Ik en mijn onderwerp

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: AMA | Auschwitz | Descartes (René) | geredigeerd | Locke (John)

Jaap Schot, 18-20 september 2003

 

HET EERSTE OPSTEL MET AMA ER IN !!!
De geboortedatum van ama is dus
zaterdag 20 september 2003,
niet als begrip,
maar als letternaam,
naast txaenz.
Leuk hè.

 

Ik heb maar één onderwerp:
dat wat zich aan mij voordoet,
omdat het – zintuiglijk, of anderszins – mij gegeven is.

 

Tussen de input vanuit mijn zintuigen enerzijds en de output van mijn brein op het beeldscherm van mijn bewustzijn anderzijds in ligt als verwerkende instantie mijn apperceptieve massa aangeleerds. Die massa aangeleerds is bij ieder van ons verschillend. En bij niemand van ons ‘uitgeselecteerd’, zoals al onze organen tijdens het ontstaan van onze soort fylogenetisch uitgeselecteerd zijn. Ieder van ons is, qua apperceptieve massa aangeleerds (AMA), ontogenetisch eenmalig. En van die apperceptieve massa is slechts die eenmaligheid en toevalligheid eigenschap.
Ik weet niet waardoor het komt dat de een zijn bewustzijn, meestal en voornamelijk, gevuld krijgt met

  • gevoel, de ander met
  • beeldmateriaal, en de derde met
  • tekst
    • verhaaltjes/ anekdotes, of
    • betogen, of
    • meldingen en dergelijke;

    Logisch bewerkbare, doordenkbare, meta-bespreekbare tekst dus.

Ik weet alleen maar dat ik meestal en voornamelijk tekst in mij hoor, met mijn geestesoor, die vrijwel precies van de soort is die ik hier nu uitschrijf.
Over anderen heb ik slechts hun berichten en dan wat ze aan tekst laten horen.

Verstand en intuïtie

Aan het verwerken van de zintuiglijke indrukken is door de hele apperceptieve massa deelgenomen, als het bewustzijn – dat beeldscherm – gevuld wordt met gevoel. Is dat zo? We zullen het nooit weten.
Aan het verwerken tot bespreekbare, logisch te verwerken tekst is nog een apparaat te pas gekomen. Dat is het apparaat uit hersencellen, dat ik "de tekstaanmaker" noem. En daarvan dan nog dat stuk waar die andersoortige tekst uitgefilterd wordt. Ik ‘denk’ dat er bij het verwerken tot zulke ‘kwaliteitstekst’ een reductie plaatsvindt van – op de te verwerken input, toegepast – verstand. Ik ‘denk’ namelijk dat er verstand van zaken is, dat wij niet kunnen vatten in begrippen, die wij punt-precies een naam kunnen geven, en daarna die woorden onderbrengen in eenduidige volzinnen. En ik ‘denk’ dat dit zo’n serie extra bewerkingen is, dat er hierdoor reductie optreedt. Iedereen die denklui is en zich beroept op zijn superieure intuïtie, zal met dit vermoeden instemmen. Ik houd het er op dat het onbewezen is.

Oude propagandataal gebruiken

De civilisatie waarin – temidden waarvan – ik leef is een oudere en wat gedomesticeerde uitvoering van Auschwitz: mensengebruik en, langzaam gemaakte, vernietiging door arbeid. De grootste verworvenheid van de beschaving van dit oude Auschwitz is dat er gewacht wordt op het spontaan dood gaan – door ziekte, slijtage, ouderdom – van de gebruikten. Vee, dat zijn wie in gevangenschap geboren zijn, gehouden worden. Dat vee is gebruiksvee, geen slachtvee meer. Verder is alles aanwezig: de kapo’s 1 , de rangordening der gevangenen, de ‘Kommando’s’ (groepen met een speciale taak), enzovoorts, enzovoorts. Na vele, vele eeuwen en generaties zien de mensen ‘hun’ – deze “sociale” – leefomgeving niet meer als een gevangenis. In die gevangenis worden ze, als (nazaten van) verslagenen, als gebruiksvee gehouden. Hoewel ze in mijn tijd (1938 - ) 2 de opkomst van het Derde Rijk hebben gezien en de verwording van het streven naar bevrijding door gelijkheid voor de wet, tot stalinisme, bespreken en overdenken ze hun situatie nog steeds met de oude propagandataal.
Ik heb teveel documentairefilms over de Tweede Wereldoorlog gezien om, in dat met propagandataal bespreken, bij de rest – de blinde anderen – te blijven. Wie niet kijkt, ziet evenmin als een blinde. Weiger de begrippen te gebruiken en je bent ‘blind’, zoals in Kants formulering "Anschauung ohne Begriffe ist blind".
Zien tegen de eigen wens in, kan vooral door het zappen naar de andere zenders eenvoudig worden voorkomen. Kijkcijfers bewijzen dat ‘men’ het ook op die manier dóet.

Civilisatie beschrijven in Auschwitztermen

Ik beschreef en beschrijf en ervaar dus mijn actuele omgeving wél in de termen van Auschwitz. Niet mijn naaste omgeving, maar de omgeving waarover via media “mij” werd, en wordt, bericht. En dat vooral in propagandatermen en (aan)klaagtermen.
De structuur van de maatschappij ligt als een wapen gereed voor iedereen die het weet te grijpen. Hitler greep het en Stalin ook. Maar, Roosevelt en Churchill ook. Zonder zo’n wapen, zo’n maatschappij, zo’n nationale staat, is er niet dát soort heerschappij te voeren.
‘Al Qaida’ en ‘Hamas’ kunnen niet veel meer dan vernietigen. En ‘zending en missie bedrijvend recruteren’ onder de, niet zelf op hun beurt – via geld – andere mensen gebruikende, gebruikten. Onder de armen dus, de ongeplaatsten, ongebruikten. Die zijn er.
Want, in deze gedomesticeerde civilisatie mogen de gebruikten, hun verwanten en zelfs de totaal ongebruikten blijven leven. Mensen doden is helemaal afgeschaft in vredessituaties. Zodra er tot doden wordt overgegaan, wordt er dan ook van ‘oorlog’ gesproken.
De juristerijgelovigen zijn de hoeders van het temmen en tot huisdier maken van de civilisatie. 'Civilisatie', die zij – door, en in, hun propagandataal – omgebouwd achten tot ‘beschaving’. Het gebruiksvee wordt, daarmee vaak instemmend, door hen in het valse bewustzijn gebracht en gehouden dat ze

  • vrij zijn, en
  • met hun parasitair van hen levende biologische soortgenoten – die hen niet eten, maar slechts hun txaenz aftappen – een lofwaardige en respectabele, behoudenswaardige eenheid vormen: de mensheid.

Jezus versus juristerijgelovigen

Het is tegen deze club “juridisch denkenden” in sprekend, dat Jezus in de mond gelegd wordt: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’. Linkser dan de uitspraken her en der in de Bijbel, is het echt niet te formuleren. Het is een triomf van de duivel dat mensen de Bijbel een boek voor gelovigen achten. Geloven is fout. Los van elke inhoud, de bezigheid is fout.
En de Bijbel is HET boek van, en voor, ongelovigen. Het koningschap, de goden, alle godsbeelden, de civilisatie, achter elkaar worden ze tot kwalijke verzinsels verklaard – niet slechts, gescholden.
“Niet hoe je je voedt, maar wat je doet, daar gaat het om”, zei Jezus. Van ‘doen’ spreken we bij gedrag dat je ook kunt nalaten. Dus niet bij eten, maar bij het ‘gezellig’ eten in een sterrenrestaurant, of ‘met mes en vork’. Je doet al díe dingen, als speler in het spel ‘rangschikkertje’, om het nalaten waarvan, je anderen minder acht dan jezelf.

“Niet hoe je je voedt...”
Nee, ik schrijf hier niet dat er geen club moet zijn die tegen gif in ons eten en zo moet ageren. Ik stel zelfs dat van zulke clubs wij massaal lid moeten zijn, zoals van de ANWB. Dat lid worden is een daad, een voorbeeld van doen, in onderscheid van functioneren/ gebeuren. En daar om, zo zegt Jezus, om doen, om ‘wat je doet’, gaat het. Bij mij, Jezus, in het Nieuwe Testament, in de leefaanwijzingen onder de onafschudbare civilisatie: de Romeinse beschaving.

Over waarheid

  1. Er is geen bestaande, blijvende – beschrijvende, empirische, meldbare – waarheid. Alles wat ons zintuiglijk of anderszins gegeven is, is aan het veranderen. Altijd al.
  2. Niemand heeft meer waarheid dan die hij zelf opmerkt, neemt. Die KENNIS die je tijdens het waarnemen hebt, kun je niet bewaren en niet aan een ander doorgeven. Melden is geen ‘waarheid overdragen’, maar informatie geven, een wegwijzer opstellen voor de ander, naar het onderwerp. Als de ander het onderwerp, het waarneembare, het ‘gegevene’ ook kan bereiken en waarnemen, er KENNIS van kan nemen, dan is het doel van melden bereikt. Soms kan dat doel niet bereikt worden. De melding is dan nog slechts ‘als om te geloven, om er blindelings, niet ziend, vertrouwend gebruik van te maken als ware het jouw eigen kennis’. Dat, (eigen) kennis, is het dus niet. Als mensen zo, KENNIS bij (‘kennis’ genoemde) informatie voegend, tot besluiten en handelen komen, vormen ze een gokvereniging.
  3. Iedereen werkt bij dat opnemen – die perceptie – met een toevallige, onbedoelde, geen eerbied of toewijding verdienende, apperceptieve massa aangeleerds. ‘Werkt met’ is de verkeerde beeldspraak, die doen, activiteit, kunnen nalaten suggereert (want impliceert). Die massa aangeleerds maakt van perceptie apperceptie. Die massa staat te functioneren zoals een vergrootglas dat doet tussen zintuigen en bewustzijn. Maar de perceptie wordt in die massa opgenomen, laat daarin een spoor achter. Die massa is na dat opnemen ongelijk aan daarvoor. Zoals een vergrootglas, functioneert ze. Maar de apperceptieve massa dient ervan te worden verdacht een vertekenende lens te zijn. Omdat er nergens een lenzenslijper aan het werk was, zoals Descartes veronderstelde.
    "God zal mij toch geen ingeboren ideeën geven, die vertekenen, die propaganda zijn, die niet deugen, die liegen. Die mij doen liegen, als ik ze laat functioneren in mijn tekstaanmaker?"

    Nee hoor, René, jouw god niet. Welterusten.

Het kernverschil tussen Descartes en Locke

Vanmiddag, op de fiets, in verband met een probleem juist dáárover drong het tot me door dat het kernverschil tussen Descartes en Locke is: wat ze bedoelen met ‘IK’:

  • de tabula rasa, of
  • de apperceptieve massa aangeleerds (de ama).

Hetgeen ik met IK aanduid of wat ik nu met ‘ama’ ga aanduiden. Over de status en aard van dat IK heb ik al geschreven, dat het hier gaat om een familielid van het verdwijnpunt bij wie perspectief wil tekenen. Het is niks en staat ook niet in het eindproduct. Maar tijdens het werken richt het ordenen zich ernaar en uiteindelijk is het beeld er zeer door beïnvloed.
In het echte leven – in onderscheid van in het denken, het filosofisch spreken over mensen – gaat het om iets heel anders. Namelijk

  • om het elkaar en zichzelf rangschikken – en daartoe beoordelen, goedkeuren, afkeuren, respecteren, verachten; en
  • om het aan elkaar rukken en trekken, teneinde elkaar te veranderen – van gedrag, van doen en nalaten dus, te láten veranderen.

Ik heb maar één onderwerp

Dat onderwerp is: wat zich aan mij voordoet omdat het zintuiglijk of anderszins mij gegeven is. Als anderen tegelijk aan hetzelfde onderwerp aan het waarnemen en hanteren zijn, kunnen we het onderwerp bespreken. En als we wat geluk hebben, zijn de ons gegeven ‘ansichten’, hier en daar overlappend.
Van wat je in jouw positie ten opzichte van het onderwerp – als jouw ansicht – gegeven is, kun je kennis nemen. Die kennis is niet deelbaar, niet over te dragen en niet te bewaren. Maar waarschuwen en aanwijzen zijn van levensbelang en kunnen. Maar op informatie blindvaren blijft gokken. Want mensen kunnen liegen, en dan geven ze vals alarm of valse geruststelling. Kortom, een valse reden voor doen of nalaten.
Vroeger nam het overbrengen van een bericht nog lange tijd. Dan kon een bericht weer al verouderd zijn, kon de stad alweer heroverd, de storm alweer voorbij zijn. Dat soort dingen. Wie zijn ama als verzameling redenen voor zijn handelen neemt, is als zo iemand die met van die – waarschijnlijk, al niet meer ware – berichten werkt.
Wie zonder zijn ama werkt, weet absoluut niet ‘wat te doen’ (én niet, ‘how to do’) ten aanzien van alle onnodigs. Het nodigs meldt zich en vormt geen probleem, hoewel wij – ‘hogere dieren’ – ook al moeten leren wat te eten is en wat niet.

Locke had het daar zelf ook moeilijk mee en wel op het gebied van de woorden. Hij schrijft uit dat ‘je’ je woorden en begrippen heel nauwkeurig en consequent moet doordenken en gebruiken, maar dat zulks bij het praten met anderen, die dat ‘afspreken met jezelf’ niet hebben meegemaakt, mee gekregen, ineens niets helpt. De woorden krijgen weer hun gewone, slordige – ‘betekenis’ genoemde – stánd, als wegwijzers.
Jammer dan, maar zo is het nu eenmaal.

Empirisme en rationalisme

In het boekje staat dan dat Locke staat voor de empirie en Descartes voor het rationalisme. Mooi, de empirie heeft restloos gewonnen voor wat betreft het omgaan met, en het verkennen van, de omgeving der mensen.
Voor wat betreft het omgaan van de spelers in het maatschappelijk spel met elkaar, won onverkort – en onaangevochten zelfs – het rationalisme. Het logisch redeneren met ook verzinsels (wetten, afspraken, regels), compleet met retoriek, debat, opinies tellen en laten gelden.

Beide dingen gebeuren en zijn empirische gegevens, waar ik geen wensplaat naast houd. Mijn vraag is die van iedere enkeling: "wat doe ik zelf thuis" – "in mijn eigen vorstendommetje dus”.
Ga ik als voor de maatschappij afgestelde, bruikbaar gemaakte, opgevoede, opgeleide, geconditioneerde ama leven.
Of ga ik met IK (hoofdletters, die hier betekenis dragen 3 ) ‘mij als tabula rasa’ aanwijzen, los gedacht van alle leren dat later die lei, dat schoolbord ging vullen.
Wat wil ik wezen, een Nederlander, protestant, anarchist, enzovoorts.
Of een exemplaar van de diersoort ‘mens’, kort gezegd ‘een mens’.
Bij dat ‘exemplaar zijn’ zie ik af van elke aangebrachte verbijzondering. Zoals ik ook afzie van wat ik niet zien kan. Zelf en anderen eigenlijk ook niet: mijn specifieke genencombinatie en het verloop van het er-zijn daarvan. Ik kan zo weinig van mijzelf zien dat het nonsens is met ‘ik’ die weinige toevallige gegevenheden te bedoelen.

Gevangen door de maatschappij

Maar, ik wil niet dat ik gevangen word door een stel weldoeners en beminners. En dan gedrongen tot het aanleren van – voor mij, nieuwe – manieren van doen om gelukkig in te zijn.
Schoolvoorbeeld: in de bejaardensoos te leren kaarten en kouten en bier drinken. NEE.
Zo min als ik die anderen naar lezingen van mij zou willen lokken of dringen.

Ik – als ama – ben niet gezellig, zij zijn niet om aan te horen. Gescheiden houden dus.
Ik koos mijn ama niet, zij kozen hun ama’s niet.
Het zo-zijn van de massa “in samenleving” toen daar, maakte deze divergerende, niet bij elkaar passende ama’s aan.
Het toevallige zo-zijn van wat er toen gebeurde en de een wel en de ander niet raakte, onderwees, iets deed leren.

Wij leven niet zozeer multicultureel als wel veelvormig toevallig-zoals-we-zijn. Een ‘Nederlandse cultuur’ is er in ieder geval niet.
Met de meeste Nederlanders heb ik zo weinig gemeen dat ik er niet mee samen mijn txaenz zou kunnen besteden. En dat samen kunnen doen, dát is nou: tot één en dezelfde cultuur behoren. Als producten van die cultuur, die een cultuur is omdat ze een aanmaakprocedure is (c.q. omvat) voor het aanmaken van die bij elkaar passende personen. Ze worden aangemaakt door omhanging met een ama, uit kinderen.
Een cultuur ‘is’ (= werkt, veroorzaakt gevolgen zoals) een convergerende lens.
Onze maatschappij ‘is’ een divergerende lens. Talenten ontwikkelen, zich ontplooien, eigenheid als genencombinatie uit laten werken en tentoonspreiden. Individualisme. Persoonlijke vrijheid. Dat soort kreten.

Afwezigheid van anderen

'People who need people’ zijn er. En er zijn ook mensen die nu juist de afwezigheid van anderen positief waarderen. Dat zijn al die miljoenen die foto’s zonder mensen erop zo mooi vinden.
Het wordt steeds platter verwoord, hier:
De eenzamen en de in het nauw gedrevenen. Die twee groepen, die twee reactiepatronen. Degenen die op hun beurt anderen gebruiken en degenen die (willen) vluchten.
‘Jan gaat vaak vissen’. ‘Piet gaat niet graag mee boodschappen doen’. Nee, het is niet geslachtsspecifiek, niet sekse gebonden. Het is hoogstens gender gebonden: het wemelt ook onder mannen van oude wijven.
De verwarring die met deze divergentie samengaat hangt er – misschien wel, misschien niet – mee samen. Vroeger, nog in mijn tijd, mocht je gewoon hartelijk lachen om iemand die – zijn ama als ik nemend – vertelde dat hij in een verkeerd lichaam zat. Hou toch op man, kijk eens even naar hoe jouw ama zo geworden is. Of beter nog, zie in wat je ama is en kijk er helemaal niet meer naar. Wordt gewoon JEZELF, vat je ama op als alleen een gereedschapskist en helemáál niet meer als agenda.

“Ja maar ik verlang zo naar ‘dinges’.” Ik heb niet geleerd gelukkig te zijn ‘alleen thuis’. Nou, zo zijn er duizenden. Ik, schrijver dezes, kan echt niet koutend thee zitten te drinken in de tuin of zo. Als iemand zich zo voelt, voelt ie zich ongelukkig. Waarom dan dwingen of dringen tot het verkeren in die situatie. Met een goed gesprek zijn die thee en dat zitten enige tijd draaglijk. Maar het wordt nooit wat voor mij.
Ik probeer uit dat probleem te komen door het te begrijpen en er alle schuld uit weg te halen, er dus onjuridisch naar te kijken. Dan zie ik dat iedereen opgescheept zit met zijn ama. En dat het totaal geen nut of voordeel oplevert te gaan ruilen: wat lol tegen wat onlust.

Laat me...

Ach, verdomme, ik ben ergens aan bezig, aan mijn uitschrijven. Laat mij toch. Ik ga niet consumeren, ik speel, ik gebruik mijn taal en mijn verstand en maak teksten aan. Ik doe daar niemand een plezier mee dan mijzelf. Het is voor mij prettiger dan gefrustreerd naar lullige televisie zitten kijken of mij in mijn stoel gedwongen te voelen. Ineens is het huis te klein. En de wens om het technisch op te lossen is er niet, want wat mijn probleem is, is haar doel. Niet dat ik een probleem heb is haar doel, maar dat ik ophoud alleen – gelukkig, want aan het functioneren – te zijn.

Ik loop aan tegen de gevolgen van het "laisser faire" in de opvoeding (→ txaenzbesteding). Ik heb mijn manier en anderen de hunne.
Het is toeval of iemand tegen een passende ander oploopt, gezoek trekt mij niet. Ik voorkom liever het probleem van het zoeken, door op andere wijze te voorzien of af te zien van. Ik hoef niet echt. Zij missen ook niks. Waarschijnlijk, maar ik kan omtrent wat in anderen speelt, niets weten.
Zaterdagavonden zijn net zo bruikbaar voor een goed opstel als andere avonden. Waarom die zaterdagen dan verdoen aan televisie? Ik zoek een stille omgeving, zonder muziek en zonder televisie en zonder radio. Ik schrijf opstellen. Nou èn.
Laat mij toch. Ik dénk mij wel een luisteraar of lezer als ik dat ooit weer wil. Nu heb ik er in ieder geval totaal geen behoefte aan.

Consumeren als verkoopargument

Consumeren dat is het echt hoor, wat als mogelijkheid met nieuwe computers wordt genoemd en gebruikt als verkoopargument. Je je txaenz laten vullen, laten verdoen. Dat is het volgens mij: je consumeert vermaak, verstrooiing, afleiding, ontspanning, verpozing.
Ik ben niet gedreven, maar verveeld zodra die leegte er is. Ik ben niet gericht op mijn fysieke omgeving in die zin dat die bloemen en huizen en voorwerpen en mensen mij als onderwerp lokken. Over die concrete haas, dat concrete stuk in de tentoonstelling, wil ik helemaal niks weten of zeggen. Het laat me koud. Ik ben met iets anders bezig, laat mij toch.
Dat is gewoon het hele verschil hoor. Wel of niet ergens mee – of beter, aan – bezig zijn. Ik kan slechts alleen, in m’n eentje, LEVEN: functioneren. Tenzij er een ander is die past? Nee, ik denk het niet. Er is ook geen enkele reden voor.

Niet zeuren! Het hele systeem, regime, van deze samenleving in onze tijd is: laat iedereen zijn gang gaan, tot het echt de parasieten gaat hinderen.
De last die de gebruikten elkaar onderling bezorgen, wordt honend weggeveegd van de tafel van de ordehandhavers: “burenruzies, há”.
Die parasieten wonen in vrijstaande huizen. Fietsendiefstal treft hen niet zo vaak. En zo voorts.

De eenmalig opgelopen AMA

Iedereen loopt in een eenmalig gezin zijn eenmalige ama op. Via die ama moet hij zijn txaenz besteden. Hij kan niet anders.
Hij heeft geen andere vaardigheden dan die hij leerde. En leerde geen andere dan die waarmee hij in aanraking kwam en bij bekrachtigd werd. Het is niet anders.
Ik ben nog niet klaar met uitschrijven. Ik ben wel klaar met bijeenbrengen van vindsels en met het nestelen, zoals ik dat in het huis van Maria heb gedaan. Soms gaan dingen dus wel over.
‘Niks zitten doen’, dat leerde ik niet aan. En daar ben ik nog steeds niet (door niets anders meer kunnen vanwege minder gul stromende txaenz: vervallen vitaliteit, werkkracht, levenskracht) aan toe, godzijdank.

Afsluitend...

Het staat er allemaal erg duidelijk. IK ben die virtuele, gedachte figuur die buiten mijn ama en mijn genencombinatie is – niet, gebeurt.
Onveranderlijk en eeuwig ben IK, want niks. Niks kan niet veranderen of vergaan. IK besla ook geen plaats.
IK duur slechts en functioneer doordat ik als ama er rekening mee houd bij het appercepiërend vormgeven aan mijzelf, de ama.
Appercepiërend zich vormgeven, dat is wat die ama doet. Het is mogelijk daarbij rekening te houden met een virtueel IK, een steeds onbeschreven gebleven aanvankelijke.

De aanvankelijke, die geen dader is/ was, maar een ontvankelijke. Een beschrijfbaar schoolbord, bij wijze van spreken. Een lege geformatteerde harde schijf of ‘beschrijfbare cd’.
En ‘het leven’, het toeval, het lot, schrijft daarop. Dat heet, dat de ama groeit en ‘leert’.
Zeg mijnentwege dat IK leer, dan doe IK ook nog wat. Maar in feite doe IK niks, leren gebeurt. Ik, de ama, kan het niet nalaten. IK zeker niet.

Het hele werkwoord ‘denken’ in "ik denk dus ben ik" is moeilijk.
Ik heb er moeite mee wie er nou iets extra’s bedoelt met ‘denken’, naast dat appercepiëren.

1) [red.] Een kapo was een gevangene in een nazikamp in de Tweede Wereldoorlog, die als taak had op de andere gevangenen toe te zien.
2) [red.] Uiteraard moest Jaap het jaartal van zijn overlijden (2017) nog leeg laten in dit opstel uit 2003.
3) [red.] In het, nog niet geredigeerde, opstel "IK, de soevereine bezitter, of ik" gaat Jaap dieper in op het, door hem gemaakte onderscheid, tussen "ik" (in kleine letters) en "IK" (in hoofdletters).
Ook met begrippen als weten en kennen, maakt hij dat onderscheid.
Vermoedelijk gebeurt dat niet altijd even consequent. Verder maakt zijn gewoonte hele stukken tekst in hoofdletters te schrijven het er niet gemakkelijker op. Immers, hoe zie je dan het verschil tussen (bijvoorbeeld) "kennen" en "KENNEN"?

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *