Gids naar vrijheid

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden: onbewerkte versie

B>type gidstenv.rhd .pl50 .hm 4 .he gids naar vrijheid schijf 24 titel:gidstenv.rhd onderwerp: mijn teksten als geheel beschouwd. ..

Jaap Schot, 29 maart 1985

Al vanaf de tijd dat ik, werkend als universitair docent, merkte dat ik niet kon doen wat ik geleerd had te willen, schrijf ik uit wat mij invalt omtrent de stand en gang van zaken in de wereld. Nadat ik op non-actief was gesteld werd mijn onderwerp: de stand en gang van zaken in het leven van mensen, van mij en mij tijdgenoten / landgenoten.
Het duurt lang voordat mij pregnante uitdrukkingen invallen, zoals zeer kortgeleden de uitdrukking 'leven vanuit het wild'. De gedachte, het inzicht dat ik met zo'n uitdrukking verwoord is niet nieuw voor de mensheid. Zo'n zelfgevonden uitdrukking, zo'n verwoording die niet van buiten, maar van binnen uit mijn brein in mijn bewustzijn kwam, is meestal niet meer dan een eigen naam voor een ook in andermans teksten wel aan te treffen begrip.

Ik had als werknemer een baan, maar geen taak die ik kon aanvaarden. Mijn taak bleek te zijn: het verwarren van de geest van studenten, door hen bezig te laten zijn met details van de levenssituatie waar ze na hun opleiding naar toe zouden worden gestuurd. Ik mocht de studenten niet het geheel en de plaats van hun situatie (als leraar, later en als student nu) onder de aandacht brengen.

De stand en gang van zaken in deze 'vrije westerse wereld' bleek niet bestudeerd, beseft en besproken te mogen worden. Dat mocht niet met behulp van een goedpratende en inspirerende ideologie, want dat heette 'indoctrinatie' en 'politiek bedrijven'. Het mocht evenmin kritisch, onderscheidend wat te onderscheiden is, als verschillend herkennend, erkennend en kennend wat verschilt. Het denken en spreken over het geheel was volstrekt verboden. Het universitaire onderwijs moest als onderwerp een detail hebben, in dit geval :'hoe les te geven'. De verschijnselen waarmee men als lesgevend te maken krijgt, kwamen uit een zwart, onbesproken, onbenoemd en buiten beeld gehouden buitenwereld. De leerlingen bij voorbeeld waren in de voorgeschreven bespreking dingen, die net zoals computers moeilijk, maar door deskundigen feilloos tot het uitvoeren van opdrachten te brengen waren. De studenten zelf waren vaak ook zo ver vervreemd van de leerlingen en van zichzelf als menselijk individu, dat ook uit hen geen protest kwam tegen dit tot onderwerp nemen van een detail in plaats van het geheel of tegen het bespreken van mensen in het onderwijs als voorwerpen (de leerlingen) resp. hanteerders van voorwerpen (de leraren).

Toen het tot me doordrong dat ik aan deze inhoud van wat ik als docent moest doen, niets kon veranderen, ben ik gaan uitschrijven wat er aan de hand, aan het gebeuren, aan het gedaan worden is. Het heeft me jaren gekost om in alle alleenheid te begrijpen en bewoordingen te vinden.
Wat ik nu aan het uitschrijven blijk te zijn al die tijd (zes volle jaren), is ook te gebruiken voor anderen als een gids naar vrijheid. "Als je niet wordt als de kinderen, kun je het rijk van god niet binnengaan" staat er in de bijbel*. Ik zal nooit weten wat de schrijver die deze woorden aan Jezus in de mond legde, bedoelde en besefte. Dat is ook ten enen male oninteressant. Ik zeg, met mijn begrippen en woorden: "als je niet weer wordt zoals je was voordat de school je het spelen, dromen en met jezelf en je eigen situatie bewust bezig zijn afleerde, dan kun je de wens ooit echt te leven, wel vergeten."
Anders verwoord: als je wilt ontkomen aan het geleefd worden in een wereld die geen gebruik voor je heeft, - omdat robots en computers het werk beter, en ervarenen en jongeren het goedkoper kunnen doen-, dan zul je weer, zoals een kind dat van nature doet tot het het afgeleerd wordt, moeten leven VANUIT HET WILD. 'Wild' is het Nederlandse woord voor vrij. Wild is dat dier dat niemands bezit is. Vrij is de mens die geen slaaf, dus niemands bezit is.
Er bestaat geen gezamenlijk bezit van goederen meer hiertelande hedentendage, maar de mensen zijn hier nu gemeenschappelijk bezit van het collectief. De mensen in onze samenleving zijn niet van een iemand, maar ze zijn van alle anderen samen. Dat geldt in feiten en voor een zeer groot deel ook in rechte. Dat men het zo niet noemt verandert niets aan de werkelijkheid.
De anderen om ons heen zijn de cipiers in onze gevangenis. De ruimte die wij in onze cel hebben wordt bepaald door wat er overblijft van wat is, nadat alle anderen van dat wat er beschikbaar en bruikbaar voor ons is, hun bezit hebben afgetrokken. Wie geboren wordt moet leven van en met wat hem gegeven wordt en van wat er aan vrije goederen is. Vrije goederen zijn goederen die niemand als zijn bezit kan (laten) verdedigen: lucht, zeewater en wilde dieren die buiten jachtgebieden en buiten beschermingsmaatregelen vallen.
Van deze vrije goederen kan een mens niet leven, hij kan er niet mee voorzien in alles wat hij nodig heeft voor zijn leven en welzijn. Zijn tijd, aandacht, denkkracht, energie, vaardigheden, intelligentie, leervermogen, capaciteiten, begaafdheden bestaan ook alleen via hem en zijn ook van hem; hij krijgt ze als geschenk, van de natuur, van de scheppergod. Dat alles is zonder meer niet voldoende om de mens in staat te stellen te zorgen voor wat hij nodig heeft voor zijn leven en welzijn. Dat meer dat nodig is, wordt door onze tijdgenoten als hun bezit verdedigd met dreiging en wapengeweld.

Wij zijn dus niet vrij, ieder initiatief dat wij nemen om te voorzien in wat wij nodig hebben, komt neer op stelen, stropen, het overtreden van gestelde grenzen, het gebruiken van andermans eigendom, beunhazen, het onbevoegd doen van iets. Een bevoegdheid is een bezit. Een baan, beroep, taak is een bezit. Een positie in de samenleving is een bezit.
Alles wat je onbevoegd doet, d.w.z. zonder dat JIJ, met naam en toenaam genoemd, het officieel van het collectief der anderen mag, is een overtreding van die grenzen waarbinnen jij moet blijven. Die grenzen staan zogenaamd niet om jouw ruimte, maar resteren zogenaamd uit het bezit van de anderen. Alsof dat iets uitmaakt voor het resultaat. Dat maakt voor het resultaat totaal niets uit. Wij zijn even onvrij als slaven, ook al moeten we voor onszelf zorgen en ook al hebben we het collectief als meester die ons bezit.
Deze minder aangename waarheid moeten we eerst volledig tot ons laten doordringen alvorens we kunnen beginnen te pogen te ontsnappen.
Let wel: (een) waarheid 'minder aangenaam' noemen is een uiting van het houden van een plaatje naast de werkelijkheid. Er zijn twee soorten van die plaatjes naast de werkelijkheid: 1.- verzonnen plaatjes, fictie, idealen en 2. de natuur, het wilde, de vrijheid, de waarheid.

Wij kunnen niet leven in het wild, in vrijheid, in ongerepte natuur, want die ONBEZETEN, ONBEZETTE RUIMTE laten onze tijdgenoten ons niet. Ieder van ons die iets bezit, doet mee aan dat klein maken van de ruimte die er over is voor anderen, nieuwkomers, die geboren worden, -per definitie-, zonder bezit.
Zodra, zolang en inzoverre wij niet meer consumeren (/ bezitten) dan wij nodig hebben, hebben wij geen schuld, geen deel aan de ERFZONDE, die ons het paradijs kostte. Het paradijs was de ruimte waar geen bezit was en waar genoeg om van te leven voor iedereen te nemen was. 'In het paradijs leven' is gewoon een andere naam / verwoording voor 'in het wild' leven: leven op aardoppervlak en in natuur die niemands bezit is. In het verhaal over de uittocht van de joden uit de egyptische civilisatie, die ze 'het diensthuis' , de slavernij, noemden, heet die ruimte die van niemand is : de woestijn, de wildernis. Daar dolen ze dan een voldoende lange tijd in rond om weer te leren dat je zonder voorraden te vormen kunt leven in de ongerepte natuur (in hun monotheistische termen : van wat god je geeft, in dit geval van manna en van trekvogels, desnoods van sprinkhanen en wilde honing. (Ook hier weer is 'wild' zelfs geen secundaire eigenschap van honing, zoals 'zoet' dat is, laat staan een primaire.)

Om in het wild te gaan leven ontbreekt ons allen de gelegenheid en bovendien heeft men er wel voor gezorgd dat wij er zelfs niet de vaardigheid voor verwierven. Ons ontbreken zowel de gelegenheid als de vaardigheid om in het wild te leven, als lichaam waaraan gebonden is een geest.

Wat is het nut van het beseffen en ons volbewust houden van onze gevangenschap annex aangebrachte invaliditeit als schepsel?

(Schepsel in tegenstelling tot wat we zijn als maaksel van die tijdgenoten die onze biologisch beschrijfbare gegevenheid opvatten als een stuk ruw materiaal waar zij hun geknutsel op konden en mochten botvieren. Schepsel in onderscheid van maaksel van wie ons in bezit namen.)

Wij kunnen niet in het wild leven, als geheel, als lichaam/geest.
Vraag:
Kunnen we als geest in het wild leven, dat wil zeggen: met al die waarheid omtrent onze levenssituatie, die wij kunnen leren kennen?
Vraag: Komt het ons bewust maken en houden van deze gegevenheid niet neer op het ons aanmeten van een ongelukkig bewustzijn?
Kunnen we een ander gevolg ervan verwachten dan dat we nooit meer echt blij zullen zijn?
Kunnen we niet beter maar doorgaan met het verdringen van deze waarheid omtrent onze menselijke situatie in deze ""onze"" civilisatie?
Kunnen we niet beter deze waarheid geheel onbegrepen, onbewust, onverwoord, onbesproken en buiten beschouwing houden en ons in de strijd om het bezit in de maatschappij of om de macht in de politiek werpen, teneinde er het beste van te maken?

Vraag:
Hebben wij de mogelijkheid ons buiten de maatschappij en buiten de politiek te houden?
Antwoord: Wie werkeloos is, uitgebreider: wie aan niemand in ruil of tegen (openlijke of verborgen) betaling diensten verleent, is buiten de maatschappij (gehouden of gekomen).
Buiten de maatschappij kan een mens dus zijn. Via een uitkering of op een andere wijze gekregen geld en via zijn stemrecht werkt hij dan nog zijdelings aan het maatschappelijk gebeuren mee, namelijk als levend rad van avontuur voor het risico-dragend kapitaal, voor de sociale partners in hun competitie om de gunst van de koopkrachtigen.
Buiten de politiek kan een mens alleen zijn als de politiek wordt opgevat als datgene wat de politici doen en laten doen. Dan is de gewone man alleen een stemgerechtigde en als zodanig een levend rad van avontuur voor de politici die in competitie met elkaar dingen naar de gunst van de kiezer.
Vat men politiek wat wijder op en stelt men dat de stand en gang van zaken in de wereld is zoals ze is doordat de mensen doen wat ze doen en laten wat ze laten, dan kan niemand buiten de politiek zijn. In die definitie is ook niemand, hoe machteloos ook, zonder invloed. Door spontane summatie is ieders gedrag deel van het wereldgebeuren.

Ik merk op dat ik in ieder geval de vraag ter zake kan stellen: "kunnen we ons aan de wereld of aan de politiek onttrekken?" Het antwoord is dat we vanuit het wild kunnen leven in de wereld, waar we niet uit kunnen, omdat deze wereld de hele voor ons bewoonbare aarde omvat. Ik zie geen brood in gemiezemuis dat er best wel een bewoonbaar stukje aarde is te vinden voor misschien wel duizend of tienduizend van de ruim 4 miljard mensen. Dat soort plotseling stoppen met elke kwantitatieve argumentatie en overgaan op pure kwaliteit, op de totaal verwaarloosbare uitzondering is alleen maar een gevechtshandeling. Een soortgelijke gevechtshandeling komt steeds voor in het praten over werkeloosheid, dan is er altijd zo'n vechtmachine die zegt dat er toch alle reden is voor jongeren om een vak te leren, omdat ze met diploma's een betere kans maken op de arbeidsmarkt. Die vraag wie er in de wedstrijd waarin zoveel niet-winnaars zijn, zullen winnen, was niet aan de orde. Het gesprek ging over de vorm van die wedstrijd : weinig winnaars, veel onzinnig bezig blijvenden in het grote peloton en een massa verliezers, voor wie niets meer overgelaten werd door de in blinde hebzucht luxe consumerende deelnemers die voor hen uit liepen.
SCHAARSTE lijkt hier een centraal begrip. Als er zoveel lag dat deaanwezigen, voorraden vormend en luxe consumerend het gegevene niet konden uitputten, dan zou er geen schaarste zijn. Gegeven de grote aantallen, maar vooral de voorraadvorming, de inbezitname en de luxe consumptie, is er op een eindige aarde altijd aan schaarste te komen. Dat er schaarste is, is geen aangetroffen gegeven, maar een artefact. Het is eenzijdig te wijzen op alleen de te grote aantallen mensen op aarde. Fundamenteel voor de aanmaak van schaarste is ook het verschijnsel bezit, dat er op neerkomt dat hetgeen voor een ander voor zijn leven en welzijn nodig is, door de bezitter, zonder dat deze bezitter het zelf ook maar zou kunnen consumeren, voor de anderen onbereikbaar, onbruikbaar, wordt gehouden.
Exact gezegd: niet de grote hoeveelheden mensen op aarde alleen,niet de overmatige, luxe consumptie alleen, maar juist ook het niet-consumerend wel onttrekken van goederen aan het gebruik (/verbruik) door anderen, het bezitten dus, maakt die schaarste aan. Die schaarste aanmaken, dat is een middel, een technische ingreep om de anderen van hun vrijheid te beroven. Via die kunstmatige schaarste worden de mensen via de scholen de beroepen binnen gedwongen, waar ze de bezitters (elkaar dus) moeten dienen voor geld. Dat vrijwel iedereen bezit en/of luxe, onnodigs, consumeert, en dus vrijwel iedereen MEDEPLICHTIG is aan het systeem, maakt dat systeem niet minder verwerpelijk. Verwerpelijk vanuit het wild. Vanuit het systeem zelf kan het door de medeplichtigen niet verworpen worden, zonder dat er sprake is van het antwoorden van "ja" en "nee" tegelijkertijd op dezelfde eenduidige ja/nee-vraag: "moet er privaatbezit zijn?" [Het gaat hier niet alleen om het privaatbezit van productiemiddelen. Dat is een zaak die geheel binnen de civilisatie, binnen de politiek ligt.

Het komt mij duidelijk voor dat het niet niets is zich volbewust te maken van deze stand en gang van zaken in ons leven, want (!) in onze omgeving, die wij als gegeven en in feite onveranderbaar voor ons aantroffen. Dat daar buiten ons is onveranderbaar voor ons. Het is ook ongunstig voor de meesten van ons, ik durf zelfs te stellen voor vrijwel allen van ons. Als het komen te verkeren in een machts- en bezitspositie al voor iemand gunstig kan zijn, dan moet ik zeggen: vrijwel allen worden geschaad. Anders kan ik stellen wij worden als gevangenen, hoe groot en luxe onze cel ook is, altijd geschaad. Wij komen aan echt leven, vrij leven, zelf leven, niet toe.
Wat is de zin, het nut, de positieve uitwerking, van dit bespreken? Het moge dan zo zijn dat een stand en gang van zaken niet verandert doordat ze gekend en beseft en bewustgemaakt wordt, dat men zich dus niet kan schaden door zich zijn positie bewust te maken, het maakt toch ook niet blij.

Fundamenteel in het wild is het vertrouwen dat er morgen weer al het nodige zal zijn. Fundamenteel in de wereld is het ontbreken van juist dat vertrouwen. De aarde levert genoeg op en als de mensen de technische vaardigheden die ze hebben, zouden aanwenden om, -zonder de natuur in en om hen verder te schaden, ja deze te laten genezen-, te voorzien in het nodige voor iedereen, dan zouden ze daarin naar alle waarschijnlijkheid slagen.
Waarom doen ze het dan niet? Antwoord: juist dat wantrouwen, dat wachten van iedereen op de ander en de anderen om te beginnen. Maar let op: dit is een fout antwoord, vrijwel zeker is dit antwoord fout en wel omdat het een enkele reden geeft voor een zeer groot iets, waar dus velen bij betrokken zijn. Voor iedere betrokkene zal het antwoord weer iets anders zijn dan voor ieder ander. Duizend van die soort redenen en factoren zoals 'wantrouwen', bij ieder exemplaar van de soort in een unieke kaleidoscopische constellatie: bij de een deze centraal, bij de ander die. Vrijwel zeker hebben de meeste mensen er nog nooit een enkele gedachte over gehad. Men besteedt geen tijd, aandacht, energie, intelligentie enz. aan zulk een banaal en fundamenteel gegeven als 'mijn eigen leefsituatie hier nu'. Men gaat niet uit van zichzelf als een exemplaar van een diersoort, die toevallig juist door een boze geest bezeten is en daardoor (en niet alleen door het grote aantal aanwezigen) een plaag over de hele aarde vormt.
Als iemand al, door de nood gedwongen, denkt over zijn situatie, dan doet hij dat toch vrijwel altijd 'als persoon', als wat er van hem geworden is, mede door wat men met hem deed en doet.
Menigeen voelt zich uitsluitend wat er van hem gemaakt is en wat anderen hem vinden, wat anderen zeggen dat hij is. Die opvatting als uitgangspunt maakt denken over de eigen situatie al van te voren onvruchtbaar. Dat geldt te sterker wanneer men bij dat denken de confectiebegrippen gebruikt, die men geleerd heeft en om zich heen hoort. Er niet uit gaan, betekent: er niet uit komen. Wie wil er overigens uit, denkt niet vrijwel iedereen als het er op aankomt alleen maar over het verruimen en comfortabeler maken van zijn cel?

Wat zou ik moeten doen, als ik voor mezelf moest zorgen?

Dat is de intrigerende vraag achter Robinson Crusoe en alle soortgelijke avonturenboeken, waar de held zich buiten bereik van andere mensen aantreft. Met zo'n boek in de hand kan men wegdromen. De omgeving waarin de held verkeert, is altijd vreemd.

Wanneer we nu eens die vraag zouden stellen ten aanzien van onszelf en ten aanzien van onze eigen situatie hier en nu. Wanneer we nu eens ons eigen leven zouden opvatten als een avontuur.

(Let op: ik heb het niet over het opvatten van het eigen leven als iets waar men iets van moet maken; ik heb het niet over onze mogelijkheden als over talenten, die we met woekerrente moeten inleveren bij de Grote Geldschieter, aan het einde van ons leven.)

Robinson kan niet betrokken zijn op anderen, want die zijn er niet. Robinson blijkt in het boek te gaan leven met hersenschimmen. Daar hoeven wij niet voor te kiezen. De vraag is: zou onze situatie in de wereld, zo onleefbaar blijken? Het opvatten van de omgeving als omgeving is geen gemakkelijke bezigheid. Terwijl de psychologieboekjes vol staan van verachting voor de ongestructureerd denkende baby, die nog niet kan onderscheiden tussen zichzelf en de anderen, zie ik om mij heen de zogenaamd volwassen mensen met elkaar verbonden, gerelateerd, leven. Ik merk dat ze hun leven niet opvatten als een eenzaam avontuur. Ze leven niet als individu, ze leven als deel van een groep, resp. van vele groepen. Ze doen wat de anderen doen. Ze spelen geen enkelingetje, ze bezitten als enkeling, omdat dat voorschrift is, omdat men niet met anderen samen heeft. Men treedt verenigingen bij, maar beheerst de technische bezigheden 'zich met anderen verenigen' en 'samenwerken' niet.

Het opvatten van het eigen leven in de eigen situatie hier nu, met alle andere exemplaren van de soort als waren het dingen in de omgeving, is een zeer ongebruikelijk iets. Het opvatten van vele exemplaren van de eigen soort als waren het dingen, dat is gebruikelijk en veroorzaakt onmetelijke ellende.
Het opvatten van het eigen leven als een eenzaam avontuur wordt meteen weer ontkracht, zodra het als mogelijkheid uit de religie volgt: meteen maakt men er het zich afjakkeren van een knecht die geld geleend heeft, van. Er is in dat verhaal, in de bijbel, een alleen beschouwd individu, voor wiens doen en laten belangstelling is, zodat het de moeite waard is. Wel zijn de tijdgenoten even weggeprepareerd uit het wereldbeeld, maar meteen komt er weer gezelschap: een aanbidbare, verbiddelijke God, die de hulp verleent een doel voor het individu te stellen.

Die religie(s) geven een confectieantwoord op de eerder genoemde vraag: "wat te doen, als ik zelf moet leven?"
Die confectieantwoorden kunnen niet dienen, zelfs als zouden ze up to date zijn. Deel van de probleemoplossende werking van het opvatten van het eigen leven als ware het het eigen leven, is nu juist dat dat opvatten het het betrokken individu mogelijk maakt zelf te functioneren als geest in het aanmaken van een eigen antwoord.

Het antwoord op de vraag "wat te doen', kan er pas zijn, als bekend is:
1. -wat voor de betrokkene kenbaar nodig is,
2. -wat voor de betrokkene zelf technisch mogelijk is en
3. -wat de stand en gang van zaken (= het blijvende resp. het variabele) in de omgeving is.

Een confectieantwoord doodt meteen de interesse in 1., 2. en 3.. Daarmee is de hele begaafdheid die een individu heeft om zich en zijn omgeving te verkennen buiten spel gezet.

*) Als ik verwijs naar de bijbel betekent dat niets anders dan dat mij invalt wat ik daar neerschrijf. Ik ga er van uit dat alles wat ik met gebruikmaking van die associaties en van termen en verhalen uit de bijbel uitzeg, ook zonder dat te verwoorden is. Voor mij zijn veel van de concepten, verzinsels, verhalen, termen en beelden uit de bijbel de eerste en voor het kort zeggen van wat ik bedoel bruikbaarste associaties. Ik besef dat het uitzeggen van waarheid in termen die in de bijbel gebruikt zijn er een is naast andere en bovendien een die zeer vatbaar is voor misverstand. Toch zie ik niet in waarom ik mij juist deze termen om die reden (dat mogelijke misverstand) buten gebruik zou stellen. Ik eet dat ook de begrippen, beelden en woorden die ik zelf aanmaakte misverstaan kunnen worden. Ik geloof niet in het bestaan van niet mis te verstane termen en ik hecht geen waarde aan misverstanden die anderen zich bij het lezen van mijn tekst vormen. Misverstanden zijn interpretaties, die fout zijn en die evenmin als die interpretaties die goed zijn, werden getoetst door het aangaan van een gesprek met de schrijver nadat het toetsen van het opgevatte aan de aan de lezer gegeven werkelijkheid mislukte of een onwaarheid aanwees.
Als een lezer geen werkelijkheid gegeven is waarvoor de hem voorliggende geldt, dan is die tekst voor deze lezer zinloos. Het is dan ook voor deze lezer in zijn omstandigheden niet de moeite waard er een opvatting van aan te maken.
Wanneer een lezer een andere formulering kan vinden dan de schrijver, van een herkende bedoelde waarheid, des te prettiger voor de lezer. De tekst van de schrijver is slechts als een vinger die wijst naar de maan. De tekst is een der mogelijke verwoordingen van dat deel der waarheid dat de schrijver kon vatten met behulp van zijn begrippen. Naast de door de schrijver gebruikte begrippen zijn vele, vele andere denkbaar en/of reeds bedacht en in gebruik (bij anderen en soms ook bij de onderhavige schrijver in andere teksten).
Hoezeer ik ook af en toe verlang naar een gesprek, ik wijs af: alle dispuut, debat, discussie of hoe men twistgesprekken ook anders moge noemen. Twisten is een gewoonte in de hele wereld, maar het leidt tot niets dan tot 'betere' wapens en meer strijd.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *