Goed en kwaad zijn verdwenen, maar ook het leven is weg

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: onbewerkte versie

B>type totgrenz.txt

.pl68

.mb2

.mt2

.hm2

.op

.he      corr.040387 /  file totgrenz.txt / schijf blauw 4/ blz. #

Niet slechts zijn de uit cultuur afkomstige voorschriften (deugden, goed en

kwaad) voor mens-zijn opgeheven, het leven is er uit getrokken, uit de mens.

Niet slechts zijn de cultuurreligies overwonnen door de civilisatie, juist ook

de "kinderlijke" natuurreligieuze houding is tenietgedaan (het onbewust,

zonder begrippen, zonder woorden en zonder bespreking leven, levends,

levendigs om je heen aanwezig achten): het beleven van wat is.

 

Goed en kwaad verdwenen, jawel, maar ook is het leven weg uit de omgeving en

uit de omstanders: de anderen zijn evenzeer dingen en verschijnselen als de

omstandigheden. Het politieke en intellectuele klimaat is een klimaat. Zonder

afzender en zonder geadresseerde. Het wereldgebeuren is een gebeuren, geen

daad. En datzelfde geldt voor alle dat wereldgebeuren samenstellende delen en

deeltjes. De toerekeningsvatbaarheid van daders wordt als begrip gehandhaafd

om de juristen in kwestie werkgelegenheid te kunnen blijven geven. Het

toerekenen van hetgeen gebeurt aan daders is een onwerkzaam middel, zeker ook

doordat het niet consequent en volledig wordt toegepast. Het invoeren van een

verbod of gebod komt voor alle practische doeleinden neer op het

totstandbrengen van misdaad. Mensen met drugs en gokken (volledig ongemoeid)

laten-doen en laten-organiseren en laten-aanbieden is de enige manier om de er

nu aan klevende misdaad kwijt te raken. Dat weet iedereen en dat wordt ook

openlijk voor televisie gezegd. Het vasthouden aan de verboden en geboden is

dan ook een religieuze daad, een gebaar dus.

 

Mens en gras zijn beide veelvoorkomende verschijnselen die we nog enige tijd

'levensvormen' zullen blijven noemen, later voeren we wel een andere term in,

als we genentechnologisch wat verder zijn. Mens en gras zijn organisch spul,

materiaal, resp. met en zonder willekeurig (uit angst) toegevoegde "adel".

Van 'levensvorm' kunnen we blijven spreken ook al is het leven door onze

wetenschappers uit het levende weg besproken en weg onderzocht.

      Let op: ik pleit hier niet voor een vitalisme, voor het (s)preken over

      elan vital, over een losse geest of losse onsterfelijke ziel. Dat was.

Ook van 'schepsel' en 'schepping' kunnen we blijven spreken lang nadat de

schepper als concept [bedenksel, denkmiddel, denkspeelgoed, manipuleermiddel]

is herkend en daardoor "gestorven". Wat er gebeurde was niet dat er een God

stierf, maar dat de denkende mens een stuk leven kwijtraakte en dat dus niet

langer kon plaatsen in zijn omgeving, achter de evolutieverschijnselen en / of

achter de wereldgebeurtenissen. De mensen dachten zich los van al wat leeft,

inclusief van zichzelf als dier.

Het opvatten van een natuurramp zoals AIDS als een straf van God, komt neer op

het waarnemen van een teken van leven van die God. Dat loont, dat ontkent de

doodheid die in ONS is gevaren.

De wetenschappelijken leren ons: hetgeen mede door ons, mensen, "levenden"

gebeurt (want gedaan wordt), gebeurt nog slechts, onbestuurd door ons of door

enige god.

Het leven bleek weg te denken. Blijkbaar was het leven een bedenksel. Volgt

dat daaruit echt ? Alleen bedenksels zijn weg te denken, door andere begrippen

(concepten, verzinsels) te vervangen. De mens is een chemisch proces als alle

andere. De mens is niet slechts een zoogdier als alle andere (daar was

menigeen een eeuw of anderhalf geleden nog bang van: als de mens niet meer

boven het dier staat, wat beschermt hem dan nog tegen het geweld dat in de

civilisatie woedt?).

 

De hanterende wetenschap bracht de doodsheid op het beeldscherm van ons

bewustzijn.

De civilisatie doet dit:

Eerst wordt het samenlevende geheel van mensen geisoleerd van het levende

ecosysteem: men hakt een plek open in het grote bos en daar komt dan de

blokhut, de stad. Verder leeft men hygienisch, men houdt een dunne laag

niemandsland tussen zichzelf enerzijds en de parasieten anderzijds, men wast

zich niet slechts, men houdt zich de luizen, de vlooien en later zelfs de

bacterien van het lijf en later zelfs uit het huis. Men doodt met product X

"99% van de huishoudbacterien". Zo leert ons de reclame. Op een afstand houden

is al niet meer genoeg. Zomin als bij het omgaan met "schadelijke"

andersoortige levensvormen het genoeg is de gewassen en voorraden onbereikbaar

te houden voor die wezens, nee, die wezens had men (met chemische

oorlogvoering) het liefst uitgeroeid.

Wie geciviliseerd is, is bezitter geworden, bevoorrechte, samenstellend deel

van die (zijn) civilisatie.

Bezitten is een vorm van gek-zijn, een overreactie op onveiligheid en onmacht

en op de afwezigheid van vertrouwen op blijvende levensmogelijkheden-voor-jou

in jouw omgeving. In voorraad houden en voor gebruik gereed is een ding, het

aan anderen onthouden van benutting is veel meer. Het buiten gebruik, buiten

benutting houden (cfr het betoog van Veblen; weidegrond rond Versailles als

gazon in opzettelijk onbruik) is nog weer gekker.

De bevoorrechte ingezetene (pleonasme !) van de civilisatie (de bezittende

mens) is nog gekker geworden: de verschillen tussen 'binnen' en 'buiten' (de

civilisatie) zijn moeten de verschillen tussen leven en dood, tussen hemel en

hel zijn, moeten extreem zijn. De potentiele dief en de (vermeende) concurrent

en medebenutter moeten dood.

De niet langer als middel herkende aangebrachte scheiding (tussen wat binnen

is en wat buiten is) moet absoluut worden, dan is ze er niet langer als grens,

dan is ze nog slechts het einde van de ruimte waarin de geciviliseerden zijn.

Dan is er niet langer een buiten, iets anders, een alternatief, een

verwerkelijkte andere mogelijkheid. Alternatieven mogen niet zijn: geen

alternatieve systemen bijvoorbeeld, zoals communisme en kapitalisme: binnen

beide vooronderstelt men de vernietigingsplannen voor zichzelf bij de ander

klaar te liggen.

De rigoreuze scheiding tussen binnen (veilig) en buiten (onveilig,

onbewoonbaar) dient om het binnen opgesloten gevangen zitten te kunnen

opvatten als het binnen veilig besloten te zitten. De illusie is dat men de

sloten zelf heeft aangebracht en gesloten. Dat is niet zo, we hebben noch

zoeken zelf de sleutel. De vraag kan zelfs gesteld worden of de deur wel op

slot zit. We doen wat we doen, we zoeken noch beproeven systematisch

alternatieven.

Echt leven zou omvatten (1) het weten van het steeds maar binnen blijven en

(2) het proberen naar buiten te gaan. Om tot dat echt leven te komen dienen

we, is het technisch nodig dat we, eerst ophouden te vergeten dat 'stilzitten

gecompenseerd door gymnastiek' het surrogaat voor 'gewoon kind zijn' is. Het

surrogaat dat wij op school hebben leren aanvaarden. We moeten inzien dat het

rijden van rondjes in een auto, zelf sturend, van huis naar huis een surrogaat

is voor het trekkende leven, een symbolisch gedrag, net als 'met vakantie

gaan' en 'vrije tijd besteden': totaal onecht, geen leven.

Het herkennen van de scheiding (tussen binnen en buiten) als middel brengt de

(oorzaak van de) angst weer in het bewustzijn. Hetgeen buiten de civilisatie

is (geen mens is, geen vee, geen cultuurgewas, geen inhoud van het

natuurmuseum / het reservaat) mag niet voortbestaan. Alles wat wild is, vrij,

geen bezit, moet weg, moet dood en moet dan vergeten worden. Elk 'buiten'

herinnert aan het onnodig zijn van het binnen-zijn. Dat kan geen

geciviliseerde zich veroorloven, dat bewust hebben van het onnodig-zijn van

het binnen-zijn. De ellende binnen (: het niet levend zijn, het onlevendige

bestaan) is daarvoor te groot en die ellende is nog steeds groeiende.

 

De mensen krijgen toestemming wraak te nemen voor het bevolen-zijn en

gehoorzaamd hebben, wraak op minstens alles wat geen mens is. Dat is het meest

verlichte en moreel hoogstaande wat ze op kunnen brengen: de hoogste vorm van

chauvinisme, nationalisme, rassisme is het soortisme: aller mensen

broederschap. We eerbiedigen dan alle andersoortige levende wezens die van

iemand anders zijn (huisdieren, vee, cultuurgewassen en tuinplanten) en verder

de inhoud van natuurreservaten (als bezit om te bekijken en te bestuderen en

als bron van genot).

We zijn dan zo beschaafd, beschaafder kan het niet.

 

Scheid je af van de rest van het ecosysteem en je wordt er bang van. Aan de

aangevallene wordt de agressie toegeschreven. Men spreekt van de bedreiging

die van de natuur, van het milieu uitgaat. (Denk hierbij ook aan films als

'Jaws' en 'The Birds'.)

Men zwelgt in het opblazen van natuurrampen en van onherbergzame

omstandigheden: men zoekt die te vertonen en in het bewustzijn te brengen:

expedities naar hoge bergen en naar de polen bijvoorbeeld. Bij gebrek aan

onoverwonnen moeilijkheden op aarde schrijft men nu over het leven in de

ruimte.

 

Prereflexief samen zijn met wat is, zonder milieu, is niet langer op de hoogte

van de tijd. De dood is een verzinsel, want alleen enkelingen kunnen doodgaan.

Om de dood te kunnen gebruiken als iets waarmee men iemand bedreigt moet die

iemand zich ervaren als los van wie en wat blijft leven. Als het niet lukte om

volksstammen op te breken in enkelingen, roeide men ze tot de laatste als

echte mens levende, dat wil zeggen: de laatste niet-enkeling, de laatste niet-

solitaire uit. De civilisatie, de massa der geciviliseerden kent geen grenzen

aan haar agressie. Wie zij niet met hun doodzijn (= hun angst, hun angstige

alleenzijn) kunnen besmetten, doden zij. Het doden van hele stammen en

volkeren en diersoorten werd niet per ongeluk en zonder vertoon gedaan, nee

het was en is openbare executie (uitvoering van een plan, een opzet).

 

Dood was en is een psychisch concept, niet bestand tegen denken. Het wegdenken

van de dood echter werkt niet zolang het leven onmogelijk is door het

voortbestaan van de civilisatie. Dus werd het leven weggedacht. Het leven als

toch al niet meer massaal optredend verschijnsel. De wilde, vrije mens, is

niet meer te vinden, dat volgroeide individu dat ontkwam aan de indoctrinatie

[met bezitten en met het enkeling-zijn dat daaraan te grondslag ligt] zonder

dat het ook taal en denken onthouden werd.

 

De concepten 'dood' en 'leven' bleken niet bestand tegen dat doordenken, dat

als technologie producerende wetenschap getolereerd werd, om het voordeel uit

techniek: de spullen, die bezeten kunnen worden.

Zonder de civilisatie te beeindigen is het concept 'dood' niet weg te krijgen.

Dus verdwijnt, verdween het concept 'leven'.

 

"Je praat over levende materie", sprak (060287) de moderator van een gesprek

over vivisectie heel objectief, zoals zijn taak was. "Waarom geldt de rem die

je als onderzoeker (verbruiker) van dieren hebt ten opzichte van mensen, niet

ook voor dieren?" vroeg de opponent/dierenbeschermer aan de onderzoeker. De

onderzoeker antwoordde dat dat zo was, dat die rem niet gold. En zo was het

dus. Dat is het ni.o.v.n wat de media doorgeven. Alles is open, voor zover het

niet dicht is.

 

Daarnaast, naast het afscheiden van wat binnen de menselijke samenleving,

binnen de wereld, is van wat erbuiten is, worden de menselijke enkelingen

aangemaakt door de groep op te delen, door toppresterende exemplaren anders te

behandelen dan de hele rest en door het privaat bezit in te voeren.

Wie als deel van een geheel goed voor zichzelf zorgt, is niet 'zelfzuchtig' in

de ogen van de andere delen van het geheel. Het leerstuk van de

onzelfzuchtigheid dateert van na de opdeling in enkelingen. De zelfzucht komt

niet uit de natuur als oorzaak van die opdeling.

De zich niet onderwerpende enkeling maakt zich tot individu als verzetsdaad na

het geisoleerd worden tot enkeling. Het individu heeft alle levendigheid nodig

voor zichzelf en die voorraad levendigheid is ook weer eindig.

 

Alles is nu dood. Wij zijn dood, dat is nu even waar als het waar was toen

Nietzsche vaststelde dat God dood was. Toen wisten de mensen dat nog niet, nu

wel. Ze kenden toen de waarheid van die uitspraak wel, zo kennen ze nu de

waarheid van de uitspraak dat zij dood zijn.

 

Wat zou leven moeten zijn ?

Wat zou zo kunnen heten ?

Het was mis, zodra we er over gingen denken, ons afvragend of onze computers

bewust en levend zouden worden, onze genentechnisch aangemaakt producten

levende schepsels zouden zijn. Het denken verjoeg het leven. Leven bleek niet

bewust te maken, niet te begrijpen.

IS HET TE DOEN ? Wat is levend bezig zijn?

 

We weten dat we dingen zijn, zo verschillend afgesteld dat we elkaar niet

langer kunnen (leren) hanteren, 'bedienen'. De maatschappij is verworden tot

een opeenhoping van met elkaar niet passend omgaande losse enkelingen. Sociale

intelligentie is niets anders ten aanzien van personen dan het

'Fingerspitzengefuehl' dat sommigen hebben tegenover computers.

De ander is een biologisch geproduceerde en door scholing en opvoeding

geprogrammeerde en van een data-basis voorziene robot/computer; we lijden

nogal onder

- het geringe bedieningsgemak,

- de gebruikersonvriendelijke programmering en vooral onder

- onze afwezige opleiding in het omgaan met deze apparaten die de anderen

zijn.

 

Van psychische mechanismen sprak Freud al rond 1900.

 

Nergens wordt meer leven gemeld, niet in een mens en niet om een mens. Met

alleen het eenzame, alleendenkende brein is het leven niet te bedenken. Ik heb

geen idee meer wat LEVEN zou moeten zijn, nee: van welke ervaringen, van welk

zijn 'leven' de naam zou moeten of kunnen zijn. Ik ben het kwijt. Zoals ik

vele jaren geleden het begrip 'menen' kwijtraakte, zo raakte ik dezer dagen

het begrip 'leven' kwijt. Ach ja, iedereen verliest wel eens wat.

 

Ik verwacht niet dat velen het begrip 'leven' weten te behouden tegen de

ononderbroken propaganda van de wetenschap in.

Iedere gelovige weet tegenwoordig dat hij een geloof heeft, het is niet langer

mogelijk te denken dat je het geloof hebt of om echt, dat is: prereflexief te

geloven. Daarmee is elk geloof verworden tot iets onechts. Alle goden zijn

dood. Gestorven door aanraking met elkaar.

 

Iedereen die op de hoogte van de tijd is, weet dat het spreken over de mens

als over een computer (geprogrammeerd en van een data-base voorzien) of als

over een mechaniek met drijfveren (opgewonden en overspannen) slechts

beeldspraak is. Dat inzicht is al populair. Het is de hoogste tijd om in te

zien dat ook het over de mens praten als over een mens, een niet-machine,

slechts een beschrijvingswijze, slechts het gebruiken van een begrippensysteem

is.

 

Ook dat begrippensysteem dient als zodanig herkend te worden en ontmaskerd als

een gebruiksding van geciviliseerden. Begrippensystemen waarmee ze zichzelf

beschrijven zijn in gebruik bij geciviliseerden en wel met de doelen die

geciviliseerden hebben: het goedpraten van hun gedrag en het dragelijk maken

en legitimeren van hun gevangenschap onder andere.

Dingen zijn er om weg te werpen, na verbruiken en om redenen van mode.

Vandaar: de mens is geen ding, geen machine, geen robot, geen computer, geen

mechaniek. Zoals ze vroeger 'geen dier' wilden zijn, tegen beter weten in.

Zoals ze geen heks wilden zijn in Europa in de middeleeuwen en geen communist

in de USA tijdens de koude oorlog (McCarthy).

 

De vraag in dit opstel is niet: 'ben jij een mens?'. De vraag is met het woord

mens niet te stellen, daar moeten we onderscheiden: functionaris, persoon,

individu bijvoorbeeld.

De vraag in dit opstel is: 'leef je?', 'leef je nog?', 'herinner je je nog dat

men je ging leven?', 'weet je nog van op tijd moeten leren doen en laten en op

bevel en initiatief van anderen?'.

Vooral buiten gebruik gestelden,- werkelozen, ouderen en arbeidsongeschikten

bijvoorbeeld -, komen weer in aanraking met die vraag. Zij worden niet langer

geleefd en zij zijn terug in de situatie van voordat anderen bestedingen kozen

voor hun (= der nu buiten gebruik gestelden) tijd, aandacht en energie. Voor

menig buiten gebruik gestelde blijkt nu dat er onvoldoende uitgroei is geweest

voorafgaand aan opvoeding, kleuterschool, lagere school en vervolgschool.

Zelfs surrogaten, door anderen uitgevonden hobbies, heeft menigeen niet kunnen

aanleren: er bleef daar toen geen tijd, aandacht en energie voor over naast

(van) het meedoen aan het door anderen georganiseerde.

Voor menigeen is de tijd die (na de geboorte) op eigen initiatief is gevuld te

kort geweest om nog enig helder idee te hebben van wat zelf leven, vrij,

buiten gebruik en buiten gevangenschap, anders dan consumerend, zou (kunnen)

zijn. Consumeren is een vorm van in gebruik zijn. De soevereine vorst is in

gebruik genomen door zijn dienaren, dat is al heel lang geleden gebeurd. De

soevereiniteit, het vorstje spelen, is overgenomen door de burgers nadat de

vorst was onthoofd. Iedere burger heeft zijn eigen Versailles-tuin-imitatie,

zijn eigen (als zich vertonende dienaressen in Parijse revues van enige tijd

terug geklede) vrouw, zijn eigen "cuisine", kortom zijn eigen modieuze en

eigen smaak etalerende hof(houding) en kleding en stijl. Allemaal Lodewijken

zodra, zolang en inzoverre ze het betalen kunnen. De arbeider z'n zondagse pak

sluit daarop aan: die bootst de burger weer na.

Dat alles is niet 'echt leven', het is binnen de civilisatie vorstje spelen,

zodoende als rad van avontuur werkend voor de ondernemers die nieuwe goederen

en diensten aanbieden, op de markt brengen. Aan dat spelletje kunnen de niet

al te goed betaalde uitkeringsafhankelijken ook vrijwel niet meedoen.

Zij zijn weliswaar nog als consument in gebruik, maar niet als rad van

avontuur voor het oude, qua vorm nieuwe: de nieuwvormige luxe ter consumptie.

 

'Mens' was je pas, zo leerde je, als je voldeed aan eisen van (1)

beschaafdheid (niet meteen aanvallen op je eten, zoals de varkens en niet

smakken enz. enz.) en (2) bewustheid ("denk nou toch eens na bij wat je

doet") en later, van (3) consumptie van wat 'in' was: (je bent wat je hebt en

pas als je hebt).

 

                                --//einde//--

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *