Hangpotten

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 28 maart 2002

Lieden zoals ik, die niet uit de kringen der hoger geplaatsten kwamen, werden geschoold en opgeleid alsof er een plan was hen te laten deelnemen aan iets constructiefs, waar de ouderen aan bezig waren. Alsof: ze waren nergens aan bezig, niet aan iets constructiefs, ze waren gewoon in gebruik. Zogenaamd waren ze bij elkaar in gebruik, ze speelden immers dat ze democratisch hun eigen bazen kozen. De term ‘gebruik’ was helemaal niet in gebruik. “Zich zinvol ingeschakeld achten in het geheel van het zijnde” was het kenmerk van psychisch gezond zijn. [Rumke].
Hoe dan ook binnen de kortste keren was er een overmaat aan met deskundigheid en vaardigheden gevulde jongeren geproduceerd waarmee (zogenaamd ‘waarvoor’) ze niets wisten te doen. Ze, dat waren de leiders, de politici, de werkdoorgevers, uiteindelijk: de klanten. Klanten, dat zijn de lieden die de koopkracht uitoefenen. Klant is iedereen dus. De werkdoorgevers gokken er op dat ze kopers vínden voor wat ze laten maken en te koop aanbieden (ook diensten vallen hieronder). De werkdoorgevende ‘ondernemers’ gokken, dat zeggen ze ook zelf: ‘risico dragen’ heet dat. De anderen die koopkracht bundelen, de politici, doen dat terwijl ze suggereren dat zij niet gokken, maar doordenkend plannen maken en voorzien in nodigs en nuttigs. Als de mensen wier koopkracht via belasting gebundeld en door politici uitgeoefend wordt, heel slim en moreel o.k. waren, dán zouden ze zelf, samen, ongeregeerd, tot die uitgaven komen, die werkzaamheden laten uitvoeren, die nu door de politici worden besteld, opgedragen, aanbesteed.
Zo is het verhaal zolang het feit wordt verzwegen, dat er alleen maar gevochten wordt om rang en daartoe om aan onnodigs besteedbaar inkomen. Het doel is rangschikken en daartoe is het ongelijk verdelen van onnodigs technisch nodig. Ongelijk verdelen is dus het onmisbare middel? Nee, als er geen ‘ruimte’ is om onnodigs te produceren, te roven of te vinden of aan te maken, dan verdeelt men het nodige (eten en woongelegenheid en schoon water en goede kleding) ongelijk. Dan vertoont men zijn rang door zijn dikke, volgegeten vrouw te tonen, zoals nu hier zijn dure auto.
‘Ruimte’ betekent hier: gelegenheid èn vaardigheid, die moeten er immers beide tegelijk zijn. Overigens zou theoretisch zelfs het gehoorzamen aan “gij zult niet stelen’ een obstakel kunnen zijn, beter, consequenter met het beeld ‘ruimte’: een beperking, een verkleining, van die ‘ruimte’.
=======
28-3-02 13:17:
=======
Wij die gevuld werden met de voor ons uitgezocht vaardigheden en informatie (het curriculum van de onderwijs- en opleidingsinstituten), waren als levende hangpotten voor deze honing. Alleen: na enige tijd waren er zoveel potten met deze bewerkingsresultantes, dat men ze niet eens meer bewaarde. Er was geen plaats voor aan de zoldering en naar de inhoud was niet voldoende ‘koopkrachtige vraag’.
‘Resultante’, van resultaat was niet te spreken, omdat de zorgvuldigheid bij het aanmaken al lang was opgegeven: iedereen voelde de futiliteit van de aanmaak aan, behalve sommige van de gebruikte kinderen, scholieren, leerlingen, studenten zelf, met name die onder hen die thuis niet langs de scholing en ‘het nieuws’ heen te weten kwamen hoe de wereld in elkaar zit, wat er gespeeld wordt, ‘waar het aas ligt’.
====
“Ómscholen’ noemde men het heropleiden, het bijvullen met andere inhoud, van die onherroepelijk tot hangpot omgebouwde (ooit potentieel ‘vrije’) mieren (nu ja, mensen dan, geciviliseerden dus: in gevangenschap ontvangen, gedragen, geworpen en getogen; als baby potentieel vrije mensen).
=======
Ómdefiniëren moeten wij, deze gebruikten, ons. Wij moeten stellen: wij zijn NIET wat ze van ons maakten (en/of lieten worden): wij zijn nog steeds potentieel vrije mensen. Potentieel, niet actueel.
Vrij worden is geen proces, maar een beslissing. Er verloopt geen tijd tussen beslissing en zijn. Vrij zijn is geen bezigheid waarvoor vaardigheden moeten worden aangeleerd.
Vrij zijn levert wel een hoop denkwerk op, want: alles wat wij opmerken, waarnemen, KENNEN, kunnen we niet langer zomaar door de oude apperceptieve massa in onze hersenen laten interpreteren. In die apperceptieve massa zit onze onvrijheid, die wij zojuist verworpen, verlaten, hebben. Er spreekt NIETS meer vanzelf. Niets van wat wij vernemen van onze apperceptieve massa, niet wat we, zoals gewoonlijk, voelen dus en ook met name niet dat wat we met ons geestesoor horen van onze tekstaanmaker.
=======
Om een manier te hebben om er over te praten: het gestichte vrije IK staat afstandelijk, kritisch, nuchter, tegenover het oude, mij aanklevende ik dat samenvalt met mijn apperceptieve massa, dat is: met dat ding waar ‘ze’ en het toeval samen mij meegaven en dat nu grotendeels onbruikbaar blijkt. Als vrij mens zoek ik natuurlijk niet wéér een ‘rol’, een maatschappelijke positie als hangpot.
=======
Ik ben nu vrij en doe slechts wat afgedwongen wordt, wat voorwaardelijk wordt gesteld om te mogen voorzien in wat voor mij hier nu nodig is: om te mogen nemen wat ik hebben moet, nodig heb, aan eten, rust, beweging, enz..
======
Vrij zijn en een rang verlangen, nastreven, hebben of suggereren zijn onverenigbaar. Het is als de verhouding van een burger tot de gerangschikte militairen. Een burger heeft en verlangt geen rang. Hij is buiten. Zo is het met de vrije mens en de civilisatie ook. Wie ik als vrij mens ook tegenkom: hij is mijn mindere, noch mijn meerdere. Het komt in een vrij mens niet op zich met een ander te meten. Ook het keuren van een ander en zijn gedrag zijn totaal buiten beeld. Vrije mensen spelen geen spel met elkaar, er zijn dus geen regels.
=======
Een van de grootste rampen is het wanneer een stel geciviliseerden als eerste en enige bericht omtrent vrij zijn hoort dat er geen regels zijn. Psychopaten.
==//28-3-02 14:07\\==||

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *