Hulpvraag 2 bij app

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden: onbewerkte versie

Jaap Schot, 24 april 2013

In het kader van de bezuinigingen bij de RuG, toen, kon ik in 1982 met uitgesteld pensioen gaan. Omdat ik mijn werk met plezier deed, ging ik er maar mee door voor zover ik dat in m’n eentje kon (en kan). Lessen (lezingen/colleges) voorbereiden, dat kan ik doen, ook zonder dat ik ze ooit kan geven. Op de kweekschool had ik allerlei geleerd:
dat dé manier om een onderwerp echt goed door te krijgen, is: het uitleggen aan mensen voor wie (nog) niets vanzelfsprekend is en
dat voorgaande lessen de basis moeten vormen voor de latere,
dat ieder mens, dus juist ook iedere onderwijzende, een eenmalige verzameling herinneringen, ervaringen, onderscheidingen, benoemde begrippen, verhalen, enz. als samenstellende delen in zijn tekst heeft. Dat heeft als gevolg dat je als hoorder aan de spreker gewend moet raken en
dat je mogelijkheden tot duidelijkheid als spreker in normale spreekbeurten gereduceerd worden tot vlak bij het algemeen bekende.

Met andere woorden: toen ik niet meer de voorbereide lessen kon geven, kon ik mij een gehoor voorstellen, dat mij al heel lang kende en dus volledig aan mijn begrippen enz. gewend was. Vooral omdat in het onderwijs zoals hier nu georganiseerd, je als lesgevende elk jaar een nieuw gehoor krijgt, was het wegvallen van die zingevende gelegenheid les te geven, te duiden als een bevrijding, als extra ruimte.

Er is natuurlijk die truc: een boek schrijven. Daar kan dan de hele jarenlange cursus in uitgeschreven worden, en is aan dat ‘ingeleid zijn’ van de lezer van de latere hoofdstukken mooi voldaan. Een wellicht voor sommigen verleidelijke mogelijkheid, tot zelftentoonstelling, want daar komt het op neer.

DAAR KOMT HET OP NEER, WANT:
Slechts ‘wat gebeurt’ hier nu kan door mij hier nu (voor zover mijn zintuigen reiken) worden opgemerkt, onderscheiden, begrepen, onder woorden gebracht en als er anderen om het te horen aanwezig zijn: GEMELD.

Wanneer is melden passend?
zodra en zolang het opgemerkte aan het gebeuren is, het geval is.
Melden is passend aan diegenen voor wie het gemelde op het moment van het melden niet te bestuderen is, die er daar en dan zelf geen kennis van kunnen nemen. Moeder roept dat het eten klaar staat, broertje gaat de tuin in en kijkt omhoog en zegt dat er dreigende donkere wolken zijn, die regen voorspellen, de omroeper meldt dat de dijk is doorgebroken en dat er nog een kwartier is om de heuvel op te gaan. Van die dingen. Het gaat ergens over, er valt op te reageren. Ageren, doen dus.

Zolang ik iets nog niet zelf heb ‘gezien’ (‘’ vanwege het feit dat ‘zien’ hier voor alle zintuiglijk waarnemen staat) heb ik dat iets SLECHTS VAN HOREN ZEGGEN.

De resultaten van de onderzoekingen van “onze” natuurkundigen in de superlaboratoria zijn voor ons, gewone mensen, wat de openbaringen van de religieuze toppresteerders vroeger waren. Oncontroleerbaar en ontoepasbaar. Vage hoop en vage onrust en eventueel angst.
Gevoel was en is er aan zulke geruchten toe te voegen. Er is niets aan of mee te doen.

Ook ‘het nieuws’, - die ononderbroken stroom actualiteiten elders en de verslagen van voorbije wedstrijden, gevechten, ongelukken en rampen, enz.., hebben en houden we ‘slechts van horen zeggen’.
Het nieuws kan de mensen zo heerlijk de aandacht afleiden van hun waarneembare omgeving en van de hen omgevenden daarin en het vult zo lekker hun bewustzijn.

Na mijn pensionering als docent ben ik als een protestantse dominee of een imam zonder gemeente. De inhoud van de wetenschappelijke literatuur is de tegenhanger van de inhoud van de heilige schriften. Er valt niet meer te preken: geen napraten, meepraten, interpreteren, operationaliseren van de een of andere overtuiging voor het gedrag van de gelovigen, meer. Er hoeft ook niet meer geloofd te worden, er valt toch niets voor te gaan, mee te doen of te volgen.
Zo alleen als Robinson Crusoe op “zijn” eiland: de gezamenlijke anderen als het aangetroffen ecosysteem daar op dat eiland. Dat ecosysteem was er al toen hij aanspoelde, zal er nog zijn als hij weg of er gestorven is. Hij is zo belangrijk als een individuele haring in zee.

Hoe zinnig is het voor Robinson om zijn taalflard te blijven gebruiken? Is de scheepsbibliotheek die hij aan land bracht op dezelfde manier ‘tot niets geworden’ als de inhoud van de schatkist. Zijn die woorden nog wel iets waard? Áls die teksten ergens over gaan, in ieder geval niet over dit eiland. Niet over iets nú, hier.

In die tijd van Robinson zaten de heren nog te lezen, om even wég te zijn uit hun omgeving, waarin te weinig variatie en vermoeienis was. Verveling, niets te doen, geen problemen op te lossen gehad. Voor die heren waren vaak de boeken.

Mijn tekst is een vermenigvuldigingsproduct: mijn taalflard maal mijn constateringen. Dat is mijn meldende tekst.
VAN HET LATEN HOREN OF LEZEN VAN ANDERE DAN MELDENDE TEKST, KAN EEN MENS ZICH MAAR BETER ONTHOUDEN. MAAR LET OP: ER MOET AAN EEN TWEEDE EIS WORDEN VOLDAAN VOOR ZINNIGE PUBLICATIE, buiten de spreekkamer van de arts, de psychiater is het niet gepast om over je invallen in reactie op wat je ‘ziet’ te vertellen.

Freud heette die man die dat aanbeval: dat hardop uitzeggen dáár dan van wat de patiënt (die leed aan het zo –geworden - zijn van zijn ama) inviel.

We zien op tv dat het dat is, zichzelf tentoonstellen, wat er gebeurt met/in de sociale media (Twitter, Facebook, voor mij zijn het lege woorden, ik doe zulke, ‘sociale’, dingen niet). MIJN ZUS OF ZO ZIJN IS EVENMIN EEN ONDERWERP ALS DAT VAN Robinson DAAR TOEN OP ZIJN EILAND.

ONDER WOORDEN BRENGEN WAT MIJ BIJ HET EEN OF ANDER INVALT, VERLENGT DE TIJD DIE IK ER AANDACHTIG MEE BEZIG BEN. HET VERTRAAGT HET DENKEN EROVER. Soms is dat misschien (hoezeer dat ook onwaarneembaar is) wel nuttig. Ik schrijf uit wat mij invalt, BLIJKBAAR UITGAANDE VAN DAT NUT, naast dat ik het als niet vervelend ervaar.

Wat kan ik melden?
Antwoord: wat ik constateer.
Mijn hier nu zijn bij wat hier nu gebeurt, maal mijn zintuigen (met deze hoedanigheden en mijn bril) maal het daar op richten en gericht houden van mijn (van nature beperkte) aandacht, dat bepaalt de inhoud van mijn constateren.
Allemaal totaal privaat, eenmalig, als van die vrije haring in zee. O.k.: mensen hebben bij dat wat die haring al heeft: een schepsel zijn met ingebouwde lust bij (dus: tot) leven (functioneren), nog een extra: een door religies aangeprate grootheidswaan: ‘naar het beeld van de schepper geschapen zijn’. “Bewustzijn”, een “geest”, een “ziel”, een “vrije wil”, enz. het kan niet op. Het is me wat.

Tegen dat ten gunste van de staat met behulp van bij de religie gevoegde metafysische verzinsels suggereren van die ziel enz. sprak (volgens een verhaal dat ik met herinner zonder het terug te kunnen vinden, nu ja, ik heb ook niet echt gezocht, want het maakt niets uit of een verhaal over een iemand ergens ooit, ook ‘waar gebeurd is) een opvolger van Kant, ene Herbart, van een apperceptieve massa (aangeleerds), die in de loop van ons leven door ieder van ons opgelopen wordt. Daarbij is er dan (ook weer 100% van horen zeggen) een herinnering in mij dat een gevalstudie van Freud het uitgegroeide bevaderde zoontje van Fröbel? van die kleuterscholen?) betrof. Die man was bevaderd door een vader die hem leerde rechtop zitten, zoals een tuinman leibomen maakt: mismakend met geweld. Opleiden, en dan voor het leven als ‘nette heer’, een vaardigheid als alle andere, waarvoor tegenwoordig als enige het woord ‘opleiden’ bij ons in gebruik is.

Het zal uit het voorgaande wel duidelijk zijn dat het mij niet inspireert MIJ KENBAAR TE MAKEN. Dat hoef ik niet*, niet alleen niet vanwege mijn afkeer van die mensen die ‘je’ dan gaan beoordelen en rangschikken, napraten, tegenspreken, loven, uitschelden enz., wachtend als ze zijn op nieuwe voorwerpen om onderwerpen van te maken.

|*: hier valt me in dat een bekende schrijver, Reve, het zelfs op zijn grafsteen heeft laten zetten dat híj ‘niet onopgemerkt gebleven’ is. Bij hem ‘lag dat dus anders’, ‘hij stond daar anders in’. Dat soort niets verklarende termen worden gebruikt door die namaakmensen die ook zeggen dat ‘iedereen zijn waarheid heeft’. In feite dus zijn eenmalige apperceptieve massa aangeleerds, waar hij afstand van zou moeten nemen om die gezondheid te bereiken die Freud door zijn patiënten liet nastreven.

In de loop van de tijd ben ik gaan reflecteren: mij ‘als schrijvende bezig’ gaan bekijken als in een spiegel. Wat zit ik nou eigenlijk te doen? Het antwoord op díe vraag en: op de vraag ‘wat anderen er aan zouden kunnen hebben’. Een ‘sociale’ oprisping dus. Enig nut (“terug”) hebben voor de mensenmassa, die voor mij is zoals dat ecosysteem daar voor Robinson.

Niet als boekenschrijver en niet als twitteraar de reacties van mijn apperceptieve massa aan taalgenoten voorleggen, viel mij als manier om in de massa enkelen een stuk gereedschap te geven, waar ze mee aan de gang konden buiten de genoemde spreekkamers.

WAT DAN WEL?
En het geschiedde in die jaren dat de kamervullende computer verkleind werd tot de desktop, en via de laptop tot de tablet, terwijl de ‘power’ maar steeds groter werd. En ziet, er zijn nu “apps”. En toen ik daarover hoorde dacht ik: “een app, dát is het: het middel om de samenstellende delen van de taalflard die ik in gebruik heb te veruitwendigen, voorlegbaar te maken”.
Wát ik besprak, dat waarbij ik sprak, dat is over en voorbij, eenmalig en slechts ‘mij’. Daar hebben anderen niets anders aan dan een onderwerp voor dat beoordelen, dat de voorroomse christenen zo werd afgeraden.

Die taalflard, die in mij functioneert, die produceert wat mij aan tekst invalt, zou daar wellicht iemand anders iets aan kunnen hebben? Nee. Beter is een app, die de gebruiker op het idee en ertoe brengt om aan zijn eigen taalflard aandacht te besteden. Aan
de onderscheidingen,
de uiteen houdende termen,
de, - met de schijn van verbanden het onthouden van correlerende verschijnselen vergemakkelijkende - verhalen,
de analogieën,
het alleenrecht gevende uitreiken van eigen onderscheidende namen aan begrippen die ongelijk zijn, EN DUS VERSCHILLEND REAGEREN EISEN
het (waar ook maar mogelijk) kiezen van het laagste, minst omvattende, meest specifieke, meest eenduidige woord,
enz.

Eenmaal op dat idee gekomen, heb ik er al wat inhouden voor bedacht, MAAR IK KAN ZELF ZULKE APPS NIET SCHRIJVEN. En ik kan het ook niet meer leren, vanwege mijn eigen brein niet meer en doordat ik geen leraar ervoor zou weten. Het is ook niet meer de moeite waard.

Ik zoek dus hulp.
Ik zoek hulp bij:
het vinden van iemand die een app kan maken, n.a.v. een bestelling door
iemand die aangeeft wat er in moet.

Wat er in (c.q. door) zo’n app als ik bedoel, moet, kan wellicht worden gevonden door het bestuderen van wat er IN MIJ gebeurd is BIJ (tijdens, in en door) MIJN UITSCHRIJVEN (van wat mij aan gedachten inviel). DAT GEBEURDE is te vinden in de op datum liggende teksten die ik (digitaal) heb uitgeschreven, als ware ik op eigen initiatief een proefpersoon in zo’n onderzoek.

De vele duizenden bladzijden (ettelijke miljoenen woorden, meer dan 50.000 verschillende) bleken allemaal door één programma te tellen en van een woordenlijst met woordfrequenties, te voorzien. Dat is natuurlijk een bewerking die getallen, geen woorden, laat staan begrippen, laat staan betekenissen en verbanden betreft. Ja, dat kunnen computers. Wat ze ook kunnen leren is: de onderlinge nabijheid van zulke WIGgen (woorden in getalvorm) in de loop van de tijd in die reeks opstellen vaststellen en het is niet onwaarschijnlijk dat die nabijheid samengaat met het in één verhaal voorkomen van die paren (of groepjes) woorden.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *