B>type totgrenz.txt
.pl68
.mb2
.mt2
.hm2
.op
.he corr.040387 / file totgrenz.txt / schijf blauw 4/ blz. #
Niet slechts zijn de uit cultuur afkomstige voorschriften (deugden, goed en
kwaad) voor mens-zijn opgeheven, het leven is er uit getrokken, uit de mens.
Niet slechts zijn de cultuurreligies overwonnen door de civilisatie, juist ook
de "kinderlijke" natuurreligieuze houding is tenietgedaan (het onbewust,
zonder begrippen, zonder woorden en zonder bespreking leven, levends,
levendigs om je heen aanwezig achten): het beleven van wat is.
Goed en kwaad verdwenen, jawel, maar ook is het leven weg uit de omgeving en
uit de omstanders: de anderen zijn evenzeer dingen en verschijnselen als de
omstandigheden. Het politieke en intellectuele klimaat is een klimaat. Zonder
afzender en zonder geadresseerde. Het wereldgebeuren is een gebeuren, geen
daad. En datzelfde geldt voor alle dat wereldgebeuren samenstellende delen en
deeltjes. De toerekeningsvatbaarheid van daders wordt als begrip gehandhaafd
om de juristen in kwestie werkgelegenheid te kunnen blijven geven. Het
toerekenen van hetgeen gebeurt aan daders is een onwerkzaam middel, zeker ook
doordat het niet consequent en volledig wordt toegepast. Het invoeren van een
verbod of gebod komt voor alle practische doeleinden neer op het
totstandbrengen van misdaad. Mensen met drugs en gokken (volledig ongemoeid)
laten-doen en laten-organiseren en laten-aanbieden is de enige manier om de er
nu aan klevende misdaad kwijt te raken. Dat weet iedereen en dat wordt ook
openlijk voor televisie gezegd. Het vasthouden aan de verboden en geboden is
dan ook een religieuze daad, een gebaar dus.
Mens en gras zijn beide veelvoorkomende verschijnselen die we nog enige tijd
'levensvormen' zullen blijven noemen, later voeren we wel een andere term in,
als we genentechnologisch wat verder zijn. Mens en gras zijn organisch spul,
materiaal, resp. met en zonder willekeurig (uit angst) toegevoegde "adel".
Van 'levensvorm' kunnen we blijven spreken ook al is het leven door onze
wetenschappers uit het levende weg besproken en weg onderzocht.
Let op: ik pleit hier niet voor een vitalisme, voor het (s)preken over
elan vital, over een losse geest of losse onsterfelijke ziel. Dat was.
Ook van 'schepsel' en 'schepping' kunnen we blijven spreken lang nadat de
schepper als concept [bedenksel, denkmiddel, denkspeelgoed, manipuleermiddel]
is herkend en daardoor "gestorven". Wat er gebeurde was niet dat er een God
stierf, maar dat de denkende mens een stuk leven kwijtraakte en dat dus niet
langer kon plaatsen in zijn omgeving, achter de evolutieverschijnselen en / of
achter de wereldgebeurtenissen. De mensen dachten zich los van al wat leeft,
inclusief van zichzelf als dier.
Het opvatten van een natuurramp zoals AIDS als een straf van God, komt neer op
het waarnemen van een teken van leven van die God. Dat loont, dat ontkent de
doodheid die in ONS is gevaren.
De wetenschappelijken leren ons: hetgeen mede door ons, mensen, "levenden"
gebeurt (want gedaan wordt), gebeurt nog slechts, onbestuurd door ons of door
enige god.
Het leven bleek weg te denken. Blijkbaar was het leven een bedenksel. Volgt
dat daaruit echt ? Alleen bedenksels zijn weg te denken, door andere begrippen
(concepten, verzinsels) te vervangen. De mens is een chemisch proces als alle
andere. De mens is niet slechts een zoogdier als alle andere (daar was
menigeen een eeuw of anderhalf geleden nog bang van: als de mens niet meer
boven het dier staat, wat beschermt hem dan nog tegen het geweld dat in de
civilisatie woedt?).
De hanterende wetenschap bracht de doodsheid op het beeldscherm van ons
bewustzijn.
De civilisatie doet dit:
Eerst wordt het samenlevende geheel van mensen geisoleerd van het levende
ecosysteem: men hakt een plek open in het grote bos en daar komt dan de
blokhut, de stad. Verder leeft men hygienisch, men houdt een dunne laag
niemandsland tussen zichzelf enerzijds en de parasieten anderzijds, men wast
zich niet slechts, men houdt zich de luizen, de vlooien en later zelfs de
bacterien van het lijf en later zelfs uit het huis. Men doodt met product X
"99% van de huishoudbacterien". Zo leert ons de reclame. Op een afstand houden
is al niet meer genoeg. Zomin als bij het omgaan met "schadelijke"
andersoortige levensvormen het genoeg is de gewassen en voorraden onbereikbaar
te houden voor die wezens, nee, die wezens had men (met chemische
oorlogvoering) het liefst uitgeroeid.
Wie geciviliseerd is, is bezitter geworden, bevoorrechte, samenstellend deel
van die (zijn) civilisatie.
Bezitten is een vorm van gek-zijn, een overreactie op onveiligheid en onmacht
en op de afwezigheid van vertrouwen op blijvende levensmogelijkheden-voor-jou
in jouw omgeving. In voorraad houden en voor gebruik gereed is een ding, het
aan anderen onthouden van benutting is veel meer. Het buiten gebruik, buiten
benutting houden (cfr het betoog van Veblen; weidegrond rond Versailles als
gazon in opzettelijk onbruik) is nog weer gekker.
De bevoorrechte ingezetene (pleonasme !) van de civilisatie (de bezittende
mens) is nog gekker geworden: de verschillen tussen 'binnen' en 'buiten' (de
civilisatie) zijn moeten de verschillen tussen leven en dood, tussen hemel en
hel zijn, moeten extreem zijn. De potentiele dief en de (vermeende) concurrent
en medebenutter moeten dood.
De niet langer als middel herkende aangebrachte scheiding (tussen wat binnen
is en wat buiten is) moet absoluut worden, dan is ze er niet langer als grens,
dan is ze nog slechts het einde van de ruimte waarin de geciviliseerden zijn.
Dan is er niet langer een buiten, iets anders, een alternatief, een
verwerkelijkte andere mogelijkheid. Alternatieven mogen niet zijn: geen
alternatieve systemen bijvoorbeeld, zoals communisme en kapitalisme: binnen
beide vooronderstelt men de vernietigingsplannen voor zichzelf bij de ander
klaar te liggen.
De rigoreuze scheiding tussen binnen (veilig) en buiten (onveilig,
onbewoonbaar) dient om het binnen opgesloten gevangen zitten te kunnen
opvatten als het binnen veilig besloten te zitten. De illusie is dat men de
sloten zelf heeft aangebracht en gesloten. Dat is niet zo, we hebben noch
zoeken zelf de sleutel. De vraag kan zelfs gesteld worden of de deur wel op
slot zit. We doen wat we doen, we zoeken noch beproeven systematisch
alternatieven.
Echt leven zou omvatten (1) het weten van het steeds maar binnen blijven en
(2) het proberen naar buiten te gaan. Om tot dat echt leven te komen dienen
we, is het technisch nodig dat we, eerst ophouden te vergeten dat 'stilzitten
gecompenseerd door gymnastiek' het surrogaat voor 'gewoon kind zijn' is. Het
surrogaat dat wij op school hebben leren aanvaarden. We moeten inzien dat het
rijden van rondjes in een auto, zelf sturend, van huis naar huis een surrogaat
is voor het trekkende leven, een symbolisch gedrag, net als 'met vakantie
gaan' en 'vrije tijd besteden': totaal onecht, geen leven.
Het herkennen van de scheiding (tussen binnen en buiten) als middel brengt de
(oorzaak van de) angst weer in het bewustzijn. Hetgeen buiten de civilisatie
is (geen mens is, geen vee, geen cultuurgewas, geen inhoud van het
natuurmuseum / het reservaat) mag niet voortbestaan. Alles wat wild is, vrij,
geen bezit, moet weg, moet dood en moet dan vergeten worden. Elk 'buiten'
herinnert aan het onnodig zijn van het binnen-zijn. Dat kan geen
geciviliseerde zich veroorloven, dat bewust hebben van het onnodig-zijn van
het binnen-zijn. De ellende binnen (: het niet levend zijn, het onlevendige
bestaan) is daarvoor te groot en die ellende is nog steeds groeiende.
De mensen krijgen toestemming wraak te nemen voor het bevolen-zijn en
gehoorzaamd hebben, wraak op minstens alles wat geen mens is. Dat is het meest
verlichte en moreel hoogstaande wat ze op kunnen brengen: de hoogste vorm van
chauvinisme, nationalisme, rassisme is het soortisme: aller mensen
broederschap. We eerbiedigen dan alle andersoortige levende wezens die van
iemand anders zijn (huisdieren, vee, cultuurgewassen en tuinplanten) en verder
de inhoud van natuurreservaten (als bezit om te bekijken en te bestuderen en
als bron van genot).
We zijn dan zo beschaafd, beschaafder kan het niet.
Scheid je af van de rest van het ecosysteem en je wordt er bang van. Aan de
aangevallene wordt de agressie toegeschreven. Men spreekt van de bedreiging
die van de natuur, van het milieu uitgaat. (Denk hierbij ook aan films als
'Jaws' en 'The Birds'.)
Men zwelgt in het opblazen van natuurrampen en van onherbergzame
omstandigheden: men zoekt die te vertonen en in het bewustzijn te brengen:
expedities naar hoge bergen en naar de polen bijvoorbeeld. Bij gebrek aan
onoverwonnen moeilijkheden op aarde schrijft men nu over het leven in de
ruimte.
Prereflexief samen zijn met wat is, zonder milieu, is niet langer op de hoogte
van de tijd. De dood is een verzinsel, want alleen enkelingen kunnen doodgaan.
Om de dood te kunnen gebruiken als iets waarmee men iemand bedreigt moet die
iemand zich ervaren als los van wie en wat blijft leven. Als het niet lukte om
volksstammen op te breken in enkelingen, roeide men ze tot de laatste als
echte mens levende, dat wil zeggen: de laatste niet-enkeling, de laatste niet-
solitaire uit. De civilisatie, de massa der geciviliseerden kent geen grenzen
aan haar agressie. Wie zij niet met hun doodzijn (= hun angst, hun angstige
alleenzijn) kunnen besmetten, doden zij. Het doden van hele stammen en
volkeren en diersoorten werd niet per ongeluk en zonder vertoon gedaan, nee
het was en is openbare executie (uitvoering van een plan, een opzet).
Dood was en is een psychisch concept, niet bestand tegen denken. Het wegdenken
van de dood echter werkt niet zolang het leven onmogelijk is door het
voortbestaan van de civilisatie. Dus werd het leven weggedacht. Het leven als
toch al niet meer massaal optredend verschijnsel. De wilde, vrije mens, is
niet meer te vinden, dat volgroeide individu dat ontkwam aan de indoctrinatie
[met bezitten en met het enkeling-zijn dat daaraan te grondslag ligt] zonder
dat het ook taal en denken onthouden werd.
De concepten 'dood' en 'leven' bleken niet bestand tegen dat doordenken, dat
als technologie producerende wetenschap getolereerd werd, om het voordeel uit
techniek: de spullen, die bezeten kunnen worden.
Zonder de civilisatie te beeindigen is het concept 'dood' niet weg te krijgen.
Dus verdwijnt, verdween het concept 'leven'.
"Je praat over levende materie", sprak (060287) de moderator van een gesprek
over vivisectie heel objectief, zoals zijn taak was. "Waarom geldt de rem die
je als onderzoeker (verbruiker) van dieren hebt ten opzichte van mensen, niet
ook voor dieren?" vroeg de opponent/dierenbeschermer aan de onderzoeker. De
onderzoeker antwoordde dat dat zo was, dat die rem niet gold. En zo was het
dus. Dat is het ni.o.v.n wat de media doorgeven. Alles is open, voor zover het
niet dicht is.
Daarnaast, naast het afscheiden van wat binnen de menselijke samenleving,
binnen de wereld, is van wat erbuiten is, worden de menselijke enkelingen
aangemaakt door de groep op te delen, door toppresterende exemplaren anders te
behandelen dan de hele rest en door het privaat bezit in te voeren.
Wie als deel van een geheel goed voor zichzelf zorgt, is niet 'zelfzuchtig' in
de ogen van de andere delen van het geheel. Het leerstuk van de
onzelfzuchtigheid dateert van na de opdeling in enkelingen. De zelfzucht komt
niet uit de natuur als oorzaak van die opdeling.
De zich niet onderwerpende enkeling maakt zich tot individu als verzetsdaad na
het geisoleerd worden tot enkeling. Het individu heeft alle levendigheid nodig
voor zichzelf en die voorraad levendigheid is ook weer eindig.
Alles is nu dood. Wij zijn dood, dat is nu even waar als het waar was toen
Nietzsche vaststelde dat God dood was. Toen wisten de mensen dat nog niet, nu
wel. Ze kenden toen de waarheid van die uitspraak wel, zo kennen ze nu de
waarheid van de uitspraak dat zij dood zijn.
Wat zou leven moeten zijn ?
Wat zou zo kunnen heten ?
Het was mis, zodra we er over gingen denken, ons afvragend of onze computers
bewust en levend zouden worden, onze genentechnisch aangemaakt producten
levende schepsels zouden zijn. Het denken verjoeg het leven. Leven bleek niet
bewust te maken, niet te begrijpen.
IS HET TE DOEN ? Wat is levend bezig zijn?
We weten dat we dingen zijn, zo verschillend afgesteld dat we elkaar niet
langer kunnen (leren) hanteren, 'bedienen'. De maatschappij is verworden tot
een opeenhoping van met elkaar niet passend omgaande losse enkelingen. Sociale
intelligentie is niets anders ten aanzien van personen dan het
'Fingerspitzengefuehl' dat sommigen hebben tegenover computers.
De ander is een biologisch geproduceerde en door scholing en opvoeding
geprogrammeerde en van een data-basis voorziene robot/computer; we lijden
nogal onder
- het geringe bedieningsgemak,
- de gebruikersonvriendelijke programmering en vooral onder
- onze afwezige opleiding in het omgaan met deze apparaten die de anderen
zijn.
Van psychische mechanismen sprak Freud al rond 1900.
Nergens wordt meer leven gemeld, niet in een mens en niet om een mens. Met
alleen het eenzame, alleendenkende brein is het leven niet te bedenken. Ik heb
geen idee meer wat LEVEN zou moeten zijn, nee: van welke ervaringen, van welk
zijn 'leven' de naam zou moeten of kunnen zijn. Ik ben het kwijt. Zoals ik
vele jaren geleden het begrip 'menen' kwijtraakte, zo raakte ik dezer dagen
het begrip 'leven' kwijt. Ach ja, iedereen verliest wel eens wat.
Ik verwacht niet dat velen het begrip 'leven' weten te behouden tegen de
ononderbroken propaganda van de wetenschap in.
Iedere gelovige weet tegenwoordig dat hij een geloof heeft, het is niet langer
mogelijk te denken dat je het geloof hebt of om echt, dat is: prereflexief te
geloven. Daarmee is elk geloof verworden tot iets onechts. Alle goden zijn
dood. Gestorven door aanraking met elkaar.
Iedereen die op de hoogte van de tijd is, weet dat het spreken over de mens
als over een computer (geprogrammeerd en van een data-base voorzien) of als
over een mechaniek met drijfveren (opgewonden en overspannen) slechts
beeldspraak is. Dat inzicht is al populair. Het is de hoogste tijd om in te
zien dat ook het over de mens praten als over een mens, een niet-machine,
slechts een beschrijvingswijze, slechts het gebruiken van een begrippensysteem
is.
Ook dat begrippensysteem dient als zodanig herkend te worden en ontmaskerd als
een gebruiksding van geciviliseerden. Begrippensystemen waarmee ze zichzelf
beschrijven zijn in gebruik bij geciviliseerden en wel met de doelen die
geciviliseerden hebben: het goedpraten van hun gedrag en het dragelijk maken
en legitimeren van hun gevangenschap onder andere.
Dingen zijn er om weg te werpen, na verbruiken en om redenen van mode.
Vandaar: de mens is geen ding, geen machine, geen robot, geen computer, geen
mechaniek. Zoals ze vroeger 'geen dier' wilden zijn, tegen beter weten in.
Zoals ze geen heks wilden zijn in Europa in de middeleeuwen en geen communist
in de USA tijdens de koude oorlog (McCarthy).
De vraag in dit opstel is niet: 'ben jij een mens?'. De vraag is met het woord
mens niet te stellen, daar moeten we onderscheiden: functionaris, persoon,
individu bijvoorbeeld.
De vraag in dit opstel is: 'leef je?', 'leef je nog?', 'herinner je je nog dat
men je ging leven?', 'weet je nog van op tijd moeten leren doen en laten en op
bevel en initiatief van anderen?'.
Vooral buiten gebruik gestelden,- werkelozen, ouderen en arbeidsongeschikten
bijvoorbeeld -, komen weer in aanraking met die vraag. Zij worden niet langer
geleefd en zij zijn terug in de situatie van voordat anderen bestedingen kozen
voor hun (= der nu buiten gebruik gestelden) tijd, aandacht en energie. Voor
menig buiten gebruik gestelde blijkt nu dat er onvoldoende uitgroei is geweest
voorafgaand aan opvoeding, kleuterschool, lagere school en vervolgschool.
Zelfs surrogaten, door anderen uitgevonden hobbies, heeft menigeen niet kunnen
aanleren: er bleef daar toen geen tijd, aandacht en energie voor over naast
(van) het meedoen aan het door anderen georganiseerde.
Voor menigeen is de tijd die (na de geboorte) op eigen initiatief is gevuld te
kort geweest om nog enig helder idee te hebben van wat zelf leven, vrij,
buiten gebruik en buiten gevangenschap, anders dan consumerend, zou (kunnen)
zijn. Consumeren is een vorm van in gebruik zijn. De soevereine vorst is in
gebruik genomen door zijn dienaren, dat is al heel lang geleden gebeurd. De
soevereiniteit, het vorstje spelen, is overgenomen door de burgers nadat de
vorst was onthoofd. Iedere burger heeft zijn eigen Versailles-tuin-imitatie,
zijn eigen (als zich vertonende dienaressen in Parijse revues van enige tijd
terug geklede) vrouw, zijn eigen "cuisine", kortom zijn eigen modieuze en
eigen smaak etalerende hof(houding) en kleding en stijl. Allemaal Lodewijken
zodra, zolang en inzoverre ze het betalen kunnen. De arbeider z'n zondagse pak
sluit daarop aan: die bootst de burger weer na.
Dat alles is niet 'echt leven', het is binnen de civilisatie vorstje spelen,
zodoende als rad van avontuur werkend voor de ondernemers die nieuwe goederen
en diensten aanbieden, op de markt brengen. Aan dat spelletje kunnen de niet
al te goed betaalde uitkeringsafhankelijken ook vrijwel niet meedoen.
Zij zijn weliswaar nog als consument in gebruik, maar niet als rad van
avontuur voor het oude, qua vorm nieuwe: de nieuwvormige luxe ter consumptie.
'Mens' was je pas, zo leerde je, als je voldeed aan eisen van (1)
beschaafdheid (niet meteen aanvallen op je eten, zoals de varkens en niet
smakken enz. enz.) en (2) bewustheid ("denk nou toch eens na bij wat je
doet") en later, van (3) consumptie van wat 'in' was: (je bent wat je hebt en
pas als je hebt).
--//einde//--
0 Reacties