Ik kan taal gebruikend in mijn eentje bezig zijn…

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Eigen boek (1984-1987) | Opstellen | Uiteenzettingen conceptgroepen

Trefwoorden: eigen boek

Jaap Schot, 8 juni 1987

Over taal en taalgebruik (n.a.v. tekst lowie everink).

Ik kan taal gebruikend in mijn eentje bezig zijn, maar ook met anderen. Als ik uitschrijf in wat ik mijn dagboek noem, ben ik in mijn eentje, solitair, bezig. Mijn tekst is niet aan of tot iemand gericht. Mijn taal is en blijft een niet-solitair stuk speelgoed of stuk gereedschap. Als ik niet langer probeer mijn invallen te formuleren in woorden die betekenis hebben, die geijkt zijn, dan ben ik niet langer met taal bezig, dan schrijf ik niet langer in het Nederlands. Het zal zeer waarschijnlijk zo zijn dat ik de betekenis van de woorden die ik gebruik niet precies ken en tref. Zo zal ook bij het lezen de lezer, ik als lezer, vaak de betekenis niet exact raken. Verstaan is: de betekenis exact raken als lezer of hoorder. Zich exact uitdrukken is wat de spreker schrijver zelf moet nastreven.
Als taalgebruiker kan een mens dus geen solitair wezen, niet solitair bezig zijn. Taal gebruiken heft het van de anderen geïsoleerd zijn op. Dat isoleren wordt gedaan en gehandhaafd om de (door isolatie pas ontstaande) enkelingen te kunnen belonen en straffen en deze enkelingen met beloning en straf te kunnen motiveren (= te kunnen aanzetten tot waar ze uit zichzelf, spontaan, niet toe zouden komen of niet mee door zouden gaan). De door isolatie tot enkelingen gemaakte ingezetenen van de samenleving worden (in cultuur, maar in veel sterker mate in de civilisatie) ertoe gebracht zich als bevoorrechte (onder andere bezittende) heren zowel als als presterende knechten met elkaar te meten en zich met idealen te meten: de absolute macht resp. de perfecte prestatie voor achtereenvolgens heer en knecht.
Dit wedijveren, dit wedstrijd spelen, dit tegen elkaar opgezet zijn, komt ook in het praten met elkaar tot uiting, als enkelingen (geïsoleerden) brengen ze het nooit tot gesprekken, alleen maar tot discussie, dispuut, debat, tot woordvechten. De delen van de taal die een volwassene in zich aantreft blijken bij nader inzien dan ook voor het grootste deel wapens en zijn weten (wat hem onderwezen is) blijkt ammunitie. Zijn brein is behept geraakt met de gewoonte hem tegenwerpingen in te geven, in te doen vallen, bewust te maken, en argumenten en overredende en evasieve (= van het onderwerp wegvoerende) retorische trucs.
Wie als volwassene alsnog in zijn eentje, solitair bezig, de taal wil gebruiken als vervanging voor de niet te verkrijgen goede (= leerzame) gesprekken, merkt dan ook dat het eigen brein opnieuw moet worden afgesteld. Het eeuwige tegenwerpen en van het onderwerp weggaan moet worden afgeleerd, evenals het zich beperken tot wat hier en nu de bespreker als ervaring gegeven is, moet worden aangeleerd. De invallen vanuit het eigen brein zijn het geschikte onderwerp voor wie zijn brein wil herprogrammeren en opnieuw wil instrueren en informeren. Om te voorkomen dat het brein de uitschrijver brengt tot oneindig herkauwen en ander leeg gepraat, dient alles wat was in ieder geval als onderwerp verworpen te worden.

In het uiteenzetten van conceptgroepen gaat het mij niet om het aanmaken van lijsten namen
- van aanwijsbare verschijnselen (de onderscheidbare kleuren bijvoorbeeld) of
- van verschillende dieren of planten of voorwerpen (soorten of typen schepen of auto's).
De woorden waarmee we die soorten aanwijsbaarheden aanduiden noemen we NAMEN. De enkele ("individuele") aanwijsbaarheden kunnen we een eigen naam geven en dan kunnen ze met die EIGENNAAM worden aangeduid.

Ter beschikking staat het woord 'term' als naam voor die (subgroep van de) resterende woorden die namen zijn van de begrippen waarvan ik dan wel uiteenzettingen wil aanmaken. Die begrippen komen door onderscheiden tot stand, en door afgrenzen, definiëren. Het lukt me hier nu nog niet om met eenduidige, niet mis te verstane termen aan te duiden welke concepten ik in groepen aantref en die ik uiteen wil zetten, verder uit elkaar wil plaatsen dan men het in het algemeen doet. Men gebruikt de termen in kwestie vaak als waren ze onderling geschikt om elkaar te vervangen. Vaak is dat vervangen echter slechts in een beperkte mate mogelijk, in een beperkt aantal uitspraken. Het zoeken is steeds naar de meest specifieke bewoording.

Voorbeeld: als een kind tegen je zegt, enigszins verbaasd of boos: "en toen moest ik betalen", dan kun je antwoorden / reageren met de uitspraak: "Ja, zo is het nu eenmaal in het leven." Die uitspraak is te verbeteren, want er zijn in het leven omstandigheden waaronder je niet hoeft of kunt betalen: in de natuur en binnen het "primitieve" gezin of familie of stam. Ik schrijf "primitieve" omdat binnen sommige gezinnen wel de gezinsleden elkaar voor diensten met geld of tegenprestaties betalen. Binnen die gezinnen is hetgeen van de gezinsleden is, inclusief hun kunnen en weten al geen gemeenschappelijk bezit meer. Sommige lezers kunnen zich deze natuurlijke of cultuur-situatie dus niet herinneren, ze moeten zich die denken. Wat voor mij herinnering is, is voor hen slechts denkbaar. Hun gezinssituatie was een maatschappelijke situatie, want het betalen (tegenpresteren) geldt in de maatschappij, niet in het hele leven. Zoals je ook niet kunt zeggen over het vriezen: "Zo is dat nu eenmaal op aarde." Zoals het plaatselijk op aarde is dat het soms vriest, zo is het plaatselijk in het leven (= in de door ons aangetroffen levensomstandigheden) dat er betaald (tegengepresteerd) moet worden.

Het denkbare is een goed onderwerp voor wie in zijn eentje de taal gaat gebruiken om zijn brein uit te mesten en te herprogrammeren en met kennis te vullen, om te bereiken dat hem steeds minder gaat invallen wat sommige van zijn opvoeders wensten dat hem in zou vallen. Die sommige opvoeders waren diegenen die van hem een voortzetter van hun afstellingen en doelstellingen diegenen die van hem een voortzetter van hun afstellingen en doelstellingen maar meer kindergebruikers.
Het is van belang bewust te houden dat er overal in gezinnen, scholen en verenigingen protest en tegenkrachten worden gevoed tegen het gebruiken van en strijden met de andere mensen; dat gebruiken en bestrijden van anderen noem ik 'de civilisatie vormen', 'civilisatietje spelen', 'geciviliseerd samenleven'.

In de civilisatie (voornamelijk de school dus) leerden we het vechten met taal en leerden we de taaldelen die ons mystificeren, die ons rommel doen invallen, die ons brein ertoe brengen ons rommel bewust te maken: -istische opvattingen en indelingen en neigingen bijvoorbeeld.
Een voorbeeld: voor mensen heb je alleen eigennamen en de term 'mens' nodig. Al die duizenden woorden als neger, communist, kind, vrouw, rechter, smeerlap, enz. zijn schadelijk, alleen maar schadelijk. Deze duizenden woorden zijn termen, termen die denkmiddelen, denkgereedschap zijn, wapens met name, wapens waarmee je echt vrijwel alleen kwaad kunt doen. Het ingedeeld worden van mensen is bijna altijd schadelijk voor hen of voor anderen.
Dit is een voorbeeld van de taal die we leerden en die we uit ons zouden moeten verwijderen als dat kon. Verwijderen is technisch onmogelijk en zou ons ook erg naïef en kwetsbaar maken, we zullen dit stuk denkgereedschap onschadelijk moeten maken door de uitwerking van het gebruik ervan volledig tot ons te laten doordringen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *