Ook bij dit schrijfsel zien we dat werkelijk alles als aanleiding kan dienen om te gaan schrijven, dus ook 'burenruzie'.
Meteen waaiert Jaap uit, en komen vele thema's uit zijn 'oeuvre' langs. Zijn tekst meandert voort van zijn jarenlange ergernis over 'de boomburen', naar geciviliseerden op buitenbesturing, de bijeenleving van het mensvee, het binnensoortelijk parasiteren, het geldsysteem waarbij de schijn van ruil in stand wordt gehouden.
Van bezit en onnodigs om mee te pronken, naar het rangschikken – de illusie van soevereiniteit – en de strijd om 'aan de beurt te komen'.
Ook Descartes en de Roomse Kerk – als dienaar van de Staat – moeten het andermaal ontgelden.
— Jan Schot, mei 2026
Jaap Schot, 29 december 2012
Ik heb een immense hekel aan dat getreiter van mij door de burgerij, dat mij via de boomburen gewordt, bereikt, raakt. Dat soort mensen is burger. Het zijn geciviliseerden: in de steden gehouden onderdanen, erfgenamen van de nederlaag. Ze zijn: menselijk gereedschap.
Op school onder de leerplicht – en niet zelden al eerder thuis – waar ze bevaderd werden, in gebruik genomen, gewend aan op buitenbesturing staan. En aan het uitvoeren van opdrachten, het gehoorzamen aan bevelen.
Gehoorzaamheid door conditionering
Dat gehoorzamen wordt alom afgedwongen door betalen, belonen. Skinner toonde dat bruikbaar zijn van belonen om af te richten aan. De afgerichte dieren zijn gewend aan het voorwaardelijk zijn van dienen, kunstjes of werk doen voor de baas, de sterkere. Voorwaarde om het nodige (zie Maslow) te krijgen, is voor de enkelingen binnen de mensveestapel van onze bijeenleving. Bijeenleving, niet samenleving: wij leven niet sámen. Samen vooronderstelt de afwezigheid van onderling gebruik.
De mensveestapel is uiteengeraakt.
In de vrije samenleving die voorafging aan de civilisatie – de overval door de blijvende rovers, de bijrovers, de berovers, de kolonisten – hadden de mensen onderlinge relaties. Onderlinge relaties, die geen tegengestelde belangen “kenden”.
De blijvende rovers houden mensvee
De overwinning van de kolonisten veranderde het volk in een mensveestapel. Mensvee dat gehouden werd en wordt door de machthebbers, de gevers van bevelen, opdrachten, orders. In steden die de megastallen voor ons, het vee, zijn geworden.
Zoals door dat overvallen van andere mensengroepen de mensheid – biologisch besproken – het binnensoortelijk parasiteren invoerde, uitvond, ontwikkelde, zo gebeurde er door imitatie en initiatief binnen de mensveestapel nog iets: de taartenbakker kwam.
Binnen de kortste keren wisten de kolonisten geen bevelen meer te verzinnen. Maar ze hadden geld gemaakt en in omloop gebracht. En dat geld was het waarin de macht terechtkwam (ondergebracht geraakte). De – uit hun wapens en verschrikkelijk tekeergaan, stammende – macht van de overwinnaars. De macht om te bepalen wat mocht en wat afgedwongen zou worden, moest. Het bevelen kreeg door gewoonte de vorm van betalen – er daalders bij geven, voor geven, als in ruil.
Als in ruil. Het is natuurlijk geen echte ruil, want de bestellers konden zulke bevelen tot levering en dienen gewoon (laten) schrijven. Kopen is geen ruilen. Kopen is macht uitoefenen, afpakken, dwingen – inclusief, verkrachten.
Vertoon en aan de beurt willen komen
Dat bijwonend roven, beroven, ging zover dat er tekorten aan nodigs ontstonden bij diegenen die niet dienden, in onbruik, werkloos werden. Werden, doordat heel veel productiemiddelen waren afgepakt en ‘voor het mooi’ buiten productief gebruik werden gehouden. Versailles, de mansions.
Productiegrond in onbruik laten voor vertoon van ‘dat je dat kunt, dat je de macht hebt om aan anderen dat nodige te onthouden'. Puur voor vertoon.
Ze zijn op meedoen te betrappen bij elke aanschaf/ koop van onnodigs. Zich, als trotse rechtenhebber identificerend met diegenen, via wie die regeling, die ‘orde’, hen van buitenaf bestuurt, willen ze aan de beurt komen en minderen hebben.

Als een Shylock * die af en toe in de gelegenheid komt de macht, de wet, de politie, de deurwaarders, tegen anderen te laten werken. Voor hem.
Voor hem. In tegenstelling tot wat er zijn jodenleven lang gebeurt daar: dat die wet tegen hém werkt. Hij, Shylock, heeft als Jood geen volledige burgerrechten. De boomburen hebben “gewoon” de extra rechten die vastzitten aan hun geld, hun eigendom. Net als iedereen.
Die bomen staan daar verkeerd
In hun taal zitten actief de woorden als prachtig en gekocht. Zie hun briefjes en merk het op. Zij blijven bij hun gevoel. Ze weigeren naar het onderwerp te gaan en haten mij, omdat ik het aanwees: die bomen zijn een zonnescherm voor mijn huis en mijn tuin.
Die bomen staan daar verkeerd. En dat beschaduwen van mijn huis en tuin is niet door snoeien, waar die pracht bij blijft bestaan, te verhelpen. En het is mijn schuld, het is een gevolg van mijn gedrag, dat zij dat nu ook merken.
En nu kunnen ze niet beide tegelijk doen:
- met mij als goede buren omgaan, en
- die prachtige bomen waarmee ze willen pronken en pralen met die eigendommen en genieten van hun hebben.
Hebben en tengevolge daarvan zíjn.
De burger versus Descartes
De burger leeft volgens: ik ben eigenaar, dus ik ben. En niet zoals Descartes: ik weet (= namelijk dat wat mij invalt), dus ik ben.
Hoe individueel is die Descartes, hoe bestand is zijn ‘zijn’ tegen het alleen geraken, zoals Robinson op zijn eiland. De burgerman kan daar niet tegen. Er is nergens een ander om als mindere aan te schaffen. Defoe, de schrijver van dat boek over Robinson, stuurt dan ook de neger ‘Vrijdag’, om te vertellen wat dat ‘zich een mindere aanschaffen’ aan gedrag inhoudt.
Descartes ontleende zijn status – gevoel van eigenwaarde – aan zijn gedachten, die woordenreeksen die hij uitschreef naar aanleiding van, en geleid door, wat hem inviel. Geverbaliseerd, dus begrepen, dus geappercepieerd, ingevoegd en geplaatst en wel. Halffabricaat tekst, die hij al uitschrijvend vorm gaf: een door de lezer – naar hij hoopte – gewenste.
Zo vermoed ik tenminste, dat hij werkte. Vermoeden op basis van hoe dat bij mij gaat, bij mijn uitschrijven. Willekeurig giswerk dus. “Projectie” volgens de psychoanalyse. Door die vormgeving maakte hij er ‘filosofische tekst’ van. Verkoopbaar, want voor de kost deed hij dit. Nou, het heeft gewerkt.
Burgermensen spelen 'overtreffertje'
Maar ik woon hier, naast burgermensen, stedelingen die in een buurdorp een perceel kochten met een huis erop en een tuin die klaar was. Een tuin die mede als doel had voor de vorige buren, mijn huis aan hun zicht te onttrekken. Die tuin moet suggereren dat er, achter de afscheidende – blijvend groene – grensbeplanting, verder bos is. Het feit ‘dit is een alleenstaand rijtjeshuis’ moet met deze tuin worden ontkend.
Het spel ‘zich vergelijken als eigenaar met anderen om die te overtreffen, je niet te laten overtreffen’, is net als voetbal. In de hitte van het spel, ontstaat het buitenspel en dan zijn er dáárvoor die grensrechters.
De voetbalwedstrijd is voor de zich met elkaar metende burgers, wat de heilige mis is voor de roomse gelovigen.
Kijk, zó moet het: de grenzen en regels moeten worden gehandhaafd, en wie ze overtreedt zit fout en stoort het spelverloop.
En bij de mis. Kijk, je moet de boodschap van Jezus
- (de symbolen van zijn tekst, en
- zijn consequent handelen – aanwijzen van het feitelijke uitbuiten door muntjes wisselen bij de tempel in Jeruzalem – dat zijn dood werd)
“internaliseren”, tot je door laten dringen, innemen: de hostie.
Waarom kijkt de burger naar voor de kost toppresterende anderen, naar uitblinkers, en maakt hij daarbij emoties aan?
De burger doet dat doordat hij meedoet, dat heeft hij geleerd door het nadoen van de ouderen.
Maar waartóe de burger dat doet, dat heeft hij niet bewust. Dat bewustmaken zou hem ook niet goed bekomen, niet blij maken en niet trots en zo.
Menig burger hier op het Europese vasteland heeft nog een restant van minachting van het circusachtige gebeuren op de sportvelden en zapt naar de AVRO en de NTS, waar de kunstenaar de toppresteerder is, die ter beoordeling door de burger, optreedt.
Deze zendgemachtigden helpen de burger aan oordelen, om later, elders na te zeggen. Voor zover ze zijn ‘blijven hangen’, vallen ze ‘je’ vanzelf in, verpersoonlijkend vervormd en gereduceerd en anderszins verwerkt door wat je eerder leerde.
Vermaak, toen en nu
Vroeger was er niet minder vermaak en de status van vermaak was niet lager. De spelen van de Romeinen waren een vrolijke vorm van verschrikkelijk – en vrees inboezemend – vermoorden van ongewensten.
Na de val van het Keizerrijk ging die vrolijkheid eraf. Het kruisigen werd uit het assortiment genomen en ook leeuwen om christenen aan op te voeren, hadden ze niet meer. De ongewensten werden levend verbrand of opgehangen – bomen vol, zo toont een plaatje in vrijwel alle geschiedenisboeken. Dus er was toch wat angst uit vrees en schrik onder het menselijk gebruiksvee – het tuig, zoals dat heette.
Tegenwoordig spreekt men van ‘tuig’ als het mensen (geen dieren) betreft, die zonder opdracht daartoe, komen tot activiteiten, die schrik en vrees brengen. “Ongeregeldheden”.
Die benaming ‘tuig’ blijft uit als datzelfde gedrag in opdracht wordt vertoond. Elders, en om daar te verschrikken en te intimideren. Men zegt dan ook over wat het tuig doet, ‘het lijkt wel oorlog’.
Soeverein bestaat alleen in een illusief spel
Aan de sprekers op televisie en de schrijvers waarvan ik af en toe wat lees, merk ik, dat ze het niet (in gebruik) hebben, “mijn verhaal” over dat zij het bestaan spelen van de illusie van een soeverein wiens onaanvechtbaar recht op wat hij doet (en “dus” zogenaamd ‘vrij zou willen’), welke soeverein is ondergebracht in allen die aan het kopen zijn, de koopkracht uitoefenen van hun geld.
Kopen doen die mensen, die gehouden worden (= gevangen zitten) in de mensveestapels van de verschillende geldgebieden (het Dollargebied, het Eurogebied, enzovoort). In die gebieden zijn de steden de megastallen waarin massaal mensen gehouden worden.
Ze worden daar gehouden om winst te maken op hun werken voor geld. Dat werken is dienen, dienen voor geld, geld verdienen. Het doel met al die werkende mensen is het doel van de soeverein, het in het geld ondergebracht geraakte doel te parasiteren.
Zonder zelf iets te produceren leeft de soeverein – de koopkrachtige – onbezorgd en door hen bewonderd, van
- het zich laten dienen door, en
- het afpakken van producten van
die werkende mensen.
Geweldplegen uitbesteed aan politie en justitie
Aanvankelijk, enige eeuwen lang na de onderwerping van een vrij volk, moesten de – biologisch benoemd, binnensoortelijke – parasieten nog gevechtsklaar blijven, zelf de politie en justitie zijn. Zij veroordeelden naar willekeur. Aan die willekeur was het menselijk gebruiksvee, waarin dat overwonnen volk was omgedefinieerd, overgeleverd.
Die adel was gewoon wat we later de bezetters zijn gaan noemen. Zij was het die het geld in omloop bracht, schiep, op schijven onvergankelijk materiaal met een randschrift de omvang van de dwingende macht die erin zat, als geldend bevel aan de gewapende en tot geweldplegen (recht doen, orde handhaven) bereid zijnde dienaren.
Tegenwoordig heet dat hier ‘politie en justitie’. Elders, en in andere tijden, zijn die aanduidende woorden andere, maar de zaak – want, de taak – is altijd dezelfde. Overal, in elke civilisatie. Ook een mensveehouderette (“democratie” en rechtstaat) verschilt volstrekt niet van een dictatuur waarin het mensvee is overgeleverd aan vorstelijke willekeur.
Er is niets aardigs of intelligents aan Koning Klant.
Het enige is, dat het mishandelen is geëxporteerd naar het buitenland. De honderden doden door brand en gif in het laagbetaalde werk, vallen nu in het Verre Oosten. Verder is er niets veranderd. Op de technieken en de stoffen na.
Goden en tolerantisme
Die adel was als de goden: als Pluvius het op zijn heupen had, regende het pijpenstelen en als hij lusteloos was, was het rampzalig droog. Bidden en smeken, en offers brengen en vereren, werden gedaan.
“Je wilt toch wát doen, als mens”. En omdat het na elke droogte ooit weer is gaan regenen, ging en bleef, aan deze middelen om erger te voorkomen, de schijn van ‘werkzaam zijn’ kleven.
Ook nu hier is een heel groot deel van de industrie: de aanmaak van zulke offergaven en gebaarstoffen. Zelfs de erfgenaam van het rechtzinnig protestantisme, de EO, wordt geleid door een man die letterlijk een kaarsje liet branden, aanstak, in een kerk – als vorm van zeuren om, of vereren van. Mijn god!
Mijn god is zijn god niet. Jongens, mensen, dit is toch te gek voor woorden. Jawel, voor woorden, maar niet voor het tolerantisme. Dat is de leer van het ‘moet kunnen’, het ‘láát die mensen’, het respect.
En let op: een van de lekkere vruchten van het tolerantisme is het cabaret waarin het getolereerde even bespot wordt. En dan zorgt de politiek correcte grollenboer ervoor dat heel veel van die groepen beledigd worden die rond zulke getolereerde onzin zijn gevormd. En dat geeft dan de duur aan de voorstelling.
Gisteravond was er weer een. En ja hoor, eigenlijk lucht het op. Eindelijk weer een hofnar van Keizer Kijkcijfer, die aan het hof zegt wat de hovelingen ook wel weten, maar in gedrag noch spraak mogen uiten.
Soevereiniteit zit niet in geld
De kern van de waanzin van deze mensveehouderettes hier, is gelegen in het spelen van dit illusieve spel rond die soevereiniteit die in het geld zit. Doordat wij spelen dat ie daarin zit.
Wij? Ja wij.
Want niemand kan ontsnappen aan de spelregel dat je betalen moet. En dat je om aan geld te komen, moet werken of misdadig zijn.
Misdadig bezig
- volgens ‘politie en justitie’, of
- (als illegaal, of werkloze met een uitkering; Let op: niet als rijkaard, als dát niet!!!)
volgens die mensen die binnensoortelijk parasitisme herkennen als ze het naast zich zien gebeuren.
Let op: gebeuren, niet ‘doen’.
Niemand heeft zoveel geld dat hij zich, of ons allen, van het geld vrij kan kopen.
De belangen van diegenen die zich verzetten tegen het ophouden – met dit spelen dat binnensoortelijk parasiteren onvermijdelijk is – zullen moeten worden geschaad. Ja, totaal ontkend en genegeerd. Geweld, veel geweld.
En tot nu toe hebben die parasieten het nog altijd gewonnen.
Bovenmensen en ondermensen
Arme arbeiders in het verre, ontwikkelende, deel van de wereld. Die zijn nu aan de beurt om de industriële revolutie mee te maken (= te ondergaan). En dan worden uit hun nakomelingen dus ook twee ondersoorten van de diersoort mens:
- weinig parasieten, en
- een massa werkvee
(aangeprezen door de verkopers als ‘biologische robot-computers’, zoals we hier nu al biovarkens e.d. hebben, waarvan we biologisch varkensvlees eten).
Ze, de burgers, de achter maskers – personen – schuilgaande stuks mensvee, spelen ‘wereldje’. Dat heb ik nu het afgelopen jaar toch wel helder aangewezen en van bijspraak voorzien, de herkomst en de onderscheidenheden uitgeschreven.
Voor dit werk was tijd, aandacht (om niet te zeggen, geobsedeerdheid), energie, en enige verwoordingsvaardigheid nodig.
Die vaardigheid is niet aangeboren en van dit uitvechten van mijn opstand, tegen het in mij aangebrachte begrippenapparaat van de burgerlijke beschrijving van de mens, “geniet” ik.
Vrijheid is van heel korte duur
Alle mensen worden vrij en onbevoorrecht geboren. Binnen enkele dagen worden ze genoteerd als bezit van de soeverein en hen wordt een masker gegeven, om zich – bij het mee ‘maatschappijtje’, ‘landje’, ‘wereldje’ spelen – achter te verbergen als ‘privépersoon’.
In het woord ‘privépersoon’ zit een tweetal verzinsels. Als persoon – achter je masker – het op je masker getekende, van betekenis voorzien. Van de betekenis die vereist is. Er is geen andere bron van dat vereiste dan de loop van het spelgebeuren.
In dat gebeuren spelen de bewonderaars van de overwinnaars onderling rangschikkertje. Het gewone gebruikte mensvee leert van jongs af aan juichen bij het wedstrijden van anderen. Wedstrijden is wat kemphanen en vechthonden doen, en sporters natuurlijk. Precies hetzelfde.
De binnensoortelijke parasieten gokken ononderbroken.
En wie hen bewonderen, apen ook dát na.
Het loont niet, maar er wordt een industrie – een aantal baantjes, jobs dus – mee draaiende gehouden.
Dit is aan iedereen die al lezen kan bekend. RTL 7 heet die zender op tv.
Maar het grote voordeel is dat er, naast iedere zender waar je even wat ‘vervreemde’ aandacht aan moet besteden, zo lekker veel verstrooiing is op andere kanalen.
Ik bedoel met ‘vervreemd’: bewust en opzettelijk je instellend, alsof je aan een vreemdeling – een vers kind, dat ernaar vraagt – moet uitleggen wat daar nou áchter zit, achter wat daar aan gedrag te zien is – inclusief, aan tekst te horen is.
Zodra je het goed kunt uitleggen, snap je het zelf ook.
Als je doet alsof je die uitleg aan het voorbereiden bent, dan zorg je er vanzelf voor dat je de vragen van die vreemdeling zover mogelijk vóór bent. Na enige jaren heb je dit hele verhaal niet meer nodig, analyseer je vanzelf ‘wat je ziet doordat je kijkt, aandacht erbij brengt en houdt’ zó.
De heilige leer van het geldsysteem
Burgermensen geloven in de juistheid van dat geldsysteem, sterk en zonder twijfel en met grote geloofsijver. Wat dat geloof betreft, zijn ze in het stadium van de kruistochten. Het stadium van de volle bloei, waarin de roomsigheid van de middeleeuwers was aan te treffen.
Na een handvol eeuwen moordende terreur was “het geloof” in ieders apperceptieve massa aangeleerds, actief en – zo al iets naast zich aantreffend, dan toch – restloos dominant. Wie uit enige andere opvatting handelde, bracht zich in levensgevaar.
Zo is het hier nu met die heilige leer dat, het omgaan met elkaar, kopen en leveren is. Dienen voor geld, en betalen om schuld en schuldigheid – strafbaarheid – te vermijden. Dat is de regeling, punt uit. Er is geen alternatief.
Deze god duldt geen dienen van een andere god naast zich. Dat is precies zoals bij de roomse kerkleer de Gestapogod, die ze uit de god van de christenen hebben gemaakt (theologie bedrijvend).
In de uitzendingen over de Gouden Eeuw wordt met trots verteld dat ‘wij’, de Nederlanders, toen dat – ‘investeren’, ‘risico delen’ enzovoorts, genoemde – gokken (op een goede afloop en een forse winst) hebben uitgevonden.
VOETNOTEN
*) [red.] Shylock is de rijke joodse geldschieter uit het toneelstuk De koopman van Venetië van William Shakespeare.
Voor verdere informatie verwijs ik naar de betreffende Wikipediapagina, en het artikel "De Venetiaanse jood" van Marcel Möring in De Groene Amsterdammer – 13 april 2016.
0 Reacties