ervoor kiezen te spelen, want werk

   en betaalbare vrijetijdsbesteding geven je onvoldoende prikkels en

   bezigheden om aan volledig en harmonisch functioneren toe te komen.]

 

                                     -/-

Uiteindelijk is het de laatste keuze (D) (leven zonder ziel) geworden, gevolgd

door weggaan (C).

 

Sommige anderen, met wie ik in aanraking kom, hebben dat niet gekozen en

uitgevoerd. Zij zijn (nog of voorgoed) bezig te veranderen aan anderen en als

ze daarin niet slagen aan "zichzelf" . Daarbij betekent "zichzelf" hun ziel,

dat wat er van hen geworden is, dat wat er uit het kind dat zij ooit waren is

geworden (deels is dat: gemaakt door anderen, deels is dat veroorzaakt door

gebeuren dat niet uit daden van anderen bestond, maar er hooguit mede door

veroorzaakt werd, en tenslotte is dat deels ook 'eigen' keuze, eigen schuld en

toedoen, eigen verdienste en eigen stommiteit. Let wel: dat eigen is van het

vroegere zelf, maar: "de domheid van gisteren, is geen goede grond voor mijn

slavernij nu", zo merkte al in 1843 Max Stirner op.)

Die 'sommige anderen' leven nog in hun ziel, leven nog als persoon.

 

Uit mijn verleden resteert, ook mij, 'in mij' (op mijn zenuwstelsel

aangebracht, zoals tatoueringen en littekens op de huid) wel degelijk een en

ander dat mij suggereert dit of dan, daar of dan, in reactie op deze of gene

prikkel(constellatie) te doen of na te laten. Daarnaast resteer er alles wat

ik geleerd heb (en nu kan en weet) en niet verleerd heb. Ten opzichte van al

dat resterende sta ik echter vrij, het is geen bevel, hooguit gereedschap voor

mij als individu.

 

Ik leef als individu en functionaris (intiem en zakelijk), niet persoonlijk,

niet als persoon. Dat komt die anderen niet goed uit en het komt bij die

anderen niet altijd als geloofwaardig over. Ze geloven het gewoon niet. "Dat

kan toch niet", zo denken ze, "dat is hooguit een doelstelling, een wensdroom,

een ideaal van hem." Ze mogen dat van mij gerust denken, want als nietpersoon

heb ik geen erkenning van hen nodig voor mijn psychisch evenwicht, mijn psyche

vertoont geen evenwicht en geen spanningen, mijn psyche staat uit.

 

Deze niet aanvaardende anderen denken telkens weer dat ze met mij in het

persoon <-----> persoon vlak bezig zijn. Als ik als individu een opmerking

maak die hen er als mindere af zou laten komen als ik die opmerking als

persoon gemaakt had, dan krijg ik meteen een gevechtshandeling op mij (naar

mij toe) gericht.

 

Ze vatten dat wat ik uitzeg / uitschrijf niet op als 'een greep om (iets van

  1. de) waarheid te winnen' (met de woorden van Ortego y Gasset), maar als een

mening, een standpunt, een poging om hen te overtuigen. Ze doen alsof ik een

persoon zou zijn, die, slechts gebonden door zijn instelling, afstelling,

waarden, strevingen, niet gebonden aan wat is en aan de beperkingen van de

beschrijvingswijzen daarvan, naar willekeur (soeverein) uitspraken kan doen,

die onvolledig, onjuist, op manipulatie gericht zouden zijn.

Mijn tekst is echter niet persoonspecifiek, waarheid heeft geen verdediging

nodig, waarheid verdwijnt ook niet met de (tong van de) spreker, met de (hand

van de) schrijver. Tegen waarheid helpt geen censuur. Waarheid heeft van

censuur niets te vrezen. Als iemand aan waarheid twijfelt maakt hij de kenner

van waarheid daarmee dan ook volstrekt niet onzeker.

Wie waarheid poogt te verwoorden dient men niet tegemoet te treden met de

vraag of wat hij zegt waar is, daar zorgt hij zelf wel voor, de vraag is en

blijft wel : "waar is het waar, welke delen van de werkelijkheid worden er

passend in besproken en ook : welk begrippenapparaat is er hier gebruikt voor

het aanmaken van deze ware uitspraak?"

Wie als onbedreigd individu spreekt, spreekt waarheid. Hij kan [- onbedreigd,

niet aangevallen en daardoor door krachten van buiten hem tot onwaarheid

spreken, als gevechtshandeling, als verdediging gebracht -] niet zomaar zeggen

wat hij wil. Wie in vrijheid staat kan niet zomaar zeggen wat hij wil.

Pas zodra, zolang en inzoverre een individu wordt aangevallen kan hij zeggen

wat hij wil, want dan maakt de aanvaller het spreken van dat individu tot

vechten.

Een ter zake doende vraag is dus:

ZIJN ER HIER EN NU VRIJE INDIVIDUEN BEZIG EN AAN HET WOORD, INDIVIDUEN DIE

NIET WORDEN AANGEVALLEN.

Wie vrij is van aangevallen worden kan nu net niet zomaar zeggen wat hij wil,

met andere woorden: wie niet wordt aangevallen is niet soeverein,

soevereiniteit is wat de vechtende kenmerkt. Eenmaal aangevallen hoeft de

aangevallene zich aan geen enkele norm of regel meer te houden. Ik bedoel:

eenmaal oorlogsgewijze aangevallen. Voetbal is oorlog. Je baan verliezen is

leven- en welzijnsbedreigend voor je als knecht in een civilisatie. Daarom is

beroepsvoetbal ook oorlog. Daarom is het werk van vergaderend, onderwijzend en

onderzoekend universiteitspersoneel ook oorlog. Daarom treft men daar ook

slechts oorlogsgewijze aangevallenen aan, die gedwongen zijn te zeggen wat ze

willen en dat is: dat waarvan ze denken dat sommige relevante anderen het

graag zullen horen.

 

Behalve de aangevallene neemt ook de aanvaller voor zich het soevereine recht

om te zeggen wat hij wil. Ook wat een aanvaller zegt is niet vanzelfsprekend,

("natuurlijk" is de uitdrukking) waar.

De vraag is dus: spreekt hier een aanvaller of een aangevallene of iemand die

in de positie is als individu te zijn, en dus niet anders kan en zal doen dan

waarheid spreken.

 

                                    --//--

 

Vrijen is geen garantie voor intiem, dat wil zeggen, als individuen met elkaar

bezig zijn, aan het omgaan zijn.

 

Het individu-zijn wordt soms opgevat als minderwaardig zijn (een wild dier,

een rat), soms ook als "een Jezus zijn", als heiligheid. Personen in de

knechtensamenleving (de gedemocratiseerde, competitieve civilisatie, van part-

time heren die ook part-time knechten zijn) achten zich gelijk aan alle

anderen. Wie als individu leeft is anders dan iedereen, dus heilig of

verachtelijk.

 

Individueel levende mensen zijn inderdaad, als bolletjes, los van elkaar,

elkaar niet over enig oppervlak rakend. Ze hebben elkaar niet in gebruik voor

het handhaven van een psychisch evenwicht en evenmin als spelers in een zielig

("psychisch") ritueel, nodig om zichzelf herhaaldelijk iets onwaars te

bewijzen.

In de betekenis die personen aan die term geven 'betekenen' individuen dan ook

niets voor elkaar. Ze kunnen echter ook niet benoemd worden als voor elkaar

'vervangbaar door iedere ander'. Vervangen slaat op het in gebruik nemen in

plaats van iets anders. Er is tussen individuen geen sprake van gebruik, dus

niet van vervangen.

 

Individuen betekenen niets voor elkaar.

Ook functionarissen betekenen niets voor elkaar.

'De passende ander' is een ziele-concept.

Als gevoel benoemd heet het romantische liefde; evenzeer romantisch is de

achterkant (resp. het nabeeld) van die liefde: de haat.

Individu en functionaris beide, resp. in intimiteit en in zakelijkheid, missen

de liefde zowel als de haat. Ze zijn vrij van betrokkenheid op en bij de

ander.

 

Het persoonlijke betreft het onnodige en/of het betreft de onnodige vorm van

het nodige, en / of het betreft het voorzien in het nodige op onnodige wijze.

 

Het onnodige dat aan het nodige wordt vastgemaakt is wel degelijk ergens voor

in gebruik: men herkent er de persoonsoort aan. Het onnodige kenmerkt de soort

personen.

 

Het gedoe van wie zich als personen gedragen vormt en veroorzaakt het gebeuren

in de civilisatie.

De civilisatie is nu, na de democratisering er van: oorlog van allen tegen

allen met alle middelen om alles wat te bezitten is (als voorrecht).

Idealiter vormt en veroorzaakt het zakelijk handelen van functionarissen het

gebeuren in de maatschappij.

Idealiter vormt en veroorzaakt het leven uit de traditie het gebeuren in de

cultuur ( = het via familie- en stamrelaties traditioneel geregelde leven).

 

Geciviliseerd = van een zieleleven voorzien, met een onstoffelijke korst

omgeven, omhuld, ommuurd, ingebunkerd, plus ertoe gebracht (en daarmee nog

niet opgehouden) om zich met die korst te vereenzelvigen.

Geciviliseerd is: in oorlog met alle anderen, aanvallend en / of aangevallen.

 

Alle zielen zijn rommel, kooimateriaal, webdraden, taai ongemak, taai

ongerief.

 

Alle zieleleven is verwerpelijke onzin, waarvan je je als individu zowel als

als functionaris zo snel mogelijk dient te ontdoen en dient te onthouden. Als

individu om wille van de vrijheid, als functionaris om wille van de zaak, de

doelmatigheid, de rationaliteit.

 

A propos rationaliteit:

 

Rationaliteit, rationeel leven betekent: planmatige keuze, dat is het zich

vastleggen voor de toekomst, daarmee zichzelf onvrij makend, want wie een doel

heeft en vasthoudt, heeft nog slechts de keuze uit middelen tot dat doel.

Het zich vastleggen in (of voor) de toekomst, het heden laten heersen over wat

zal zijn, over de toekomst, daar, in de toekomst het verleden (in dit geval:

wat nu is) de baas te laten zijn over wat dan is, dat is volstrekt

onverstandig en men noemt het rationeel.

Het is 'heersertje', 'godje' over jezelf spelen.

Zelfbestuur. Zelfbeheersing. Zelfdiscipline.

Slaven in zelfbezit.

 

Doen alsof je weet en kent wat je niet weet en niet kent, maar slechts gist en

gelooft, dat is onverstandig, verwerpelijk, dwaas.

 

Jezelf en anderen pogen te brengen tot het doen van iets dat moeilijk of zelfs

niet ongedaan te maken, te herroepen, terug te draaien is, heeft niets met

vrij laten te maken, zelfs niet met een te goeder trouw soevereiniteit

verlenen, de gelegenheid geven om al of niet te zondigen, te falen, zijn eigen

meester laten zijn. Het is het zetten van een val. Het is gevangen doen raken.

[Een voorbeeld is het toestaan aan vissers, jagers, wildhouthakkers en

landbouwers om in dienst van de massa in civilisatie de natuur te vernietigen.

Uit dezelfde bron waaraan de oneindige koopkrachtige vraag ontspringt moet ook

een einde aan die vraag worden aangebracht en daarmee een rem op de

vernietiging. Degenen die voor geld dienend jagen, vissen, hakken, en

chemische oorlog tegen "onkruid" en "ongedierte" voeren worden ontdaan van de

natuurlijke rem die ze als individu hebben: ze worden opgeleid door scholing

en persoonlijkheidsvorming tot robots/werktuigen van de onverzadigbare massale

koopkrachtige vraag. Hun onderneming houdt niet op met produceren als zij die

er in werken verzadigd zijn, gegeten hebben, zich door voorraadvorming veilig

gesteld hebben. Zelfs als wie zich voldoende geld verdiend hadden in de

onderneming ermee op zouden houden, dan kwam er nieuw personeel. De

onderneming, de bedrijfstak, is onvermoeibaar en onverzadigbaar, de

aangevallen aarde is eindig en niet onsterfelijk; de aarde, de schepping is

niet tegen iets oneindigs opgewassen, niet tegen een onstilbare honger, niet

tegen een ongeremde voortplanting, niet tegen een eindeloze begeerte.

Het voor geld dienen als hand van een eindeloos, onverzadigbaar IETS, met name

de mensenplaag, is ongelijk aan het in de natuur ook (maar daar eindig,

eindigend, verzadigbaar, in wezen ""lui"") gegeven zakelijk, functioneren,

functionaris-zijn, hand-zijn.

De voor geld dienende handigen zitten in het geval van lage lonen nodigs voor

de dader te doen, maar zonder einde, in het geval van hoge lonen is de

begeerte der handigen oneindig, daardoor ook hun daderschap zonder einde. De

variabele loon is al niet meer van belang waar een bedrijfstak of beroepsgroep

als steeds nieuw bemand IETS de taak in kwestie heeft overgenomen en er geen

invloed meer uitgaat van de keuze der individuele bemanningsleden om aan te

blijven of niet.]

 

Pogen iemand tot een keuze te brengen waardoor hij verder vast komt te liggen

dan hij hier en nu is, is gewoon een gevechtshandeling binnen de civilisatie.

Dat geldt voor het laten kopen van dingen, voor specialisatie in kennen en

kunnen en ook voor het laten aangaan van contracten zoals het huwelijk.

 

Het wereldgebeuren is geworden tot het samenspel van IETSen die de

bemanning overleven en die (tussen de concurrenten) voor die bemanning

onbestuurbaar zijn voor wat betreft richting en inhoud der werkzaamheden, en

zo voorts.

In die wereld is van iedere enkeling het al of niet meedoen totaal zonder

merkbaar gevolg voor het grote gebeuren. Als er geen individueel laatste

oordeel wacht op (dreigt voor) de inidividuen, dan is elk zedelijk gedrag

ongegrond als het niet hier nu beloond en bestraft wordt door de tijdgenoten.

Het vrij laten van elkaar in de vrije ondernemingsgewijze productie van

goederen en diensten voor geld komt neer op het weglaten van alle zedelijke

beinvloeding: de aanwezigheid resp. afwezigheid van koopkrachtige vraag naar

deze of gene dienst voor geld is de vervanging geworden van de echte zedelijke

goedkeuring van het verrichten van die dienst. Die moraal brengt zowel een

overvloed van nodigs voor alle koopkrachtigen als de uiteindelijke ondergang

van alle 'bronnen van grondstoffen'. Goed gedrag is wat als dienst voor geld

goed betaald wordt. Beter is wat beter betaald wordt. Slecht is wat slecht

betaald wordt.

Het kwijtraken van contact met een stroom van koopkracht is de fout die een

onderneming kan maken. Het gaat een onderneming er niet om de bron waaruit ze

nu haar grondstoffen put stromende te houden, het gaat er om op tijd haar

investeringen te richten op een bron van grondstoffen die niet aan het

opdrogen is.]

..schijf52/file'fpimar2.txt/ blz.#:

 

Onder iemands 'handelen' verstaat men wel: dat waarmee hij als bewustzijn

bezig is. Bijvoorbeeld: een spreeuw haalt voedsel voor haar jongen en doodt

zodoende vele rupsen en emelten. De spreeuw is in de definitie van handelen

aan het voederen. De boer die gif spuit om rupsen en emelten te doden, is aan

het doden van emelten en rupsen bezig, ook al doodt hij meteen ook de spreeuw.

Dat doden van die spreeuw valt buiten het handelen.

De uitspraak dat de spreeuw haar jongen voedt is even waar als de uitspraak

dat ze rupsen doodt. De ene uitspraak is een even ware beschrijving van wat er

gebeurt als de andere. De beide beschrijvingswijzen, waarin de rupsen resp.

niet en wel voorkomen, sluiten elkaar niet uit.

 

Als ik de omgangsmanieren (als functionaris, als persoon en als individu) ten

opzichte van elkaar op de hoeken van een driehoek plaats, dan komt er het

volgende:

 

----------------------------------------------------------------

 

                  -op het werk-

                   maatschappij

               (funct.<---->funct.)

 

 

 

 

 

-thuis-                                            -buiten-

privacy                                          civilisatie

(indiv.<---->indiv.)                       (persoon<---->persoon)

 

 

 

 

         NODIG                                  ONNODIG

 

arbeid + spel zijn                          vrije tijdsbesteding

beide nodig voor het                        in de onnodige vormen

biologisch functioneren                     der spelen en in

                                            verslavingen

 

 

[het  laten  bepalen van de             [het laten  bepalen van

toekomst door het verleden              de toekomst  zowel als

is  hier  een  technische  regeling     het  ruilen  van diensten

om het nodige, door ruilende            zijn hier onnodig.]

specialisten, kwalitatief zo

goed als voor enige deelnemer

mogelijk, te laten doen.]

 

----------------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------------

      funct.<---->funct.          de omgang is zakelijk

 

      persoon <----> persoon      de omgang is competitief

 

      individu <----> individu    de omgang is intiem

----------------------------------------------------------------

 

 

Ik heb bij nader inzien achteraf, mij nooit toegang verschaft tot de

civilisatie, tot het terrein (gebied) van het onnodige. Ik ben in de

maatschappij (als leerling en als werknemer) gebruikt. Ik kan dat woord

'gebruikt' vervangen door 'in de gelegenheid gesteld mijn tijd, aandacht,

energie en vaardigheden om te zetten in een inkomen'. Dat klinkt

vriendelijker. Ik diende voor meer geld dan er voor mijn leven en welzijn

nodig was, dus spaarde ik, ik hield over. Dat 'dus' berust op de middenterm

'ik besteed mijn geld niet aan onnodigs, niet aan het uitleven van een

geldingsdrang. Ik verslaafde mij niet aan iets onnodigs'.

 

In de maatschappij was ik niet tewerkgesteld op een van die relatief weinige

plaatsen waar nodige diensten voor geld worden verleend.

 

Wie gediend heeft voor geld, gedwongen is geworden tot minstens die

gespecialiseerde vorm van het besteden van zijn tijd aandacht en energie, wil

dat met dat geld later, na afloop van de diensttijd, door hem (als bezitter

van dat geld) gekocht kan worden (dat wil zeggen: dat anderen tot dienen

gedwongen kunnen worden). Het dienen voor geld is de moeite waard door de

blijvende geldigheid van geld en het waardebehoud daarvan (het tegendeel van

inflatie, van geldontwaarding).

Aan die inrichting van de maatschappij is niet te ontkomen.

 

Te doordenken valt wat er aan negatiefs aan de maatschappelijke inrichting

blijft vastzitten als de competitieve omgang in de civilisatie verdwijnt.

 

Vast staat dat slechts de onverzadigbaarheid der enkelingen zich summeert in

het steeds maar in koopkrachtige vraag en in aantal groeien van de mensheid.

Slechts het feit dat vrijwel iedere enkeling zich een nazaat op aarde zet

maakt de massa onsterfelijk en daarmee aan het leven als geheel vijandig, een

plaag. Vast staat dat slechts de spontane summatie van dit onsterfelijk zijn

en van het begeren van onnoidgs de oorsprong is van het wereldgebeuren.

Vast staat dat slechts de spontane summatie van het ophouden van enkelingen

met dit bijdragen het geheel tot iets anders, tot iets eindigs, tot iets in

het leven als geheel pasbaars kan maken.

Vast staat dat slechts het ophouden met het lijden aan het gestreef een

verkoopbaar voorstel tot vermijdingsgedrag kan zijn. Ik lees bij Krishnamurti

dat de mensen aan hun gedoe, gedenk, gevoel en gestreef lijden. Ik zie ze niet

lijden, maar ik kijk dan ook niet. Ik geloof niet dat het lijden groot genoeg

is om hen tot vermijden ervan te kunnen verleiden. Het vermijden vindt in

ieder geval nog niet massaal plaats.

 

De competitie is een motor voor een deel van wat er in de maatschappij

gebeurt, om precies te zijn voor de onnodige werkgelegenheid. Ook onnodige

werkgelegenheid is werkgelegenheid. Hetgeen in de onnodige werkgelegenheid

gedaan wordt is onnodig, het inkomen dat de daders (de dienaren voor geld, de

knechten) verwerven met dat werk, hebben zij wel nodig. Vanuit de werknemers

gezien is die werkgelegenheid niet onnodig voor zover zij het eruit

voortvloeiende inkomen nodig hebben. Ook zij echter zijn parttime deelnemers

aan de civilisatie, aan de competitie en ze willen het onderste uit de kan

hebben. Ze zijn bereid tot het verlenen van onnodige diensten waar

koopkrachtige vraag naar is, bereid gedurende een groter aantal uren dan hen

wordt afgedwongen door wat ze nodig hebben (maar reeds door anderen in bezit

genomen is en dus door hen gekocht moet worden voor geld waarvoor ze moeten

dienen).

 

Zetten we nog eens de driedelingen van mensen qua omgangsprogramma's naast

elkaar:

 

                       functionaris <----> functionaris

 

                         persoon <---------> persoon

 

                         individu <--------> individu

 

                          Jan                  Piet

 

Jan en Piet kunnen met elkaar omgaan op de bovengetekende horizontale,

passende, evenwichtige HELDERE manieren:

- zakelijk als functionaris,

- wedijverend en vechtend, concurrerend, hierarchiserend als persoon en

- intiem als individu.

 

Hoe het zakelijke gedaan moet worden is door de aard van de zaak in kwestie

gegeven; de technische noodzakelijkheid en de efficientie heersen.

Hoe het individuele, intieme omgaan moet zijn is weliswaar niet voorgeschreven

en vaak zelfs niet verwoord, maar het is geenszins onduidelijk. Iedereen kan

in en aan zichzelf voelen wat hij nodig heeft en ieder kan de lust en onlust

ervaren, die de natuur hem als redenen voor doorgaan resp. ophouden gewaar

laat worden.

 

Het bezitten, het wedijveren, het streven, het (niet lijfelijke) vechten, het

scheppen van een geschiedenis die het vestigen van meerdere - mindere relaties

is, moet worden aangeleerd.

Het kwaad ontstaat uit en in de civilisatie, die de oorlog is in alle vormen:

het aanvallen en terugvechten van allen, parttime agressor en parttime

verdediger. Het kwaad is in de competitieve, wedijverende, wedstrijdende,

concurrerende, vechtende omgang van mensen die zich gedragen als personen in

de civilisatie.

Uit die strijd komen de opdrachten tot onnodig toppresteren in de maatschappij

(en daarvan afgeleid: in de scholen) voort. Die strijd is de oorzaak van

gevoel, gedoe en gedenk.

De inzet van de strijd is de plaats die elk der deelnemers zich verovert op

wat ze wel de maatschappelijke ladder noemen; het aanzien dat elk der

deelnemers geniet. Dat aanzien zal meestal slechts genoten (dat is de

gebruikelijke term) worden in kleine kring, aanzien in de ogen van een groot

publiek is hetgeen diegenen nastreven die zich opzwepen tot topprestaties. Dat

aanzien, die faam, is slechts weggelegd voor diegenen onder die ambitieuzen

die niet alleen hun best doen, hun eigen records breken, maar die het winnen

van hun concurrenten.

Deze wedijver, dit zich ten opzichte van elkaar als meerdere - mindere

plaatsen heeft krankzinnige omvang gekregen. Het is alomtegenwoordig (het doet

zich voor tussen twee mensen die met elkaar praten, zowel als tussen miljoenen

die zich in wedstrijdsporten uitputten). Het is al volstrekt niet meer zo dat

iedereen betaling als loon voor deelnemen aan een wedstrijd eist.

Kans op het krijgen van iets (aandacht of een prijsje) is al voldoende om deel

te nemen. Deze bereidwilligheid om te ijveren in wedstrijden kan met

zachtmoedigheid en speelsheid gepaard gaan, maar overal is te zien dat de

speelsheid en sportiviteit verdrongen worden door het keiharde vechten, juist

ook

- tegen het eigen lichaam (drugs en uitputting) en

- tegen het eigen verstand en

- tegen de natuurlijke, het omgaan met soortgenoten regulerende instincten.

 

Het stoeien is natuurlijk speels gedrag, maar dat is dan ook niet tegen de

ander maar met de ander. Het stoeien is een extra bron van biologisch

functioneren, naast het doen van hetgeen nodig is, gezien wat je nodig hebt

voor het onderhoud van je leven en welzijn enerzijds en wat je moet doen aan

je omgeving om dat te verkrijgen anderzijds.

Met stoeien wordt geen geschiedenis gemaakt, worden geen toekomstige

gezagsverhoudingen vastgelegd.

 

Het competitieve gedrag in de civilisatie is niet meer te herkennen als

'veelvormig geworden stoeien', het speelse en het biologisch functioneren

(----> lichamelijk en geestelijk welbevinden) zijn geen grenzen meer. Het

wedijveren gaat door lang nadat het welbevinden heeft opgehouden. Het

wedijveren vindt plaats zonder dat op het welbevinden van lichaam en geest

wordt gelet. Het eigen welbevinden noch dat van de ander krijgt aandacht. Let

wel: wie zich inspant omdat hij zich achteraf zo prettig voelt is bepaald niet

natuurlijk bezig. Het middel-doel schema is puur kunstmatig. Het komt neer op

het gebruiken van het eigen lichaam alsof het een ding  of slaaf zou zijn

waarmee je voor je erover heersende bewustzijn (geest) plezierige gevoelens

aanmaakt.

 

In tweegesprekken blijkt het competitief* worden uit het streven gelijk te

krijgen en uit het verdedigen van wat men zojuist gezegd heeft: het innemen

van een standpunt. Men maakt het standpunt in kwestie ter plaatse en dan pas

aan uit een opmerking die men zojuist gemaakt heeft.

 

      * competitief is het, men kan het ook 'persoonlijk worden' noemen of

      'zich geciviliseerd gedragen'. Niet zelden benoemt men met het woord

      'beschaafd' slechts het zich enigszins beperken bij de keuze van

      technieken om tegen de ander te vechten. (einde voetnoot)

 

 

Het vechten om gelijk komt

- in de plaats van samen om een onderwerp heen springend met

  woorden stoeien, of,

- in de plaats van inzichten uitwisselen: ware uitspraken zoekend, zonder te

  letten op wie ze vindt.

[Dat laatste doet men als men ernstig bezig wil zijn, zakelijk, bezig nodigs

te doen.]

 

 

Voor de geciviliseerden is vechten, proberen te winnen, een meerdere - mindere

relatie vaststellen een alomtegenwoordig doel.

      Beschaving betreft niet het laten vallen van dit doel, maar het zich

      beperken tot bij conventie bepaalde middelen. "Beschaving" is een gladde

      oppervlakte geven, polijsten, de scherpe kantjes weghalen, het ruwe

      wegwerken. Er verandert niets aan wat onder de oppervlakte zit. Een

      beschaving is beter dan zomaar een civilisatie. Zich beschavende

      volkeren richten zich wat comfortabeler in in de loopgraven waarin de

      jonge, actieve civilisatie, de roofmoordtocht, vastliep. De geschiedenis

      wordt niet opgeheven als bepaler van wat is en gehandhaafd wordt.

 

Het vinden van ware uitspraken over een zaak (een onderwerp) is voor de

personen, de beschaafde geciviliseerden, alleen maar een spel naast alle

andere spelen. Een ware uitspraak over een onderwerp vinden heeft dan dezelfde

functie als het maken van een doelpunt. Een tweegesprek komt in het schema van

een tenniswedstrijd terecht.

 

..natcult.txt/schijf53/blz.#:

 

Zoals de civilisatie de cultuur beroofde van de zelfwerkzaamheden der

huisvrouwen, landbouwers en veetelers, zo beroofde reeds de cultuur de

natuurmens van de gevarieerde en avontuurlijke (wisselvallige) bezigheden die

we vissen, jagen en verzamelen noemen. Vissen is het laatst in cultuur

gebracht (visvijvers).

De cultuur voorziet in vis, vlees en plantaardig voedsel, maar de bezigheden

die nodig zijn om te voorzien, zijn niet langer avontuurlijk of wisselvallig,

gaan niet langer gepaard met te overleven geluk en pech op korte termijn. Een

misoogst, een veeziekte, een vergiftigde visvijver zijn een zware klap, een

ramp, ze vallen niet onder de noemer 'pech'.

 

Waar tegenwoordig hongersnoden door misoogsten optreden worden de getroffenen

meestal toch gered door de massa. De mensenplaag redt de aanwezigen vrijwel

allemaal. Alle sterven mag als het maar andere soorten levende wezens betreft.

Slechts het argument van het verlies dat de mensheid lijdt door het uitsterven

van soorten en ecosystemen geldt enigszins in de massa.

 

De civilisatie heeft met haar bewapeningswedloop ook de strijd tegen de andere

levensvormen ten top gevoerd. Gevist wordt met behulp van radar, gejaagd met

infraroodkijkers en precisciegeweren, tegen andere dieren die hetzelfde willen

eten als wij wordt chemische oorlogsvoering toegepast evenals tegen planten

die in concurrentie leven met wat de mensen verbouwen.

 

De dragelijke wisselvalligheid van het natuurlijke bestaan van de mens is weg.

De cultuur beschikte niet over de gevechtskracht en bewapening die de

civilisatie inzet om aan de natuur buit te ontnemen. De cultuurmens moest het

met bidden doen. De geciviliseerde mens vecht tegen de levende natuur.

 

Om de dragelijke spanning van het geluk of pech hebben kunstmatig te krijgen

gokt en wedt de mens sedert de cultuur begon. Om het weldadige gevoel van

verzadigd zijn tegen de achtergrond van eraan voorafgaande gerichtheid op

verzadigen resp. laven te krijgen, gebruikt de mens psychotrope middelen

(verdovend, verslavend, opwekkend of giftig genoemde genotmiddelen).

 

De wereld, die stoffelijk is, zowel als de samenleving, die onstoffelijk is,

zijn kunstmatige nabootsingen van de natuur waarvoor de mens genetisch-

erfelijk is toegerust. Men speelt 'natuurlijk-leventje', men maakt onnodig

gevaar aan, omdat men de prikkel wil van het in gevaar zijn en zich er uit

redden.

Zowel cultuur als civilisatie brengen de mens in een saaie, prikkelarme,

veilige couveuse-situatie. De mens wil veiligheid, maar heeft behoefte aan de

prikkels die horen bij het natuurlijke bestaan, dat niet vijandig maar wel

wisselvallig, lichtelijk onveilig en geen couveuse is. De mensen hebben wat om

handen en wat om op te letten nodig: hun spieren, handen, zintuigen en hersens

moeten steeds (weer) functioneren. Aan dat functioneren ervaart de mens lust,

hij voelt er lust bij.

 

                               =/=einde=/=

A>b:

B>type fpimarvv.txt

.pl66

.op

.mt3

.hm2

.mb3

.he                        schijf 53/ file fpimarvv.txt/ blz. #

.. 21 februari 1986 (bladzijden 6045 t/m 6047)

.. op 29 januari 1987 is dit hele file weer herzien en aangevuld

..Hieronder  voeg ik voor bovengenoemd file het file fpimar.txt  en

..daarna het file fpimar2.txt:

..schijf52/file'fpimar.txt'/ blz.#

..20 februari 1986 //blz.6041 t/m 6044

.. ook natcult.txt is toegevoegd, als slotstuk.

..verbeteringen en aanvullingen d.d 020287

..idem 030287

..idem 040287

Zoals in zijn 'transactionele analyse' Berne onderscheidt tussen ouder,

volwassene en kind binnen de ziel van de personen, zo onderscheid ik daarnaast

tussen functionaris, persoon en individu in het omgaan van mensen met elkaar.

Ik kan de manier van tekenen die Berne voor zijn onderscheidingen had,

overnemen:

 

functionaris         functionaris

 

 

persoon              persoon

 

 

individu             individu

 

Als resp. functionaris, persoon en individu doen en laten we volgens

omgangsbepalende regelverzamelingen tussen ons.

 

  1. natuur:

   We kennen van nature hoe we als individuen met elkaar moeten omgaan.

   We kennen, we weten niet, het gekende is onbegrepen, onverwoord en

   verschijnt niet op het beeldscherm van ons bewustzijn, we reflecteren er

   niet op, we kunnen er niet als van een afstand naar kijken, we zitten er

   helemaal in, we vallen er mee samen, we zijn het, en als de prikkelconstellatie, de situatie zich voordoet, dan

   doen we gewoon, zonder vooraf of achteraf of van buitenaf te denken. Zo is

   natuurlijk leven.

  1. civilisatie:

   We hebben geleerd hoe we als bezitters van verschillende voorrechten met

   elkaar om moeten gaan: blijk gevend van onze stand en welstand.

   We zijn in onze opleiding tot nuttig lid van de maatschappij te weten

   gekomen hoe we als functionaris ons moeten gedragen, als we elkaar dienen

   voor geld. Let wel: ik doel hier op het ons gedragen ten opzichte van

   elkaar, in onderscheid van t.o.v. ons onderwerp, dat wat we onder handen

   hebben, als voorwerp.

  1. cultuur:

   In familie en gezin werd de meesten van ons geleerd hoe we ons behoorden te

   voelen ten opzichte van onze familieleden: betrokken, solidair en

   verplicht.

 

Zo zijn onze instructies, zo werden wij geprogrammeerd, resp. door de

natuurlijke evolutie en door die weinigen van onze oudere tijdgenoten /

soortgenoten die invloed op ons uitoefenden. Het zijn er altijd zeer weinigen

en toch reageren we alsof de hele wereld ons zo africhtte en deze africhting

in stand houdt. ('Africhten' staat hier voor: opvoeden en de persoonlijkheid

vormen: programmeren, instrueren, opleiden, scholen, trainen, enz., al die

andere namen voor het aanbrengen van herinnerbare sporen in ons, bedoeld om

ons later te heugen, met name: om er dan ons doen en laten mee te kiezen en

vorm te geven.)

 

Slechts om straffen en belonen te legitimeren als middelen om ons voortdurend

bij te sturen, te besturen, te beinvloeden, dicht men ons een vrije wil toe.

Het is noch van de via familierelaties geregelde cultuur noch van de

civilisatie de bedoeling dat iemand vrij is.

 

Aanvankelijk geloven we nog dat het wat uitmaakt of ieder van ons zich al of

niet houdt aan deze de omgang bepalende 'instincten', 'tradities', 'regels',

'voorschriften' enzovoorts. Dat geloof wordt ons ook voorgehouden door

opvoeders en instructeurs.

Later voelen we ons verontwaardigd door en spreken we schande van de massale

overtreding der aangegeven grenzen.

Na het kwalijk nemen van dat overtreden, aan onszelf en aan anderen en aan de

massa (in de vorm van 'de staat') die niet afdwingt, volgt soms bij sommigen

het besef dat het al of niet volgen van dit alles door deze of gene enkeling

niets uitmaakt.

Pas dan, als beseft is dat het standaarddeugen niets uitmaakt, kan het besef

komen dat ook het meedoen aan de standaardondeugden van de gewone "mensen"

(personen dus, geciviliseerde groeisels uit kinderen) niet de moeite waard is.

Het nastreven van het geacht worden door anderen die ook niet meer dan stofjes

zijn valt weg voor wie het wereldgebeuren kan zien in het licht van het besef

dat het onbestuurd is. In een leeg heelal is deugdzaam leven zinloos. In een

leeg heelal zijn de ondeugden van de gewone burgerman oneindig futiel.

Dezelfde oorzaak waardoor de zin van het leven wegviel heeft ook als gevolg

dat de drang naar meetellen en hebben wegvalt.

Om enig plezier te beleven aan de lof die anderen je toezwaaien zul je eerst

zelf die anderen moeten achten, hen als tot keuren berechtigd en bekwaam

moeten erkennen. Voor dat erkennen is vaak geen reden en evenmin voor het de

moeite waard achten van de dimensie waarop je wordt gekeurd en met anderen

vergeleken.

 

Niets onnodigs is de moeite waard, de deugd niet en de ondeugd niet. Dat

inzicht, dat echt beseffen van de zinloosheid van het leven, de leegheid van

het heelal, maakt een einde aan het gevecht om alles tussen allen met alle

middelen. Het maakt ook een einde aan alle bezorgdheid. Het maakt een einde

aan zowel goed als kwaad. Goed en kwaad kunnen alleen onnodigs betreffen. Wat

nodig is voor het leven en welzijn van de dader als individu valt buiten alle

goed en kwaad. Goed en kwaad zijn buitennatuurlijk.

 

Het terugkomen bij het oeroude inzicht dat er niets onnodigs nodig is, heft

niet het spelend doen van onnodigs op, spelen is nodig om het als mens

(lichaam/geest) functioneren aan te vullen tot volledig en harmonieus, een

aanvullen dat nodig is doordat het voorzien in het voor zijn leven en welzijn

nodige niet altijd overal voor iedereen die volledigheid en die harmonie

oplevert: onze gegeven omstandigheden vormen geen couveuse.

 

We kunnen die regelverzamelingen (die we als functionaris resp. als persoon

gebruiken) benoemen als afgesteldheden van ons, als ware het software, op ons

zenuwstelsel als hardware. We kunnen ook in navolging van de freudianen

spreken van 'instanties' in ons, geciviliseerde mensen.

 

In ons en om ons is er een ononderbroken strijd om onze output, dat wil

zeggen: om het vermenigvuldigingsproduct van de tijd, aandacht, energie,

leervermogens en vaardigheden die wij te besteden hebben. Een strijd tussen

natuur (voor het nodige voor eigen individueel leven en welzijn), cultuur

(voor "ons", dat is: voor de familie, de stam, het ras, de diersoort) en

civilisatie (voor het welzijn van wat ons als individuen te boven zou gaan,

goden, staten, bedenksels van allerlei aard, waarin en waarachter zich hogere

mensen, edelen, leiders en ander parasitair tuig verschuilen).

 

Wij leven in een civilisatie, wat zeggen wil dat we voortdurend aangevallen en

gefrustreerd worden bij ons proberen te voorzien in wat we voor ons

individuele leven en welzijn nodig moeten hebben en moeten doen. Alles wat te

verdedigen is, is al bezit van iemand anders. Voor vrijwel alles is

toestemming van anderen nodig. Wie aangevallen wordt kan niet langer in

vrijheid ervoor kiezen vechtend te leven, hij moet, hij kan niet meer anders.

 

Wij mensen bedoelen slechts een minieme fractie van wat we door ons doen en

laten veroorzaken. Veroorzaken door ons doen en laten is een pleonasme, door

denken, voelen, willen, wensen, verlangen en dergelijke veroorzaken we niets,

alleen door doen en nalaten, dus: laten gebeuren, gedogen, onze handen er van

af houden.

 

Wij mensen hebben een te kleine "denkcapaciteit" om met alle gevolgen van ons

doen en laten rekening te houden. Onze capaciteit is al vrij snel bezet en de

rest van de informatie kan niet meer worden verwerkt: ons brein is vol.

Vrijwel iedereen wordt tot een specialist gemaakt en geplaatst. Op die plaats

heeft hij zoveel gegevens te verwerken dat zijn brein vol zit. De output van

elke kluwen op elkaar betrokkenen, met elkaar bezigen, is weer even onvolledig

doordacht als de output van een enkeling. Onbestuurde, ondoordachte,

onvolledig de gevolgen overziende elementen (enkelingen) vormen samen een

onbestuurde, ondoordachte geciviliseerde mensheid, die het 'wereldgebeuren'

veroorzaakt.

 

Mensen leven in hun kleine kluwentje en men kan over dat leventje spreken met

begrippen als 'lijden' (zoals Krishnamurti doet) maar evengoed ook met

begrippen als 'vechten om voorrechten, aanzien, aandacht en status' zoals ik

nu uitgebreid gedaan heb. Er wordt geleden, er wordt gevochten, er wordt ook

in het nodige voor eigen leven en welzijn voorzien. Dat voorzien gebeurt op

vele manieren, inclusief ettelijke voor anderen zeer schadelijke en zelfs

ettelijke 'contraproductieve', voor de dader zelf schadelijke.

Alle verhalen, theorieen, begrippensystemen, beschrijvingswijzen,

spreekbeelden leveren wel wat waarheid op.

Er wordt vast wel geleden, maar niet lijden is wellicht voor velen

vervelender, saaier dan lijden. Practisch alle mensen worden aangevallen en

gefrustreerd maar velen nemen de uitdaging aan en verdrijven er de verveling,

de prikkelarmoe mee van het vredige bestaan in een welvarende cultuur.

Wordt de strijd wat minder, door socialistische regelingen, door welvaart,

door goede verzorging, dan ziet men dat het volkje gaat gokken.

Spelletjes met geluksfactor en het zich inleven in verhalen over spannende,

misdadige, moordende avonturen, dat wenst men dan massaal.

Voor het met innerlijke ontferming bewogen worden bij het bezig zien van de

schare lijkt mij onvoldoende reden. Alleen kinderen, die in deze wereld

geworpen worden (geboren worden heet dat) zonder dat ze tevoren konden kennen

en kiezen, die zouden die bewogenheid kunnen opwekken. Zolang tot ook zij

'eieren voor hun geld gekozen hebben' en aangepast meedoen.

 

Berne beschrijft het "psychisch" (persoonlijk, als personen) met elkaar bezig

zijn van mensen als het interageren van (of beter: als) 'ouder', 'volwassene'

en 'kind'.

Men kan de begrippen 'natuur', 'cultuur' en 'civilisatie' ook gebruiken om

manieren van elkaar tegemoettreden te beschrijven. Let wel: men krijgt dan

niet precies de hier verder te verklaren begrippen 'functionaris', 'persoon'

en 'individu'. Nodig is zowel hetgeen we (idealiter) doen als functionaris als

dat wat we doen als individu. Onnodig is wat we als persoon doen en laten

doen. Omdat we niet in vrijheid, als individuen dus, samen elkaars taken

formuleren, die we als functionarissen voor elkaar uit te voeren hebben,

krijgen we als functionaris opdrachten van personen. Personen zijn de

bouwstenen van de civilisatie, zo komen de opdrachten aan functionarissen

vanuit de civilisatie. We krijgen dus te zien dat de zakelijke aanpak (de

rationaliteit) van als functionaris bezigen in dienst komt te staan van onzakelijke, irrationele, dwaze,

waanzinnige doelstellingen, plannen, ondernemingen, operaties van personen die

koopkracht en de kracht van wie misleiden uitoefenen (resp. als klanten,

priesters en politici). De functionarissen doen hun werk technisch goed, maar

in dienst van waanzinnigen, namelijk: personen met koopkrachtige vraag naar

onnodigs, schadelijks, zelfs naar middelen voor zelfbeschadiging. Ook de door

de traditionele cultuur gevormde korst van gewoonten (ten aanzien van het

handelen in en opvatten van de werkelijkheid) valt onder de noemer

'persoonlijkheid'. De civilisatie vermomt zich aanvankelijk als cultuur, om de

schijn van achtbare in vrijheid ontstane traditie te geven aan haar

willekeurige wetten en dictaten; de cultuur vermomt zich als civilisatie om

aan haar machteloos aandringen de schijn mee te geven van dezelfde gewapende

kracht die de civilisatie achter haar wetten als dreiging gereed heeft staan.

 

Vrijwel ieder van ons heeft er belang bij dat de anderen hun doen en laten

laten bepalen door hen aangeleerde geboden en verboden; onafhankelijk ervan of

deze nu afkomstig zijn uit cultuur (familiaal regelende traditie) of uit

civilisatie (uit wetten en regelingen en uit ongeschrevens dat tot competitie,

concurrentie, streven en toppresteren brengt).

Voor het aan anderen leren van onderscheiden tussen geboden en verboden qua

herkomst en qua legitimatie en afdwingende krachten, is dan ook weinig animo.

Hoe meer geboden en verboden iemand eerbiedigt, hoe hanteerbaarder die iemand

is en hoe prettiger, gemakkelijker het voor anderen is met hem om te gaan.

 

Een grote verwarring is het gevolg wanneer, zoals vrijwel altijd gebeurt,

mensen elkaar zonder zuiver te onderscheiden tegemoet treden als mengsels,

mengwezens, samengesteld uit flarden individu-zijn, flarden persoon-zijn en

flarden functionaris-zijn.

 

Voor die drie bovenstaande grootheden (functionaris, persoon en inidivdu)

geldt dat slechts de horizontale (heen en weer-)pijlen terecht en probleemloos

zijn. In woorden uitgedrukt: het omgaan van mensen met elkaar, beide als

functionarissen, beide als personen en beide als individuen levert geen

oneerlijkheid en geen verwarring op. Oneerlijkheid, problemen en verwarring

treden op wanneer een van de interagerenden zijn persoon en/of zijn individu

inbrengt in zijn functionarisschap, en/of wanneer een persoon een

functionarisgedrag vertoont (voorbeeld: "beroepsdeformatie"), en/of wanneer

een individu niet uit de schillen van persoonlijkheid en maatschappelijke

functie kan komen teneinde een ander individu dat hem als zodanig tegemoet

treedt te ontmoeten.

 

In ons doen en laten als functionaris komt onze beroepsopleiding tot uiting.

De inhoud van die beroepsopleiding is niet van ons prive, de beste

beroepsopleiding is die welke eender werkende functionarissen aflevert. De

beste functionaris is een robot/computer. De best doordachte en uitgeprobeerde

beroepsopleiding is zozeer klaar dat ze een computer in kan. Alle

functionarissen gaan om met spul, met informatie en met dingen en zijn bezig

met technische bezigheden. Zo definieer ik 'functionaris' zijn. Alleen in

automaten/computers/robots komt dit begrip echt als verschijnsel voor. Alleen

die niet van mensen gemaakte automaten/computers/robots kunnen zo storingsvrij

gemaakt worden. Een postzegelautomaat is een mooi voorbeeld van een

functionaris. Niemand ervaart psychische moeilijkheden bij het gebruiken van

zo'n apparaat.

 

Iemand die een gezonde kijk heeft op functionaris zijn ervaart er ook geen

moeilijkheden mee om als een robot/computer te handelen binnen zijn taak als

functionaris. De loketbediende op het postkantoor kan een hongerige klant niet

een broodje kaas verkopen, dat heeft hij niet. Daar voelt zo'n functionaris

zich ook niet door gefrustreerd. Als individu wil hij natuurlijk een hongerig

medemens best aan eten helpen. Dat hij dat niet als functionaris kan doen,

frustreert hem echter niet.

       [Terzijde: om een ander mens aan eten te willen helpen als die ander

       dat nodig heeft is geen opvoeding, geen persoonlijkheidsvorming nodig.

       Naastenliefde, behulpzaamheid en gastvrijheid zijn dan ook geen

       aangeleerde deugden, het zijn pas als deugden gepropageerde en

       ingevoerde verschijnselen geworden nadat eerst de bezittende

       persoonlijkheid in het kind, in de mensen, was gevormd. Bezitten komt

       in de mensenkinderen van nature niet op. Gebruiken en van een ander die

       het bezitbare aan het gebruiken is afpakken, zal wel eens voorkomen.

       Als de ruzie om het schaarse dan wordt beeindigd door 'eigendom' als

       begrip in te voeren, leren de kinderen 'bezitten': mijn en dijn:

       voorrechten ten aanzien van gebruik, in de opvoeding nog vaak gekoppeld

       aan plichten ten aanzien van onderhoud en opruimen (twee vormen van wat

       'in orde houden' heet).Het invoeren van de regeling 'bezitten' heeft

       tot doel herhaling van de ruzie te voorkomen, zodoende de toekomst te

       bepalen en vast te leggen dus.]

 

Ik (js) leef, spreek, handel als individu en/of als functionaris. Mijn omgang

met anderen is functioneel, zakelijk of intiem, vredig.

Ik heb na afloop van mijn 21jarige (het dienen voor geld in de maatschappij

voorbereidende) carriere als scholier, leerling en student, een

maatschappelijke functie als uitvoerende in de maatschappij gekregen als

onderwijsgever. Bij het uitvoeren van die taak heb ik gemerkt dat dat wat ik

geleerd heb mij in de maatschappij geen soepele en van botsingen en wrijvingen

vrije omgang bracht.

Dat bleek niet zo vaak bij het omgaan met wat mijn minderen (ondergeschikten)

geacht werden, de studenten, als het bleek bij het omgaan met collega's en met

zogenaamde meerderen (Hoogduits: Vorgesetzte), waar ik dus aan ondergeschikt

was.

Ik had geleerd dat het omgaan met anderen op het werk zakelijk diende te zijn,

taakgericht, functioneel, doelmatig, gestuurd door de doelen die in de

statuten van de instelling staan genoemd.

Thuis noch op school had ik mij ontwikkeld tot een op anderen en hun

prestaties zijn aandacht richtende, vergelijkende, in competitie bezige

persoon, met andere woorden: ik ben niet geciviliseerd geraakt.

 

Mijn onderwijzers en leraren hebben mij ook niet tot die competitie aangezet.

Zij hebben mij de gelegenheid gelaten te denken dat het onderwijs bezig was

nodige 'kennis' door te geven. Zij hebben mij gelukkig in die waan gelaten.

Later is het me een waan gebleken, dat wel, maar toen was dat ontdekken van

het waankarakter van mijn schoolkind-filosofie niet meer erg schadelijk voor

mij.

Niemand heeft er bij mij tijdens mijn schoolcarriere ooit op aangedrongen als

persoon in school te functioneren. Op school, in school, zo stond men mij toe

te vinden, was / is een mens echt bezig en wel als functionaris: als leerling

of als onderwijsgevende.

      Een leerling is men niet pas en zodra en naarmate men leert,

      onderwijsgevende is men niet pas, zolang en naarmate men onderwijst,

      nee, men is het als men die maatschappelijke functie, die opdracht, die

      taak heeft, zo bleek mij later. Het doen in school bleek niet echt.

Met persoonlijke dingen, zoals geloof of afgunst of streverigheid, of met

individuele dingen als geslacht, ras en leeftijd heeft men op school gewoon

niets te maken: leerlingen hebben geen geslacht, geen ras, geen leeftijd, geen

honger, geen pijn. In schoolklassen bevinden zich geen individuen en geen

personen, alleen functionarissen.

      Zoals ook bij sporten alleen spelers bestaan en geen negers, geen russen

      en geen geslachtelijke wezens (het zou beter zijn om daar waar dat nodig

      is in te delen naar bijvoorbeeld gewicht, zoals bij boksen, en /of naar

      spierkracht of weet ik veel, dan naar 'heren' en 'dames').

 

Menigeen wil wellicht mijn opvatting van functionaris-zijn een persoonlijke

opvatting noemen, ze is het niet, want ze is niet constructief (constituerend,

stichtend, stichtelijk) ten aanzien van enige civilisatie, enige cultuur of

enig IETS. Ik vind het futiel wanneer iemand zich in zijn functionaris-zijn

als individu of als persoon kwijt wil kunnen. Ik vind dat men voor individu-

zijn tijd, aandacht en energie, leervermogen en begaafdheden moet kunnen

inzetten naast het functionaris-zijn. Ik vind het belachelijk als iemand zegt

"ik ben onderwijzer" / "ik ben mid-voor" als hij niet bedoelt: ik speel hier

nu die rol, ik onderwijs, ik speel hier nu dit spel mee op de plaats

middenvoor.

Als individu is men niet iets, maar iemand, als functionaris is men

(idealiter: op eigen initiatief, tijdelijk en volbewust) een biologisch

geproduceerde automaat/robot/computer, een ding.

 

Ik had het nog impliciete inzicht (kennen) van het feit dat slechts

individu-zijn en functionaris-zijn echt zijn in tegenstelling tot de fictie en

de onnodige spelvorm van het persoon-zijn. Daarnaast had ik zonder erg toch

ook wel degelijk persoonlijke waarden opgelopen, dingen waar ik voor was en

dus ook dingen waar ik tegen was.

Merkend dat mijn afstelling (mijn instructies, die ik voor mijn persoon hield,

voor van mij, voor mijn ziel aanzag) niet paste in mijn omgeving had ik de

onderstaande opties.

Ik kon kiezen uit:

 

  1. zelf veranderen, wijzigingen aanbrengen aan mijn instelling, (mijn ziel,

   mijn persoon, mijn opvatting van de wereld), mij aanpassen aan wat ik

   aantrof als aan een gegeven onder het motto: "wat is, is o.k.".

 

  1. proberen de anderen te veranderen, op andere gedachten, tot ander gedrag,

   tot ander handelen te brengen: vechten met hen en hun traagheid om mijn

   inzichten en waarden tot gelden te brengen.

 

  1. weg gaan, een plaats in de maatschappij zoeken waarvoor de instelling die

   ik heb opgelopen de juiste instelling is; zulke plaatsen moeten er zijn,

   per slot van rekening heb ik die instelling niet meegebracht uit het niets,

   maar opgedaan in de op de maatschappij voorbereidende school, uit

   gepubliceerde boeken, gehoord van, overgenomen van en goedgekeurd door mijn

   leraren.

 

  1. mijn ziel, mijn instelling, mijn instructies, buiten werking stellen; mijn

   meningen (opvattingen) en mijn waarden (strevingen in de civilisatie) als

   even grote rommel herkennen als de meningen en waarden van mijn

   tijdgenoten: alles wat ik heb opgedaan opvatten als oude kranten, d.w.z. de

   sporen van het verleden nooit en te nimmer erkennen als uit te voeren

   bevelen, als draaiboeken, als gedragsdeterminanten.

 

[Zo leven, zonder ziel, zonder verleden als gids of bevel dus, is mogelijk,

want een mens kan uitwijken van het zielige naar zakelijkheid en naar

intimiteit: je hoeft slechts weinig, namelijk:

  1. dat waartoe je om den brode (= om aan het nodige voor je leven en welzijn

   te komen) gedwongen wordt door je tijdgenoten

en

  1. dat wat je als toevallig in deze tijd op deze plaats beland wild exemplaar

   van de diersoort mens van nature nodig moet en aan spel kiest om aanvullend

   (biologisch !) te functioneren. Je moet ervoor kiezen te spelen, want werk

   en betaalbare vrijetijdsbesteding geven je onvoldoende prikkels en

   bezigheden om aan volledig en harmonisch functioneren toe te komen.]

 

                                     -/-

 

Uiteindelijk is het de laatste keuze (D) (leven zonder ziel) geworden, gevolgd

door weggaan (C).

 

Sommige anderen, met wie ik in aanraking kom, hebben dat niet gekozen en

uitgevoerd. Zij zijn (nog of voorgoed) bezig te veranderen aan anderen en als

ze daarin niet slagen aan "zichzelf" . Daarbij betekent "zichzelf" hun ziel,

dat wat er van hen geworden is, dat wat er uit het kind dat zij ooit waren is

geworden (deels is dat: gemaakt door anderen, deels is dat veroorzaakt door

gebeuren dat niet uit daden van anderen bestond, maar er hooguit mede door

veroorzaakt werd, en tenslotte is dat deels ook 'eigen' keuze, eigen schuld en

toedoen, eigen verdienste en eigen stommiteit. Let wel: dat eigen is van het

vroegere zelf, maar: "de domheid van gisteren, is geen goede grond voor mijn

slavernij nu", zo merkte al in 1843 Max Stirner op.)

Die 'sommige anderen' leven nog in hun ziel, leven nog als persoon.

 

Uit mijn verleden resteert, ook mij, 'in mij' (op mijn zenuwstelsel

aangebracht, zoals tatoueringen en littekens op de huid) wel degelijk een en

ander dat mij suggereert dit of dan, daar of dan, in reactie op deze of gene

prikkel(constellatie) te doen of na te laten. Daarnaast resteert er alles wat

ik geleerd heb (en nu kan en weet) en niet verleerd heb. Ten opzichte van al

dat resterende sta ik echter vrij, het is geen bevel, hooguit gereedschap voor

mij als individu.

 

Ik leef als individu en functionaris (intiem en zakelijk), niet persoonlijk,

niet als persoon. Dat komt die anderen niet goed uit en het komt bij die

anderen niet altijd als geloofwaardig over. Ze geloven het gewoon niet. "Dat

kan toch niet", zo denken ze, "dat is hooguit een doelstelling, een wensdroom,

een ideaal van hem." Ze mogen dat van mij gerust denken, want als nietpersoon

heb ik geen erkenning van hen nodig voor mijn psychisch evenwicht, mijn psyche

vertoont geen evenwicht en geen spanningen, mijn psyche staat uit.

 

Deze niet aanvaardende anderen denken telkens weer dat ze met mij in het

persoon <-----> persoon vlak bezig zijn. Als ik als individu een opmerking

maak die hen er als mindere af zou laten komen als ik die opmerking als

persoon gemaakt had, dan krijg ik meteen een gevechtshandeling op mij (naar

mij toe) gericht.

 

Ze vatten dat wat ik uitzeg / uitschrijf niet op als 'een greep om (iets van

  1. de) waarheid te winnen' (met de woorden van Ortego y Gasset), maar als een

mening, een standpunt, een poging om hen te overtuigen. Ze doen alsof ik een

persoon zou zijn, die, slechts gebonden door zijn instelling, afstelling,

waarden, strevingen, niet gebonden aan wat is en aan de beperkingen van de

beschrijvingswijzen daarvan, naar willekeur (soeverein) uitspraken kan doen,

die onvolledig, onjuist, op manipulatie gericht zouden zijn.

Mijn tekst is echter niet persoonspecifiek, waarheid heeft geen verdediging

nodig, waarheid verdwijnt ook niet met de (tong van de) spreker, met de (hand

van de) schrijver. Tegen waarheid helpt geen censuur. Waarheid heeft van

censuur niets te vrezen. Als iemand aan waarheid twijfelt maakt hij de kenner

van waarheid daarmee dan ook volstrekt niet onzeker.

Wie waarheid poogt te verwoorden dient men niet tegemoet te treden met de

vraag of wat hij zegt waar is, daar zorgt hij zelf wel voor, de vraag is en

blijft wel : "waar is het waar, welke delen van de werkelijkheid worden er

passend in besproken en ook : welk begrippenapparaat is er hier gebruikt voor

het aanmaken van deze ware uitspraak?"

Wie als onbedreigd individu spreekt, spreekt waarheid. Hij kan [- onbedreigd,

niet aangevallen en dus niet door krachten van buiten hem gebracht tot

onwaarheid spreken, als gevechtshandeling, als verdediging -] niet zomaar

zeggen wat hij wil. Wie in vrijheid staat kan niet zomaar zeggen wat hij wil.

Pas zodra, zolang en inzoverre een individu wordt aangevallen kan hij zeggen

wat hij wil, want dan maakt de aanvaller het spreken van dat individu tot

vechten.

Een ter zake doende vraag is dus:

ZIJN ER HIER EN NU VRIJE INDIVIDUEN BEZIG EN AAN HET WOORD, INDIVIDUEN DIE

NIET WORDEN AANGEVALLEN.

Wie vrij is van aangevallen worden kan nu net niet zomaar zeggen wat hij wil,

met andere woorden: wie niet wordt aangevallen is niet soeverein,

soevereiniteit is wat de vechtende kenmerkt. Eenmaal aangevallen hoeft de

aangevallene zich aan geen enkele norm of regel meer te houden. Ik bedoel:

eenmaal oorlogsgewijze aangevallen. Voetbal is oorlog. Je baan verliezen is

leven- en welzijnsbedreigend voor je als knecht in een civilisatie. Daarom is

beroepsvoetbal ook oorlog. Daarom is het werk van vergaderend, onderwijzend en

onderzoekend universiteitspersoneel ook oorlog. Daarom treft men daar ook

slechts oorlogsgewijze aangevallenen aan, die gedwongen zijn te zeggen wat ze

willen en dat is: dat waarvan ze denken dat sommige relevante anderen het

graag zullen horen.

 

Behalve de aangevallene neemt ook de aanvaller voor zich het soevereine recht

om te zeggen wat hij wil. Ook wat een aanvaller zegt is niet vanzelfsprekend,

("natuurlijk" is de uitdrukking) waar.

De vraag is dus: spreekt hier een aanvaller of een aangevallene of iemand die

in de positie is als individu te zijn, en dus niet anders kan en zal doen dan

waarheid spreken.

 

                                    --//--

 

Vrijen is geen garantie voor intiem, dat wil zeggen, als individuen met elkaar

bezig zijn, aan het omgaan zijn.

 

Het individu-zijn wordt soms opgevat als minderwaardig zijn (een wild dier,

een rat), soms ook als "een Jezus zijn", als heiligheid. Personen in de

knechtensamenleving (de gedemocratiseerde, competitieve civilisatie, van part-

time heren die ook part-time knechten zijn) achten zich gelijk aan alle

anderen. Wie als individu leeft is anders dan iedereen, dus heilig of

verachtelijk.

 

Individueel levende mensen zijn inderdaad, als bolletjes, los van elkaar,

elkaar niet over enig oppervlak rakend. Ze hebben elkaar niet in gebruik voor

het handhaven van een psychisch evenwicht en evenmin als spelers in een zielig

("psychisch") ritueel, nodig om zichzelf herhaaldelijk iets onwaars te

bewijzen.

In de betekenis die personen aan die term geven 'betekenen' individuen dan ook

niets voor elkaar. Ze kunnen echter ook niet benoemd worden als voor elkaar

'vervangbaar door iedere ander'. Vervangen slaat op het in gebruik nemen in

plaats van iets anders. Er is tussen individuen geen sprake van gebruik, dus

niet van vervangen.

 

Individuen betekenen niets voor elkaar.

Ook functionarissen betekenen niets voor elkaar.

'De passende ander' is een ziele-concept.

Als gevoel benoemd heet het "romantische liefde"; evenzeer romantisch is de

achterkant (resp. het nabeeld) van die liefde: de haat.

Individu en functionaris beide, resp. in intimiteit en in zakelijkheid, missen

de liefde zowel als de haat. Ze zijn vrij van betrokkenheid op en bij de

ander. Opvoeders leren ons af het met die onbetrokken zakelijkheid met elkaar

aan te durven, het leven.

 

Het persoonlijke betreft het onnodige en/of het betreft de onnodige vorm van

het nodige, en / of het betreft het voorzien in het nodige op onnodige wijze.

 

Het onnodige dat aan het nodige wordt vastgemaakt is wel degelijk ergens voor

in gebruik: men herkent er de persoonsoort aan. Het onnodige kenmerkt de soort

personen.

 

Het gedoe van wie zich als personen gedragen vormt en veroorzaakt het gebeuren

in de civilisatie.

De civilisatie is nu, na de democratisering er van: oorlog van allen tegen

allen met alle middelen om voorrechten (inclusief: om alles wat te bezitten

is).

 

Idealiter vormt en veroorzaakt het zakelijk handelen van functionarissen het

gebeuren in de maatschappij.

Idealiter vormt en veroorzaakt het leven uit de traditie het gebeuren in de

cultuur ( = het via familie- en stamrelaties traditioneel geregelde leven).

 

Geciviliseerd = van een zieleleven voorzien, met een onstoffelijke korst

omgeven, omhuld, ommuurd, ingebunkerd, plus ertoe gebracht (en daarmee nog

niet opgehouden) om zich met die korst te vereenzelvigen.

Geciviliseerd is: in oorlog met alle anderen, aanvallend en / of aangevallen.

 

Alle zielen zijn rommel, kooimateriaal, webdraden, taai ongemak, taai

ongerief.

 

Alle zieleleven is verwerpelijke onzin, waarvan je je als individu zowel als

als functionaris zo snel mogelijk dient te ontdoen en dient te onthouden. Als

individu om wille van de vrijheid, als functionaris om wille van de zaak, de

doelmatigheid, de rationaliteit.

 

A propos rationaliteit:

 

Rationaliteit, rationeel leven betekent: planmatige keuze, dat is het zich

vastleggen voor de toekomst, daarmee zichzelf onvrij makend, want wie een doel

heeft en vasthoudt, heeft nog slechts de keuze uit middelen tot dat doel.

Het zich vastleggen in (of voor) de toekomst, het heden laten heersen over wat

zal zijn, over de toekomst, daar, in de toekomst het verleden (in dit geval:

wat nu is) de baas te laten zijn over wat dan is, dat is volstrekt

onverstandig en men noemt het rationeel.

Het is 'heersertje', 'godje' over jezelf spelen.

Zelfbestuur. Zelfbeheersing. Zelfdiscipline.

Slaven in zelfbezit.

Zo ontaardt rationaliteit in handen van / in gebruik bij personen, bij een

civilisatie.

 

Doen alsof je weet en kent wat je niet weet en niet kent, maar slechts gist en

gelooft, dat is onverstandig, verwerpelijk, dwaas.

 

Jezelf en anderen pogen te brengen tot het doen van iets dat moeilijk (of

zelfs niet) ongedaan te maken, te herroepen, terug te draaien is, heeft niets

met vrij laten te maken, zelfs niet met een te goeder trouw soevereiniteit

verlenen, de gelegenheid geven om al of niet te zondigen, te falen, zijn eigen

meester laten zijn. Het is het zetten van een val. Het is gevangen doen raken.

      [Een voorbeeld is het toestaan aan vissers, jagers, wildhouthakkers en

      landbouwers om in dienst van de massa in civilisatie de natuur te

      vernietigen.

      Uit dezelfde bron waaraan de oneindige koopkrachtige vraag ontspringt

      moet ook een einde aan die vraag worden aangebracht en daarmee een rem

      op de vernietiging. Degenen die voor geld dienend jagen, vissen, hakken,

      en chemische oorlog tegen "onkruid" en "ongedierte" voeren worden

      ontdaan van de natuurlijke rem die ze als individu hebben: ze worden

      opgeleid door scholing en persoonlijkheidsvorming tot robots/werktuigen

      van de onverzadigbare massale koopkrachtige vraag. Hun onderneming houdt

      niet op met produceren als zij die er in werken verzadigd zijn, gegeten

      hebben, zich door voorraadvorming veilig gesteld hebben. Zelfs als wie

      zich voldoende geld verdiend hadden in de onderneming ermee op zouden

      houden, dan kwam er nieuw personeel. De onderneming, de bedrijfstak, is

      onvermoeibaar en onverzadigbaar, de aangevallen aarde is eindig en niet

      onsterfelijk; de aarde, de schepping is niet tegen iets oneindigs

      opgewassen, niet tegen een onstilbare honger, niet tegen een ongeremde

      voortplanting, niet tegen een eindeloze begeerte.

      Het voor geld dienen als hand van een eindeloos, onverzadigbaar IETS,

      met name de mensenplaag, is ongelijk aan het in de natuur ook (maar daar

      eindig, eindigend, verzadigbaar, in wezen ""lui"") gegeven zakelijk,

      functioneren, functionaris-zijn, hand-zijn.

      De voor geld dienende handigen zitten in het geval van lage lonen nodigs

      voor de dader te doen, maar zonder einde, in het geval van hoge lonen is

      de begeerte der handigen oneindig, daardoor ook hun daderschap zonder

      einde. De variabele loon is al niet meer van belang waar een bedrijfstak

      of beroepsgroep als steeds nieuw bemand IETS de taak in kwestie heeft

      overgenomen en er geen invloed meer uitgaat van de keuze der individuele

      bemanningsleden om aan te blijven of niet.]

 

Pogen iemand tot een keuze te brengen waardoor hij verder vast komt te liggen

dan hij hier en nu is, is gewoon een gevechtshandeling binnen de civilisatie.

Dat geldt voor het laten kopen van dingen, voor specialisatie in kennen en

kunnen en ook voor het laten aangaan van contracten zoals het huwelijk.

 

Het wereldgebeuren is geworden tot het samenspel van IETSen die de bemanning

overleven en die (tussen de concurrenten) voor die bemanning onbestuurbaar

zijn voor wat betreft richting en inhoud der werkzaamheden, en zo voorts.

In die wereld is van iedere enkeling het al of niet meedoen totaal zonder

merkbaar gevolg voor het grote gebeuren. Als er geen individueel laatste

oordeel wacht op (dreigt voor) de inidividuen, dan is elk zedelijk gedrag

ongegrond als het niet hier nu beloond en bestraft wordt door de tijdgenoten.

Het vrij laten van elkaar in de vrije ondernemingsgewijze productie van

goederen en diensten voor geld komt neer op het weglaten van alle zedelijke

beinvloeding: de aanwezigheid resp. afwezigheid van koopkrachtige vraag naar

deze of gene dienst voor geld is de vervanging geworden van de echte zedelijke

goedkeuring van het verrichten van die dienst. Die moraal brengt zowel een

overvloed van nodigs voor alle koopkrachtigen als de uiteindelijke ondergang

van alle 'bronnen van grondstoffen'. Goed gedrag is wat als dienst voor geld

goed betaald wordt. Beter is wat beter betaald wordt. Slecht is wat slecht

betaald wordt.

Het kwijtraken van contact met een stroom van koopkracht is de fout die een

onderneming kan maken. Het gaat een onderneming er niet om de bron waaruit ze

nu haar grondstoffen put stromende te houden, het gaat er om op tijd haar

investeringen te richten op een bron van grondstoffen die niet aan het

opdrogen is.]

..schijf52/file'fpimar2.txt/ blz.#:

 

Onder iemands 'handelen' verstaat men wel: dat waarmee hij als bewustzijn

bezig is. Bijvoorbeeld: een spreeuw haalt voedsel voor haar jongen en doodt

zodoende vele rupsen en emelten. De spreeuw is in de definitie van handelen

aan het voederen. De boer die gif spuit om rupsen en emelten te doden, is aan

het doden van emelten en rupsen bezig, ook al doodt hij meteen ook de spreeuw.

Dat doden van die spreeuw valt buiten het handelen.

De uitspraak dat de spreeuw haar jongen voedt is even waar als de uitspraak

dat ze rupsen doodt. De ene uitspraak is een even ware beschrijving van wat er

gebeurt als de andere. De beide beschrijvingswijzen, waarin de rupsen resp.

niet en wel voorkomen, sluiten elkaar niet uit.

 

 

Ik heb bij nader inzien achteraf, mij nooit toegang verschaft tot de

civilisatie, tot het terrein (gebied) van het onnodige. Ik ben in de

maatschappij (als leerling en als werknemer) gebruikt. Ik kan dat woord

'gebruikt' vervangen door 'in de gelegenheid gesteld mijn tijd, aandacht,

energie en vaardigheden om te zetten in een inkomen'. Dat klinkt

vriendelijker. Ik diende voor meer geld dan er voor mijn leven en welzijn

nodig was, dus spaarde ik, ik hield over. Dat 'dus' berust op de middenterm

"ik besteed mijn geld niet aan onnodigs, niet aan het uitleven van een

geldingsdrang, niet aan troostconsumptie en niet aan symboolconsumptie (zoals

bijvoorbeeld het zelf autorijden als symbool voor zelfbestuur en

bewegingsvrijheid). Ik verslaafde mij niet aan iets onnodigs".

 

In de maatschappij was ik niet tewerkgesteld op een van die relatief weinige

plaatsen waar nodige diensten voor geld worden verleend.

 

Wie gediend heeft voor geld, gedwongen is geworden tot minstens die

gespecialiseerde vorm van het besteden van zijn tijd aandacht en energie, wil

dat er  met dat geld later, na afloop van de diensttijd, door hem (als bezitter

van dat geld) gekocht kan worden (dat wil zeggen: dat er anderen tot dienen

gedwongen kunnen worden). Het dienen voor geld is de moeite waard door de

blijvende geldigheid van geld en het waardebehoud daarvan (het tegendeel van

inflatie, van geldontwaarding).

Aan die inrichting van de maatschappij is niet te ontkomen. Ze berust op de

wraakgier die Cannetti beschreven heeft: de door de betrokkene gedoogde

nawerking in hem van de angels der door hem opgevolgde bevelen.

 

Te doordenken valt wat er aan negatiefs aan de maatschappelijke inrichting

blijft vastzitten als de competitieve omgang in de civilisatie verdwijnt.

 

Vast staat dat er nooit spontaan een einde komt aan het doorgeven van de

bevelen, die zich ook nog steeds in aantal en in mate van vernederendheid

vergroten.

Vast staat dat slechts de onverzadigbaarheid der enkelingen zich summeert in

het steeds maar in koopkrachtige vraag en in aantal groeien van de mensheid.

Slechts het feit dat vrijwel iedere enkeling zich een nazaat op aarde zet

maakt de massa onsterfelijk en daarmee aan het leven als geheel vijandig, een

plaag. Vast staat dat slechts de spontane summatie van dit onsterfelijk zijn

en van het begeren van onnodigs de oorsprong is van het wereldgebeuren.

Vast staat dat slechts de spontane summatie van het ophouden van enkelingen

met dit bijdragen het geheel tot iets anders, tot iets eindigs, tot iets in

het leven als geheel pasbaars kan maken.

Vast staat dat slechts het ophouden met het lijden aan het gestreef een

verkoopbaar voorstel tot vermijdingsgedrag kan zijn. Ik lees bij Krishnamurti

dat de mensen aan hun gedoe, gedenk, gevoel en gestreef lijden. Ik zie ze niet

lijden, maar ik kijk dan ook niet. Ik geloof niet dat het lijden groot genoeg

is om hen tot vermijden ervan te kunnen verleiden. Het vermijden vindt in

ieder geval nog niet massaal plaats.

 

De competitie is een motor voor een deel van wat er in de maatschappij

gebeurt, om precies te zijn voor de onnodige werkgelegenheid. Ook onnodige

werkgelegenheid is werkgelegenheid. Hetgeen in de onnodige werkgelegenheid

gedaan wordt is onnodig, het inkomen dat de daders (de dienaren voor geld, de

knechten) verwerven met dat werk, hebben zij wel nodig. Vanuit de werknemers

gezien is die werkgelegenheid niet onnodig voor zover zij het eruit

voortvloeiende inkomen nodig hebben. Ook zij echter zijn parttime deelnemers

aan de civilisatie, aan de competitie en ze willen het onderste uit de kan

hebben. Ze zijn bereid tot het verlenen van onnodige diensten waar

koopkrachtige vraag naar is, bereid gedurende een groter aantal uren dan hen

wordt afgedwongen door wat ze nodig hebben (maar reeds door anderen in bezit

genomen is en dus door hen gekocht moet worden voor geld waarvoor ze moeten

dienen).

 

Zetten we nog eens de driedelingen van mensen qua omgangsprogramma's naast

elkaar:

 

                       functionaris <----> functionaris

 

                         persoon <---------> persoon

 

                         individu <--------> individu

 

                          Jan                  Piet

 

Jan en Piet kunnen met elkaar omgaan op de bovengetekende horizontale,

passende, evenwichtige HELDERE manieren:

 

- zakelijk als functionaris,

- wedijverend en vechtend, concurrerend, hierarchiserend als persoon en

- intiem als individu.

 

Hoe het zakelijke gedaan moet worden is door de aard van de zaak in kwestie

gegeven; de technische noodzakelijkheid en de efficientie heersen.

Hoe het individuele, intieme omgaan moet zijn is weliswaar niet voorgeschreven

en vaak zelfs niet verwoord, maar het is geenszins onduidelijk. Iedereen kan

in en aan zichzelf voelen wat hij nodig heeft en ieder kan de lust en onlust

ervaren, die de natuur hem bij doorgaan resp. ophouden gewaar laat worden.

 

Het bezitten, het wedijveren, het streven, het (niet lijfelijke) vechten, het

scheppen van een geschiedenis die het vestigen van meerdere - mindere relaties

is, moet worden aangeleerd.

Het kwaad ontstaat uit en in de civilisatie, die de oorlog is in alle vormen:

het aanvallen en terugvechten van allen, parttime agressor en parttime

verdediger. Het kwaad is in de competitieve, wedijverende, wedstrijdende,

concurrerende, vechtende omgang van mensen die zich gedragen als personen in

de civilisatie.

Uit die strijd komen de opdrachten tot onnodig toppresteren in de maatschappij

(en daarvan afgeleid: in de scholen) voort. Die strijd is de oorzaak van het

gevoel, gedoe en gedenk.

De inzet van de strijd is de plaats die elk der deelnemers zich verovert op

wat ze wel de maatschappelijke ladder noemen; het aanzien dat elk der

deelnemers geniet. Dat aanzien zal meestal slechts genoten (dat is de

gebruikelijke term) worden in kleine kring, aanzien in de ogen van een groot

publiek is hetgeen diegenen nastreven die zich opzwepen tot topprestaties. Dat

aanzien, die faam, is slechts weggelegd voor diegenen onder die ambitieuzen

die niet alleen hun best doen, hun eigen records breken, maar die het winnen

van hun concurrenten.

Deze wedijver, dit zich ten opzichte van elkaar als meerdere - mindere

plaatsen heeft krankzinnige omvang gekregen. Het is alomtegenwoordig (het doet

zich voor tussen twee mensen die met elkaar praten, zowel als tussen miljoenen

die zich in wedstrijdsporten uitputten). Het is al volstrekt niet meer zo dat

iedereen betaling als loon voor deelnemen aan een wedstrijd eist.

Kans op het krijgen van iets (aandacht of een prijsje) is al voldoende om deel

te nemen. Deze bereidwilligheid om te ijveren in wedstrijden kan met

zachtmoedigheid en speelsheid gepaard gaan, maar overal is te zien dat de

speelsheid en sportiviteit verdrongen worden door het keiharde vechten, juist

ook

- tegen het eigen lichaam (drugs en uitputting) en

- tegen het eigen verstand en

- tegen de natuurlijke, het omgaan met soortgenoten regulerende instincten.

 

Het stoeien is natuurlijk speels gedrag, maar dat is dan ook niet tegen de

ander maar met de ander. Het stoeien is een extra bron van biologisch

functioneren, naast het doen van hetgeen nodig is, gezien wat je nodig hebt

voor het onderhoud van je leven en welzijn enerzijds en wat je moet doen aan

je omgeving om dat te verkrijgen anderzijds.

Met stoeien wordt geen geschiedenis gemaakt, worden geen toekomstige

gezagsverhoudingen vastgelegd.

 

Het competitieve gedrag in de civilisatie is niet meer te herkennen als

'veelvormig geworden stoeien', het speelse en het biologisch functioneren

(----> lichamelijk en geestelijk welbevinden) zijn geen grenzen meer. Het

wedijveren gaat door, lang nadat het welbevinden heeft opgehouden. Het

wedijveren vindt plaats zonder dat op het welbevinden van lichaam en geest

wordt gelet. Het eigen welbevinden noch dat van de ander krijgt aandacht. Let

wel: wie zich inspant omdat hij zich achteraf zo prettig voelt is bepaald niet

natuurlijk bezig. Het middel-doel schema is puur kunstmatig. Het komt neer op

het gebruiken van het eigen lichaam alsof het een ding  of slaaf zou zijn

waarmee je voor je erover heersende bewustzijn (geest) plezierige gevoelens

aanmaakt.

 

In tweegesprekken blijkt het competitief* worden uit het streven gelijk te

krijgen en uit het verdedigen van wat men zojuist gezegd heeft: het innemen

van een standpunt. Men maakt het standpunt in kwestie (ter plaatse en dan pas)

aan uit een opmerking die men zojuist gemaakt heeft.

      * competitief is het, men kan het ook 'persoonlijk worden' noemen of

      'zich geciviliseerd gedragen'. Niet zelden benoemt men met het woord

      'beschaafd' slechts het zich enigszins beperken bij de keuze van

      technieken om tegen de ander te vechten.

 

 

Het vechten om gelijk komt

- in de plaats van samen om een onderwerp heen springend met

  woorden stoeien, of,

- in de plaats van inzichten uitwisselen: ware uitspraken zoekend, zonder te

  letten op wie ze vindt.

[Dat laatste doet men als men ernstig bezig wil zijn, zakelijk, bezig nodigs

te doen.]

 

 

Voor de geciviliseerden is vechten, proberen te winnen, een meerdere - mindere

relatie vaststellen een alomtegenwoordig doel.

      Beschaving betreft niet het laten vallen van dit doel, maar het zich

      beperken tot bij conventie bepaalde middelen. "Beschaven" is een gladde

      oppervlakte geven, polijsten, de scherpe kantjes weghalen, het ruwe

      wegwerken. Er verandert niets aan wat onder de oppervlakte zit. Een

      beschaving is beter dan zomaar een civilisatie. Zich beschavende

      volkeren richten zich wat comfortabeler in in de loopgraven waarin de

      jonge, actieve civilisatie, de roofmoordtocht, vastliep. De geschiedenis

      wordt niet opgeheven als bepaler van wat is en gehandhaafd wordt.

 

Het vinden van ware uitspraken over een zaak (een onderwerp) is voor de

personen, de beschaafde geciviliseerden, alleen maar een spel naast alle

andere spelen. Een ware uitspraak over een onderwerp vinden heeft dan dezelfde

functie als het maken van een doelpunt. Een tweegesprek komt in het schema van

een tenniswedstrijd terecht.

 

..natcult.txt/schijf53/blz.#:

 

Zoals de civilisatie de cultuur beroofde van de zelfwerkzaamheden der

huisvrouwen, landbouwers en veetelers, zo beroofde reeds de cultuur de

natuurmens van de gevarieerde en avontuurlijke (wisselvallige) bezigheden die

we vissen, jagen en verzamelen noemen. Vissen is het laatst in cultuur

gebracht (visvijvers).

De cultuur voorziet in vis, vlees en plantaardig voedsel, maar de bezigheden

die nodig zijn om te voorzien, zijn niet langer avontuurlijk of wisselvallig,

gaan niet langer gepaard met te overleven geluk en pech op korte termijn. Een

misoogst, een veeziekte, een vergiftigde visvijver zijn een zware klap, een

ramp, ze vallen niet onder de noemer 'pech'.

 

Waar tegenwoordig hongersnoden door misoogsten optreden worden de getroffenen

meestal toch gered door de massa. De mensenplaag redt de aanwezigen vrijwel

allemaal. Alle sterven mag als het maar andere soorten levende wezens betreft.

Slechts het argument van het verlies dat de mensheid lijdt door het uitsterven

van soorten en ecosystemen geldt enigszins in de massa.

 

De civilisatie heeft met haar bewapeningswedloop ook de strijd tegen de andere

levensvormen ten top gevoerd. Gevist wordt met behulp van radar, gejaagd met

infraroodkijkers en precisiegeweren, tegen andere dieren die hetzelfde willen

eten als wij wordt chemische oorlogsvoering toegepast evenals tegen planten

die in concurrentie leven met wat de mensen verbouwen.

 

De dragelijke wisselvalligheid van het natuurlijke bestaan van de mens is weg.

De cultuur beschikte niet over de gevechtskracht en bewapening die de

civilisatie inzet om aan de natuur buit te ontnemen. De cultuurmens moest het

met bidden doen. De geciviliseerde mens vecht tegen de levende natuur.

 

Om de dragelijke spanning van het geluk of pech hebben kunstmatig te krijgen

gokt en wedt de mens sedert de cultuur begon. Om het weldadige gevoel van

verzadigd zijn tegen de achtergrond van eraan voorafgaande gerichtheid op

verzadigen resp. laven te krijgen, gebruikt de mens psychotrope middelen

(verdovend, verslavend, opwekkend of giftig genoemde genotmiddelen).

 

De wereld, die stoffelijk is, zowel als de samenleving, die onstoffelijk is,

zijn kunstmatige nabootsingen van de natuur waarvoor de mens genetisch-

erfelijk is toegerust. Men speelt 'natuurlijk-leventje', men maakt onnodig

gevaar aan, omdat men de prikkel wil van het in gevaar zijn en zich er uit

redden.

Zowel cultuur als gepacificeerde, ordelijk gevestigde, stabiele civilisatie

brengen de mens in een saaie, prikkelarme, veilige couveuse-situatie. De mens

wil veiligheid, maar heeft behoefte aan de prikkels die horen bij het

natuurlijke bestaan, dat niet vijandig maar wel wisselvallig, lichtelijk

onveilig en geen couveuse is. De mensen hebben wat om handen en wat om op te

letten nodig: hun spieren, handen, zintuigen en hersens moeten steeds (weer)

functioneren. Aan dat functioneren ervaart de mens lust, hij voelt er lust

bij.

 

 

 

 

 

 

 

Als ik de omgangsmanieren (als functionaris, als persoon en als individu) ten

opzichte van elkaar op de hoeken van een driehoek plaats, dan komt er het

volgende:

 

----------------------------------------------------------------

 

                  -op het werk-

                   maatschappij

               (funct.<---->funct.)

 

 

 

 

 

-thuis-                                            -buiten-

privacy                                          civilisatie

(indiv.<---->indiv.)                       (persoon<---->persoon)

 

 

 

 

         NODIG                                  ONNODIG

 

arbeid + spel zijn                          vrije tijdsbesteding

beide nodig voor het                        in de onnodige vormen

biologisch functioneren                     der spelen en in

                                            verslavingen

 

 

[het  laten  bepalen van de             [het laten  bepalen van

toekomst door het verleden              de toekomst  zowel als

is  hier  een  technische  regeling     het  ruilen  van diensten

om het nodige, door ruilende            zijn hier onnodig.]

specialisten, kwalitatief zo

goed als voor enige deelnemer

mogelijk, te laten doen.]

 

----------------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------------

      funct.<---->funct.          de omgang is zakelijk

 

      persoon <----> persoon      de omgang is competitief

 

      individu <----> individu    de omgang is intiem

----------------------------------------------------------------

 

                               =/=einde=/=

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *