Hoe zijn natuur, culturen, civilisaties en de maatschappij uit elkaar ontstaan?

Categorieën: 1973-1986 Docent lerarenopleiding, Rijksuniversiteit Groningen | Archief | Overige teksten

Trefwoorden:

Jaap Schot, 1 februari 1985

voorvoeging d.d. 8 dec. 1986

Let wel: dit verzonnen geschiedenisverhaal hoeft voor mijn doel, (:begrippen invoeren, een kijk op wat nu gedaan wordt weergeven) echt niet waar gebeurd te zijn.

vraag:

Hoe zijn natuur, culturen, civilisaties en de maatschappij uit elkaar ontstaan?

antwoord:

In het begin waren er niet meer mensen dan er zich van de opbrengst van het stuk natuur, waar ze toevallig waren, konden leven. Gedurende lange tijd kon een eventuele overproductie aan kinderen, nazaten, zich verwijderen en elders op aarde een terrein zoeken en vinden, dat hen kon voeden, kon dragen, waarvan ze konden leven. De aarde is een planeet en heeft dus een eindig oppervlak, waarvan dan ook nog slechts een deel bewoonbaar is voor mensen. Aan de gelegenheid om naar een nieuw woongebied te gaan kwam dus een eind. Het gaan leven in een nieuw gebied betekende zich aanpassen aan de aard van dat gebied. Toen er geen gebied meer te vinden was, doordat het bereikbare bewoonbare aardoppervlak geheel bezet was, gingen de mensen ertoe over landbouw te plegen en dieren als vee te houden. Ze gingen over tot natuurbestrijding en natuurgebruik. Dat loste hun probleem voorlopig op. Dat probleem was : hoe kunnen wij met de aanwezige velen leven van het voor ons te bereiken en te verdedigen stuk van de natuur ? Soms trok zo'n mensengroep, die in de natuur ingreep nu nomadisch, over een groot stuk aardoppervlak rond, achter hun dieren aan of met hun dieren mee, hen hoedend. Soms woonde zo'n mensengroep op vaste plaatsen in dorpen bijeen, wakend over hun te velde staande gewassen en over hun voorraden en bezittingen (werktuigen o.a.). De mensengroepen gingen voort met groeien, de aantallen werden steeds groter en de meeste groepen (culturen) moesten de geboorten gaan beperken en het omgaan van mensen met elkaar binnen de groep gaan regelen, omdat de natuurlijke omgangsregeling niet kon functioneren in de te grote nabijheid en de te grote hoeveelheid tijd waarin men niets zinnigs kon doen en alleen maar van de voorraden moest leven en moest wachten op de volgende gelegenheid om te oogsten. De mensen vonden feesten en religies uit om een bedachte wereld waarin wat te doen was te hebben in plaats van de verloren gegane natuurlijke omstandigheden waarin elke dag naar voedsel gezocht moest worden. Men ging drukte maken van en bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, ziek worden en lang ziek blijven, wat bij leven van voorraden kon, en ook van het nieuwe verschijnsel 'gek worden' en 'gek doen', waar men nu ook tijd voor had.

Overal waar de aantallen mensen toenamen en er meer terrein in gebruik genomen werd (als landbouwgebied, of als jachtgebied of als zoekgebied) kwamen op den duur de samenlevende groepen met elkaar in aanraking. Dat leidde tot handel en tot ruzie of minstens tot elkaar uitdrukkelijk van het eigen gebied afhouden.

Binnen de in cultuur, (-d.w.z. met regels voor het met elkaar omgaan-) levende groepen, ontstond vaak privaatbezit, van voorraden, vee en gereedschappen b.v.. Zodra er privaatbezit en ruilen is, kan er heersen en knechten ontstaan door het ruilen van diensten tegen voor de dienstverlener noodzakelijke goederen. Verschillen in hoeveelheden bezit kunnen worden tot machtsverschillen.
Zodra er machtsverschillen zijn, is de civilisatie in beginsel aanwezig. Er komt niets oorspronkelijk nieuws ter wereld wanneer de ene stam de andere berooft en onderwerpt of wanneer een subgroep rijken/veelbezitters/machtigen zich afscheidt van de rest van de stam. Het grondschema blijft hetzelfde:
-rijk/arm,
-heersen/knechten,
-leven met als doel te verschillen van de ander,
-vinden te zijn waar de anderen je voor houden.

De civilisatie gaat van start met een zich afscheidende groep rijken, die de arbeid aan anderen overdragen en zich als apart en beter gaan opvatten. De groep kan uit de stam zelf komen, maar ook van buiten. Ze kunnen apart gaan wonen, in aparte grotere huizen, in aparte wijken, in steden, in forten of aan hoven, dat is alles slechts oppervlakkige vormgeving.

Als er eenmaal van deze gelaagde samenlevingen zijn, kunnen die met elkaar in gevecht raken (oorlogen) en ze kunnen elkaar en vooral ook nietgelaagde samenlevingen gaan koloniseren (tot onderwerpen dwingen, wat zeggen wil dat die gekoloniseerden zich voegen bij de armen van de gelaagde samenleving).

Uit de geknechten in een gelaagde samenleving, -degenen dus aan wie de arbeid overgedragen wordt-, komen ondernemende lieden voort, die een dienstverlening, een vorm van dienen, een kunstje, een kunst, een kundigheid verzinnen, waarmee ze de machtigen pogen te behagen, zodat deze hen vrij stellen van het gewone werken en hen dit kunstje, deze dienst laten doen. De machtigen dwingen dan de andere minderen om ook voor deze kunstvaardige knecht te zorgen, ook al voldoet deze niet langer aan zijn verplichtingen binnen de cultuur. Om aan die verplichtingen te voldoen heeft zo'n kunstvaardige knecht geen tijd en energie meer over naast het dienen van de heren.

Daarmee heeft de ontwikkeling ingezet van kunsten, wetenschappen en technieken. De uitvinding van geld-als-dwangbevel is dan nog slechts: geld,(- een eenvoudige vergemakkelijking van het ruilen-) nu ook gebruiken voor het vergemakkelijken van het geven van een bevel. Het bevel namelijk aan de gewone knechten voor een mate van verzorging/schadeloosstelling aan de kunstvaardige en kunstzinnige knechten, de gespecialsieerde dienaren. Zij, de gewone geknechten moeten de door de gelduitgevers gewaardeerde dienaren onderhouden zoals ze die gelduitgevers moeten onderhouden.

Zo doende is de maatschappij tot stand gebracht.

Kenmerkend daarvoor zijn dus:
1. sommige (ge)knechten, de creatieven, verzinnen een manier om te ontkomen aan het gemeenschappelijke lot der geknechten. Dat lot is kennelijk te zwaar geworden ten opzichte van wat de geknechten solidair bijeen hield. Sommigen beginnen aan een poging hun lot te verbeteren, voor zichzelf, apart, in hun eentje .
2. deze creatieven, de intelligentsten, de ondernemendsten, die niet bij de pakken neer gaan zitten, die de stand en gang van zaken niet berustend aanvaarden, erkennen de soevereine, boven allen en boven elke rede verheven, hoogstens verbiddelijke macht van de heren, de macht om te keuren. Deze creatieve knechten gaan proberen bij de heren in de smaak te vallen. Die smaak is het laatste, hoogste criterium.
3.de stichting van de maatschappij is geen opstand tegen de civilisatie, tegen de indeling der mensen die bijeen leven in heren en knechten. Het bestaan van heersen/knechten wordt niet aangevochten, maar binnen die stand van zaken gaan de stichters van de maatschappij aan de slag om hun lot als enkeling te verbeteren.

Als loon voor de diensten komt die dwangbevelfunctie van het geld tot stand. Daarbij is het geld opdracht aan derden om wie geld heeft te dienen, te geven wat hij vraagt, te onderhouden. Aan derden, dat is: aan diegenen die geen heer en geen kunstvaardige dienaar zijn. Wie geld heeft, dat is: eerst de dienaar, later: toonder!

De opdracht om voor geld te geven wat de betaler vraagt, komt van de machthebbers. Machthebbers hebben macht uit de kracht
1. van hun wapenen en
2. van hun georganiseerdheid, hun elkaar steunen en niet afvallen, waarmee zij hun bezit kunnen verdedigen.
Let wel: er bestaat geen (voor cultuur of natuur) "legitieme" macht; alle macht komt uit wapens en organisatie. Er is nooit iets rechtvaardigs of enig gerechtigheidskarakter aan macht. Macht erkennen is altijd waanzin. Macht niet opmerken en ertegen gaan vechten zonder kans om te winnen is niet intelligent. Proberen met machtigen te praten is ook niet slim. Macht is onaanspreekbaarheid. Een verbiddelijke god of vorst is een mal verzinsel.
Door het gebruik van geld kunnen de heren hun waardering voor de diensten der gespecialiseerden (de kunstvaardige knechten, die echt niet alle kunsten beheersen, maar hun eigen kunst erg goed) zeer nauwkeurig uitdrukken.

De maatschappij is de horde knechten, die in zichzelf verdeeld is en waarin ieder die het tot iets brengt een bijdrage levert aan de druk der heren op het geheel der knechten. Iedere creatieve knecht die in plaats van het nodige voor de heren mee aan te maken, iets onnodigs voor de heren gaat doen, verbetert zijn eigen lot en verzwaart zodoende het lot der gewone aanmakers van het nodige. Die gewonen moeten nu ook voor deze succesvolle knecht het nodige doen.

In die maatschappij ontstaan vele lagen, niemand is heer, maar velen hebben geld, verschillende hoeveelheden geld geven hen verschillende hoeveelheden dwingende kracht (tweedehands) over hun medenietheren, de lagere knechten. Als het geld er eenmaal is kan men dat gaan verzamelen ook door het dienen van wie geen heren zijn, maar slechts succesvolle creatieve ondernemende knechten. Let wel : succesvol betekent altijd: gewaardeerd door de heersenden. De door de heersenden gewaardeerden, blijven desalniettemin toch steeds nog : gebruikten, onderdrukten. zij zullen op hun beurt anderen behandelen zoals zij door de heren behandeld worden. Dit doorgeven van de behandeling die de dienaren aan het hof ondervinden zal zich veralgemenen over iedereen die aan geld komt, op welke wijze dan ook.

De maatschappij wordt in aantal omvatte mensen overmatig groot ten opzichte van de heersende bovenlaag. Uit de feodale samenleving ontwikkelt zich de democratische. De adel stelt als macht niets meer voor, de kooplieden komen aan geld zonder de adel te dienen, kunnen aan de adel geld gaan lenen, kortom dat wat in de geschiedenisboekjes staat, vindt plaats. Hoe alles precies op diverse manieren in diverse landen en diverse werelddelen is gebeurd en gedaan, is van geen enkel belang, het is toch niet terug te draaien of te beeindigen. Wat ik in het voorgaande verhaal en in het algemeen in wat ik schrijf probeer te doen, dat is: de werkelijke relaties die hier en nu bestaan aan te wijzen. Ik probeer dat te doen vanaf een zo groot mogelijke afstand en zonder ook maar enig detail uit te werken.
Telkens weer is de komst van iets nieuws, zoals boven beschreven, toegejuicht:
de cultuur maakte, hoera, zelfstandiger tegenover de natuur;
de civilisatie en vooral de maatschappij bevrijdden uit de sleur van de niet- creatieve cultuur;
de democratisering van de samenleving hief de standen en klassen op als institutionele barrieres voor die enkelingen die hun lot door inspanning en creativiteit, door hun best doen, door ijver en topprestatie trachten te verbeteren. Die actieven vechten niet tegen hun niet-zo-actieve en niet-zo- creatieve medeknechten, maar brengen het zover als ze het brengen ten laste van die medeknechten. Door het geld is het niet meer zichtbaar wie ten laste van wie zich welke voordelen weet te behalen via de gunsten der koopkrachtigen. De koopkrachtigen, dat zijn de heersers in het wereldkapitalisme, in de democratie. Het nemen van risico ten aanzien van de soevereine voorkeur der koopkrachtigen is min of meer als het beoefenen van een behendigheidsspel, met een overigens redelijk groot gokelement er in. De behendigheid in kwestie is het maken van propaganda, het opwekken van de begeerte, het er op wijzen dat andere heren het onderhavige ook hebben of vinden of waarderen, het maken van reclame.

Het bezig zijn met dit behendigheids/gokspel met de voorkeur vindt met het geld apart als het ware nog een keer, erboven plaats. Het ondernemersrisico is een ander risico dan het verzekeraars-, financierders- en speculantenriscico.

Voor de concrete enkeling die elke lezer is en tot wie ik mij wend, is dit alles al weer heel ver weg en buiten zijn gebied, ook al speelt hij er ergens in de maatschappij nog zo hard aan mee. Iedereen die meespeelt ergens in de maatschappij weet dat hij in zijn positie geen besluiten kan nemen buiten zeer nauwe grenzen, die door de stand en gang van zaken gesteld zijn en worden. Hij weet dat beter dan ieder ander die op een andere positie geplaatst is. Mensen zijn geneigd bij anderen gelegenheid om iets te veranderen te vermoeden. Veel meer van die gelegenheid dan die anderen in werkelijkheid hebben.

In de maatschappij heeft iedereen erg weinig macht om iets te veranderen aan de stand en gang van zaken. Wat er gebeurt is voor het allergrootste deel de spontane summatie van dat wat door miljoenen enkelingen apart werd gedaan met hun eigen koopkracht. Al die kleine koopkrachtuitoefeningen samen vormen de grote krachten in het maatschappelijk gebeuren. Wat men koopkrachtige vraag noemt is in de werkelijkheid van de maatschappij de macht waarmee de maatschappij van de enkelingen eist.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *