Jaap Schot, 7 oktober 2002

Eerst maar weer zo’n oerverhaal, dat schrijft zo makkelijk weg. Zelfs reeds bij jagers en verzamelaars kan het feest optreden: de onverwacht grote buit, die niet snel bederft. Dan hoeft er dagen of zelfs weken lang niet gearbeid te worden, dan is al die txaenz ‘vrij’ te besteden. Als de vermoeidheid over is, gaan de mensen spelen en/of de verveling treedt in.

Overschot aan “vrije” tijd: probleem en oplossing
De culturen hebben een veel groter probleem: kwalitatief en qua oorzaak precies hetzelfde, maar veel en veel omvangrijker. Landbouw en veeteelt zijn de meeste jaren zo doeltreffend voor het voorzien in het ‘biologisch’ nodige, dat er enorm veel ‘vrije’ tijd is. Alleen als er misoogsten en veeziekten zijn – pogingen dus van ‘de natuur’ om de (kunstmatige) plaag, die een monocultuur nu eenmaal is, op te heffen – is er weer eens een jaar geen vrije tijd.
De culturen vonden datumfeesten en versieringen uit als oplossing voor het probleem van het vernietigen/verdoen/verkwisten in vrede van de – door angstig afwachten ‘wat het weer zou doen’ gekenmerkte – txaenz tussen de oogsten. Onmetelijke hoeveelheden biologisch onnodige activiteit zien buitenstaanders deze culturen ten toon spreiden. De mensen binnen in die culturen beleven/ervaren hun traditionele txaenzverkwisting niet als zodanig en ze ervaren de verzinsels waarmee die bezigheden worden beschreven, aan elkaar gepraat en doorgegeven, niet als verzinsels en onzin, zoals buitenstaanders dat doen. ‘Religies’ noemt men die verzamelingen verzinsels, die verhalen, die wereldbeelden, die kosmologieën, dat gepraat. Met behulp van die ‘religies’ proberen ze aan de kinderen de tradities voor te stellen als natuurnoodzakelijk. Dat is bedrog, maar na enkele generaties is het feit dat het bedrog is vergeten, niet meer zichtbaar, en zijn de doorgevers (priesters) ook niet echt meer bedriegers. Ze zijn net zo gelovig en blind voor de ‘eigen’ onzin als de gewone mensen.

De komst van de civilisatie en de overbevolking
Nadat de culturen lange tijd hadden bestaan – aan het gebeuren waren, gaande waren – was het hele aardoppervlak vol, ja overvol mensen. Door misoogsten enzovoorts gedreven, raakten de culturen met elkaar in gevecht en na enige keren roven en zich terugtrekken, sloegen de civilisaties – de mensengebruikerijen – toe. De overwinnaars bleven bij de verliezers wonen en de overwonnenen werden tot slaven gemaakt. De (biologisch) overtollige txaenz van de slaven werd gebruikt door de overwinnaars voor wat die wensten. Zeg maar, ze lieten zich verzorgen en knuffelen en ze lieten piramides voor zich bouwen. Al heel gauw lieten ze wensen voor zich verzinnen, want ook hun fantasie was slechts van menselijke maat.

 Zo bekeken is het – vreedzaam en daartoe het maatschappelijk systeem bevestigend –
verdoen/verkwisten van de massale (biologisch) overtollige txaenz,
HET probleem van de mensenplaag.

Reeds de culturen maakten de natuur tot hun vijand: ze kwamen op het idee van ongedierte en onkruid. Ze gingen hun gang zonder enig idee van wat ze veroorzaakten. Ze dachten alleen aan de ‘bedoelde’ (= bij optreden toegejuichte) gevolgen: meer kruid ten koste van onkruid, meer vee, ten koste van wild, meer jachtwild ten koste van ongedierte, waaronder de roofdieren. En zolang er voldoende voor hen onbereikbaar aardoppervlak bleef, groeide hun aantal gestaag. Het kon niet goed gaan en het ging dan ook mis. Overbevolking. Steeds meer kunstmatige plagen werden aan de mensenplaag vastgeplakt. We zitten nu nog in de fase van het natuur bestrijden: plagen beschermen. Nu is er al de omslag gekomen dat niet de mensen wonen in enclaves – uitgekapte stukken – in de natuur, maar de natuur in enclaves in de ‘in cultuur gebrachte wereld’.

De mensen spelen ‘koninkje’, het laatste wat in ze opkomt is:
doen aan geboortebeperking, aan ophouden een plaag te zijn.

Er zijn hoogstens teveel slaven, zeker nooit teveel vorsten en de beslissingen worden door de vorsten – Koning Klant, zijn koopkracht uitoefenend – genomen. De slaven, de gebruikten, hebben het nog lang niet zo slecht dat ze niet aan voortplanten toekomen. Er staat dus nog geen rem op de getalsmatige, kwantitatieve groei van ‘de mensheid’.
Doordat de mensen elkaars tradities en religies te zien en te horen kregen, verviel de vanzelfsprekendheid van elke religie en elke traditie. Daar kon en kan niemand iets tegen doen. De gekozen oplossing voor dat probleem is deze: alle denkbaars wat mensen ertoe brengt hun eigen en/of andermans txaenz – vreedzaam en non-subversief – te verdoen is toe te juichen, nuttig, goed, aanvaardbaar, toe te staan. Alle oude religies en tradities zijn wat dat betreft even welkom als elke mode, elke hype, elke waanzin. Het kost dan niet veel moeite te zien dat ‘de sport’ een van de grote wereldreligies is.

Vraag ter afsluiting
Voor de beschrijving laat ik het hierbij. Meer maakt hier toch geen betere wegwijzer naar het onderwerp – de verschijnselen en gebeurtenissen dus – van.
Rest nog één vraag: ”Wat moet ik als enkeling daarmee?”
Het is de vraag of wij, enkelingen, wel iets kunnen, of ‘wat wij ermee doen’ ons niet overkomt, overkomt via onze apperceptieve massa: zien wij ‘als bewustzijn’ niet slechts ‘dat wat we ermee doen’ gebeuren (door ons lijf, door onze tekstaanmaker)? Zien wij dat niet slechts daar gebeuren, op precies dezelfde – namelijk, onoverbrugbare – afstand als we anderen zien ageren en reageren?

De vraag is niet onzinnig.
De vrije wil is een verzinsel binnen het maatschappelijk leven, net als schuld dat is.

En net als ‘buiten spel’, ‘strafschopgebied’ en ‘stip’ dat – constituerende verzinsels dus – zijn bij voetbal.
Helpende vraag bij het door denken over ‘schuld’: “Kon Robinson Crusoe, alleen op z’n eiland, zich ergens aan schuldig maken?”
Dit bovenstaande moet de lezer niet opvatten als een bewering en geloven of verwerpen: het is een poging om de lezer te wijzen naar het onderwerp, de verschijnselen, inclusief de gevoelens en emoties in de lezer. Het is aan de lezer daaraan enige txaenz te besteden, of niet.
Of, dat is niet aan de lezer – dat bewustzijn – omdat hem slechts overkomt, hij slechts waarneemt en bespreekt – in zich, slechts hoorbaar voor zijn geestesoor – wat er via hem (= lijf + apperceptieve massa als een bundel oorzaak-gevolg-ketens), volstrekt gedetermineerd, plaatsgrijpt, gebeurt, verloopt, afloopt.
Dat was het.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.