Geen onwelwillende lezer meer

Categorieën: 1995, 1 januari – 1999, 31 december | Archief

Trefwoorden: onwelwillende lezer

Jaap Schot, 27 februari 1998

Van de gedachte onwelwillende lezer ben ik af. Die heeft tijden lang door mijn denken over 'dat boek van mij' gespookt. Dat spook is weg.
Daarvoor, eerder dan de onwelwillende, was er de lezer aan wie ik het verplicht was, maatschappelijk, mijn waarnemingen en inzichten te melden.
Waar die plicht dan vandaan kwam?
Uit de feitelijke context van mijn waarnemen en doordenken mijn maatschappelijke positie van levenslang betaalde buitenstaander. Ik heb 21 jaar dagonderwijs gehad (gekregen) en daarna heb ik een baan gehad aan een lopende band voor jeugdigen, waarop studenten langs kwamen, elk jaar nieuwe, die volgens de regels allemaal hetzelfde onderwezen moesten krijgen door mij. In plaats van elk jaar het zelfde te onderwijzen deed ik ieder jaar wat anders en in plaats van het voorgeschreven onderwijs (datgene wat dat jaar in de mode was) maakte ik mijn lessen zelf. [Inderdaad, er was geen duidelijk beschreven voorgeschreven inhoud van het onderwijs dat ik had te geven, maar wat ik gaf paste echt nergens bij.]
De lezer aan wie ik een leesbaar boek verplicht was, dat was iedereen, die ongewild, maar toch, mijn vrij-zijn mee betaalde, via de belastingen en de regelingen waar hij part noch deel aan had gehad, maar waarbinnen ik 'val', als een geval.
Ook die lezer, die ongewild voor mij zorgt, 'leeft' niet langer in mijn denken over 'dat boek van mij'. Hij is net zo dood als die onwelwillende lezer.
==============
Er was duidelijk iets aan de hand: die onwelwillende lezer maakte mij het schrijven moeilijk, hief mijn vrijheid ook op, zodat ik niets meer te melden had vanuit dat zeldzame standpunt van wie vrij is.
Tegenwoordig schrijf ik: je kunt niet terecht geloven wat een ander schrijft, je moet naar de verschijnselen zelf en zelf waarnemen. Dat is hartstikke waar. Wie niet vrij is, maar maatschappelijke gebonden, aan (de) anderen verbonden, die kan niet zien wat wie vrij is, ziet. Hij zal eerst de vrijheid moeten nemen. En als hij dat gedaan heeft, dan heeft hij niets aan mijn teksten, want dan is hij daar, in vrijheid dus, zelf en ziet zelf van die afstand vanaf dat standpunt, wat ik uitschrijf / beschrijf of: daarvan of daarnaast: dat wat daar dan hem gegeven is.
=============
Dat is de zoveelste redenering om niet een boek te schrijven, maar slechts een grote verzameling opstellen, zodra die in mij opkomen. Opstellen waarin noch de schrijver, noch de lezer een rol spelen ( = de waarnemingen en gedachten, het begrijpen bepalen). Iedereen zou vanaf dit standpunt dit waarnemen en met deze begrippen er dat over zeggen. IK ben daarin niet te herkennen, als ik het goed doe.
===========
Ik doe er niet toe, de lezer niet en het onderwerp is, zoals alles, begrepen in het grote veranderen ("de evolutie") de lezer moet toch zelf op onderzoek uit. Waartoe dan pogen om via de taal moeizaam te doen alsof er communicatie (zoals bij gedachten-lezen, telepathie, bij gevoelens-lezen, empathie of bij samen-werken / samenzijn) tot stand te brengen was (= zou zijn, ware).
=============
Schrijver en lezer kunnen niets met elkaar: ze zijn niet eens tegelijk op dezelfde plaats (dat is: bij elkaar). Dan zijn ze nog eens niet in dezelfde maatschappelijke positie, hebben ze nauwelijks enig onderwerp beide, intersubjectief gegeven. Schakelen we als onderwerpen voor 'dat boek van mij' uit: het met woorden doen, wat chimpansees met hun handen doen: 1. het ruziën en rangschikken (debatteren, twistspreken, discussiëren, disputeren) en 2. het gezellig samenzijn (verbaal vlooien, zoals verzonnen of ooit ware verhalen doorvertellen, 'roddelen' en prietpraat). Als we dat hebben uitgeschakeld, wat resteert er dan nog?
============
Het is duidelijk: iets dieps in mij verzet zich tegen het schrijven van een boek. Ik heb geen behoefte aan vertoon, ik heb geen achting voor de anderen en zou dan ook aan hun applaus geen plezier beleven. Het laatste waar ik op uit ben is andermans instemming, want: als iemand mij die geeft, stelt hij zich op als mijn meerdere of vat hij wat ik zeg op als een mening, waar hij het mee eens of oneens zou kunnen zijn. In beide gevallen is mij dat uiterst ongewenst.
=============
Het gaat natuurlijk niet over een boek, het gaat over de isolatie, over het weggevallen-zijn van medemenselijkheid, van verbondenheid. De taal is gans het 'wij'. Zonder 'wij' geen taal, zonder 'wij' (zonder verbondenheid, bij isolatie) is alle spreken zinloos, resteert voor de taal alleen het naar binnen werkende gebruik het laten functioneren van het taalcentrum in de (in dit geval: mijn) hersens. Het denken heeft dan de laagste functie bereikt: die tussen "Lingo", kruiswoordraadsels enerzijds en 'logisch denken' anderzijds.
============
Is verbonden-zijn nog bereikbaar? Was het er (bij mij, daar heb ik het over) ooit, het niet-alleen-zijn, het wij-ervaren. Als het wij-ervaren er is, is er geen wij-gevoel en geen wij-besef. Het verdwijnen en verdwenen zijn van de gezamenlijkheid is waar te nemen aan het optreden van bewustzijn omtrent dat 'wij'.
===============
In mijn leven was er aanvankelijk het natuurlijke, ondoordachte, onopgemerkte, onbewuste, dat is: niet geweten wij en daaronder vielen aanvankelijk geen vreemde mensen, toen alle vreemde mensen en later door het vreemde (namelijk vecht)gedrag van sommige van die mensen, raakten vele vreemden er buiten. Nu zijn alle mensen er buiten, ik leef alleen, 'ik  zij', ik leef geen 'wij', ik eindig op mijn vel en met mijn dood. Ik heb niets te melden, niets te vragen en niets te bespreken. Ik wordt verzorgd, via een uitkering, op een nummer. Niemand doet dat, het gebeurt. Zoals ook niemand het gras op het voetbalveld kapot maakt, dat lijdt schade door het spelen, het gebeuren. Ik leef van het "maatschappelijk" gebeuren dat niemands daad is.
==========
Het is hun wereld, niet de mijne. Een voor een moeten ze me dat als feitelijke constatering nazeggen, maar ze willen dat niet waar hebben en voelen dan maar 'wij'. Dat leidt hen tot feitelijk waanzinnige uitspraken als 'toen wij in 1600 de slag bij Nieuwpoort wonnen'. En over wetten en regelingen zegt dan zo'n debiel: 'zoals wij met elkaar hebben afgesproken', terwijl hij noch zijn hoorders er ooit enige invloed op uitgeoefend hebben.
=========
Zo offeren ze hun verstand en wat wij de (beschrijvende) waarheid noemen op aan hun gevoel, in dit geval: hun WIJ-gevoel.
===========
Maar ik doe dat niet en dan is er dus niets te vragen, niets te melden, niets te bespreken.
Iedereen kan dat wat hem gegeven is (zintuiglijk en anderszins) slechts zelf waarnemen en hij dient dat ook te doen, ten koste van het geloven en (resp.) betwijfelen van informatie. Kennis nemen en beseffen dat kennis noch overdraagbaar noch te bewaren is: iets anders zit er niet op.
============
Wat mij zintuiglijk of anderszins niet gegeven is, is zwart voor mij: de toekomst bijvoorbeeld en het verleden en alles wat buiten mijn bereik is. Geloven in berichten van anderen is net als dromen: zien wat niet is. Het maakt ook niets uit of het is, ik kan er toch niets aan veranderen.
============
De meest rustgevende gedachte is dat alles van tevoren, want oorzakelijk, vast ligt en dat er geen vrije wil, dus geen willekeur, is. "Ik was verbaasd, dat ik hier nog zag staan, die ik vanavond halen moet in Isfahan" (uit ' de tuinman en de dood').

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *