Jaap Schot, 25-26 oktober 1992
Vanavond hoorde ik de psycholoog Vroon beweren dat ooit de mensen dat wat hen inviel nog niet opvatten als uit henzelf voortkomend. Dat zou hen ertoe gebracht hebben goden te horen, demonen, duivels en zo voorts, want de mensen om hen heen antwoorden "nee" op de vraag "Zei je wat?". Zo ongeveer. Wel de veronderstelling dat iedereen een ik is zou een oplossing zijn geweest voor dat probleem, een antwoord op de vraag: "waar komt die tekst vandaan, die ik in mij hoor, en dan al of niet uit kan schrijven?" Zo, in die vorm, heb ik die vraag nog steeds. Dat is die meneer V. dus met mij eens. Ik hoor in mij geen stemmen, ik hoor een enkele stem in mij. Die 'ik' is een verzinsel. Dat schreef ik in de files 'wij...txt' ook al. Mooi.*
De vraag was dus: "Wie hoor ik daar in mij, wie spreekt daar, waar komt die stem vandaan, die ik in mij, uit mij vandaan hoor? Het aanvankelijke antwoord: er spreekt iemand anders dan mij, maar niet de mensen om mij heen, dus 'geesten', 'goden', noem maar op. Wat zou een ander antwoord op die vraag kunnen zijn? Wel, dit: "Die tekst komt uit mijn hersens,-- uit of via de afdeling 'geheugen'--, mijn hersenafd. 'bewustzijn' binnen. Zo werken die beide afdelingen en al werkend ervaren ze lust (een endo-morfine wordt aangemaakt), de werking daarvan is een bekrachtiging, en daarom gaan ze ermee door, maken er een gewoonte van (Skinner). Die hersens dat ben IK, gedeeltelijk, een deel van MIJ is hersens. Een ander deel van MIJ is darmen, bijvoorbeeld. IK besta helemaal uit van die delen en uit niets anders." Zo praat de taal van tegenwoordig daarover, in MIJ en om MIJ. [Even heb ik hier onderscheid gemaakt tussen wat met recht IK mag heten en het alledaagse begrip/ woord 'ik', waarmee men steeds weer allerlei verzinsels aanduidt, zoals 'de individuele geest' en zo meer.]
Mijn geheugen zit vol met aangeleerde begrippen, waaronder veel verzinsels. Het kan dus niet anders doen dan allerlei onzin mee bewust maken, mee met het wel ware, zelf nu waargenomene, gekende.
Wat ik nu al uitschrijvend (duizenden uren lang) gedaan heb is eenvoudig dit: ik heb al die verzinsels op het gebruik waarvan ik mijn geheugen betrappen kon, al die verzinsels die ik als zodanig ontmaskeren kon, ontmaskerd en ze daarmee als denkspeelgoed voor mijn hersenen vervangen door dat ontmaskerende verhaal.
Dat was een truc.
Ik ontkrachtte er mijn opvoeders en taal-aanleerders mee, zij kunnen nu veel en veel minder nawerken als bepalers van wat ik (in en uit mij) hoor. Dat was de bedoeling van alle opvoeders: dat hun opvoedelingen hen ook als vanbinnenuit zichzelf, niet slechts als herinnering, zouden horen doorpraten ook na hun vertrek, ja zelfs na hun dood. En ik verving woorden-die-me-te-binnen-schoten door die ontmaskerende verhalen-die-me-te-binnen-schieten. Het onverbrekelijk vastmaken van die ontmaskerende verhalen aan de woorden die je invallen/ de begrippen die in je worden geactiveerd, dat vastmaken kost enorm veel tijd en enrgie, met name: veel uitschrijven, het in velerlei context herhalen van die ontmaskerende argumentatie / bewijsvoering.
Het schoolse leren probeert ook die woorden te vervangen door meer, namelijk door definierende en verklarende verhalen. Dat heet daar, in de didactiek: het bestrijden van het VERBALISME. Dat is ook heel, heel erg nuttig. Want woorden hebben niets met elkaar, definities die ook weer van woorden zijn gemaakt zijn al gevaarlijker voor elkaar, ze kunnen elkaar tegenspreken, tot onlogische en dus onhoudbare en inconsistente uitspraken voeren, waardoor de hersenen ontevreden raken en gaan zoeken naar gelegenheid om waar te nemen hoe het nu eigenlijk, -- in de werkelijkheid buiten, die niet van woorden is gemaakt -- ,echt zit. Verklarende verhalen kloppen natuurlijk nog eerder niet met elkaar als ze deels niet waar zijn. En ook dan ga ik, gaat de denker die deze niet-kloppende verhalenparen bewust worden, zoeken naar kenbare gegevens om die in plaats van dat wat hij van horen zeggen heeft te stellen. Zoeken naar kenbare gegevens is niet: het zoeken van een tweede mening over de zaak in kwestie. Als de geleerden het ergens over eens zijn kan het best nog onwaar/onjuist zijn. Binnenkomende nieuwe verklarende verhalen worden door de lezer ook meteen vergeleken met de voorraad verhalen in zijn hersenen waarmee die nieuwe verklarende verhalen moeten kloppen. Klopt het nieuwe niet, dan heeft de lezer een probleem. En om dat op te lossen gaat hij doordenken en/of onderzoeken. Daarom is lezen van verklarende verhalen zo goed voor de hersens, dus voor wie deels hersens is, voor de lezer en voor mij.
Wie bewust zijn rommel in zijn hersens gaat vervangen, ordenen en opruimen heeft er alleen maar gemak van dat hem veel ONBRUIKBAARS en VERZONNENS niet is onderwezen, dat hoeft hij ook niet uit te zoeken. De problemen die een chinees bijvoorbeeld heeft met de leer van Confucius, -- die hij in China gegarandeerd minstens via het traditionele, als vanzelfsprekend gebrachte, doen en nalaten van zijn omwonenden tegengekomen is --, die problemen hebben wij niet en wij missen daar niets aan. Wij zijn daar na afloop van ons vervangen, ordenen en opruimen niet onwijzer door.
Wij treffen gegarandeerd een flard Christendom in ons aan en een stuk arbeidsmoraal (ik wil mijn best doen, mijn werk goed doen, mij inzetten voor een zaak, voor het heil van het algemeen, voor mensen die mij, nu ja iemand, nodig hebben, enz.). Dat is onze software, het in ons geheugen terechtgekomene. Dat is de bron van wat ons invalt. Die bron is wat we moeten onderzoeken, doordenken, vergelijken (met wat we om ons heen waarnemen), ordenen, opruimen, en zodoende de woordeninhoud vervangen door uitgebreiders: verklarende en / of ontmaskerende verhalen. Die verhalen hebben we dan zelf gemaakt, al waarnemend, benoemend, begrijpend, doordenkend en uitproberend. Wij weten dus dat daar niets 'achter' zit, niets onbegrepens in verborgen zit. ===///===
==============
voetnoten:
* Er is echter zeker ook geen ik dat boven die stem staat en die stem kan laten zeggen wat hij (die bovenstaande ik dus) wil.
We kunnen ons, als volwassen mensen in een massa geciviliseerden verschillende vragen stellen, bijvoorbeeld: 1. - "hoe kom ik aan sociale ruimte, aan rechten, aan anderen die met mij nemen zoals ik geworden ben en met mij omgaan, samen met mij iets doen aan 'ons samen' en aan onze omgeving?" 2. - "wat is er aan mij van mij?", met andere woorden: welke ergernissen, verlangens, verplichtingen, wensen, rechtsaanspraken en behoeften die ik voel, zijn mij opgedrongen, aangeleerd?" Het bovenstaande is een bijdrage tot een antwoord op die laatste vraag. De beide vragen bedoel ik. Ik zeg daarmee: het zijn feitelijke vragen, het antwoord op vraag 1 is niet een verzameling woorden, overwegingen, constateringen en conclusies, maar: een stel lieden. Het antwoord op vraag 2 is evenmin van woorden gemaakt, het is een zelfbeeld dat het bovenbeschreven doordenken / uitschrijven / ontmaskeren enz. achter de rug heeft, doorstaan heeft. Een gelouterd zelfbeeld.
Er zijn verschillende manieren resp. barrieres om te komen aan zo'n stel lieden als het antwoord op vraag 1. Die verschillende manieren hangen samen met het antwoord op vraag 2: a. neem jezelf zoals je nu bent als nu wel voldoende doordacht en uitgeprobeerd en waardevol, de moeite van het handhaven waard. Dan eis je dus dat dat stel lieden jou aanvaardt zoals jij bent, zonder gezeur en getrek om je alsnog te veranderen naar hun wensen. Dan moet je die lieden NEMEN, je moet inzien dat zij toevallige voortbrengsels van hun levensgeschiedenis geworden en gebleven zijn en dat zij gewoon een leider willen. Wie in dat stel dat jij neemt niet past, vertrekt vanzelf, er is geen reden hem na te treuren. b. neem jezelf als iemand die begon als een onbeschreven blad, zoals Locke dat uitdrukte. Jij zit dan binnen in die persoonlijkheid die je geworden bent en die een toevalsproduct (software) is, waarmee jij niet samenvalt, dat weet je. Dat toevalsproduct heeft dan ook geen andere (niet meer) waarde voor jou en in jouw ogen, dan die het heeft als gereedschap waarmee je kunt voorzien in wat je nodig hebt, bijvoorbeeld zo'n stel lieden. Je kunt je dan bij elke bestaande groep lieden voegen en met hen meedoen aan hun idealen en andere spelafspraken. Jij weet beter, zij geloven dat ze 'echt' (in tegenstelling tot spelend) bezig zijn. c. vat"jezelf"op als hardware met aangegroeide persoonlijkheid, te eerbiedigen, op grond van dat vastgegroeid zijn en vat de anderen ook zo op. Dan moet je al die totaal toevallige gewoonten enz. van die anderen ook serieus nemen, ook betrekken in de afweging van wat je met elkaar en / of samen zult doen. Deze keuze garandeerd problemen, er zijn altijd onverenigbare gewoonten, wensen, opvattingen, enz..
Hier moeten we het begrippenpaar NODIG - ONNODIG even gebruiken. Het willen hebben van een plaats en taak in een groep mensen is waarschijnlijk ingeboren bij ons, exemplaren van de diersoort 'mens'. Nodig dus. En toen het ontstond, in de omstandigheden van toen, in het wild, ook nuttig, en daardoor door alle aanwezige soortgenoten als nodig in zichzelf waargenomen. Nu hier in de civilisatie is de aandacht van de meeste mensen afgeleid van het nodige naar het onnodige, in het nodige eten, drinken, beschutting enz. is voorzien of het is oorlog. Wel, het voorkomen (de preventie dus) van oorlog lukt ook vaak en in die tijd dat dat lukt is er heel wat anders aan de hand dan het voorzien in het nodigs, bijvoorbeeld het aan alle aanwezigen toekennen van een taak en plaats in verband met de anderen. Taken en plaatsen zijn gewoon roofgoed, ze komen toe aan wie er met succes tegen de anderen om vechten. Wie helemaal niet of niet met succes vecht om een taak of plaats krijgt er geen. Punt uit.
LET WEL: een taak is totaal ongelijk aan: een gelegenheid om
anderen te dienen !! De massamensen die met elkaar
vechten om onnodigs laten zich gaarne dienen, laten
iedereen die dat wil gaarne toe zich als hun
mindere met hen op te houden. Maar zo'n mindere-
positie heeft echt niemand van nature nodig.
Verknipte persoonlijkheden hebben die positie leren
begeren, maar dat is iets heel anders.
Dat wordt dus niks, zolang het vrede blijft. Er zal niet te voorzien zijn in de gewenste en NODIGE, beter: gewenste WANT nodige taak en plaats. De families functioneren niet langer als eenheden die samen nodig hebben en daar samen in voorzien, dat is dus geen bron van die taken en plaatsen meer. De civilisatie heeft slechts plaats voor vechters en gebruikten. Dat gaat allemaal over onnodigs, over rang en voorrechten, daar zijn geen nodige taken en plaatsen. Voor die taken en plaatsen die nodig zijn, zijn surrogaten aangemaakt en die worden verkocht voor geld, in winkels die 'kerk', 'religieuze gemeenschap' of 'partij' of zo heten. Het aanbidden en dienen van goden en idealen is onnodig, maar het dienen van wie in de civilisatie verloren hebben, verbruikt, vernederd en vertrapt zijn wordt als nodig of minstens positief benoemd. Het dienen met het hen organiseren en het dienen met het hen wat van de overschotten van de civilisatie geven, daar gaat het dan om. Lange tijd kan men ook doen alsof het nodig of zinnig of goed zou zijn hen de gelegenheid te geven en te leren benutten om mee te vechten en / of mee zich te laten gebruiken in de civilisatie.
Als het oorlog wordt, ook hier, wordt het ook niks.
In dat nodigs dat we hier 'het hebben van een taak en plaats' hebben genoemd, zal niet worden voorzien. Dat betekent niets negatiefs over dat het verlangen ernaar, over het als nodig herkennen ervan, en over het afkeuren van het teniet doen ervan.
Wie met de trein langs de Veluwe reist ziet daar vele eenden in massa op droge grond bijeen, zonder enig water tot hun beschikking. Voor die eenden is het passend, zij het niet verblijdend, te beseffen dat in iets voor hen nodigs, water om in te zwemmen, niet wordt voorzien. Vergelijkbaar is onze situatie in deze samenleving: wij hebben evenals die eenden bijna geen kans om dood te gaan aan honger, dorst, ziekte of als prooidier (van een vos of zo). Wij worden niet geslacht, integendeel, wij moeten vechten om niet te lang in leven gehouden te worden. Zij kunnen individueel proberen te ontsnappen en water te vinden waar ze wat hebben aan hun aangeboren vermogen te zwemmen. Wij kunnen individueel proberen te ontsnappen aan onze onnodigheid door te trouwen en kinderen te laten komen. Dan immers krijgen en geven en hebben we ten opzichte van die kinderen (plus hem / haar) een taak en plaats. Deze oplossing werd en wordt massaal toegepast en dat is de oorzaak van de overbevolking. Er is botweg een mensenplaag en daarin is slechts door je met een gezin (of commune) kunstmatig te isoleren en je te gaan gedragen alsof je alleen, als enige vertegenwoordigende groep van je soort, op aarde was; dan maak je schijnbaar jezelf weer nodig. Maar je kinderen moeten nog weer nauwer op elkaar gepakt bestaan.
ER IS GEEN ZWEMWATER EN DAT IS FOUT. DAT WORDT NOOIT GOED. DE EERSTVOLGENDE WATERSNOOD ZAL WATER BRENGEN, de boer ons nooit en wij elkaar nooit. Zo is dat voor die eenden te formuleren. Graag gedaan.
Velen werd aangeleerd ook vrijetijdsbestedingen in de civilisatie, bijvoorbeeld het beoefenen van wetenschap en onderwijzen (het doorgeven van manieren en resultaten van doordenken), als zo-goed-als-nodig op te vatten. Als surrogaat voor het laten komen van eigen kinderen vinden deze mensen dat onderzoeken, doordenken, vertellen en onderwijzen bruikbaar. Ook die mensen zijn in overmaat geproduceerd, ook voor hen is als gebruikers van dat surrogaat zelfs niet voldoende plaats beschikbaar. Velen hebben zich een inkomen leren verschaffen met het overschreeuwen, overstemmen, met geweld van beeld en geluid uit het bewustzijn van zichzelf en anderen houden van de bovenbeschreven stand en gang van zaken, de bovenbeschreven noden. Ze amuseren zichzelf en anderen bewusteloos (ten aanzien van deze problematiek). Ja, gut, ik kan er ook niets meer van maken. Het is wat het is: overbevolking, als vee gehouden worden, door elkaar in deze, onze democratische samenlevingen. Zonder gelegenheid te functioneren in een omgeving waarvoor we geschapen zijn: geen taak en plaats zoals die eenden geen water. Door mij met deze voor mij waarneembare stand en gang van zaken bezig te houden, al uitschrijvend tot ik er stijve vingers van heb, geef ik mezelf tenminste werk voor mijn onderdeel 'hersens'. Ik kan op die manier ontkomen aan het betreuren van het feit dat ik niet kan onderwijzen of met het grote speelgoed resp. met de grote onderzoeksgelden aan het werk kan of enig IETS kan leiden of zo.
0 Reacties