Jaap Schot, 1984
MEER GEBEUREN DAN DOEN+LATEN
ALLES WAT GEDAAN WORDT, GEBEURT, maar niet alles wat gebeurt wordt gedaan. Men heeft zelfs achter het toeval zich wel iemand (vrouwe fortuna) gedacht. Een onoverzichtelijke grote horde goden en godjes is als daders achter alles wat er gebeurde gedacht, gepostuleerd. Zulke daders waren dan weer al of niet verbiddelijk. Dit was bedenksel (fictie) achter het waarneembare gebeuren. Daders met macht waren projecties van de heren der civilisatie. De mensen die zo dachten konden zichzelf ten aanzien van hetgeen hen werd aangedaan (door mensen, heren met name) en tegenover wat hen overkwam (vanwege de natuur) dezelfde houding innemen: verdragend, passief, smekend, pleitend, biddend, vragend, verlangend, hopend, machteloos, vertrouwend, berustend, onhandig. Dat innemen van slechts één houding tegenover alles wat gebeurt, is een gewoonte die nog die van veel mensen is.
INDELEN VAN WAT GEBEURT IN WAT GUNSTIG EN ONGUSTIG IS voor de indeler hoort al in de vorige opstelling thuis. Het animisme, het geloof dat de schepsels en verschijnselen medeschepsels zijn, met ook een wil, ook aanspreekbaar, ook belangen enz. hoort in de tijd van voor de inval van de overheersing van de ene mens door de ander. Het animisme hoor bij de cultuur en bij het nomadische bestaan, niet bij de civilisatie. Het animisme werkt met een vrijwel onbeperkt aantal medegeesten waarmee iedereen rekening moet houden. De godenwerelden van de civilisaties zijn bevolkt met een groot, maar beperkt aantal bazen, heren. Die goden (he ren) zijn niet zelden de baas over diverse verschijnselen en over abstracte regelingen en gunstenverlening. De zegen vragen van de een of andere god over het jagen is iets totaal anders dan het aanspreken van het jachtdier dat men doodde.
DE DUIVEL EN DE GOEDE GOD
Een combinatie van weinige voor veel verantwoordelijke goeden uit de civilisatie enerzijds en het indelen van wat er gebeurt in gunstig resp. ongunstig voor de indeler, levert het bovengenoemde tweetal op. Het is een ontwikkeling van de natuurvijandigheid en van de vervreemding van de natuur. De andere levende wezens en hun belangen komen niet meer in de fantasieën van de tweegoden- denkers voor. Er is alleen nog gunstig voor mij ("goed") en ongunstig voor mij ("kwaad"). Dat kan per aanbidder en per groep aanbidders worden gedacht, dat verandert niets aan het schema. De duivel en de goede god gebruiken beide de natuurverschijnselen om resp. rot en wel te doen. Ze zijn die natuur niet. De schepper van de natuur is als goede god ook niet bruikbaar. Daar heeft men dan ook mee zitten sukkelen, zoals uit de bijbel blijkt. Van die schepper en beheerder zouden zowel goed als kwaad komen, en dat is teveel voor één bron.
WERKGEVERS EN WERKNEMERS
OPHOUDEND MET HET ZICH DENKEN VAN ANDERE DADERS DAN MENSEN ging iemand ertoe over het schema goed en kwaad te behouden en de natuur als ongelijkwaardig buiten beschouwing te laten. Van alles wat er gebeurt is slechts dat wat door de mensen gedaan wordt echt van belang, de natuur is er om haar te bestrijden en te gebruiken, wat neerkomt op misbruiken en verbruiken, maar omdat de natuur toch niet meetelt, tenzij als vagelijk een aanvullende bron van kwaad, maakt dat niet uit. Liefst zou ik geen namen noemen, maar zo'n term als vulgair-marxisten is toch wel bruik baar hier : ze zijn eventueel het onderdrukken van HET in zich, dat is van de natuur in zich, als instructie wel kwijt of eraan ontkomen, maar de natuur buiten hen is er ter exploitatie. Hun belangrijkste categorie is heer-knecht, maar die verhouding den ken ze zich niet binnen hun vel (de geest heerst over het lichaam), maar tussen zichzelf (werknemer-knecht-in-opstand) enerzijds en de werkgevers anderzijds, buiten hun vel dus.
Het kwade komt nu van het kapitaal, via de werkgevende kapitalist. In dit verband vind ik het nodig even door te denken en in te brengen dat de besteders en beleggers van geld velen zijn, via de institutionele beleggers (banken en pensioenfondsen) zijn wij alle het. De werkgevers zijn slechts wekdoorgevers. Zij moeten in opdracht van Koning Klant op de goedkoopste wijze voorzien in wat deze soevereine koning eist. Wat deze koning eist wordt niet zelden gebracht als "de maatschappij eist". Als geldbesteder kopen wij het goedkoopste en dat wordt nu eenmaal niet per defi nitie op de voor arbeider en milieu aangenaamste en beste wijze aangemaakt. Maar dat is ons allen als klant volkomen onverschil lig, de derde-wereld-winkels en coöperaties bewijzen het door zo weinig het monopolie, het alleenleveringsrecht van Koning Klant toegekend te krijgen. Door te bestaan laten deze winkels Koning Klant iedere dag weer bewijzen dat het geen onkunde en systeem dwang zijn die hem tot zijn kwaad doen brengen, maar pure onwil, beter nog: pure onverschilligheid. Koning Klant bewijst dat een mens leeft met een gebied 'n een niet-gebied. Mensen willen rekening houden met wat ze als van hen en bij hen beschouwen, met de rest niet.
Het kwade en het goede komen uit onszelf voort, we zijn allen medeplichtig. Het fantaseren van daders die geen mensen zijn achter wat er door mensenhand gebeurt, is fout. Er is geen duivel en geen goede god die door ons heen werken. ook zijn er niet, zoals bij de oude Grieken voor Troje, allerlei goeden door ons heen bezig.
We kunnen nu de neiging voelen te gaan zeggen dat het onze onverschilligheid ten opzichte van anderen, vreemden, buitenstaanders, maar volgens Jezus toch naasten, is, die achter ons doen en laten zit. Met al die op -heid eindigende woorden voeren we alleen maar nieuwe onzinnige verzinsels in. Ons benoemen van sommige verschijnselen als kwaad en sommige als goed, blijkt los gekomen te zijn van ons (h)(er)kennen als kwaad of goed. KENNEN ZOU GEDRAG ERVANUIT IMPLICEREN; KENNEN UIT MEN. Wij tegenwoordig hier praten maar wat maar handelen, tevreden als we zijn, niet naar wat we zeggen.
0 Reacties