Jaap Schot, 8 december 2009
Dit is een hulpvraag.
- WAT HET PROBLEEM IS.
- In augustus 1970 studeerde ik aan de RUG af als psycholoog; meteen begon ik te werken: als leraar “psychologie” aan de afd. ‘sociaal cultureel werk’ aan sociale academie Twente.
- ik bereidde mijn lessen schriftelijk voor, ik schreef helemaal uit wat mij inviel bij wat ik wou gaan uitleggen.
- op de kweekschool had ik geleerd dat wie onderwijs geeft over een onderwerp de hele omgeving van dat onderwerp moet kennen en doordacht hebben. Wij leerden op die kweekschool bijvoorbeeld werken met het achttallig stelsel, om een betekenis te hechten aan ‘tientallig stelsel’ en als voorbeeld het 12tallig stelsel te ‘zien’.
- Deze eigen ‘groei’ was dus het ene doel met het uitschrijven van die lesvoorbereidingen. Die schrijfsels las ik niet voor en/of volgde ik niet ‘in de les’. Ik stencilde ze en stelde ze de leerlingen ter beschikking, naast of i.p.v. hun eigen aantekeningen.
- ik bewaarde al deze lesvoorbereidingen, die altijd van een datum voorzien waren. Dat doende kreeg ik een verzameling van tigduizenden bladzijden zelfgeschreven tekst.
- tegen de eigenlijke ‘bedoeling’ van het geïnstitutionaliseerde onderwijs in, “gaf” ik niet jaar na jaar aan de nieuwe groep leerlingen dezelfde onderwerpen.
- jaar na jaar groeide dus de verzameling bewaarde lesvoorbereidingen.
- na 3 jaar veranderde ik van baan: ik ging in de vakgroep Toegepaste Onderwijskunde voor de Lerarenopleiding werken: ‘algemene didactiek’ heette het vak.
- weer nam ik geen leerboek en behandelde dát, maar schreef lesvoorbereidingen. Net als van de sociaal cultureel werkers was het voorland van deze potentieel a.s. leraren: omgaan met mensen die zij niet één voor één zouden kunnen leren kennen.
- toen besloot de minister in bezuinigende onwijsheid op te houden inhoud te laten geven aan de bevoegdheid van elke afgestudeerde om les te geven. Met een riante afvloeiingsregeling werd ik “uitgesteld” gepensioneerd.
- ik ben gewoon doorgegaan met het uitschrijven van wat me inviel bij wat de aandacht heeft van ‘mensen die andere mensen, ook jongeren, kinderen, in hun buurt hebben en dus onvermijdelijk (óók zonder erg) ten voorbeeld zijn en onderwijzen’.
- ik publiceerde niets en achteraf heb ik dáár geen spijt van: er is aan losse stukken tekst “geen touw vast te knopen”. Dat is waar t.a.v. álle publicaties. Maar we zijn er zó aan gewend, dat we het niet (meer) opmerken, geen diagnose stellen en die niet uitspreken en er geen genezing voor zoeken.
- Als twee mensen hetzelfde zeggen, dan betekenen die uitspraken nog niet hetzelfde en als twee mensen een en dezelfde tekst lezen, dan roept die tekst niet in beide hetzelfde wakker. Het is met ‘met elkaar praten’ als met eten, het is echt goed en nodig, maar bij nader onderzoek blijken we ons zonder erg te vergiftigen en te ondervoeden. Al taal gebruikend blijken we elkaar te verwarren en te begoochelen.
Zó, kort geformuleerd, is het een toegestane mening. Toegestaan zoals alle andere meningen. - De techniek (kleurendruk, computers, ’digitale informatiedragers’, enz.) maken het mogelijk de NODIGE ruimte te geven aan het gepubliceerde.
Door de scheikundelessen op de HBS veranderde de betekenis ‘in mijn mond en in mijn denken’ van woorden zoals ‘metaal’, ‘zout’ en ‘zuur’. Het vóór die verandering door mij gezegde, illustreert alleen dat veranderen kán. Veranderen dóe je niet, het gebeurt. Onderwijs inrichten is: niet leren, onmogelijk maken.
- Als twee mensen hetzelfde zeggen, dan betekenen die uitspraken nog niet hetzelfde en als twee mensen een en dezelfde tekst lezen, dan roept die tekst niet in beide hetzelfde wakker. Het is met ‘met elkaar praten’ als met eten, het is echt goed en nodig, maar bij nader onderzoek blijken we ons zonder erg te vergiftigen en te ondervoeden. Al taal gebruikend blijken we elkaar te verwarren en te begoochelen.
- HOE IK ER AAN BEN GEKOMEN.
- WAT IK NODIG HEB OM HET OPGELOST TE KRIJGEN.
0 Reacties