Gobel

Jaap Schot, 1 mei 2003

‘Gobel’ mocht niet gebruikt worden bij het vijfletterlingo: de leidende juffrouw herkende het niet als woord en de jury vond het niet in de woordenschat. ‘Ze herkende het niet als woord’ betekent: ‘Het deed haar nergens aan denken’.
Als de tandarts voor de patiënt niets betekenende namen van vulspul en zo noemt aan de assistente, blijken dat toch woorden te zijn voor die beiden: zij maakt en reikt het juiste aan.

In de bovenstaande concrete voorbeelden van taal en taalgebruik is er van ‘begrippen’ en ‘begrijpen’ even geen sprake. Bij Lingo niet omdat het nergens over gaat en bij de tandarts en zijn assistente niet, omdat begrijpen helemaal niet aan de orde is. Daar wordt gewerkt, gedaan, niet getheoretiseerd, net zo min als bij het autorijden van de geoefende taxichauffeur.

Het besturen van de auto, het opmerken van en reageren op het relevante in de omgeving en het kiezen van de juiste weg, gebeuren ‘op het ruggenmerg’, automatisch. Het noemen van het adres waar hij heen wil, door de klant, is een doelstelling. Als de taxichauffeur dat doel niet weet te liggen, geeft de klant een routebeschrijving. Eén routebeschrijving uit vele mogelijke; elke wegversperring kan zo’n alternatief nodig maken. Uiteindelijk is geen enkele route DE enige route. En het gaat er alleen maar om het gestelde doel te bereiken.

Mijn, en naar mijn opvatting andermans, teksten zijn routebeschrijvingen naar onderwerpen van studie.
Studie die de lezer zelf moet verrichten.

Omdat de schrijver niet voor de lezer kan kennen. Omdat de lezer aan ‘van horen zeggen’ niets heeft. De lezer gaat de fout in als hij gaat geloven en/of reageren op wat hij zelf niet daar op dat moment waarneemt.
Pas zodra en zolang en in zoverre ik zelf waarneem, ken ik, heb ik kennis in plaats van informatie.
Loos gepraat’, ‘schijnbespreken’, noem ik dat ‘spreken zonder kennen’. Kennen is: het daar dan (actueel) voor of onder ogen te hebben, te manipuleren, te horen, er contact mee te hebben.
Zonder dat ‘actueel ermee bezig zijn’, heb ik er niets over te melden en kan ik er niets over melden. Wat niet aan de hand is, niet gebeurt, kan niet gemeld worden. Uitspreken kan ik ook wel mijn herinnering aan mijn kennen, van ‘wat was’. Maar dat is een getuigenis, geen melding. Getuigen en op basis van getuigenissen handelen, is deel van het spel ‘maatschappijtje’.

De verleiding is groot ervan uit te gaan dat bij het sprekend aanwijzen (met woorden aanduiden) van het onderwerp, ter bestudering aan de lezer/hoorder, niet, zoals bij de taxi, de kortste en dus goedkoopste route de gezochte is. Nee, ook bij taalgebruik is er, net als bij taxigebruik, een druk in de richting van zuinigheid. Er is zelfs een duidelijke gierigheid daar waar spreektijd als rangonderscheidingsteken geldt. En dat doet zich vaak voor en op onverwachte plaatsen, in schijnbaar rangschikkingvrije situaties. Het rangschikken doordrong ons hele leven, ons hele opvatten, met of zonder onze tegenzin.

Als lezer ben ik de taxichauffeur en ga ik naar die plek (in mijn stad), die (ongeveer) zo heet als wat de schrijver zegt. De plek die hij als doel van de reis opgeeft.
Als schrijver ben ik de klant.
Iedereen is op zijn beurt taxichauffeur en klant.

Iedereen kent slechts zijn eigen privé-stad, kent dáár slechts de weg en kent dáár slechts de (= zijn!) namen van de wijken, straten en gebouwen. Woorden zijn soms, als zij veel betekenissen en nuances hebben, namen van hele wijken. En soms zijn gebouwen zoals ‘het station’ in de ene stad volstrekt verschillend gebouwd, gelegen en in gebruik als in de andere stad. Dat vergemakkelijkt bepaald niet het samen bij een bedoeld gebouw komen voor een gezamenlijk doel, bijvoorbeeld, een administratieve handeling verrichten. Een gewaarschuwd stel (gesprekspartners) telt voor vier.

Met mij omgaan is ook niet extra gemakkelijk: ik ben een vurig beeldenstormer. Veel gebouwen waar ik geweest ben, liggen in puin of staan er ontluisterd bij: gevandaliseerd. Niet geplunderd: de fraaiste artefacten liggen te verregenen, slordig de tuin in gegooid. Ik haat de civilisatie: ik kan er niet van genieten, want ik zie de toppresterende knechten als geknechten, als gebruikten, als potentieel vrije mensen. Valse romantiek, ik weet het. Net zoals die van de dierenbevrijders, die ‘denken’ dat de groeisels uit nertsenjongen in die kooien in wezen en nog in potentie wilde vrije dieren zijn, die zonder verzorging in de ‘cultuursteppe’ kunnen overleven en zelfs pas echt LEVEN. Het verandert ook niks aan de (in casu, mijn) omgeving, dit ‘er zo over denken’, want ik vandaliseer slechts in mijn stad, niet in de werkelijkheid waarvan die een maquette is. Een beeld dus, een weergave. Nee, niet alleen maar een maquette, dat weet ik, maar dat is hier nu even niet mijn onderwerp.

Als ik met mijn gesprekspartner aankom bij zijn doel, zie ik daar een ruïne.
Mijn ruïne… en die bespreek ik.

Verwarring! De spreker, schrijver, neemt mij mee, stuurt mij als taxichauffeur naar het museum of de voorstelling en wel om daar de topprestaties van de specialisten te bewonderen en mijn ogen en oren te laten strelen. En ik kan er niet van genieten en wel omdat ik de vernedering en het gebruikt worden, zie. Het gehoorzamen aan bevelen tot het doen van nodeloze, moeilijke dingen. Gehoorzamen dat gedreven wordt (waartoe bewogen wordt, ‘gemotiveerd’ heet dat in het netjes) door dwang, bedreiging en als opgewekte begeerte ervaren angst voor onveiligheid, om maar een paar van die motieven te noemen. Ik zie ze in gehoorzaamheid, in angstig begeren, hun gevaarlijke en moeilijke kunstjes doen (of gedaan hebben) en ik kan er niet van genieten. Van hun vernedering, hun gebruikt worden, hun slavernij (in welke vorm die daar toen voor hen dan ook was gegoten).

Sorry, tijdgenoten, doordachte protestanten zijn wereldhaters. Nee, geen vrije ondernemers, dat is een ontaarde stam aan de boom van het protestantisme. Geen christen was ooit een mensengebruiker of onthield ooit iets wat hij zelf daar dan niet nodig had aan het gebruikt worden door iemand die het daar dan wel nodig had. Met andere woorden, geen christen was ooit een bezitter. Waar (een) Christus gevolgd wordt, komt geen communisme, want het is er al. En wel zoals het er moet zijn: als uiting van wat er ‘in het hart van de betrokken mensen LEEFT’: ‘aller mensen broederschap’.
Sorry, tijdgenoten, wij doen niet mee. Sommigen van ons zijn gevangenen en worden gebruikt. Slaaf is geen van ons qua mentaliteit, geen van ons erkent enig gezag onder of naast dat van God. God, aanspreekbaar. God van ieder, die “hem”/haar aanspreekt, diens stad volledig kennend. DAT CONCEPT (verzinsel, denkgereedschap, voelgereedschap, ervaargereedschap, bespreekgereedschap) GEBRUIKEN, MAAKT ONS WEZEN  (= buitenstaanderschap) UIT. Die God wordt door dwalenden met een foute benoeming aangeduid als ‘persoonlijk’, maar dat terzijde. Een persoon ontstaat door persoonsregistratie op een gemeentehuis: geen natuurwetenschapper zal, als zodanig bezig, ooit een persoon aantreffen. Het is van groot belang dat te beseffen, omdat er debaters zijn die het concept ‘God’ in onbruik willen dwingen met dit argument, namelijk “God is voor natuurwetenschappers in functie niet gegeven”.

De bijbel is één grote vervloeking van ‘de wereld’ (= de civilisatie, de mensengebruikerij, ‘het diensthuis’, Egypteland, Babylon, Ninevé, Sodom en Gomorrah, enzovoorts). Dat omvat ook het Nieuwe Testament: Jezus zegt dat zijn rijk, het rijk gods, niet van deze wereld is, dat geld van de keizer is. Zie zijn beeldenaar op de munten. Geef dus die munten aan hem, als belasting, maar geef (wijd) aan God wat van God (afkomstig) is: jouw txaenz. Dat, ophouden je druk te maken over de belastingen vanuit de civilisatie, de onderdrukkende bezettende overheid, is een voorbeeld van: de civilisatie verlaten (psychisch, fysiek kan dat niet). Je kunt fysiek niet weg, maar de geciviliseerden maak je tot net zo ‘van die dingen’ als de vogels in de bomen en ‘het weer’, de storm, de regen, enzovoorts. Ze zijn er,soms zijn ze lastig, maar je bent er niet op betrokken en ze zijn niet op jou gericht. Je bekijkt hen en hun maaksels (gevolgen) niet eens.

Jezus wordt ‘terechtgesteld’. Dat is, op bevel van juristen en politici vermoord.
Orthodoxe Joden en orthodoxe protestantse christenen zijn ‘geestelijke’ vandalen: ze vernietigen de motiverende, inspirerende, dreigende, propagandabegrippenapparatuur van de civilisatie. Die vernietiging brengen ze aan in de eigen (mede door de civilisatie in hen aangebrachte, onderwezen, aangeleerde, vaak met Skinneriaanse conditionering bevestigde) apperceptieve massa. Hun Jihad (de heilige, goede strijd) is de innerlijke Jihad. De victorie is de ‘zelf’overwinning, de overwinning op de vertegenwoordiging van de civilisatie, de wereld’ in de ‘eigen’ (= de strijder als kind en als gevangene en gebruikte aangesmeerde, opgelegde) apperceptieve massa, van de opstandeling (l’homme revolté). De opstandeling die, als hij overwint, zich als herboren IK stelt, poneert, en gedraagt.
‘Volmaakt’? Nu ja, ‘bruikbaar voor zichzelf’, vergeleken met de persoon, de behandelde, het maaksel van de civilisatie, LEEG. Zoals een computer rechtstreeks van de fabriek, ‘zo goed als nieuw’. ‘Geworden als een kind’, wat de voorwaarde was, die genoemd werd voor het binnengaan in ‘het Rijk Gods’. “Goed, zoals uit de handen van de schepper”, volgens Rousseau.
Wedergeboorte: het op de harde schijf geschrevene, kan niet worden gewist. Het geschrevene, zowel van de hand van de bezitter/gebruiker als van de hand van de eigen apperceptieve massa zoals die vroeger was: dat wat de opstandeling van nu, toen zelf mee maakte. Maar wel kan ernaast een voorgeschakeld programmaatje worden gezet, waardoor de sporen van de bezitter buiten werking komen te staan.

Daar heb ik het over. Over wat ze ‘bekering’ en ‘wedergeboorte’  noemen. En daar maak ik geen gevoelens bij aan, omdat ik het feit ken dat met gevoelens niks te doen valt. Gevoelens zijn daar waar nog geen inzicht is en ontstaan waar frustratie optreedt. Als een deur gewoon open gaat, door het hanteren van de kruk op de gebruikelijke wijze, ontstaat er geen enkel gevoel bij het openen en sluiten. En zo is het met alle gevoel. Het is onwerkzame rotzooi:

  • bij iets dat misgaat,
  • bij (soevereine, onnodigs betreffende [zie ook ‘Over propaganda’]) wensen die naast ‘wat gebeurt’/‘wat is’ worden gehouden, teneinde overeenkomsten en verschillen te kunnen toejuichen en (respectievelijk) te kunnen verwerpen, betreuren, met gevoelssaus overgieten.

Weg ermee: alle beschikbare txaenz inzetten voor het komen tot (weer) kunnen.

Ga na, kijk, voel na, probeer uit of het je inspireert, dat vervloeken, verachten en (psychisch, ‘als meespelende’) verlaten van de civilisatie, inclusief dat wat aan aangeleerds in jouw apperceptieve massa (dus niet, in JOU!) zit.
Dat is de oproep van de Heiland en zijn volgelingen in het Nieuwe Testament. Daaronder is het in mijn jeugd in mijn hoofd opgeborgen, en dat is de enige reden waarom ik het zo, met deze woorden het duidelijkst kan zeggen en zeg. Ik preek niet, ik wijs een onderwerp aan, ik zeg als schrijver/klant tegen de lezer/taxichauffeur: “Zullen we naar dat onderwerp gaan (als aandachtbesteders/txaenzbesteders) en het bestuderen en bespreken c.q. erover corresponderen?”

Ten overvloede nog een keer expliciet. Het bovenstaande is niets anders dan doen wat ik elders reeds als wijs en wenselijk  aanduidde: uitschrijven wat er in mij, onder associatie met het begrip ‘God’, huist in mijn apperceptieve massa. Als ik zo dom ben om dat niet meer uit te schrijven, omdat ik het nu niet meer als gelovig kind kan menen, blijft dit stuk van mij voor MIJ verborgen.

Het bovenstaande verhaal van de taxi is me toevallig te binnen gevallen en past erg mooi.
Telepathie kennen wij slechts als verzinsel. Wij moeten het stellen (= het doen) met moeizame pogingen om via woorden elkaar te waarschuwen en afspraken te maken. Wij leven in een burgeroorlog: wie wat ook probeert, hij zal mensen die zijn streven opmerken als tegenstrevers en/of parasieten krijgen. Want, stel dat er ergens iemand succes heeft, dan wint hij immers relatief aan rang ten opzichte van de anderen. Daar moeten allen die meespelen zich uiteraard (= uit de aard van het spel) tegen verzetten.
Daaruit, uit dat tegenstreven, is ook het voortdurende verval van de taal te verklaren. Spreekgelegenheid en spreektijd zijn rangonderscheidingstekens. Wie meer ruimte op het publicatiebord heeft en/of meer spreektijd, blijkt hoger in rang dan wie minder heeft. Dat is gewoon zo. Daarom neemt iedereen zoveel mogelijk van die ruimte en die tijd en laat zo weinig mogelijk aan anderen. Men spreekt in steno en in telegramstijl, hier, heden ten dage.
En de kwaliteit van wat er gezegd wordt, moet ook worden bestreden. Daaruit valt het systematisch stukpraten van alle nieuwe onderscheidende namen te verklaren. Talloze voorbeelden zijn daarvan.
Een schoolvoorbeeld is ‘minderwaardigheidscomplex’. Dat was bij Adler een prima naam voor een helder en goed begrensd begrip van een aanwijsbaar geheel van verschijnselen en introspectieve gegevens.

Tegenwoordig is het een woord dat velen (zeker passief) kennen, maar dat nu dan ook van alles en nog wat ‘betekent’.

En ditzelfde geldt voor ontelbare woorden/begrippen.

Het is een volstrekt godswonder als twee mensen op hetzelfde moment aan het bespreken van hetzelfde onderwerp toe zijn. Een gesprek is dus uiterst onwaarschijnlijk.
Een correspondentie is alweer wat eenvoudiger: het überhaupt aan hetzelfde onderwerp toekomen is al voldoende, het hoeft niet eens precies om de beurt te zijn.

Maar wat hebben wij, mensen die leven in deze mensengebruikerij (in de vorm van een democratische massa ‘vrije’ gespecialiseerden), mogelijk aan gezamenlijke onderwerpen?

Veel van wat we beleven en meemaken gebeurt tussen en bij (en is dus ook slechts echt bekend aan) ‘collega’s’, mensen op het werk, in de club. En juist die mensen, zo weten wij, dienen wij niet al te intiem in te lichten over wat ons echt bezig houdt, wat er in onze apperceptieve massa geraakt en geroerd en beroerd wordt door wat ons hier nu overkomt.
En derden, die er niet bij zijn en/of waren, die moeten we alles vertellen. Zij hebben dan alleen informatie en kunnen zich hoogstens er wat bij voorstellen, aan iets verwants denken of zo. Een dergelijk surrogaat voor ‘samen meemaken’; dat praat moeilijk.

Dat houdt veel ‘gesprekken’ oppervlakkig en onbevredigend, omdat de hoorder zijn taxi niet bij het beoogde doel kan krijgen.

Alternatieve routes brengen ons reeds bij andere ‘ansichten’, ‘aspecten’, ‘kanten’ van het genoemde reisdoel. Maar dan hebben we het doel tenminste bereikt.
Als ik in mijn opstellen niet de gangbare woorden gebruik om op te geven waar ik heen wil, dan kan de lezer gerust aannemen dat ik een of meer voorbeelden gevonden heb van klanten, die met de woorden die ik buiten gebruik houd, doelen hebben opgegeven en besproken tijdens de rit (= in hun teksten) waar ik helemaal niet heen wil bij het uitschrijven van mijn tekst.

Zo, dat staat er. Het opstel is ook ruim lang genoeg. Ik hou er nu dus mee op.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.