Hoogtevrees

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: autobiografische notitie | geredigeerd

Jaap Schot, 22 mei 2004

Vannacht droomde ik wéér dat ik alleen wel erg hoog geklommen was. ‘Hoe kom ik veilig weer op de begane grond?’ was mijn vraag. Er waren hoger dan ik (op het dak) wel mensen (zonder gezichten) aan wie ik die techniek vroeg. Ik kreeg geen antwoord, maar kon me draaien. Maar ik hoefde me, bij nader toezien op het beeld dat ik droomde, helemaal niet te draaien. Integendeel, ik stond aan het eindpunt. Tegen de goot, van een enorm lange rij ‘treden’, die tegen een huis waren gemaakt. Zoals aan fabrieksschoorstenen, van die hoekige ijzeren treden.
Ik heb geen meta-bespreektermen meer. Geen antwoord – in bestaande woorden of bruikbare beelden, aan de lezer (God of de buitenaardsen) – op de vraag waar ik nu over schrijf. Ik ben alleen, in mijn eentje, solitair, geklommen.

Ik kijk weinig om me heen

Zoals ik al fietsend toch wel heel erg weinig om me heen en in de verte kijk. Zo doe en deed ik wel erg weinig aan ‘kijken wat er vanuit mijn standpunt, vanuit waar ik met deze stap op deze volgende trede kwam, in de verte en beneden te zien was'. In mijn droom zag ik ook alleen dat ik hoog was, geen vergezicht, al was dat wel ‘gegeven’.
Ik ben bang te vallen, niet omdat dat kan, zolang ik die treden daar – aan het eind, boven – nog vasthoud. Er is een eind gekomen aan de grepen – wat die treden zijn, voordat het treden worden. Wie lager bleven, niet verder klommen, waren inderdaad ongeschikt als anderen om me aan vast te binden opdat zij mij zouden kunnen helpen voorkómen te vallen. Iedereen gebeurt alleen maar, blijft op deze of gene hoogte, of klimt helemaal niet, door deze of gene werkelijkheid (= verzamelde massa oorzaken/ voorwaarden/ contingenties, die daar dan werken). Elke waardering, elk oordeel, van lof tot blaam en bewondering of respect of wat dan ook, is puur gewauwel binnen het spelletje ‘rangschikkertje’.
Ik zag en ervoer anderen nergens anders dan ‘veilig boven mij’. Ik had die hoogtevrees en die vraag. Die anderen waren zonder gezicht en ze waren boven. Nu ja, ‘hoger dan ik’ en niet op hogere treden.

Die rij handgrepen/voetsteunen is de taal: de reeds gemaakte taal als besprekingsapparaat, als rij metabesprekingsmogelijkheden en ‘mogelijkheden om een of ander als voorbeeld van iets omvattenders te vatten’.

Geen gesprekspartners, geen bondgenoten

Daarnaast is er bij het wakker worden dat denken aan het feit dat ik totaal zonder gesprekspartners zit, en zonder bondgenoten. Moeder en Maria waren dichtbij mij. Die zijn dood. Ik ben nu veel verder van iedereen vandaan. Nog het dichtst bij M.

Ik ben in mijn eentje geklommen. Dat klimmen was en is leuk. Er klom niemand mee. Dat overkwam mij en die iemand niet. Ook neefJan heb ik niet als ‘met mij mee klimmer’ ervaren. Overigens bleek uit haar nagelaten papieren Maria veel verder meegeklommen dan ik had ingeschat. Zonder veel aandacht, meer impliciet. Ik heb sterk de neiging de door anderen bereikte hoogte (doordachtheid) te ónderschatten. Ik schát ze overigens vrijwel helemaal niet. Levende anderen zijn niet mijn onderwerp. Ik oordeel niet, beter: geen individuen. Als ik over mensen spreek, spreek ik over ‘figuren’/ spelers. Over die vreemden daar, waarop en waarbij ik niet betrokken ben.

De concrete mensen die ooit dichterbij kwamen (Margo, Ruth) heb ik verwaarloosd. Ik ben geen onderhouder van banden, relaties, geen bezoeker, geen opbeller, zelfs geen correspondent. Ik ben in mijn eentje die treden aan de buitenkant van dat gebouw/ huis aan het beklimmen. Jaren al, tig jaren lang al. Niet wedstrijdend, niet in interactie met levende anderen, gebruikend wat anderen ooit bouwden.
Mijn vorige droom over deze hoogtevrees, deze vrees te vallen, ging overigens over ‘in de bergen in die situatie zijn’. Die droom was een of enkele nachten geleden.

Ik moet nou óf naar beneden óf even zonder handgrepen verder klimmen. Dát is wellicht het gevoel, de situatie. Ik heb beneden niets te zoeken. Daar ken ik ook niemand.

Recente denkstappen

De meest recente reeks denkstappen die ik nam was deze:

  • Wij, mensen worden, in gevangenschap, uit gebruiksvee geboren.
  • Wauwelend over rechten van de mens en over vrij en zonder voorrechten geboren zijn, worden we onverwijld geregistreerd. Van een eigennaam voorzien en bewerkt opdat (met als doel, andermans doel, doel van het systeem) wij verantwoordelijke spelers worden in het grote – allen die meetellen omvattende – maatschappelijke spel ‘rangschikkertje’.
  • Het bevel aan ons allen is dat wij ons vereenzelvigen met wat wij leerden. Want: het meeste leerden we immers van, en binnen, en over, het systeem in kwestie. Dat spel, dat zogenaamd in symbiose, feitelijk in binnensoortelijk parasitisme, leven.
  • Via de taal (een woekering van o.a. ‘waarschuwen’, ‘voedsel vinden melden’ enz.) wordt ons impliciet geleerd hoe de stand en gang van zaken in dat spel is, en krachtig gesuggereerd dat er geen keuze is om wel of niet mee te doen.
  • Het toeval blijkt sommigen vrij te houden of te maken van dat gesuggereerde ‘vanzelfsprekend moeten meedoen’. Diverse religies in diverse civilisaties ontwikkelden ook een ontsnappingsleer, een pad ‘het spel uit’. Boeddhisme, Jodendom en Christendom in ieder geval. De protestanten die er nog zijn (Amish bijvoorbeeld) kennen ‘de wereld’ nog als het begrip van ‘het diensthuis’ , ‘Egypte’, ‘Babylon’. Dat is, de plaats waar wij – voor het LEVEN geschapen mensen – als vee gebruikt en gehouden worden.

Tot zover dus, staken er uit de muur vaste klimijzers.
Daar ben ik nu heel degelijk. Maar hoe gaat het verder?

Bevrijden van de suggesties in de taal

Wat ik deed en doe heet bij de orthodoxe Joden ‘lernen’. Het is aanvankelijk de weg van het horen spreken, het lezen en de taal in je laten werken (= jouw verbale invallen laten veroorzaken), wat (daderschap van jouw ‘slaven-ik’ suggererend) ‘taal gebruiken’ heet. Uitschrijven vertraagt het – ‘denken’ genoemde – gebeuren áchter dat ‘jou invallen’ (van wat normaal, in de natuur, jouw uitspraken zouden worden).
Wie uitschrijft heeft geen luisterende ander nodig, uiteindelijk ook geen lezer. Mijn ‘denken’ werd omgaan met de taal als gereedschap bij het aanmaken van beschrijvingen van "de taal als gereedschap". Dat denken bevrijdt van de suggesties die in de woordenschat en begrippenapparatuur, waaraan en waarin wij taalgebruik leren, opgesloten (ingevouwen, ingebouwd) zitten.
De suggestie dat wij spelende (= regels volgende) daders zijn, dat wij ons gedrag doen, in plaats van (met de zelfsuggestie van willen en kunnen nalaten) ons eigen gebeuren slechts begeleiden, is de centrale.

De suggestie dat wij doen, is de centrale.

Wij doen niet. Wij begeleiden slechts ons gebeuren met suggestieve beschrijvingen en suggestief commentaar. Met name waardeoordelen, normatieve oordelen, keurende oordelen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *