Ga de woestijn in!

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 16 november 2007

Als je niet de woestijn in gaat, je afzondert, de media mijdt, dan wordt je denkhoofd aangestuurd door wat anderen zeggen en doen.
Vertrekken = je bevrijden.
Advies: ga uitschrijven wat je invalt in die afzondering, die jouw vrije tijd (= txaenz) is. Hoor en lees wat je invalt objectief: het ís het vermenigvuldigingsproduct van jouw ervaringen, die je niet koos, en jouw taal, die niet de jouwe, geen privaatbezit, maar de overgeleverde resultante van het taal”gebruik” van anderen. Zíj maakten de begrippenapparatuur die in jou werkt (= ‘denkt’ = spreekt bij wat jou raakt, niet: slechts bij wat jíj raakt).

Ik heb me die alleenheid in láten sturen, mijn ontslag van de RUG. Geen woestijn, maar een Robinson Crusoe - situatie met alles wat ik kon betalen, en dat was veel meer dan ik nodig had, aan boord van het wrak (= in de winkel, op de markt). Alleen het sámenleven was over, ik werd niet langer systematisch (= door, via, het hier vigerende systeem van binnensoortelijk parasiteren) van txaenz ontdaan (in ruil voor dat geld, die verzorging, bescherming, voeding, kleding, huisvesting, enz.).
Niet de som van alle vrijheden, maar het niet langer gebruikt worden is de vrijheid. Ik was dus vrij, doordat ik niet via mijn ama onvrij was. Ik had altijd al dwang als zodanig kunnen herkennen.

Ik had toch al geen netwerk, dus daar miste ik niets aan. Mijn alleen zijn werd door versterf volledig. Daar valt niets aan te betreuren voor of door mij. Enige jaren geleden hield ik op met radio luisteren, aan kranten en muziek had ik al geen txaenz leren besteden. Ik heb geen huisdieren en al sedert tig jaar ook geen kamerplanten en ik deed en doe niets ‘met mijn aandacht erbij’ aan de tuin.
Samenvattend: de situatie van de a.s. profeet in de afzondering open voor openbaring, is al zeven jaar, - sinds de dood van Maria -, volkomen bereikt (beter: werkelijkheid geworden zonder dat ik me tegen dat worden heb verzet, omdat ik van de mogelijkheden die deze situatie biedt met grote graagte geniet. Ik ben gelukkig. Ik schrijf de tekst uit waarin ‘wat ik denk’ (volgens de gangbare zegswijze) aan mij verschijnt. Met anderen in gesprek zou ik zeggen, wat ik nu, in mijn alleenzijn, uitschrijf.

Hoewel ik de dagelijkse opstellen ‘dgb’, dagboek, noem, zijn het lesvoorbereidingen, colleges die ik niet gaf. Er is niets dagspecifieks aan. Het zijn teksten op waarheidsniveau 2, het niveau waarop de concrete eenmalige gebeurtenissen voorbeelden zijn, resp. voorbeelden van voorbeelden.
Af en toe zijn het ook ECHTE literatuur teksten. Teksten die verzonnen verhalen bevatten, over dingen, die niet waar gebeurd, maar wel verhelderend zijn (? helpen bij verwachten of in te zien). Voorbeeld: Torricelli met zijn buis bij de geleerden met hun vacuümvrezende natuur. In straattaal: niet lullen, maar laten zien. Maar straattaal betreft altijd de te rangschikken stukken menselijk vee, de spreker, de hoorder,de besprokene en/of hun relatie tot enig verschijnsel of gebeuren. Op straat (en op televisie dus ook) zijn ‘ze’ met elkaar en hun (= zich en de anderen) rangschikken bezig. Dat is ook meteen de reden waarom de Torricelli uit dit verhaal de gewone mensen van hoog tot laag niet inspireert: het verschijnsel is van hem onafhankelijk, hij claimt het niet en het is ook door de anderen aan wie hij het toont, niet te claimen. Torricelli neemt de onbereikbare rang van buitenstaander: de burger tussen de militairen: vrij van hun discipline (c.q. rangschikking en identiteit/ maatschappelijke verplichtingen/ assignment (bijv. koningschap).

Terug naar wat ik deed en doe. Mijn kijk op mijn situatie begrijpen/onder woorden brengen en uitschrijven. Al uitschrijvend verhelder ik die kijk. Ik stel vast dat mijn positie die van een buitenstaander is gebleven, Moeder heeft me niet de maatschappij in gestuurd, wat ik moest (naar school, werken, in militaire dienst, moest van anderen, van vreemden). Zo hield ze mij vrij, zoals ik geboren ben. Vrij en ongerangschikt. Wij, Moeder en ik, waren gevangenen, geen slaven en geen burgers – geëmancipeerden. Geëmancipeerden, dat zijn zij, die vrijheden (= gunsten) genieten, zonder de gezamenlijk deze gunsten verlenende anderen ( oftewel: ‘het bemande systeem’) nog als cipiers te herkennen. Burger is wie zich identificeert met de orde (het systeem): een aangepaste.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *