Het verhaal is…

Categorieën: Onder de loep Jaap's teksten

Trefwoorden:

In een commentaar op publicaties in het blad "De Vrije Gedachte", richtte Jaap zijn pijlen op – in zijn ogen – verkeerd lezen van verhalen. In een kritische analyse worden die publicaties en Jaap's reactie naast elkaar gelegd. Het lijkt erop dat de betrokken spelers in dit "debat" vooral langs elkaar heen praten, omdat de beelden die men heeft over personen en begrippen onduidelijk zijn, dan wel van elkaar verschillen...

Jan Schot, 1 februari 2021

Uitgangspunt in dit artikel is Jaap's kopij voor "De Vrije Gedachte". Daarin reageert hij op twee bijdragen uit de editie van november 1999: Paul Hopsters bespreking van Maarten ’t Harts boek “Wie God verlaat heeft niets te vrezen” en Tony Akkermans’ brief over het aantal gelovigen op aarde, anno 2000 meer dan ooit.
In deze teksten is er mijns inziens vooral sprake van zowel het uitvechten van schijncontroverses als elkaar tegensprekende “beelden”. Het gaat er mij in dit artikel uitdrukkelijk niet om wie toentertijd gelijk had of niet, maar om te laten zien wat er gebeurt binnen en tussen verhalen.

“Het verhaal is…”

Nadat ik hem een vraag gesteld heb over een episode uit zijn verleden, gaat Jaap op zijn praatstoel zitten en begint met de woorden “Het verhaal is…”
Eerlijk gezegd, vermoedde ik bij die beginwoorden al dat ik niet te horen zou krijgen wat er in werkelijkheid was gebeurd. Ik denk echter niet zozeer dat me iets op de mouw werd gespeld, of dat ik opzettelijk op een “leugentje” werd getrakteerd. 1 Veeleer voelde ik me gewaarschuwd dat er informatie uit het geheugen zou worden opgediept.

Bij het opslaan in het geheugen, is de neiging de zaken mooier voor te stellen, sterker dan een historisch juist verslag te bewaren. Zo wordt het geheugen gevuld met verhalen, die we ook nog eens geregeld aanpassen. 2 De informatie over “daar en toen”, kan mede hierdoor sterk afwijken van hetgeen ooit feitelijk gebeurd is. Dit betekent dat “hier en nu” niet met zekerheid gezegd kan worden of het opgediepte verhaal nog overeenkomt met de werkelijkheid van toen.
Dat is ook helemaal niet ernstig, want – zoals Jaap herhaaldelijk schrijft in zijn opstellen – verhalen hoeven helemaal niet waar of “echt gebeurd” te zijn om ze niettemin goed te kunnen gebruiken als door-denk-gereedschap.

Over hoe om te gaan met verhalen verschilden Jaap en ik niet van mening. In de vele epistels waarmee we elkaar bestookten in onze correspondentie, gebruikten we zowel verhalen van Marten Toonder als verhalen uit afleveringen van de televisieserie Star Trek. Uiteraard zonder ook maar een moment te geloven in “de sloven” of The Borg. Maar goed, verhalen zijn – evenals personages in verhalen – ook niet bedoeld om in te geloven.
En dat is nu net één van de dingen die Jaap wilde betogen in de eerdergenoemde kopij.

Misvattingen

Zowel Jaap als de vrijdenkers waarop hij reageerde, hebben in mijn ogen denkfouten gemaakt. Fouten in de zin van verkeerde interpretaties, inschattingen, vooronderstellingen en “beelden”. Van allen noem ik een voorbeeld van zo'n fout, waarna ik verder ga met mijn verhaal.
Mij valt op dat Jaap uitgaat van de vooronderstelling dat de Bijbel slechts een verhalenbundel is. Nu heb ik persoonlijk geen moeite met die gedachtegang, maar geldt dat ook voor de gelovigen en/of de vrijdenkers? Het maakt nogal een verschil of je de Bijbel beschouwt als een verhalenbundel of als een “heilig boek”, dunkt me. Geloven in de Bijbel kan me nog zo wezensvreemd in de oren klinken, maar dat neemt niet weg dat er hele volksstammen zijn die wel in een heilig boek geloven.

De getraumatiseerde schrijver

Paul Hopster lijkt met zijn bewering dat Maarten ’t Hart in zijn diepste wezen gekwetst was door de verhalen in de Bijbel, de plank enorm mis te slaan. Op gevaar af dat ik zijn boeken – De Schrift betwist I en II – destijds, ook alweer zo’n twintig jaar geleden, volslagen verkeerd gelezen heb, durf ik met een gerust hart te beweren dat ‘t Hart erg genoten heeft bij het schrijven van die boekjes. Ik heb ze altijd gezien als satire, nooit als “wetenschappelijke werkjes”.
Dat ‘t Hart de bijbelteksten heeft onderworpen aan een nauwgezet en eerlijk onderzoek, acht ik zeer weinig plausibel. Ik vermoed dat hij ook toen al dondersgoed het verschil tussen het schrijven van satire en het schrijven van wetenschappelijke teksten kende. Het komt mij voor dat Hopster zich, al dan niet willens en wetens, heeft laten foppen.

Begrijp me goed, ik wil best “geloven” dat Maarten ‘t Hart als kind heeft geleden onder dat soort vreselijke verhalen. Opzettelijke overdrijving door de schrijver zou me echter allerminst verbazen.
Hopsters bewering t Hart is door de bijbel getraumatiseerd vind ik wel erg boud. “Een straffe bewering vereist een straf bewijs”, zegt Johan Braeckman terecht – in zijn hoorcollege Kritisch denken. 3
Een dergelijk bewijs wordt niet geleverd. Wel terug te vinden is dat ‘t Hart door de jaren heen een onbetamelijke neiging heeft gehad – en misschien nog altijd heeft – om te provoceren.

Terzijde. Ik ben christelijk opgevoed zonder het idee dat de Bijbelverhalen letterlijk genomen moesten worden. Dat was de invloed van mijn vader. Mijn moeder is, net als Maarten ’t Hart, opgegroeid in een streng gereformeerd milieu. Mijn vermoeden is dat Dordrecht niet minder erg was dan Maassluis. Jaap en ik waren het er in ieder geval wel over eens dat zij door die opvoeding geleden heeft onder “geestelijke mishandeling”. Eerlijk gezegd, zou ik haar duizendmaal eerder getraumatiseerd noemen dan ‘t Hart. Angst voor de dood en de – vanwege de erfzonde, kennelijk onontkoombare – gang naar de hel, bleven tot op hoge leeftijd bestaan. Totdat een vergevorderde dementie een einde had gemaakt aan het hele gedachteleven, en dus ook aan alle angsten.

De schuldvraag bij de verloren schijnoorlog

Tony Akkermans begint zijn brief met de bewering dat er meer gelovigen op aarde zijn dan ooit tevoren. Vervolgens werpt hij de vraag op wiens schuld dat is. Het grote kwaad is voor hem kennelijk het geloof, het christendom voorop. Door de hele tekst heen maakt hij het christendom zwart. Geen moment is hij uit op een gesprek, maar stevent regelrecht af op een confrontatie.
Dat er wereldwijd zoveel gelovigen zijn, koppelt hij dus aan een schuldvraag. Voor mij komt die koppeling “uit het niets”. Sowieso is niet duidelijk waarom een bepaalde stand van zaken noodzakelijkerwijs de schuld van iets of iemand moet zijn. Ook Jaap moest weinig hebben van het alles doordringende “daderschap”. Ik denk dat de schuldvraag vaak meer kwaad dan goed heeft gedaan. Zo was de Kriegsschuldfrage na de Eerste Wereldoorlog een vruchtbare voedingsbodem voor revanchistische gevoelens, die mede geleid hebben tot de Tweede Wereldoorlog.

Paradoxaal genoeg kiest Akkermans bij het aanwijzen van de schuldigen voor de humanisten en/of vrijdenkers (in zijn ogen, ‘the good guys’), niet voor de gelovigen (‘the bad guys’). De vijandigheid tussen die twee groepen druipt af van de hele brieftekst. Zijn bewering Wij 4 zijn tolerant, politiek correct en hulpvaardig komt dan ook weinig geloofwaardig over. Zijn blinde vlek kan fraai in Bijbelse termen gegoten worden: hij ziet wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de balk in het eigen oog.

Mijn kritiek

Een goede maand nadat Jaap de zojuist besproken kopij voor “De Vrije Gedachte” (DVG) had geschreven, schreef hij een nieuw opstel “Voor DVG”. 5 Daarin gaf hij aan dat zijn commentaar en reactie te lang waren geworden, dat hij daarom een en ander maar op zijn website had geplaatst. Aanvankelijk vatte ik dat op als een typisch voorbeeld van “Het verhaal is…”.
Mijn eerste reactie was namelijk dat het helemaal niet waar was dat hij zijn commentaar en reactie op zijn website had gezet. Als je echter de opstellen die toentertijd op zijn website zijn geplaatst nader bekijkt, zie je dat het wel degelijk waar is. Zij het dat alles door de diverse opstellen heen geweven is.

Belangrijker nog is dat die tweede poging van Jaap, het opstel “Voor DVG”, vele malen duidelijker en gestructureerder is van opzet. Met name zijn analyse over de discrepantie tussen zijn beeld van de vrijdenkerij – “wetenschappelijken”, zoals hijzelf – enerzijds en wat hij aantrof bij de DVG-vrijdenkers anderzijds, is helder en duidelijk. Jaap was teleurgesteld over dat verschil, maar besefte ook dat hij degene was die een “wensplaat” hield naast de werkelijkheid.
In het vervolg van dit artikel maak ik dankbaar gebruik van de idee dat we zomaar kunnen aanlopen tegen ons – achteraf gezien, onjuiste – beeld van iets of iemand.

Het beeld van Maarten ’t Hart

Jaap meent, net als Paul Hopster, dat Maarten ’t Hart een letterlijke lezer van de bijbel is. In tegenstelling tot Jaap denk ik dat ’t Hart de Bijbel opzettelijk letterlijk leest om er vervolgens de draak mee te kunnen steken. Zoals eerder aangegeven, heb ik zowel het – door Hopster – besproken “Wie God verlaat heeft niets te vrezen” als het latere “De bril van God” altijd beschouwd als satire, een parodie op wetenschap bedrijven. Ergo, ik denk dat zowel de boekbespreker als Jaap, zijn satire niet hebben begrepen.
Gezien het nu volgende citaat, komt het me voor dat Jaap het boekje van ‘t Hart niet gelezen heeft, maar Hopster is gevolgd in diens beeld van ’t Hart 6 als letterlijke bijbellezer.

Hoe het ook zij, het feit dat deze eerste vijf bijbelboeken afgedrukt zijn als een gedicht, maakt je je er veel beter bewust van dat je te maken hebt met een fantastisch epos, met een groots gedicht, en daardoor schuift de vraag of je alles wat daar staat als letterlijke waarheid moet geloven, vanzelf naar de achtergrond. Niet dat dat nu nog een probleem voor me zou zijn, maar ik wou dat ik in mijn jeugd deze vertaling al had mogen bezitten. Dan zou mij heel wat vreugdeloos getob bespaard zijn gebleven. Dan had ik misschien toen al sneller en zonder al te veel gepieker ingezien dat we hier te maken hebben met een verheven sprookje dat uitnodigt tot declamatie en recitatie in plaats van geloof.
(Maarten ‘t Hart, Wie God verlaat heeft niets te vrezen, blz.17)

Ongelukkige voorbeelden

Wat ik in feite zie, is dat Jaap het – in zijn ogen, foute – verschijnsel “de Bijbel letterlijk lezen” wil aanwijzen, maar niet inzag dat Maarten ’t Hart de letterlijke Bijbellezer speelt om te provoceren. 7 Wat Jaap hier deed met het geval ’t Hart is vergelijkbaar met wat Hannah Arendt deed met Adolf Eichmann. Het aangewezen verschijnsel – het verkeerd lezen van verhalen, respectievelijk de banaliteit van het kwaad – is relevant, maar daarbij wordt nu juist het verkeerde voorbeeld genoemd. Voor het geval Eichmann geeft Bettina Stangneth in haar boek “Het kwade denken” een overtuigende argumentatie.
Terzijde. Hoewel zelf filosofe kan ze het niet nalaten op te merken dat haar vakgenoten een neusje lijken te hebben voor het kiezen van voorbeelden die hun gedachtegang nu juist niet ondersteunen.

De waarde van de Bijbelverhalen

Er bestaat wel een duidelijk verschil tussen Jaap en Maarten ‘t Hart wat betreft de uitgedragen waarde van de Bijbelverhalen. Jaap ziet ze, net als andere verhalen, als doordenkgereedschap. ’t Hart noemt het in zijn nawoord  “allemaal grote onzin”, “onbedaarlijke apekool”.
In datzelfde nawoord wijst ’t Hart ook op “historisch-kritisch bijbelonderzoek”, maar hier kan ik niet anders dan Jaap bijvallen in de idee dat voor het verhalen-gebruiken-als-doordenkgereedschap het van nul en generlei belang is of een en ander ook werkelijk heeft plaatsgevonden in een ver vervlogen verleden. Ook vraag ik mij ten zeerste af of een gelovig iemand wel geïnteresseerd is in de gezochte wetenschappelijke waarheid. De gelovige heeft immers reeds zijn “Waarheid” en dus geen behoefte aan empirisch bewijs.

Er zijn van die vrijdenkers die steeds maar zeggen “God bestaat niet’;
en met GOD en BESTAAN en NIET (en wel)
precies hetzelfde willen bedoelen als de gelovigen.

Hetzelfde willen bedoelen

Bij bovenstaand citaat uit Jaaps tekst vraag ik me af of voor de drie bovengenoemde begrippen niet exact hetzelfde geldt als voor containerbegrippen zoals “humanisten”, “vrijdenkers” en “atheïsten”.
Waar heeft Jaap het over als hij spreekt over humanisten? Heeft hij het alleen over de door hem bekritiseerde vrijdenkers? Anders gezegd, bedoelt hij met “vrijdenkers” alleen maar “de vrijdenkers van De Vrije Gedachte”?
Waar heeft Tony Akkermans het over als hij spreekt over humanisten? Bedoelt hij met het begrip vrijdenkers hetzelfde als met het begrip humanisten?
Mogen we, zonder enige verdere explicitering, zomaar aannemen dat zij met hetzelfde abstracte begrip beiden hetzelfde bedoelen?

Langs elkaar heen praten

Wat Jaap de vrijdenkersfout noemde, zou ik willen omschrijven als blindheid voor het feit dat de vrijdenkers een ander taalspel spelen dan de gelovigen. In een soortgelijke discussie pleitte ik, vele jaren later, in een eigen artikel in “De Vrijdenker” voor een streng onderscheid tussen religie en wetenschap, disciplines met twee totaal verschillende taalspelen. In de door Jaap gewraakte context – dat is, de artikelen in "De Vrije Gedachte" – zijn de vrijdenkers en de gelovigen uitdrukkelijk niet in gesprek! Mijns inziens wordt er een "non-discussie", een schijngevecht, gevoerd. Als men eerdergenoemde blindheid zou opheffen, dan zou de zinloosheid van het “woordvechten” onmiddellijk duidelijk zijn.

Helaas is zinloosheid verrassend vaak onvoldoende reden om de wederzijdse bekeringspogingen te staken! Ik herinner me ooit een interview gezien te hebben met de Dalai Lama, waarin hij zich wars betoonde van dat soort pogingen. Vanwege de grote verschillen in cultuur, vond hij het zelfs helemaal niet raadzaam dat westerlingen zich zouden bekeren tot het boeddhisme. Ik onderschrijf van harte zijn wijze woorden als het gaat om wat werkelijk van belang is: “Een kritische geest en een warm, kloppend hart”.

1) Volgens Bettina Stangneth, in haar boek “Leugens lezen”, is er voor het in de wereld brengen van een leugen zowel een leugenaar nodig als iemand die zijn verhaal gelooft en verspreidt.
2) In 2004 bedacht ik voor dit verschijnsel de term “De geheugenfabriek”.
3) Voor dit hoorcollege verwijs ik naar Home Academy, een site waarop veel meer interessante hoorcolleges te vinden zijn.
4) Gezien de hele brief kan er gevoeglijk van uitgegaan worden dat hij hiermee de humanisten en vrijdenkers bedoelt. Wellicht gebruikte de briefschrijver deze termen zelfs als onderling inwisselbaar.
5) Deze hyperlink naar "Voor DVG" leidt naar een nog niet geredigeerde versie.
6) Jaap looft Karl Popper omdat die schrijver expliciet aangeeft zijn beeld van Plato tegen te spreken. Wanneer Hopster zijn beeld van ’t Hart ten tonele voert, gaat Jaap daar niet tegenin door te betogen dat Hopster een verkeerd beeld van ’t Hart heeft. In plaats daarvan worden beiden – ’t Hart en Hopster, laatstgenoemde als exemplaar van de soort “vrijdenker” – door Jaap over één kam geschoren. Ik vraag me werkelijk af of Jaap's teleurstelling over het feit dat de DVG-vrijdenkers niet overeenkwamen met zijn beeld van vrijdenkers, zijn kritische onderscheidingsvermogen niet heeft vertroebeld.
7) Illustratief is de titel "Maarten 't Hart: schijtlaars met grote lust tot pesten" boven een recensie (NRC, 27 december 2019) van Elsbeth Etty's boek Minnebrieven aan Maarten.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *