Geluidjes die ons taalgenoten maken

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: Descartes (René) | Locke (John) | Mozes | taal | waarheid | waarheid1 | waarheid2 | waarheid3 | wegwijzer

Jaap Schot, 11 april 2008

Daar waar het er niet echt op aankomt, is er – ondanks het onderstaande – best gebruik voor dat maken van geluiden, dat ons tot taalgenoten maakt.
Een wegwijzer vertelt je niets over de stad, de plaats waar ze naar wijst. Maar het doorrijden in die richting bréngt je er wel. En dáár gaat het je maar om. Vandaar het succes van TomTom™.
Het is zo prettig dat die wegwijzerij er is, want het maakt ons volstrekt duidelijk dat er met de aanwijzing niets bedoeld wordt.
Als we een voorbijganger naar de weg vroegen, vroeger, dan waren we ook niet benieuwd naar (hadden we geen belang bij) wat deze toevallige ander van ons reisdoel vond, zo al iets.
Er zullen lezers zijn, die bij deze opmerking zoiets denken als ‘wat een mensengebruikerige opmerking: met deze ongeïnteresseerdheid maak je de méns die jou de weg wijst, tot een ding. Een biologisch geproduceerde TomTom. Dat is koud.’
De gewone mensen zíjn niet zo koud, ze willen bij een boek dat ze in handen hebben ‘iets weten van de schrijver’. Daar zijn de flapteksten en de achterkant van het kaft dan ook voor gebruikt. En op televisie zie je de schrijvers bezig. Bezig zich te laten kennen en hun boek te promoten.
Even uit de miljoenen boeken die te koop zijn omhoog te houden. Even, want binnen enkele dagen al, valt hun werk in de massa terug en blijft daar. Onvindbaar voor wie schrijver of titel niet weet. Ja, ik weet dat er mensen zijn die in bibliotheken, in de boekhandels en op het Internet, nog wonderen van opzoeken volbrengen. Ik ben niet zo’n wonderwerker.

Er zijn twee posities:

  1. Kennis is overdraagbaar.
    Kennis is verkrijgbaar van, en via, de anderen: hun teksten, hun tekeningen, hun schema’s, hun verhalen. De meester heeft het zelf gezegd’ en ‘ik heb het zelf gezien op televisie’. ‘Er is sprake van, dus het bestaat’. ‘Er is geen spráke van X’ dus er is geen X.
    Dit is de onuitgesproken, vanzelfsprekende positie van de gewone mensen, die meningen hebben, die discussiëren en debatteren.
    De bijpassende filosoof is Descartes, die moedig uitriep aan alles te gaan twijfelen. En hij deed alsof hij de hierboven bedoelde knusse vergadering ging verlaten. Als door een draaideur ging hij naar buiten. Maar in hetzelfde kwadrant waarin hij vertrok, kwam hij terug. Onder het uitroepen dat Gód hem toch geen verkeerde begrippen zou laten kennen.
    Allen die zich ‘rationalisten’ noemen, zijn nog steeds trots op deze voorman van ze.
  2. Kennis kun je alleen zelf nemen.
    • En wel direct, actueel, met zintuigen, apparaten/hulpmiddelen en denken. Blinden kunnen geen kennis nemen van licht en donker. Kleurenblinden niet van kleurverschillen. Doven niet van geluiden. En ik niet van de verschillen van Chinese uitspraken.
    • Die laatste onkunde is niet aangeleerd, maar door niet aanleren blijven bestaan, want de baby’s van Chinezen kunnen dat ook niet. Ze moeten daartoe nog Chinees leren. Maar dat hoeven ze niet te doen, dat gebeurt. Het zijn mensengenencombinaties en die leren nu eenmaal, als onderdeel van hun gebeuren (= zijn = bestaan = leven).
    • Die arme baby’s leren geen Nederlands, want dat ís daar niet te leren. Dat die baby’s Chinees leren is geen verdienste. Dat ze geen Nederlands leren is geen schande, is niet hun schuld. Het ene gebeurt gewoon en het andere blijft gewoon uit. Wat kán, dat gebeurt ook, wat uitblijft, kán ook niet.
    • Dat blijft zo, ondanks het geloof van die zanger, die “een steen verlegde in een rivier op aarde”*. Alsof die misleide dat verleggen had kunnen nalaten.
    • Laten we hier even diep op ingaan. We zien die zanger bewegen, zijn handen bewegen, die steen bewegen, dat is: verplaatst worden. Het is onze taalgewoonte om in termen van daderschap te spreken, die maakt dat we zeggen (← in ons horen en dan uitschrijven of uitspreken) dat die zanger daar iets doet. Onze bijspreekgewoonten leveren ons die tekst, niet onze waarneming.
    • Nee, we moeten niet “onze eigen ogen niet geloven”. We moeten opmerken, met ons verstand, dat we geen 'doen' zien, of horen of ruiken of hoe dan ook zintuiglijk waarnemen. Puur een bijspreekgewoonte, een bijnoemgewoonte. Het feit dat wij spreken van benoemen en bespreken, verhult dat er een verschil is tussen
      • het geven van een naam aan iets wat jij aantreft, en
      • het in omloop brengen van een los woord, een naamwoord, dat nergens de naam van is.
    • Een woord dus, dat nooit meer dan gebruiksgewoonten kan hebben 'als betekenis'. Een dergelijk woord is als een wegwijzer die omhoog, langs alle hemellichamen het heelal in wijst. Er is niets aan te treffen, maar de benoemers, besprekers en bewijzers 'doen alsof' en scheppen en bewaren een enorme voorraad stukjes spreekspeelgoed. Met grammatica, logica, consistentie en retorische kunst maken ze er moois van, boeiend en inspirerend. Inspireren betreft altijd onnodigs, tot het nodige behoeven we niet geïnspireerd te worden.

Vadertaal

Deze scheppende en de beoordelingen aanmakende toevoegende bijnoemgewoonte zijn kerndelen van de vadertaal. De vadertaal bestaat uit die toevoegingen aan waarnemingen.
Waarheid3 = dat wat met de vadertaal toegevoegd wordt, aan ‘wat aangetroffen en waargenomen wordt (= waarheid1)’.
De doorgevers van de vadertaal, en dus voor waarheid3 doorgankelijken, kunnen alleen kwaad bij die lerenden, die van hen houden en/of bang van hen zijn. Lijfelijk in het gezin aanwezige vaderenden zonder bewuste kwade bedoelingen jegens het lerende kind, “goede”, soms zelfs liefhebbende vaderenden, zijn het schadelijkst.
Want: elke toevoeging van verzonnens aan de waarnemingen van de werkelijkheid is schade aan de toch al zo schaarse waarheid1 (en waarheid2) die wij kennen kunnen. Dat is één van grondstellingen, grondinzichten van de wetenschap. Zodra iemand van een, in de wetenschap gebruikt, concept de onnodigheid of onwerkzaamheid kan aantonen, ‘vliegt het concept er uit’.
De wetenschap is vijand van de vadertaal, van het debat, van het rationalisme, van de civilisatie, van de wetten en rechten (zijnde verzinsels), van het gespeelde onnodige.
“Sciëntisme” is het scheldwoord voor deze ‘positie’. Het impliceert dat alleen de natuurwetenschappen worden erkend, niet de sociale en geesteswetenschappen. Een uiting van verwarring, die totaal onnodig is sinds Locke. Maar die verwarring wordt gewenst “door de bemanning van het systeem”. Zij zijn de spelers van het wereldgebeuren, zoals de spelende voetballers de spelers zijn van het voetbalgebeuren (dat is ongeveer: het verloop van de competitie). Iedereen die een positie als lid van die bemanning heeft, heeft als belang dat ‘dat wat verzonnen is en gespeeld wordt’ hoofdzaak gevonden wordt, en de natuurwetenschap er is om die te dienen. De natuurwetenschap mag atoombommen leveren en als schaamlap voor wapenontwikkeling dienen. Zie voor een overmaat aan voorbeelden de geschiedenis van de natuurwetenschappen, in – maar ook, buiten – ‘het Westen’.
En let vooral op het verzet tegen het zien van deze ‘zaken’ en ‘relaties’. Dat verzet is interessant, als het in een ander op te merken valt. Maar pas echt belángrijk als het in de lezer zelf optreedt, door hem dus te kénnen.

Mozes vertelde dat er een god was, die wilde dat de Israëlieten werden vrijgelaten om te vertrekken. Uit Egypte = het diensthuis = de civilisatie = het gebruikt worden = het erfgenaamschap van de nederlaag.
Het gewone volk van Egypte geloofde in vadertaalsuggesties. In dit geval, in goden. De plagen waren écht. En in die dadergod die dat gebeuren deed, geloofden zij.
Mozes natuurlijk niet, die had die god zelf verzonnen. Iemand die in de meetkunde een hulplijn trekt, gelooft ook niet dat hij met die lijn iets afbeeldt.

Mozes heeft zíjn Utopia nooit bereikt. Het is hem nooit gelukt uit te leggen dat hij die god verzonnen had. En dat iedereen tegen de mensen die aan goden geloven – met behulp van die Naam “God” (die zal zijn, wat hij, daar dan, zijn zal) – iets goeds mag nastreven. Hij heeft het geprobeerd en velen na hem ook. Maar die vadertaal, die komt steeds weer vers in kinderen.

Weetgierigheid, de neiging te verkennen, mensen als dier eigen is de opening waardoorheen kennis genomen wordt.
Het geheugen van mensen als dier is deels werkgeheugen. In dat werkgeheugen liggen de kenniselementen niet rustig opgeslagen, maar gaan ze met elkaar om. De begrippen ervan dansen gedachten. En die gedachten zijn hoorbaar voor de denkende, als woorden uit zijn taal. Zinnen, stukken tekst, zoals deze die ik nu uitschrijf.
Als klein kind spreek ‘je’ je gedachten uit, tot je leert dat je (vaak en lang) je mond moet houden. Dat je met uitspraken (en zelfs, met spreken) last krijgt, want de grote mensen in je buurt hindert. Dan hou ‘je’ op met ‘alles zomaar zeggen’. Je gaat ‘denken’.
Dat ‘in jezelf praten’ blijft bestaan. En als je geluk hebt, leer je schrijven en open je later voor jezelf een dagboek, een gelegenheid om je gedachten uit te schrijven. Dat schrijven is deels gelijk aan spreken. Namelijk dáárin, dat je je tekst ‘voor anderen’ bestemt en daartoe ‘redigeert’. De volzinnen worden grammaticaal. De betogen logisch, consistent. Je gaat uitleggen en daardoor wordt het voor jezelf ook duidelijker. Het dansen van de begrippen wordt gedisciplineerd.
Er zit een gevaar, naast het vóórdeel, dat het voor jezelf duidelijker wordt ‘wat je bedoelt’ en wat er aan de hand is, waardóór het kómt dat je dit bedoelt. Dat gevaar is dat je helemaal niet meer bij je kennis komt. En die kennis is toch ‘dat waarmee je voor jezelf moet zorgen in jouw leven’.

Maar laten we er weer diep op ingaan.
Als je “denkt” hoor je in jezelf spraak, zoals je die ook van anderen hoort. Én, zoals je die van de anderen om je heen hoorde, toen je “jouw” taal leerde. Dat was immers al aangewezen als de reden waarom je geen Chinees leert als je tussen Nederlandssprekenden bent in de tijd dat je ‘je moedertaal’ leert.
Je merkt de dingen in je omgeving op, en leert aan je moeder te vragen “wat is dat?” Je merkt op. Dat wil zeggen, je neemt kennis van die dingen. Je leert ze 'kennen’. Andere mensen, die jouw taalgenoten werden, leerden dezelfde woorden als wegwijzer naar andere kenbare dingen/ verschijnselen, te gebruiken.

De verschillen tussen de dingen die ík leerde kennen, en de dingen die de lezer leerde kennen, kunnen zeer groot zijn. Wij, als individuele taalgenoten, hebben de woorden gemeen. Maar niet de kennis, dus niet de vulling van de begrippen.
Om te verduidelijken, voldoet al het volgende voorbeeld: John Locke schrijft ergens ‘wat ik niet ken, dat kan ik niet bedoelen, met wat ik zeg’. Hij was arts en kon met tering nog niet een tuberkelbacilbesmetting bedoelen, Robert Koch was er nog niet geweest.
Wat Locke een schrandere man maakte, was het feit dat hij dit besefte.
Onwetendheid is ongelijk aan domheid. Beiden, de onwetende en de domme, laten – ter zake doende, nodige – handelingen na. De onwetende uit onwetendheid. De domme omdat hij tegen zijn weten in handelt. Hij past zijn kennis niet toe, “vergeet” zijn ervaringen. Hij vergeet niet écht, maar heeft geen zin in toepassen.
Deze domheid is ook de reden dat ‘voorlichten’ niet werkt. Ook niet als dat tot ‘erop wijzen, het aanwijzen’ wordt. Het helpt niet, en dat is de reden waarom de industrie en de regering eensgezind vóór ‘het zich beperken tot goede voorlichting’ zijn. Bij drank, gokken, te veel eten, alle verslavingen, opvoeden in kerngezinnen, enzovoort.

Ik kan geen wegwijzer plaatsen naar een plaats die ik niet weet te liggen. Dat zegt Locke.
Wel, iedereen die doorgankelijk is (gelooft, hoopt, vreest, verlangt, enzovoort) “ziet dat anders”. Hij zegt de toegesprokene lief te hebben en onderwijst vadertaal. God, goden, daderschap, persoon zijn, koningschap, recht, schuld, eer, verdienste, schande. Al die ‘dingen die niemand zag, omdat ze niet aan te treffen zijn’. Al die kleren en parafernalia van die blote keizer. Hij leert de opvoedeling: te zeggen en te ‘denken’, ja te ménen dat hij ze ziet. De liefde van de vaderaar is slechts te verwerven, te krijgen, te voelen, op voorwaarde dat je dat zie-kunstje vertoont. Dat is het verschil tussen moederliefde en vaderliefde: die zijn onvoorwaardelijk, respectievelijk voorwaardelijk.
Met biologisch vader zijn of moeder zijn, van de betrokken opvoedeling – of überhaupt, met biologisch man zijn of vrouw zijn – heeft dit niets te maken. Er zijn vaders die hun opvoedeling onvoorwaardelijk liefhebben als zichzelf. En er zijn moeders, die er vreselijk op los vaderen.

Het hoogst bereikbare is: ondanks eigen ‘gesocialiseerd’ zijn, niet doorgankelijk zijn. Je kind (de opvoedeling) de aanraking met de civilisatie (de mensveehouderij) via jou besparen. Ook zonder tekst en uitleg leert dat kind dan: er ís een alternatief voor wat ik van, en via ,de anderen ervaar. Ze zijn machtig en te vrezen, maar ze hebben alleen de artefacten gemaakt en “terecht” in bezit. Er is schepping naast de artefacten. Die schepping was er eerder en zal er later zijn, dan ál die artefacten.
Wat ze vertellen met vadertaal is waarheid3, geen waarheid1.
In de wereld, om in de wereld te wonen, te leven, als vreemdeling en bijwoner, heb ik waarheid32 (verwachtgereedschap – ‘waarheid2’, dus – t.a.v. waarheid3) nodig.
In Robinson Crusoe zijn situatie heb ik die niet nodig. Wáár en wanneer ik kan, dien ik het leven met (het handelen uit, mijn txaenz wijden aan) waarheid3 na te laten.

 

*) Het eerste couplet van het liedje "De Steen" van Bram Vermeulen:

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
Het water gaat er anders dan voorheen
De stroom van een rivier hou je niet tegen
Het water vindt er altijd een weg omheen

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *