Jaap Schot, 11 november 2007
De geciviliseerde mensen zijn gevangenen met hen verleende gunsten die ze vrijheden noemen, speelruimte, geláten gelegenheden tot actie. Nadoen, meedoen en uit gewoonte doen, zijn de opeenvolgende bronnen van ‘uit zichzelf doen’ dat komt bij het gebeuren (ademhalen, bewegen, het lichamelijke dier zijn). Wat ze om je heen niet doen, kun je niet nadoen, waar ze niet aan bezig zijn, daar kun je niet aan meedoen, als je andere dingen doet dan die je bij dat nadoen en meedoen leerde doen (→ die anderen van je gingen verwachten) doorbreek je de gewoonten van de groep waarin je leeft. Het is zeer de vraag of de mensen van die groep op jouw nieuw gedoe, jouw afwijking, zitten te wachten.
Hoe is de situatie van de jeugdigen onder ons, mensen van nu, nu we een plaag zijn met binnensoortelijk parasitisme? Antwoord: het is de kinderen verboden te komen bij het werken van hun ouders. Die ouders zijn beide in loondienst werkzaam en, volgens artikel 461 Wetboek van Strafrecht, is de toegang tot hun werkplek aan alle onbevoegden verboden. Het kind kán dus vader en moeder niet nadoen bij hun werk. Het kan er ook niet aan meedoen. Het wordt niet wat zijn ouders waren, zijn vader was, haar moeder was op het werk. Het leert als gedrag aan wat vader en moeder thuis deden IN HUN VRIJE TIJD. Zo wordt uit een kind een hangjongere. Want wat doet een hangjongere? Die kijkt naar het straatgebeuren als naar 3Dtv. Maar er is geen uitzending van énige interessantheid. Gaan lopen vervangt het zappen met de afstandsbediening. Het lastig vallen van anderen vervangt wat iemand doet die zo’n videospel speelt (ik wéét niet wat die doen, ongelooflijk hè, ik heb nooit zo’n spel gespeeld).
Het is, zó verteld, duidelijk dat de groep die daar hangt naar voorbijgangers kíjkt, immers zoals naar televisie. Wat moeten ze anders? Hangjongeren hebben niets goeds en niets kwaads in de zin, ze hebben geen zin. Ze hebben nergens zin in. Ze hebben vrij. Ze hebben aan hun plichten voldaan. De voornaamste plichten bestaan alleen in naam, voor de sukkels die meedoen aan het doen alsof die plichten er zijn.
Plichten zoals de belasting en de leerplicht.
De belasting die door woonwagenbewoners niet werd betaald, maar waar de belastingdienst niet achteraan zat, omdat dat de stampij niet waard was.
De leerplicht, die niet wordt afgedwongen, waar alleen maar een inspectie voor is, die dan voor televisie dingen zegt over: elk jaar een aangekondigde controle door één toekijker gedurende een dag in een school (sommige scholen hebben honderden leerlingen): meer dan die man die dag, daar is geen geld → deskundig personeel voor. Geneuzel van gelijke strekking was te horen en te zien.
Onnauwkeurige cijfers over spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten (na een carrière als spijbelaar) is het enige wat deze staatsdienaren van deze democratie te bieden hebben. Daarmee hebben ze – gezien het uitbetalen door de andere staatsdienaren, die over dat uitbetalen gáán – hun werk gedaan, hun inkomen verdiend.
In déze slappe vertoning van ‘samenleven’ hángen de hangjongeren. Ze doen na, ze doen mee, ze vormen een gewoonte, ze vertonen gewoontegedrag.
Ze zijn aangepast, ze zijn nergens aan bezig, ze zijn VEE. Ze worden gehóuden. Gevangen gehouden en gevoed. Ze zijn in onbruik. Ze werden niet eens bruikbaar gemaakt: de leerplicht werd niet afgedwongen. Met andere woorden: het veerdonckeren (het opvoeren van de verkoopwaarde van hun txaenz) werd niet aan hen voltrokken.
Die kut-ambtenaren weten en wisten al of niet wat ze die kutjeugd onthielden (= aandeden). Het interesseert sommigen van hen en anderen misschien wel, misschien niet. DAT MAAKT NIETS UIT. In deze democratie is iedereen machteloos, tenzij hij de toevallige binnen een IETS succesvol met mensen omgaande volksvertegenwoordiger is. Nee, niet in de Tweede Kamer, maar daar waar de massale inkopen gedaan worden, de grote bedragen worden “besteed/ geïnvesteerd”. De sluisbediener van een kanaal waar een deel van de koopkracht doorheen stroomt.
De managers, die vertegenwoordigen ‘ons als sterken’ = ons als samenstellende deeltjes cellen van het mystieke lichaam van Koning Klant.
De volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer maken tekst aan, verder niets. Of die tekst enige uitwerking heeft, is afhankelijk van de vraag of door die tekst mensen – voor geld of uit enthousiasme – hun txaenzbesteding mede laten richten.
De NUCHTERE volksvertegenwoordiger interesseert zich maar voor één deel van dat ‘vrijwillig’ zich de vrije txaenzbesteding laten richten naar aanleiding van hun tekst door anderen. Dat enige deel is: het weer op hem stemmen bij de verkiezingen. Daartoe moet hij weer ‘op de lijst komen’ dus: vriendjes blijven met zijn collega’s enzovoort binnen de partij. Met het verzorgen van die voorwaarden is zijn txaenz op. Zo is het leven.
Een korte wijsheid van onze democratie is dat ‘je’ niet moet zeuren,
- niet over het feit dat je onder de dictatuur van de meerderheid leeft,
- niet dat de wetten die jij wou, niet tot stand kwamen,
- niet dat wat er aan wetten tot stand komt compromissen zijn, die echt geen zínnig mens zou kunnen verdedigen, qua inhoud, noch qua tekst (formulering, met duizend “gaten”)
- niet dat wetten niet gehandhaafd worden (wegens gebrek aan middelen, die men er aan onthoudt, als niet voorstellen (1) en tegenstemmen (2) niet meer te doen zijn, gezien de wil des volks).
- enzovoort
Als mensengenencombinatie heb je zintuigen en die werken, functioneren, wat in civilisatietaal heet: de persoon (≈ speler in ‘maatschappijtje’) heeft een lichaam met de ingebouwde neiging die zintuigen te gebruiken. Let wel: gebruiken, dat wil dus zeggen: ALS HET SPEL HET EIST: BUITEN GEBRUIK STELLEN EN HOUDEN. Je hebt, als mensengenencombinatie ook het vermogen de taal van wie je omgeven te leren. Dat leren gebeurt, net als (én: dank zij) het functioneren van je zintuigen, je hersens (→ je geheugen) en andere organen. Leren dat doe je niet, dat gebeurt. Niet anders dan ademhalen. Wat je niet omgeeft, daarvan/ daaráán kun je niet leren. Wat niet aan de hand is, kun je niet waarnemen (→ kun je niet kennen → kun je niet melden).
Mensen kunnen over het afwezige (→ over ‘wat niet aan de hand ís’ én over ‘wat nooit aan de hand wás’) spreken.
Dat kunnen ze
- Expliciet de afwezigheid meldend doen maar ook: de afwezigheid impliciet houdend
- met goede en met kwade (= op het schaden van de hoorder gerichte) bedoelingen doen.
Uit dat ‘afwezigheid impliciet of expliciet’ máál ‘goedbedoelend – op schaden gericht’ verkrijgen we vier ‘hokken’, in één waarvan een tekst altijd thuishoort.
Voor nieuwkomers (kinderen) spreekt het niet vanzelf in welk van de vier hokken dat wat ze horen vertellen thuishoort.
Niet zelden is de spreker daar ook niet van op de hoogte geraakt.
Napraten, meepraten en ‘doorpraten zonder iets te melden te hebben’, zouden, als ze zeer gingen doen, de mensheid in helse pijnen doen kronkelen. (Gut, wat een mooi beeld.)
De taal omvat:
- woordbegripcombinaties,
- zelfstandige naamwoorden die een bestaand iets suggereren
- eigennamen die daderschap suggereren i.p.v. ‘slechts gebeuren’ te erkennen, dus deelnemen aan het spel, accepteren verantwoordelijk te zijn, voorstellen (to propose) (en éigenlijk afdwingen)
- werkwoorden, die een gebeuren suggereren, waar er vaak alleen maar een woord is binnen een logisch ordenend verhaal: schoolvoorbeelden: denken achter het met je geestesoor horen van je eigen tekst uit je tekstaanmaker, aangestuurd door je denkhoofd. (Potentieel válse wmsgg’s; als de uitspraak ermee voor de hoorder in een hem onbekend hok zit.)
- woorden met slechts gebruiksgewoonten (wmsgg’s), die al of niet een ‘ding’ of een ‘gebeuren/ gedaan worden’ suggereren. ‘Desalniettemin’ bijvoorbeeld is zo’n lofwaardig wmsgg, met slechts een orde “gevende” (in feite slechts: suggererende) functie.
Een eerste boekje “Lezen, hoe doe je dat?” kan ik wel al (laten) uitbrengen.
Op de voorpagina, het kaft: dit boek gaat niet over het lezen dat U nu al doet. U bent al zover dat het is alsof deze bladzij tot U spreekt. Dit boek gaat over Uw omgaan met wat U van de sprekende bladzijden hoort.
Korte inhoud:
Animal Farm en de verhalen van Tom Poes lezen mag U en doet U zonder te geloven
- in het bestaan (hebben) van de figuren in die verhalen, en
- in het waar gebeurd (of nog aan het gebeuren) zijn van die verhalen, en
- dat U van die figuren nog wat te verwachten hebt, en
- dat van die gebeurtenissen nog nawerkingen U betreffen.
Het is nu de vraag aan wie U gehoorzaamt, als U de Bijbel (en/of de Koran) niet ook zo, zonder te geloven, leest.
Het antwoord dat U dat doet in opdracht van één van de figuren (God, Jezus, Allah) uit dat boek, kan niet, want dat houdt het geloven al in.
Het is duidelijk dat velen gehoorzamen aan de mensen die hen vaderlijk onderwezen. Er zijn ook vele atheïsten en literatuur schrijvende landgenoten, die puberen tegen de vaderlijke onderwijzingen die zij ondergingen. Ze gehoorzamen, ze lezen de Bijbel orthodox (= zoals vereist door de kerkvaderen), die in 300 op keizerlijk bevel een de staat steunende (= in de geïndoctrineerden stichtende) godsdienst maakten uit een deel van het gedachtengoed van de voorroomse Christenen. Hoe dat met de mohammedanen zit, of er een niet staatstichtend mohammedanisme is (geweest), dat weet ik niet. Het interesseert me ook niet. Moslims moeten, net als christenen en atheïsten, hun eigen leesgedrag als aangeleerd herkennen. Dat moeten ze niet van mij, dat moeten ze objectief.
Denk, oh hoog geachte lezer, zelf door over wat objectief moeten, van niemand dus moeten en tóch moeten, wel kan zijn, in dezen en elders. Ik ben voor onderwijzer opgeleid en leraar en docent geweest, en daar heb ik dat ‘denkopdrachten uitdelen’ van.
Staatstichtende (staatschragende) religie naast het democratisme. Alle goden bestaan slechts als bedding voor txaenzstromen; op dezelfde wijze als waarop waterwegen (rivieren en kanalen) slechts bestaan als ze water voeren. Die goden waarin niemand meer gelooft, waaraan niemand meer zijn txaenz offert, daarvan zijn alleen de namen, soms, als sporen, over. Aan staatsgoden moet geofferd worden, om de priesters aan de kost te helpen en hen voor de propaganda en het onderhoud van rituelen en gebouwen te betalen.
Voor staatsgodsdiensten geldt: één man, één geloofsbelijdenis, één keer. De inhoud van de kerkleer is geen democratisch wetboek. Wat we nodig hebben, zo vertellen ons de aanbidders van het democratisme, is een weerbare democratie. De hervorming (na 1500) behield de staatskerk: je dient god en dat doe je ook als je in een nationale staat woont en daarvan burger bent, méér dan dat je de staat dient. Eerst de wil van God de Vader, en daarna en daaraan ondergeschikt, nooit ermee strijdig, de wil van de gezamenlijke tijdgenoten (de democratische wetten en regelingen).
God heeft mij als genencombinatie in DNA geschreven en ik heb al mijn txaenz slechts met dat éne project om die er aan te besteden: het als die genencombinatie gebeuren; dat moet ik hier nu doen, en als dat mij in wrijving of botsing met mijn tijdgenoten brengt, dan gaat Gods Wil vóór. Ik heb mijn naasten lief als mijzelf en ontneem hen daarom geen leefruimte die ik niet nodig heb, ik consumeer geen luxe. Maar ik heb God, die mij schreef, lief boven alles.
Voor God moet ik leven, gebeuren, zo goed en zo lang als het kan. Dat moeten is meer de gelegenheid krijgen dan de plicht hebben. God wil niet dat ik andere goden dien (= aan andere goden mijn txaenz verdoe), maar zelfdoding is gewoon ‘ermee ophouden’, dat is niet het dienen van een andere god.
Ík ben tenminste aan een project bezig, - uitschrijven wat met omtrent mijn omgeving invalt, snappen hoe de wereld in elkaar zit/ werkt/ er kwam/ zo werd/ zo blijft.
Dat is íets, ik zie anderen niet aan iets dergelijks bezig. Zij zien mij ook niet bezig, dus dat zegt niks.
Ik vind het bezig zijn txaenz verdoen dus, zonder en buiten een project, vervelend. Maar per slot van rekening is het allemaal toch leeg, naar buiten toe. Who cares hoe de wereld in elkaar zit, als ze maar lol hebben (“genieten”) en ik verveel me daar zo bij. Ik heb het niet aangeleerd en weet daardoor dat het aangeleerd is. En dat weet iedereen, maar kan niemand wat schelen. Alleen de verliezers klagen soms even.
Wanneer de mensen sentimenteel zijn geworden, dat weet ik niet. Ontevredenheid is geen sentiment - gevoel, zo min als honger en pijn. Sentiment betreft het onnodige en onmogelijke gewenste: “de verloren tijd” als titel van een boek. Geneuzel over toen daar, het brengen van de aandacht bij herinneringen, het vullen van het bewustzijn met wat niet actueel is (of gemaakt kan worden, bijvoorbeeld, door koffie te zétten, dán is er weer koffie). Ontneem de gevoelsmens (in je ama) zijn verleden en zijn fantasie als bronnen van wensen, en hij heeft weer ruimte voor het kennen en het constructief bezig zijn met zijn heden, zijn actuele noodzakelijkheden en een project.
De massa historische eenpersoonsfeiten in zijn eenpersoonsgeschiedenis, die is analoog aan (≈ afgekeken van) de gedenkdagen en herdenkingen en heldenverhalen van de maatschappij waarin hij gebruikt wordt. Die mensengebruikerij gebruikt de geschiedenis als verplichte vulling voor het actuele bewustzijn: de gezagsgetrouwe burger moet zijn txaenz besteden met als leidraad, wet en regel: het compromis dat tientallen jaren geleden tussen nu oude mannen bereikt is in een volledig door het verleden bepaalde constellatie van krachten. Iedere wet, die democratisch tot stand komt, verandert zo weinig mogelijk, om het erdoor verliezende volksdeel zoveel mogelijk te sparen. Zo’n wet is er om de verandering zo mogelijk tegen te gaan, in ieder geval uit te stellen en af te remmen.
Alle maatschappelijke krachten werken in de VORM van koopkracht. De meest biedende aspirant-koper krijgt de koopwaar, alles wordt geveild. Alle koopkracht komt uit de loop van HET geweer, waarmee ‘eigendomsoverdracht zonder wederzijdse instemming’ (≈ roof, plundering, diefstal) wordt bestreden.
De conclusie uit dit feit (premisse) en het blijkbaar passende stellen van mijn koopkracht (banktegoeden, inkomensrechten enz.) tegen de achtergrond van ‘het in omloop zijnde geld’ (middenterm), levert de conclusie dat mijn macht (= koopkracht) wérkelijk te verwaarlozen is, en gezien de gelijkgrote keerzijde van iemands macht, iemands verantwoordelijkheid is, te verwaarlozen is, dat de morele / ethische druk op mij NUL is, de ongelijkheid ervan met NUL mag verwaarloosd worden.
Alle zuinigheid e.d. (← solidariteit) t.a.v. het milieu en zelfs t.a.v. het nationaal belang is zelfkwellerij. De échte reden om
- het consumeren van luxe (≈ onnodigs), en
- het, om aan het geld daarvoor te komen, werken
na te laten is het ‘niet van deze wereld zijn’, in navolging van Jezus Christus.
Het moge zo zijn dat niet velen door deze verachting voor de luxe (Boeddha’s vertrek uit zijn paleis) te inspireren zijn gebleken, het is de juiste weg, de wereld (= de gevangenis, de stad, het gareel, de normen en waarden, het zogenáámd spelend, op buitenbesturing staan) uit. De wereld uit = de natuurlijke vrijheid in. Het vertrekken uit de wereld is het gaan door de enge onbewaakte poort.
Eng omdat ‘de wereld’ geen bezitbaars / ongelijk verdeelbaars (dus ook jouw txaenz niet) wil zien verdwijnen. De slaaf van de gezamenlijkheid (= de burger) mag niet vertrekken, geen zelfmoord plegen. De slaaf van de éne natie is welkom in de andere natie, braindrain, zodra zijn txaenz van uitzonderlijke kwaliteit is geworden. Het uitbuitend kapitaal is internationaal en daarom wordt er over die braindrain niet geruzied. Het nationaal belang is het belang van gebruikten, maar de middenklasse gebruiker, de loonafhankelijke met vrije koopkracht (= koopkracht voor luxe/ onnodigs) heeft via aandeelhoudende pensioenfondsen al internationale belangen, hoeft zich dus ook niet om het landverhuizen van bezitters van kwaliteitstxaenz zorgen te maken. Wereldburgerschap past alle mensen die het goed hebben. En de macht, zeggingskracht, van de gezamenlijke armen is weinig tot niets – want, in zichzelf verdeeld – vergeleken bij de massa ‘geld in omloop’.
Het competitief en concurrerend tegenover elkaar staan wordt de mensen aangeleerd en het wordt door de religie van de sport en het record (de verering van de uitstekenden) in dagelijkse rituele vertoningen levend en ondoordacht gehouden. Alle reflectie (= antwoorden op de vraag wat er nu eigenlijk door de vrager en de anderen heen gebeurt) wordt voorkomen, met behulp van het sportnieuws en het nieuws over het zeldzame en uitzonderlijke. Het systeem is de dader, met andere woorden: er is geen daderschap, er wordt niets gedaan, alles gebeurt slechts. Er zijn geen redenen die oorzaken zijn.
Als de staat de eigendom beschermt, dán dienen ook alle bezittingen genoteerd (= op naam gesteld) te worden. Dat kan nu in computergeheugen.
0 Reacties