God schrijft levenden, zoals ik opstellen

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: entelechie | God | roofmoordtocht

Jaap Schot, 1 november 2007

God schrijft alle levenden in DNA. Hij schrijft levenden, zoals ik opstellen, alle dagen nieuwe. De andere levende wezens, die wij zien, zijn zíjn maaksels, nee: scheppingen*. Ze gaan vanzelf, er zit een entelechie in en dat is zoiets als een affiniteit, die niet tot stilliggen leidt, maar telkens weer wordt de verzadiging ongedaan gemaakt en moet (resp. kan) de levende verder gebeuren. Doodgaan is ongelijk aan het aangegaan hebben van een stabiele verbinding en/of in een kristal terecht gekomen zijn (plaats genomen hebben), na het doodgaan valt de niet meer gebeurende levende uiteen in een hoopje materie met minder structuur: het wonder (de entelechie) blijkt hem in de structuur (de constellatie der atomen →​ moleculen → genen) gezeten te hebben. God is de god van de levenden, niet van de doden, de doden, de voorbijen, daaraan zijn hoogstens herinneringen. Zij hebben hun tijd gehad. Sommigen van hen konden tot bloei komen, velen konden dat, - door de afwezigheid van een omgeving waaruit zij het nodige konden nemen -, niet. Onze “samenleving” is er op gericht zoveel mogelijk mensen die gelegenheid te ontnemen en te onthouden. Dat gebeurt door een wedstrijd tussen mensen om zoveel mogelijk nodigs te bezitten. Bezitten = aan het genomen en gebruikt/ verbruikt/ benut worden door anderen onthouden. Daartoe moet het eerst in bezit genomen worden en dat gebeurt niet zelden door het aan het gebruik door anderen, die er al mee bezig zijn, te onttrekken (met geweld, bedrog, list). Het in bezit genomene wordt verdedigd met (dreiging van herhaling van toepassing van) geweld tegen wie het nodig hebben (én tegen wie het willen hebben voor hún wedstrijdersverzameling, hun statussymbool). Wat je bezit en al of niet gebruikt heet eigendom als het wordt beschermd door de staat, die het monopolie op wapengeweld heeft.

De staat, ik hervat het opstel van gisteren en eergisteren, is een afgod als alle andere afgoden. De staat is de bedding van de stroom txaenz die zij ‘trekt’. De staat heft belastingen en haalt die binnen. De staat eist niet dat je in haar bestaan en/of goddelijke oorsprong gelooft.

Terzijde: ‘de Nederlandse identiteit’ (≠ herkenbaarheid aan afwijkend gedrag tussen buitenlanders) is een onnozel concept in het debat over kutmarokkanen, een debat waarin men verwarring schept door dat voorvoegsel weg te laten.

De staat eist belastingen en neemt die uiteindelijk met geweld, dat is bewezen door boer Harmsen in Hollandscheveld, die zo lang weigerde aan het landbouwschap te betalen dat de Marechaussee met karabijnen naar zijn boerderij kwam om het te halen. Het is de échte en grote verdienste van boer Harmsen geweest dat hij de staat dwong haar ware aard te tonen. Hij weigerde tot hij door de taaie slijmlaag van schijnredelijkheid heen was en de kern raakte. Het fysieke geweld waarmee gedwongen (← met de dood gedreigd) wordt: Canetti in ‘Massa en Macht’: het bevel is de bedreiging met de dood. Slechts lézend kan iemand nog denken, dat zulks dáár, toen, bij anderen zo is, boer Harmsen bewees dat het in de jaren zestig van de 20ste eeuw hier zo was. Het gáát niet allemaal over een oertijd, die we achter ons hebben, nee, Hitler’s ‘Operatie Barbarossa’ vond plaats tijdens mijn leven. Het ‘dodend uit de weg ruimen of tot vee maken van mensen’ is gaande. Iedere baby moet aan het stadhuis worden gemeld om ingeschreven te worden als nieuw stuk vee van deze staat. Die eis is in ongeveer 1800 door Napoleon ingevoerd, in verband met de militaire dienstplicht, zo stond in de geschiedenisboekjes, die ze nu wel niet meer zullen hoeven lezen om zulke dingen te leren. Die regeling is ongeveer net zo oud als het Koninkrijk der Nederlanden, ook een schepping van Napoleon, niet van God.
De staat is een afgod, als alle andere: een bedding voor een stroom txaenz. Aan afgoden waarin mensen geloofden offerden ze “vrijwillig” en dat betekent dan: angstig hun zegen en welgezindheid te verliezen, te moeten ontberen; aan de staat offeren ze onder dreiging met geweldpleging tegen hen.

Aan (biddend toe te spreken, met offers te vleien en te verbeelden) afgoden schreven mensen toe:

  • hun geluk (bonne chance) als verstrekte zegeningen, en
  • de macht om pech te bezorgen.

Die afgoden waren zo machtig, voor het gevoel van de gelovigen, als de staat nu.
Wij geloven niet langer in deze afgoden. Onze priesters, dominees en imams vertellen ons dat wij, als we zó geloven in de god die zij [beroepsmatig, dat is: voor geld → levensonderhoud] dienen, ónze God niet juist ervaren. Ónze God, dat is die van Mozes, is niet zo’n afgod, die te verbeelden, te verbidden, met offers te paaien, met rituelen te kalmeren is. Ónze God is géén bedding voor ónze txaenz. Zíjn bestaan is niet het gevolg van óns bestaan plus txaenz in zijn dienst besteden (= in de moderne vorm dus: betalen, geld storten).
Wie offert of als goddelijk gebrachte bevelen gehoorzaamt dient een afgod.
De gemeente van wie met Jezus (= weg, waarheid en LEVEN) gebeuren, is géén IETS, geen onderneming, geen bedding voor een stroom geld (met als tegenstroom de voor dat geld gekochte txaenz).
Binnen de christengemeente stroomt geen geld. Er stroomt dus ook geen geld náár de christengemeente. Geld vormt het vel van de gemeente, de beschermende huid, beschermend tegen de wereld. De wereld, dat is het veld waarop het wereldgebeuren plaats vindt, het wereldgebeuren is het woeden van het ‘spel’ van ongelijk verdelen (van spul en spullen, van status, van geld).
Als de gemeente aan de afgod ‘staat’ betaalt wat die afgod eist, wordt ze met rust gelaten. Ze geeft de keizer wat van de keizer is. Maar de keizers van toen eisten geloof in en trots op de staat (Rome). Ze eisten blindheid en angst en die kenmerkten de voorroomse christenen nu net niet.

Het doet mij goed dit alles te schrijven ten dienste van de uitverkorenen en van deze Ene Naam, die voor wie dóórdenkt, is als een hulplijn voor wie aan meetkunde bezig is. Met die hulplijn, dit hulpbegrip dat ‘God’ ís, gáát het, kom je er uit. Dóórdenken is niet: je aan een probleem ontworstelen, het is functioneren. Mensengenencombinaties hebben als een vorm van mogelijk functioneren (→ endorfine): het dóórdenken = doordénken ≈ reflecteren (= de vraag ‘waar ben ik nu éigenlijk aan bezig?’ beantwoorden). Ook het verkennen van de eigen omgeving is ons als ‘taak’ ingeschreven (door God die, ons scheppend, ons schreef in DNA).

Ook schreef hij in ons het ‘samen doen’. Het functioneren in die vorm, mét soortgenoten, is dat wat, - misleid -, optreedt in de Operaties Barbarossa, de roofmoordtochten (die wij benoemd vinden als ontdekkingsreizen, ontwikkelingshulp, zending en missie. Let op: in de handen van de mohammedanen die hun geloof verbreidden worden de zwaarden duidelijk getekend. De eigen zendelingen en missionarissen worden apart van het KNIL gefotografeerd.). Wilhelm Reich schrijft ergens dat ‘je’ de inspiratie van het Nazisme moet ervaren, wil je het begrijpen en (eigen) deelname voorkómen. Die inspiratie is het genoemde ‘samen doen’. Het samen medemensen gaan bevrijden uit hun gevangenschap in ongeloof, of uit een andere ‘gevangenschap zonder vrijheden’.

Het ongeloof in goden bracht populariteit van het geloof in ‘de menselijke waardigheid’, een wel érg kleine vervanging voor ‘het te eerbiedigen zijn van alle levenden én de voorwaarden voor hun gebeuren’. Ophouden met rangschikken, daartoe wedijveren om te overtreffen, en met een plaag (te talrijk, onbenút zo talrijk) te zijn, dát zou moeten, als er iets zou moeten.
Bij nader toezien is er geen externe dwang dan van mijn soortgenoten, alleen díe kúnnen (wel of niet dus) op mij gericht zijn geraakt. Sabeltandtijgers die mij als prooi kunnen zien, zijn er hier nu niet. Steekmuggen en teken, ja die kunnen op mij gericht zijn.
Ik doe er goed aan die menselijke waardigheid te claimen, je weet maar nooit of het werkt. Dat claimen is als het met een slagwapen naar die steekmug slaan. Er zit niets extra’s aan vast. En het is even inefficiënt. Doeltreffend is het maken van een voldoende grote ruimte tussen ‘waar ik woon’ en ‘waar die steekmuggen leven’. Die ruimte moet voor die muggen een barrière zijn. Wij, geciviliseerden (= personen = spelers in dat spel waarin we ons rangschikken en daartoe streven anderen te overtreffen), willen niet meer deel van de natuur zijn. Die natuur is buiten ons spel, als ze het speelveld betreedt, is dat storend. Dat natuurvrij houden van onze wereld, onze stad, ons speelveld, kan alleen als we zulke barrières inrichten en onderhouden (= steriel, onleefbaar houden).

*) Ik schreef: maaksels, nee: scheppingen. Wij mensen scheppen niet, wij maken. Maaksels liggen stil. Maaksels zijn gereedschap. Maaksels doen niets. Neem een modern supermaaksel: een dam in een rivier met een elektriciteitscentrale er in die volledig geautomatiseerd is. Door dat maaksel heen stroomt water, dat gebeurt en het gebeuren van het maaksel is schijn. Het schijnbare gebeuren, ja ‘doen’, van dat maaksel wordt gedaan door iets (de waterstroom ← het natuurgebeuren) (buiten het maaksel).
Er zit geen leven in een maaksel, geen entelechie. Het groeit niet, het bloeit niet, het draagt geen vrucht.
Ik heb geen drang om over bio-industrie en gentechnologie te schrijven. Het biologisch - biochemisch produceren van robots (= slaven, gebruiksmensen) is niet wezenlijk anders dan dat produceren met mechanieken en elektrische bronnen van kracht → beweging en sturing.
Slaven maken = slaven maken, hoe dan ook.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *