Jaap Schot, 9 december 2003
De taal, de begrippen, de manier van over ‘wat gebeurt’ spreken, leerde ik van anderen. Het is de gewoonte andere mensen als daders op te vatten. Ze kunnen, - zo luidt het onbewijsbare verhaal -, nalaten wat ze doen. Dat is onbewijsbaar, het enige waarneembare is wat ze doen en alle andere gedrag laten ze na, dus kun je niet zomaar, uit alle andere gedrag een gedrag kiezen in het wilde weg en dan zeggen dat die ander dát nalaat.
Die veronderstelling (of wat het dan ook is), dat iemand kan nalaten wat hij doet, dat is niet alleen onbewijsbaar, het is ook de reden dat hij als vijand kan worden opgevat. Zonder ‘vrije wil’ geen zondaars en geen vijanden.
Het spreekt ons niet zo meer aan, maar een leeuw is wel heel gevaarlijk, maar het is maar een dier, dus geen vijand, hij doet geen kwaad, hij is alleen levensgevaarlijk voor je, als hij honger heeft en echt niks anders te eten heeft en als hij bang is van je en zich tegen je keert om zich te verdedigen in plaats van voor je te vluchten.
Meer dan ooit is de omgeving, de wereld, duidelijk gevaarlijk, maar hij is niet vijandig meer, als je die manier van bespreken, - ‘bespreken als behept met een vrije wil’ -, herkent als een maaksel van mensen, als een ding van menselijke verzinsels.
De ander gebeurt gewoon. Wat de ander biologisch (genetisch) is, daar kan hij niets aan doen. Zijn hormoonspiegel is niet zijn prestatie. Wat de ander leerde van de omgevingen (c.q. de veranderende ‘vaste’ omgeving) waar hij verbleef, dat overkwam hem, niemand scheidt zijn omgeving af, zo al, dan andersom, maar dat is ook een slordige manier van zeggen. Wat de ander leerde en vanwaaruit hij nu handelt, waardoorheen zijn biologische zijn nu gebeurt, dat koos die ander niet, het is een schande voor noch een verdienste van hem, dat hij (qua ama, ‘als persoon’) is zoals hij is. Het is gewoon een feit. Er is niets wat een miskweekte man die zich jegens mij misdraagt, onderscheidt van een rukwind of een scheefliggende tegel in een trottoir, waarover ik struikel. NIETS. Die rukwind, die tegel en hij zijn dingen. Die tegel gebeurt heel langzaam, die rukwind duurt heel kort en die man leeft misschien wel langer dan ik. Nou, èn?
Al die ontelbare verschillende mensen, die ik nu mijd, zijn zoals ze zijn buiten alle schuld en verdienste. Toen ik ontslagen werd, de laatste keer, werd ik beschreven als ‘oninzetbaar geworden, buiten mijn schuld en toedoen ongeschikt voor deze baan’. Deze formulering past binnen het maatschappelijk spel, waarin iedereen verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn doen, zijn gedragskeuze.
Kiezen is een verzonnen bezigheid. Een ooit, (echt niet door een tijdgenoot) verzonnen bezigheid, nee, een in de taal gebouwde suggestie vanwaaruit wij vanaf onze geboorte [of zoveel later als (= naarmate) onze ouders/opvoeders Godsgeschenken waren] werden bejegend. Nou, bejegend worden door anderen is net zo echt als tegenwind ondervinden bij het fietsen. Het helpt in het geheel niet, te weten dat die wind niet door de een of andere god tegen ons gericht is. Dat het waaien gewoon gebeurt, dat de wind geen aanspreekbaar persoon is, dat maakt ons het trappen niet lichter. Maar het maakt het ons wel onmogelijk te bidden tot die god van de wind en het maakt ons onmogelijk die wind als vijand te zien. Hetzelfde blijft gelden voor de gelovige die bidt om het ophouden van de wind tot de god achter alles: God (voor steeds meer landgenoten: Allah). Ook dat slaat nergens op.
Maar terug naar de soortgenoten – tijdgenoten, de medemensen die ons kunnen bereiken. Met die andere soortgenoten – tijdgenoten, die ons niet kunnen bereiken, hebben wij NIETS te maken. Ook met die mensen die door anderen, zogenaamd voor ons, de kopers, wórden bereikt, met name uitgebuit, hebben wij niets te maken. Er is niet zoiets als verantwoordelijkheid, er is niet zoiets als ‘kiezen’. Dus zijn er ook geen (juiste of onjuiste, waardige of onwaardige) criteria voor gedragskeuze. Het hele ‘sociale’ is een spel: in de zin van ‘doen alsof’, maar dan puur denkenderwijs. Als je iets lang genoeg doet, wordt het net echt, zo bewees J. Krishnamurti zich eens in een opzettelijk experiment: hij offerde aan een takje, vele, vele ochtenden, steeds weer, dag na dag. En, verdomd als het niet waar is, zo vertelde hij, “dat ding werd ‘heilig’ voor me”. Suggestie heet dat. Groeiend geloof.
======
Het kind is als nieuwkomer ongewapend tegen al die suggesties, die het omdat het ze nog niet bespreken kan, niet kan weerstaan. Het kind móet, om biologisch te overleven,de moeder geloven. Anders is er veel kans dat het verdrinkt zoals die vijfjarige in de vijver voor mijn huis. Die had het vrijwel weggesmolten ijs nog eens geprobeerd, jammer nou, dit was niet te leren, dit was slechts via een dodelijke ervaring eenmalig te kennen. Je moet te waarschuwen en te verbieden en aan te zetten zijn, het is veel te gevaarlijk dat niet te zijn: ongezeglijkheid, - nauwelijks te onderscheiden van ongehoorzaamheid -, Mendelt vanzelf uit, uiteindelijk. Uit. Einde. Lijk.
=========
9-12-03 12:25|9-12-03 13:49:
Dit gaat niet over vergevingsgezindheid of over het begrijpen van hoe de ama van de dader in elkaar zit, dit gaat over het feit dat er geen ware wetten zijn en dat er dus niks te overtreden is, grenzen zijn verzinsels. Wetten zijn niet waar. Ze worden door afdwingers geldig gemaakt. Het enige echt bestaande is het gevaarlijk zijn van die afdwingers (zeg maar: politie, oom agent dus).
Alle geschriften zijn van de hand van zeer geciviliseerden, voor wie heersen en overheerst worden totaal vanzelfsprekend zijn, zij werden er in geworpen (zelfs ‘geboren’ = gedragen, d.w.z.: zelfs de moeder was al vee) en getogen (ze maakten nooit iets anders mee).
Het bevel en de namen van verzinsels in de taal werden niet als vreemd ervaren. Nadoen, meedoen en doorpraten ook als je alle eigen ervaring met wat je zegt mist, was ‘om te overleven’, vaak. Schoolvoorbeeld: zeg maar eens in Islamland dat de Koran een niet zo erg oud boek is en dat geloven fout is, los van de inhoud. Zo was het in de Middeleeuwen hier ook en dan met het Christendom en de Bijbel. Híer zijn er mensen uit gekomen en die zijn wegens hun inventiviteit en hun zakelijk en toevallig succes toen gevolgd. De wetenschap bracht enorme militaire macht en dat doet volgen en eren.
==========
Wij moeten tot ons door laten dringen dat wij moeten doordenken wat er gebeurd is voordat er geschreven werd. Daar gaat het om: toen, ‘heel vroeger’, is het belangrijke gebeurd.
De mens werd te intelligent om het zich te kunnen veroorloven aap te blijven en als de chimpansees te blijven vechten onderling en te blijven jagen. Toch deden sommige mensen dat weer toen de civilisaties werden begonnen en het onderling vechten werd pas afgeschaft toen die civilisaties werden gevéstigd, maar toen was het te laat en was het onderling vechten van civilisaties onvermijdelijk geworden: waar bezit is wordt dat ooit geroofd.
=========
Alles wat op schrift wordt aangetroffen is doortrokken van, ja verzadigd met, de indoctrinatie met heerszucht en vechtlust. Het sprookje van de soevereine vorst staat centraal. Later was die soevereiniteit eerst een goddelijk en toen een algemeen menselijk iets, een attribuut, een eigenschap, een voorrecht, dat wordt in dit verband dooreen gebruikt.
=========
Soeverein heet ‘vrij’, volstrekt ten onrechte. Maar ‘vrij’ is werkelijk voor ongelooflijk veel verschillende begrippen in gebruik als naam (als aanduiding).
========
9-12-03 14:10||9-12-03 21:39:
=========
Denken vijanden te hebben berust op een dubbelwaan:
1. betrokken te zijn
2. vrije wil.
Mensen zijn niet op elkaar betrokken, het zijn losse dieren, net als alle andere. Nergens is ooit een vrije wil of enig verschijnsel dat ‘willen’ zou moeten / kunnen heten waar te nemen. Deze uitspraken bevinden zich buiten spel en wie spelen twijfelen geen moment aan het bestaan van zulke spelconstituerende verzinsels, omdat die via de spelers als werkelijkheid door hen zijn aangetroffen en mede worden gehandhaafd.
Alle wanen, verzinsels, tradities, waaruit gehandeld wordt behoren tot de werkelijkheid. ‘De werkelijkheid’ dat is de massa (zoals vilt in elkaar verdraaide en verwrongen) oorzaak-gevolg-ketens ‘onder’ of ‘achter’ hetgeen gebeurt. Zo’n waan, verzinsel, traditie, gewoonte noemt men wel een meem, een als een ziektekiem gedacht wezentje, dat van de ene mens op de andere overgaat, via opvoeding en prediking en bekering/imitatie. Met dat beeld wordt het via hele reeksen generaties van stamleden en gelovigen voortdurend oorzaak [= deel van de werkelijkheid zijn van benoembare en benoemde (= een naam dragende) bedenksels, ‘dingen die tussen de oren van mensen zitten’, zou men het tegenwoordig noemen.
=======
Die vrije wil en die betrokkenheid (het antoniem van ‘solitair zijn’, zelfstandigheid) zijn van die doorgegeven verzinsels. De verwarring is best teniet te doen door het volgende uit te leggen:
1. Naast elkaar zijn er de ontogenese en de fylogenese.
2. De begrippen en woorden en de woord-begrip-combinaties en de verhalen, kortom de elementen van de taal passen bij de fylogenese: al die begrippen en manieren van opvatten van ‘wat gebeurt’ zitten in die taal ingebouwd en ze waren en voor mij en zullen er zijn als ik er niet meer ben. Mijn invloed als enkeling er op is groot als het mijn eigen gebruik betreft, groter naarmate ik kritischer gebruik. Die invloed is na en buiten mij zeer, zeer klein en binnen de kortste keren teniet gedaan. [Schoolvoorbeeld: recentelijk hebben vele, vele onderzoekers vele nieuwe woorden de taal binnen gebracht. Zodra een term (een woord-begrip-combinatie) de wetenschappelijke besprekingen verlaat, begint het verval: de gewone man verstaat en gebruikt het woord verder als een variant op wat hij reeds kende, eerder gehoord had. ‘Neurotisch’ is gewoon een scheldwoord. ‘Minderwaardigheidscomplex’ wordt gebruikt in een totaal niet met Adlers bedoeling / begrip strokende ‘betekenis’.]
=========== 9-12-03 22:14|
How to kill your enemies: zie dat het gebeurende dingen zijn, geen daders.
0 Reacties